Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 10 juni 2010 (België)

Publicatie datum :
10-06-2010
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
5 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20100610-2
Rolnummer :
68/2010

Samenvatting

Het Hof beslist dat het beroep tot vernietiging dat is gericht tegen artikel 3, § 4, tweede lid, van de wet van 19 december 2008 « inzake het verkrijgen en het gebruik van menselijk lichaamsmateriaal met het oog op de geneeskundige toepassing op de mens of het wetenschappelijk onderzoek », van de rol zal worden geschrapt indien geen enkel beroep tot vernietiging van artikel 26, 3°, van de wet van 23 december 2009 « houdende diverse bepalingen inzake volksgezondheid » binnen de wettelijke termijn wordt ingesteld of indien een dergelijk beroep, wanneer het wordt ingesteld, door het Hof zou worden verworpen.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 25 juni 2009 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 26 juni 2009, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 3, § 4, tweede lid, van de wet van 19 december 2008 inzake het verkrijgen en het gebruik van menselijk lichaamsmateriaal met het oog op de geneeskundige toepassing op de mens of het wetenschappelijk onderzoek (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 december 2008), door de vzw « Jurileven », met zetel te 1040 Brussel, Louis Hapstraat 198, de vzw « Pro Vita », met zetel te 1081 Brussel, Eugène Simonisplein 15, en de vzw « Jongeren voor het Leven », met zetel te 1050 Brussel, Adolphe Buyllaan 30/40.

(...)

II. In rechte

(...)

B.1.1. Bij het Hof wordt door de vzw « Jurileven », de vzw « Pro Vita » en de vzw « Jongeren voor het Leven » een beroep ingesteld dat strekt tot de vernietiging van artikel 3, § 4, tweede lid, van de wet van 19 december 2008 « inzake het verkrijgen en het gebruik van menselijk lichaamsmateriaal met het oog op de geneeskundige toepassing op de mens of het wetenschappelijk onderzoek ».

B.1.2. Het bestreden artikel 3, § 4, tweede lid, bepaalde op het ogenblik dat het beroep werd ingesteld :

« Onverminderd de wet van 6 juli 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo's en de gameten, stelt de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, de lijst van de artikelen van onderhavige wet vast die van toepassing zijn op de donatie, de wegneming, de handelingen en het gebruik wanneer gameten, gonaden, fragmenten van gonaden, embryo's of foetussen hiervan het voorwerp zijn ».

B.2.1. In zijn memorie betwist de Ministerraad het belang van de verzoekende verenigingen om in rechte te treden. Hij is immers van mening dat de wetten die reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van beroepen die door dezelfde verenigingen bij het Hof zijn ingesteld en die door het Hof ontvankelijk zijn verklaard, een ander onderwerp hebben en niet vergelijkbaar zouden zijn met de bestreden wet, zodat de motieven van de door de verzoekende verenigingen aangehaalde arresten te dezen niet zouden kunnen worden overgenomen.

B.2.2. Wanneer een vereniging zonder winstoogmerk die niet haar persoonlijk belang aanvoert, voor het Hof optreedt, is vereist dat haar maatschappelijk doel van bijzondere aard is en, derhalve, onderscheiden van het algemeen belang; dat zij een collectief belang verdedigt; dat haar maatschappelijk doel door de bestreden norm kan worden geraakt; dat ten slotte niet blijkt dat dit maatschappelijk doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd.

B.2.3. Volgens artikel 3 van haar statuten heeft de vzw « Jurileven » tot doel de eerbied voor het menselijk leven en de integriteit van de persoon, rechtssubject vanaf de conceptie en in alle stadia van zijn bestaan, te bevorderen. Wat de vzw's « Pro Vita » en « Jongeren voor het Leven » betreft, wordt hun bij artikel 3 van hun respectieve statuten als maatschappelijk doel de bevordering van de eerbied voor het menselijk leven en de integriteit van de persoon in alle stadia van zijn ontwikkeling, van de conceptie tot de natuurlijke dood, toegekend.

B.2.4. Het maatschappelijk doel van de verzoekende verenigingen is onderscheiden van het algemeen belang. Volgens artikel 3, § 1, van de wet van 19 december 2008 is zij van toepassing op de donatie, de wegneming, het verkrijgen, testen, bewerken, preserveren, bewaren, distribueren en gebruiken van menselijk lichaamsmateriaal, bestemd voor de toepassing op de mens of het wetenschappelijk onderzoek. Die handelingen worden onderworpen aan een geheel van voorwaarden die in de wet zijn opgesomd. De bestreden bepaling machtigt de Koning ertoe om de bepalingen van de wet vast te stellen die van toepassing zullen zijn op de donatie, de wegneming, de handelingen en het gebruik wanneer gameten, gonaden, fragmenten van gonaden, embryo's en foetussen daarvan het voorwerp zijn.

Een dergelijke bepaling staat niet los van het maatschappelijk doel van de verzoekende verenigingen zodat zij over het vereiste belang beschikken om de vernietiging ervan te vorderen.

B.3. Het eerste middel van het verzoekschrift is afgeleid uit de schending, door de bestreden bepaling, van artikel 22, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 105, van de Grondwet.

In een eerste onderdeel van het eerste middel wordt aangevoerd dat de juridische regeling die van toepassing is op de donatie van, de wegneming van, de handelingen met en het gebruik van gameten, gonaden, fragmenten van gonaden, embryo's en foetussen, een essentieel element vormt van het recht op het privé- en gezinsleven van de toekomstige ouders, waarvan de bescherming bij de wet moet worden verzekerd en niet aan de uitvoerende macht kan worden gedelegeerd.

In een tweede onderdeel van het eerste middel voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 22, in samenhang gelezen met artikel 105, van de Grondwet, verbiedt om het vaststellen van de juridische regeling die van toepassing is op de donatie, de wegneming, de manipulaties en het gebruik van embryo's en foetussen, aan het democratische debat te onttrekken.

Het tweede middel van het verzoekschrift is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11, in samenhang gelezen met artikel 22, van de Grondwet. De bestreden bepaling zou een onverantwoord verschil in behandeling invoeren tussen het recht op het privé- en gezinsleven van de verwekkers van embryo's in vitro en het recht op het privé- en gezinsleven van de verwekkers van embryo's en foetussen in vivo, in zoverre de laatstgenoemden, in tegenstelling tot de eerstgenoemden, geen enkele wettelijke bescherming zouden genieten, aangezien de reglementering aan de goede wil van de uitvoerende macht wordt overgelaten. Er wordt evenwel aangeklaagd dat de bestreden bepaling de Koning niet verplicht om de manipulatie van embryo's en foetussen in vivo afhankelijk te maken van het voorafgaandelijk verkrijgen van de toestemming van hun verwekkers.

Ten slotte is het derde middel van het verzoekschrift afgeleid uit de schending van artikel 22bis van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 2.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Er wordt aangeklaagd dat de bestreden bepaling de uitvoerende macht niet de verplichting oplegt om de manipulatie van embryo's en foetussen in vivo afhankelijk te maken van het voorafgaandelijk verkrijgen van de toestemming van de personen die de belangen behartigen van die kinderen die nog moeten worden geboren, namelijk hun ouders.

B.4. Aan de in de bestreden bepaling vervatte delegatie aan de Koning is uitvoering gegeven door het koninklijk besluit van 28 september 2009 « tot vaststelling van de lijst van de artikelen van de wet van 19 december 2008 inzake het verkrijgen en het gebruik van menselijk lichaamsmateriaal met het oog op de geneeskundige toepassing op de mens of het wetenschappelijk onderzoek, die van toepassing zijn op gameten, gonaden, fragmenten van gonaden, embryo's en foetaal menselijk lichaamsmateriaal » (Belgisch Staatsblad van 23 oktober 2009).

Volgens artikel 3 van het koninklijk besluit diende het besluit in werking te treden op de datum van de inwerkingtreding van de wet van 19 december 2008, namelijk « op een door de Koning te bepalen datum, en ten laatste op 14 juli 2009 », luidens artikel 46 van die wet. Die datum werd uiteindelijk uitgesteld tot 14 juli 2010 bij artikel 2 van de wet van 16 juni 2009 « tot uitstel van de datum van inwerkingtreding van de wet van 19 december 2008 inzake het verkrijgen en het gebruik van menselijk lichaamsmateriaal met het oog op de geneeskundige toepassing op de mens of het wetenschappelijk onderzoek » (Belgisch Staatsblad van 2 juli 2009).

B.5.1. Artikel 26, 3°, van de wet van 23 december 2009 « houdende diverse bepalingen inzake volksgezondheid » (Belgisch Staatsblad van 29 december 2009) vervangt het bestreden artikel 3, § 4, tweede lid, van de wet van 19 december 2008 als volgt :

« Onverminderd de bepalingen van de wet van 6 juli 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo's en de gameten, zijn de bepalingen van deze wet, met uitzondering van de artikelen 7, § 4, 8, § 1, eerste lid, 4°, en § 2, en 10, § 4, van toepassing op de donatie, de wegneming, de handelingen en het gebruik wanneer gameten, gonaden, fragmenten van gonaden, embryo's of foetussen hiervan het voorwerp zijn.

De bepaling van het tweede lid van deze paragraaf geldt niet voor artikel 4, § 1, en voor artikel 13, eerste en derde lid, in geval van wegneming van mannelijke gameten.

De bepaling van het tweede lid van deze paragraaf geldt niet voor artikel 4, § 2, in het geval van partnerdonatie van mannelijke gameten die onmiddellijk ter plaatse worden toegepast op de vrouwelijke partner met het oog op de voortplanting.

De bepaling van het tweede lid van deze paragraaf geldt niet voor artikel 20, § 2, in de gevallen het een gebruik van embryo's of foetaal menselijk lichaamsmateriaal betreft of gameten of gonaden met het oog op het tot stand brengen van embryo's ».

De vervanging van die bepaling is in de parlementaire voorbereiding als volgt verantwoord :

« Artikel 3, § 4, tweede lid, van [de] wet [van 19 december 2008] voorziet onder meer dat de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, de lijst van de artikelen van onderhavige wet vaststelt die van toepassing zijn op de donatie, de wegneming, de handelingen, en het gebruik wanneer gameten, gonaden, fragmenten van gonaden, embryo's en foetussen hiervan het voorwerp zijn.

Deze wettelijke bepaling is uitgevoerd bij het koninklijk besluit van 28 september 2009 tot vaststelling van de lijst van de artikelen van de wet van 19 december 2008 inzake het verkrijgen en het gebruik van menselijk lichaamsmateriaal met het oog op de geneeskundige toepassing van de mens of het wetenschappelijk onderzoek die van toepassing zijn op gameten, gonaden, fragmenten van gonaden, embryo's en foetaal menselijk lichaamsmateriaal.

Gelet op het feit dat de werkwijze waarbij de Koning een lijst van toepasselijke artikelen van een wet kan vaststellen, betwist wordt (Grondwettelijk Hof, rolnummer 4733), lijkt het met het oog op een maximale rechtszekerheid aangewezen om een wettelijke regeling in te stellen die bedoeld koninklijk besluit vervangt, doch dezelfde rechtsgevolgen heeft.

Het ontwerp strekt er dan ook toe, uitsluitend de artikelen van dezelfde wet te preciseren die in casu niet van toepassing zijn, met name de artikelen 7, § 4, 8, § § 1, eerste lid, 4°, en 2, en 10, § 4 » (Parl. St., Kamer, 2009-2010, DOC 52-2306/001, p. 14).

B.5.2. Bijgevolg heft artikel 36 van de wet van 23 december 2009 het voormelde koninklijk besluit van 28 september 2009 op.

Artikel 38 van dezelfde wet bepaalt dat de artikelen 26, 3°, en 36 uitwerking hebben met ingang van 1 december 2009.

B.6. Rekening houdend met het feit dat de bestreden bepaling op 14 juli 2010 in werking diende te treden maar bij artikel 26, 3°, van de wet van 23 december 2009, met ingang van 1 december 2009, is vervangen, hebben de verzoekende partijen thans geen belang bij de vernietiging van een bepaling die geen rechtsgevolgen heeft gehad. De verzoekende partijen zouden enkel nog belang hebben bij hun beroep in geval van vernietiging van artikel 26, 3°, van de wet van 23 december 2009. Daaruit volgt dat zij het belang bij hun beroep pas definitief zullen verliezen, indien het voormelde artikel 26, 3°, niet binnen de wettelijke termijn wordt bestreden of indien het beroep dat tegen die bepaling zou worden gericht, door het Hof zou worden verworpen.

Om die redenen,

het Hof

beslist dat het beroep tot vernietiging dat is gericht tegen artikel 3, § 4, tweede lid, van de wet van 19 december 2008 « inzake het verkrijgen en het gebruik van menselijk lichaamsmateriaal met het oog op de geneeskundige toepassing op de mens of het wetenschappelijk onderzoek », van de rol zal worden geschrapt indien geen enkel beroep tot vernietiging van artikel 26, 3°, van de wet van 23 december 2009 « houdende diverse bepalingen inzake volksgezondheid » binnen de wettelijke termijn wordt ingesteld of indien een dergelijk beroep, wanneer het wordt ingesteld, door het Hof zou worden verworpen.

Aldus uitgesproken in het Frans, Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 10 juni 2010.

De griffier, De voorzitter,

P.-Y. Dutilleux. M. Melchior.