Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 11 juni 2015 (België)

Publicatie datum :
11-06-2015
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
16 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20150611-2
Rolnummer :
84/2015

Samenvatting

Het Hof vernietigt de wet van 30 juli 2013 « houdende wijziging van de artikelen 2, 126 en 145 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie en van artikel 90decies van het Wetboek van strafvordering ».

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en A. Alen, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging

1. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 21 februari 2014 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 24 februari 2014, heeft de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Lemmens en Mr. J.-F. Henrotte, advocaten bij de balie te Luik, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 5 van de wet van 30 juli 2013 « houdende wijziging van de artikelen 2, 126 en 145 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie en van artikel 90decies van het Wetboek van strafvordering » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 23 augustus 2013).

2. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 24 februari 2014 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 25 februari 2014, is beroep tot vernietiging ingesteld van de voormelde wet van 30 juli 2013 door de vzw « Liga voor Mensenrechten » en de vzw « Ligue des Droits de l'Homme », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. R. Jespers, advocaat bij de balie te Antwerpen.

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 5856 en 5859 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

(...)

II. In rechte

(...)

B.1.1. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone », verzoekende partij in de zaak nr. 5856, vordert de vernietiging van artikel 5 van de wet van 30 juli 2013 « houdende wijziging van de artikelen 2, 126 en 145 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie en van artikel 90decies van het Wetboek van strafvordering ».

De vzw « Liga voor Mensenrechten » en de vzw « Ligue des Droits de l'Homme », verzoekende partijen in de zaak nr. 5859, vorderen de vernietiging van de artikelen 1 tot 7 van dezelfde wet.

B.1.2. De bestreden wet van 30 juli 2013 bepaalt :

« Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2. Deze wet zet Richtlijn 2006/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 betreffende de bewaring van gegevens die zijn gegenereerd of verwerkt in verband met het aanbieden van openbaar beschikbare elektronische communicatiediensten of van openbare communicatienetwerken en tot wijziging van Richtlijn 2002/58/EG (' Dataretentierichtlijn ') (Publicatieblad, 13 april 2006, L 105/54) en artikel 15.1 van Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (' richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie ') (Publicatieblad, 31 juli 2002, L 201/37) gedeeltelijk om in Belgisch recht.

HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie

Art. 3. Artikel 1 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie, gewijzigd bij de wet van 10 juli 2012, wordt aangevuld met een lid luidende :

' Deze wet voorziet in een gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2006/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 betreffende de bewaring van gegevens die zijn gegenereerd of verwerkt in verband met het aanbieden van openbaar beschikbare elektronische communicatiediensten of van openbare communicatienetwerken en tot wijziging van Richtlijn 2002/58/EG (" Dataretentierichtlijn ") (Publicatieblad 13 april 2006, L 105/54) en van artikel 15.1 van Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie ("richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie") (Publicatieblad, 31 juli 2002, L 201/37). '.

Art. 4. In artikel 2 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 18 mei 2009 en 10 juli 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

a) het 11° wordt vervangen door wat volgt :

' 11° "operator" : een persoon die onder de verplichting valt een kennisgeving te doen overeenkomstig artikel 9; ';

b) het artikel wordt aangevuld met een 74° luidende als volgt :

' 74° "Oproeppoging zonder resultaat" : een communicatie waarbij een oproep wel tot een verbinding heeft geleid, maar onbeantwoord is gebleven of via het netwerkbeheer is beantwoord. '.

Art. 5. Artikel 126 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :

' Art. 126. § 1. Onverminderd de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, bewaren de aanbieders van aan het publiek aangeboden vaste telefoniediensten, mobiele telefoniediensten, internettoegangdiensten, internet-e-maildiensten, of internettelefoniediensten, en de aanbieders van de onderliggende openbare elektronische-communicatienetwerken de verkeersgegevens, de locatiegegevens, de gegevens voor identificatie van de eindgebruikers, de gegevens voor identificatie van de gebruikte elektronische-communicatiedienst en de gegevens voor identificatie van de vermoedelijk gebruikte eindapparatuur, die door hen worden gegenereerd of verwerkt bij het leveren van de betreffende communicatiediensten.

Onder aanbieders in de betekenis van dit artikel worden ook de doorverkopers in eigen naam en voor eigen rekening verstaan.

Onder telefoniedienst in de betekenis van dit artikel wordt verstaan : telefoonoproepen - met inbegrip van spraakoproepen, voicemail, conference call of datacommunicatie -, aanvullende diensten - met inbegrip van call forwarding en call transfer -, en de messaging- en multimediadiensten - met inbegrip van short message service (sms), enhanced media service (EMS) en multimedia service (MMS).

De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de minister van Justitie en van de minister, en na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en van het Instituut, de krachtens het eerste lid te bewaren gegevens per type dienst alsook de vereisten waaraan deze gegevens moeten beantwoorden.

Behoudens andersluidende wettelijke bepaling, mogen geen gegevens waaruit de inhoud van de communicatie kan worden opgemaakt, bewaard worden.

De verplichting om de in het eerste lid bedoelde gegevens te bewaren, is ook van toepassing op oproeppogingen zonder resultaat, voor zover die gegevens in verband met de aanbieding van de bedoelde communicatiediensten :

1° wat de telefoniegegevens betreft, worden gegenereerd, verwerkt en opgeslagen door de aanbieders van openbare diensten voor elektronische communicatie of van een openbaar netwerk voor elektronische communicatie, of

2° wat de internetgegevens betreft, door deze aanbieders worden gelogd.

§ 2. De gegevens bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, worden bewaard met het oog op :

a) de opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten zoals bedoeld in de artikelen 46bis en 88bis van het Wetboek van strafvordering;

b) de beteugeling van kwaadwillige oproepen naar de nooddiensten, zoals bedoeld in artikel 107;

c) het onderzoek door de Ombudsdienst voor telecommunicatie naar de identiteit van de personen die kwaadwillig gebruik hebben gemaakt van een elektronische-communicatienetwerk of -dienst, zoals bedoeld in artikel 43bis, § 3, 7°, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven;

d) de vervulling van de inlichtingenopdrachten met inzet van de methoden voor het verzamelen van gegevens zoals bedoeld in de artikelen 18/7 en 18/8 van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.

De diensten- en netwerkaanbieders bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, zorgen ervoor dat de gegevens opgenomen in paragraaf 1, eerste lid, onbeperkt toegankelijk zijn vanuit België en dat deze gegevens, en alle andere daarmee verband houdende vereiste informatie onverwijld en op eenvoudig verzoek aan de autoriteiten belast met de opdrachten bedoeld in de punten a) tot d) kunnen worden meegedeeld en uitsluitend aan deze laatsten.

§ 3. De gegevens ter identificatie van de eindgebruikers, de gebruikte elektronische-communicatiedienst en de vermoedelijk gebruikte eindapparatuur worden bewaard vanaf de inschrijving op de dienst, zolang binnenkomende of uitgaande communicatie mogelijk is door middel van de dienst waarop werd ingetekend en gedurende twaalf maanden vanaf de datum van de laatste geregistreerde binnenkomende of uitgaande communicatie.

De verkeers- en localisatiegegevens worden bewaard gedurende twaalf maanden vanaf de datum van de communicatie.

De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de minister van Justitie en van de minister, en na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en van het Instituut, de gegevens die zijn onderworpen aan het eerste lid en deze die zijn onderworpen aan het tweede lid.

§ 4. Naar aanleiding van het evaluatieverslag bedoeld in paragraaf 7, kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van het Instituut en de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de bewaringstermijn van de gegevens voor bepaalde categorieën van gegevens aanpassen, zonder een termijn van meer dan 18 maanden vast te leggen.

De Koning kan, in de omstandigheden zoals bedoeld in artikel 4, § 1, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van het Instituut en van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, voor een beperkte periode, een bewaringstermijn voor de gegevens vastleggen die langer is dan twaalf maanden.

Wanneer in de omstandigheden bedoeld in het tweede lid de Koning een bewaringstermijn oplegt die langer is dan vierentwintig maanden, stelt de minister de Europese Commissie en de overige lidstaten van de Europese Unie onverwijld in kennis van alle genomen maatregelen, met vermelding van de redenen die eraan ten grondslag liggen.

§ 5. Voor de bewaring van de in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde gegevens geldt het onderstaande voor de aanbieder van een netwerk of dienst voor elektronische communicatie bedoeld in paragraaf 1, eerste lid :

1° hij garandeert dat de bewaarde gegevens dezelfde kwaliteit hebben en onderworpen worden aan dezelfde beveiligings- en beschermingsmaatregelen als de gegevens in het netwerk;

2° hij zorgt ervoor dat de bewaarde gegevens worden onderworpen aan passende technische en organisatorische maatregelen om de gegevens te beveiligen tegen vernietiging, hetzij per ongeluk, hetzij onrechtmatig, tegen verlies of wijziging per ongeluk, niet-toegelaten of onrechtmatige opslag, verwerking, toegang of openbaarmaking;

3° hij garandeert dat de toegang tot de bewaarde gegevens enkel gebeurt door een of meer leden van de Coördinatiecel Justitie bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 9 januari 2003 houdende de modaliteiten voor de wettelijke medewerkingsplicht bij gerechtelijke vorderingen met betrekking tot elektronische communicatie en door het personeel en de aangestelden van deze aanbieders die specifiek door deze cel gemachtigd zijn;

4° hij zorgt ervoor dat de gegevens na afloop van de bewaringstermijn die voor die gegevens geldt, worden vernietigd.

De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de Minister van Justitie en van de minister, en na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en van het Instituut, de technische en administratieve maatregelen die de aanbieders van diensten en netwerken beoogd in paragraaf 1, eerste lid, moeten nemen teneinde de bescherming van de bewaarde persoonsgegevens te garanderen.

De diensten- en netwerkaanbieders bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, worden beschouwd als verantwoordelijk voor de verwerking van deze gegevens in de zin van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.

§ 6. De minister en de Minister van Justitie zorgen ervoor dat jaarlijks aan de Europese Commissie en de Kamer van volksvertegenwoordigers statistische informatie wordt verstrekt over de bewaring van gegevens die zijn gegenereerd of verwerkt in verband met het aanbieden van openbaar beschikbare communicatiediensten of -netwerken. Die informatie heeft onder meer betrekking op :

1° de gevallen waarin overeenkomstig de toepasselijke wettelijke bepalingen gegevens zijn verstrekt aan de bevoegde autoriteiten;

2° de tijd die is verstreken tussen de datum waarop de gegevens zijn bewaard en de datum waarop de bevoegde autoriteiten om de overdracht ervan verzochten;

3° de gevallen waarin verzoeken niet konden worden ingewilligd.

Deze statistische informatie mag geen persoonsgegevens omvatten.

De gegevens die betrekking hebben op de toepassing van paragraaf 2, a), worden tevens bijgevoegd bij het verslag dat de Minister van Justitie overeenkomstig artikel 90decies van het Wetboek van strafvordering moet uitbrengen aan het Parlement.

De Koning bepaalt, op voorstel van de Minister van Justitie en de minister en op advies van het Instituut, de statistieken die de aanbieders van diensten of netwerken jaarlijks moeten overzenden aan het Instituut en deze die het Instituut overzendt aan de minister en aan de Minister van Justitie.

§ 7. Onverminderd het verslag bedoeld in paragraaf 6, derde lid, brengen de minister en de Minister van Justitie, twee jaar na de inwerkingtreding van het koninklijk besluit bedoeld in paragraaf 1, derde lid, aan de Kamer van volksvertegenwoordigers een evaluatieverslag uit over de toepassing van dit artikel, teneinde na te gaan of het nodig is bepalingen aan te passen, inzonderheid wat betreft de te bewaren gegevens en de bewaringstermijn. '.

Art. 6. In artikel 145 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 25 april 2007, wordt een paragraaf 3ter ingevoegd, luidende :

' § 3ter. Met geldboete van 50 euro tot 50.000 euro en met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar of met één van die straffen alleen wordt gestraft :

1° iedere persoon die, naar aanleiding van de uitoefening van zijn functie, buiten de gevallen die de wet bepaalt of zonder inachtneming van de vormen die zij voorschrijft, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de gegevens bedoeld in artikel 126 op enige manier overneemt, onder zich houdt, of er enig gebruik van maakt;

2° hij die, terwijl hij weet dat de gegevens bekomen zijn door het plegen van het misdrijf bedoeld in 1°, deze gegevens onder zich houdt, aan een andere persoon onthult of verspreidt, of er enig gebruik van maakt. '.

HOOFDSTUK 3. - Wijziging van artikel 90decies van het Wetboek van strafvordering

Art. 7. Artikel 90decies van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij de wet van 30 juni 1994 en gewijzigd bij de wetten van 8 april 2002, 7 juli 2002 en 6 januari 2003, wordt aangevuld met een lid, luidende :

' Bij dit verslag wordt tevens het verslag gevoegd dat werd opgesteld met toepassing van artikel 126, § 6, derde lid, van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie. ' ».

B.2.1. De verzoekende partij in de zaak nr. 5856 leidt een enig middel af uit de schending, door artikel 5 van de bestreden wet, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 7, 8 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

B.2.2. Het voormelde artikel 5 wordt in die zin bekritiseerd dat het de gebruikers van telecommunicatie- of elektronische communicatiediensten die onderworpen zijn aan het beroepsgeheim, waaronder met name de advocaten, en de andere gebruikers van die diensten identiek behandelt zonder rekening te houden met het bijzondere statuut van de advocaat, het fundamentele karakter van het beroepsgeheim waaraan hij onderworpen is en de noodzakelijke vertrouwensrelatie tussen hem en zijn cliënten.

De bestreden bepaling zou eveneens de rechtzoekenden die het voorwerp uitmaken van onderzoeks- of vervolgingsmaatregelen wegens feiten die mogelijk beantwoorden aan die doeleinden, en die welke niet het voorwerp uitmaken van zulke maatregelen, ten onrechte op identieke wijze behandelen.

B.3.1. Het eerste middel in de zaak nr. 5859 is afgeleid uit de schending, door artikel 5 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11, 12, 15, 22 en 29 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 5, 8, 9, 10, 11, 14, 15, 17 en 18 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7, 8, 11 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met de algemene rechtsbeginselen van rechtszekerheid, evenredigheid en « informationele zelfbeschikking », alsook met artikel 5, lid 4, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (hierna : VEU).

B.3.2. In een eerste onderdeel van het middel verwijzen de verzoekende partijen naar de conclusie van de advocaat-generaal bij het Hof van Justitie van de Europese Unie, verstrekt op 12 april 2013 in de samengevoegde zaken C-293/12 en C-594/12. In die conclusie oordeelde de advocaat-generaal dat de « Dataretentierichtlijn » in haar geheel onverenigbaar was met artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aangezien de beperkingen die zij aan de uitoefening van de grondrechten stelt door de opgelegde verplichting tot het bewaren van gegevens, niet gepaard gaan met de onmisbare beginselen die moeten gelden voor de waarborgen waarmee de toegang tot die gegevens en de exploitatie ervan behoren te zijn omkleed. De advocaat-generaal was eveneens van mening dat artikel 6 van de richtlijn onverenigbaar was met de artikelen 7 en 52, lid 1, van het Handvest, in zoverre het de lidstaten verplichtte ervoor te zorgen dat de in artikel 5 ervan bedoelde gegevens worden bewaard gedurende een termijn die tot twee jaar kan oplopen. De verzoekende partijen stellen verder nog vast dat volgens de conclusie de richtlijn onevenredig is in het licht van de noodzaak die wordt aangevoerd om de interne markt te reguleren, en bijgevolg strijdig is met artikel 5, lid 4, van het VEU.

De verzoekende partijen in de zaak nr. 5859 leiden eruit af dat, in zoverre artikel 5 van de bestreden wet de « Dataretentierichtlijn » omzet, de bestreden wet ook artikel 5, lid 4, van het VEU, alsmede de artikelen 7 en 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie schendt.

B.3.3. In een tweede onderdeel van het middel formuleren de verzoekende partijen in de zaak nr. 5859 nog acht grieven tegen artikel 5 van de bestreden wet, dat artikel 126 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie vervangt. Zo zouden de aard en de omvang van de bewaarde gegevens het recht op eerbiediging van het privéleven schenden. De verzoekende partijen verwijten de wetgever eveneens dat hij niet in aparte regels heeft voorzien voor de richtlijn 2002/58/EG en voor de richtlijn 2006/24/EG. Zij voeren nog aan dat artikel 126, § 2, d), van de wet van 13 juni 2005 zou leiden tot situaties waarbij de rechtszekerheid en het verbod van willekeur in het gedrang zouden komen en waarbij de inmenging van de overheid in de privacy, maar ook in de vrijheid van meningsuiting, in de persvrijheid en in het recht op vergadering en op vereniging onevenredig zou zijn. Er wordt ook kritiek geleverd op het gebrek aan precisie van artikel 126, § 2, a), wat de aanwijzing van een bevoegde overheid betreft, en van dezelfde bepaling in punt d) ervan, wat de beoordelingsbevoegdheid van de inlichtingendiensten betreft.

Er wordt aangevoerd, in een punt e) van het tweede onderdeel van het middel, dat de wet niet voorziet in een afdoend jurisdictioneel toezicht tegen willekeurige aantastingen door de overheid. In een punt f) voeren de verzoekende partijen aan dat het begrip « strafbaar feit » dat in de bestreden wet wordt gebruikt, niet zou beantwoorden aan het wettigheidsbeginsel, en in ieder geval onevenredig zou zijn. In punt g) van het tweede onderdeel van hetzelfde middel wordt kritiek geuit op het ontbreken van een definitie van de te bewaren gegevens per type dienst, en van vereisten waaraan die gegevens moeten beantwoorden. Ten slotte wordt de bij de bestreden wet bepaalde termijn voor bewaring van de gegevens bekritiseerd in een punt h).

B.4. In zoverre zij beide betrekking hebben op artikel 5 van de bestreden wet, dienen het enige middel in de zaak nr. 5856 en het eerste middel in de zaak nr. 5859 samen te worden onderzocht.

B.5.1. Vóór de vervanging ervan bij artikel 5 van de bestreden wet, bepaalde artikel 126 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie (hierna : de wet van 13 juni 2005) :

« § 1. Bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, stelt de Koning op voorstel van de Minister van Justitie en van de minister en na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en van het Instituut, de voorwaarden vast waaronder de operatoren de verkeersgegevens en de identificatiegegevens van eindgebruikers, registreren en bewaren, met het oog op het opsporen en de beteugeling van strafbare feiten, met het oog op de beteugeling van kwaadwillige oproepen naar de nooddiensten en met het oog op het onderzoek door de ombudsdienst voor telecommunicatie naar de identiteit van de personen die kwaadwillig gebruik hebben gemaakt van een elektronische communicatienetwerk of -dienst, evenals met het oog op de vervulling van de inlichtingsopdrachten bepaald in de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.

§ 2. De gegevens die moeten worden bewaard en de duur van de bewaring, die wat de openbare telefoniedienst betreft niet minder dan twaalf en niet meer dan zesendertig maanden mag zijn, worden door de Koning bepaald in een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en van het Instituut.

De operatoren zorgen ervoor dat de in § 1 vermelde gegevens onbeperkt toegankelijk zijn vanuit België ».

B.5.2. Zoals artikel 2 van de bestreden wet aangeeft, vormt deze de gedeeltelijke omzetting, in Belgisch recht, van de « Dataretentierichtlijn » en van artikel 15, lid 1, van de « richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie ».

In de memorie van toelichting van de wet wordt in dat verband het volgende gepreciseerd :

« Deze Richtlijn 2006/24/EG heeft tot doel de bepalingen van de lidstaten te harmoniseren in verband met de verplichtingen van de aanbieders van openbaar beschikbare elektronische-communicatiediensten of van openbare elektronische-communicatienetwerken wat betreft de bewaring van bepaalde gegevens die door die aanbieders zijn gegenereerd of verwerkt teneinde te garanderen dat die gegevens beschikbaar zijn voor het onderzoeken, opsporen en vervolgen van ernstige criminaliteit zoals gedefinieerd in de nationale wetgevingen van de lidstaten.

Richtlijn 2006/24/EG had in principe tegen 15 september 2007 omgezet moeten zijn, met uitzondering van wat betrekking heeft op de bewaring van communicatiegegevens in verband met internettoegang, internettelefonie en e-mail via het internet, waarvoor de streefdatum voor omzetting was vastgesteld op 15 maart 2009, omdat België heeft gebruikgemaakt van de in de richtlijn opgenomen mogelijkheid om uitstel te vragen.

Eind september 2012 heeft de Europese Commissie België in gebreke gesteld om de richtlijn om te zetten en de aandacht van België gevestigd op de geldboetes die het Hof van Justitie aan ons land zou kunnen opleggen wegens de onvolledige omzetting van de richtlijn. Er kan dus zeker niet langer gewacht worden en al zeker niet op een eventuele amendering van de richtlijn.

Met het oog op de omzetting in Belgisch recht van Richtlijn 2006/24/EG is een herziening noodzakelijk van de tekst van artikel 126 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie die hier en daar bepalingen bevat die niet stroken met de Europese bepalingen.

De omzetting van Richtlijn 2006/24/EG zal deels aan de hand van een wijziging van artikel 126 van de voornoemde wet van 13 juni 2005 voltooid worden en deels door de aanneming van een koninklijk besluit ter uitvoering van dat nieuwe artikel 126, zodat de lijst van te bewaren gegevens en de vereisten waaraan deze gegevens moeten beantwoorden, zullen worden vastgelegd door de Koning » (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2921/001, pp. 3-4).

B.6. Bij een arrest van 8 april 2014 van de grote kamer in antwoord op prejudiciële vragen vanwege het Hooggerechtshof van Ierland en het Grondwettelijk Hof van Oostenrijk (HvJ, C-293/12, Digital Rights Ireland Ltd en C-594/12, Kärntner Landesregierung e.a.) heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie de « Dataretentierichtlijn » ongeldig verklaard.

B.7. In zijn memorie stelt de Ministerraad vast dat, wegens het gezag van gewijsde verbonden aan de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie, iedere rechter voortaan de richtlijn 2006/24/EG als ongeldig moet beschouwen. Hij voert niettemin aan dat het voormelde arrest van het Hof van Justitie alleen een weerslag heeft op de artikelen 2 en 3 van de bestreden wet, waarin wordt aangekondigd dat de wet de richtlijn gedeeltelijk in Belgisch recht omzet. Wat artikel 5 van de bestreden wet betreft, zou men daarentegen ervan moeten uitgaan dat het niet door het arrest van het Hof van Justitie wordt geraakt en dat de lidstaten bevoegd zijn om de aangelegenheid van bewaring van gegevens te regelen, bij ontstentenis van harmonisatiemaatregelen op dat gebied.

B.8. De ondernemingen die verplicht zijn tot gegevensbewaring alsook de lijst van de te bewaren gegevens worden opgesomd in artikel 126, § 1, van de wet van 13 juni 2005, gewijzigd bij artikel 5 van de bestreden wet.

De ondernemingen die verplicht zijn tot gegevensbewaring zijn de aanbieders van aan het publiek aangeboden vaste telefoniediensten, mobiele telefoniediensten, internettoegangdiensten, internet-e-maildiensten en internettelefoniediensten, en de aanbieders van de onderliggende openbare elektronische communicatienetwerken.

Uit de parlementaire voorbereiding van de bestreden wet blijkt dat de wetgever de gebruikte terminologie heeft willen aanpassen om ze te laten overeenstemmen met die van de richtlijn 2006/24/EG, waarbij de door de wet beoogde categorieën van dienstenaanbieders overeenstemmen met die welke in de genoemde richtlijn zijn opgesomd (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2921/001, p. 12).

De te bewaren gegevens werden ook in verschillende categorieën onderverdeeld, net zoals de lijst van te bewaren gegevens die bij de richtlijn werd opgesteld (ibid., p. 13). Volgens artikel 126, § 1, van de wet van 13 juni 2005, gewijzigd bij het bestreden artikel 5, gaat het om de verkeersgegevens, de locatiegegevens, de gegevens voor identificatie van de eindgebruikers, de gegevens voor identificatie van de gebruikte elektronische communicatiedienst en de gegevens voor identificatie van de vermoedelijk gebruikte eindapparatuur, die worden gegenereerd of verwerkt bij het leveren van de betreffende communicatiediensten.

De doeleinden van die gegevensbewaring worden beschreven in paragraaf 2 van het gewijzigde artikel 126. Het gaat om de opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten zoals bedoeld in de artikelen 46bis en 88bis van het Wetboek van strafvordering, of om de beteugeling van kwaadwillige oproepen naar de nooddiensten. Het gaat eveneens erom het onderzoek mogelijk te maken, door de Ombudsdienst voor telecommunicatie, naar de identiteit van de personen die kwaadwillig gebruik hebben gemaakt van een netwerk of dienst voor elektronische communicatie, of nog de vervulling van de inlichtingenopdrachten met toepassing van de artikelen 18/7 en 18/8 van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst.

Een minimumtermijn van twaalf maanden voor de bewaring van de gegevens wordt vastgelegd bij het gewijzigde artikel 126, § 3, van de wet van 13 juni 2005, waarbij die termijn tot achttien maanden kan worden gebracht op grond van paragraaf 4 van dezelfde bepaling, en zelfs tot meer dan vierentwintig maanden in de omstandigheden bedoeld in artikel 4, § 1, in samenhang gelezen met artikel 4, § 4, tweede en derde lid, van de wet van 13 juni 2005.

Artikel 126, § 5, van de wet van 13 juni 2005, gewijzigd bij artikel 5 van de bestreden wet, belast de aanbieders van een netwerk of dienst voor elektronische communicatie ermee de kwaliteit van de bewaarde gegevens alsook de beveiliging en de bescherming ervan te waarborgen. De aanbieders moeten eveneens ervoor zorgen dat maatregelen worden genomen om de vernietiging ervan, hetzij per ongeluk, hetzij onrechtmatig, het verlies of, per ongeluk, de wijziging ervan, of een opslag, verwerking, toegang of openbaarmaking die niet zou zijn toegelaten of die onrechtmatig zou zijn, te vermijden.

De aanbieders moeten voorts waarborgen dat de toegang tot de bewaarde gegevens enkel gebeurt door een of meer leden van de Coördinatiecel Justitie bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 9 januari 2003 houdende modaliteiten voor de wettelijke medewerkingsplicht bij gerechtelijke vorderingen met betrekking tot elektronische communicatie, en door het personeel en de aangestelden van die aanbieders die door die cel gemachtigd zijn.

Ten slotte wordt de vernietiging van de bewaarde gegevens eveneens ten laste gelegd van de aanbieders.

B.9. Zoals het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft geoordeeld bij zijn voormelde arrest van 8 april 2014 (punt 34), vormt de door de artikelen 3 en 6 van de richtlijn 2006/24/EG aan aanbieders van openbaar beschikbare elektronische communicatiediensten of een openbaar communicatienetwerk opgelegde verplichting om gegevens betreffende het privéleven van een persoon en zijn communicaties, zoals die welke zijn bedoeld in artikel 5 van die richtlijn, gedurende een bepaalde tijd te bewaren, op zich een inmenging in de door artikel 7 van het Handvest gewaarborgde rechten.

Het Hof van Justitie oordeelde eveneens, in punt 35 van het arrest, dat « de toegang van de bevoegde nationale autoriteiten tot de gegevens een aanvullende inmenging in dat fundamentele recht [vormt] (zie met betrekking tot artikel 8 EVRM, arresten EHRM, Leander/Zweden, 26 maart 1987, reeks A nr. 116, § 48; Rotaru/Roemenië [Grote kamer], nr. 28341/95, § 46, CEDH 2000-V, en Weber en Saravia/Duitsland (dec.), nr. 54934/00, § 79, CEDH 2006-XI). De artikelen 4 en 8 van richtlijn 2006/24, die de toegang van de bevoegde nationale autoriteiten tot de gegevens regelen, vormen dus eveneens een inmenging in de door artikel 7 van het Handvest gewaarborgde rechten ».

Die inmenging van de richtlijn werd bijzonder zwaar genoemd (punt 37), hoewel de richtlijn niet de mogelijkheid biedt om kennis te nemen van de inhoud zelf van de bewaarde elektronische communicatie (punt 39). Bij de toetsing van de evenredigheid van de vastgestelde inmenging, heeft het Hof van Justitie het volgende geconcludeerd :

« 48. Gelet op de belangrijke rol die de bescherming van persoonsgegevens speelt in het licht van het fundamentele recht op bescherming van het privéleven, alsook op de omvang en de ernst van de door richtlijn 2006/24 veroorzaakte inmenging in dit recht is de beoordelingsbevoegdheid van de Uniewetgever in casu beperkt, zodat een strikt toezicht moet worden uitgeoefend.

49. Met betrekking tot de vraag of het door richtlijn 2006/24 nagestreefde doel kan worden verwezenlijkt door de bewaring van de gegevens, moet worden vastgesteld dat de gegevens die op grond van deze richtlijn moeten worden bewaard, gelet op het groeiende belang van elektronischecommunicatiemiddelen de nationale strafvervolgingsautoriteiten extra mogelijkheden bieden om ernstige gevallen van criminaliteit op te helderen en in die zin dus een waardevol instrument vormen bij strafonderzoeken. De bewaring van dergelijke gegevens is derhalve geschikt voor de verwezenlijking van het door deze richtlijn nagestreefde doel.

50. Aan deze beoordeling wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat er verschillende vormen van elektronische communicatie bestaan die niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 2006/24 vallen of die anonieme communicatie mogelijk maken, zoals met name Tschohl en Seitlinger alsook de Portugese regering in hun bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen hebben aangevoerd. Dit heeft weliswaar tot gevolg dat de bewaring van gegevens niet volstrekt geschikt is om het nagestreefde doel te bereiken, maar dat betekent nog niet dat deze maatregel daarvoor ongeschikt is, zoals de advocaat-generaal in punt 137 van zijn conclusie heeft opgemerkt.

51. Wat de noodzaak van de door richtlijn 2006/24 voorgeschreven bewaring van gegevens betreft, zij vastgesteld dat de bestrijding van zware criminaliteit, met name van georganiseerde misdaad en terrorisme, weliswaar van primordiaal belang is om de openbare veiligheid te waarborgen, en dat de doeltreffendheid ervan in aanzienlijke mate kan afhangen van het gebruik van moderne onderzoekstechnieken, maar dat een dergelijke doelstelling van algemeen belang, hoe wezenlijk zij ook is, op zich niet kan rechtvaardigen dat een bewaringsmaatregel zoals die welke door richtlijn 2006/24 is ingevoerd, noodzakelijk wordt geacht voor het voeren van deze strijd.

52. Wat het recht op eerbiediging van het privéleven betreft, zij opgemerkt dat de bescherming van dit fundamentele recht volgens vaste rechtspraak van het Hof hoe dan ook vereist dat de uitzonderingen op de bescherming van persoonsgegevens en de beperkingen ervan binnen de grenzen van het strikt noodzakelijke blijven (arrest IPI, C-473/12, EU: C: 2013: 715, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

53. Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de bescherming van persoonsgegevens, die uitdrukkelijk wordt voorgeschreven door artikel 8, lid 1, van het Handvest, van bijzonder belang is voor het in artikel 7 van dit Handvest verankerde recht op eerbiediging van het privéleven.

54. De betrokken Unieregeling moet dus duidelijke en precieze regels betreffende de draagwijdte en de toepassing van de betrokken maatregel bevatten die minimale vereisten opleggen, zodat de personen van wie de gegevens zijn bewaard over voldoende garanties beschikken dat hun persoonsgegevens doeltreffend worden beschermd tegen het risico van misbruik en tegen elke onrechtmatige raadpleging en elk onrechtmatig gebruik van deze gegevens (zie naar analogie met betrekking tot artikel 8 EVRM, arresten EHRM, Liberty e.a./Verenigd Koninkrijk, nr. 58243/00, § 62 en 63, van 1 juli 2008; Rotaru/Roemenië, reeds aangehaald, § 57-59, en S en Marper/Verenigd Koninkrijk, reeds aangehaald, § 99).

55. De noodzaak om over dergelijke garanties te beschikken is des te groter wanneer de persoonsgegevens, zoals is bepaald in richtlijn 2006/24, automatisch worden verwerkt en er een aanzienlijk risico bestaat dat deze gegevens op onrechtmatige wijze zullen worden geraadpleegd (zie naar analogie met betrekking tot artikel 8 EHRM, arresten EHRM, S en Marper/Verenigd Koninkrijk, reeds aangehaald, § 103, en M. K./Frankrijk, nr. 19522/09, § 35, van 18 april 2013).

56. Met betrekking tot de vraag of de inmenging die richtlijn 2006/24 meebrengt, beperkt is tot het strikt noodzakelijke, zij opgemerkt dat artikel 3 van deze richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 5, lid 1, ervan, voorschrijft om alle verkeersgegevens betreffende vaste en mobiele telefonie, internettoegang, e-mail over het internet en internettelefonie te bewaren. Deze richtlijn strekt zich dus uit tot alle wijdverspreide elektronische communicatiemiddelen, die een steeds belangrijker plaats innemen in het dagelijkse leven van de mensen. Bovendien ziet deze richtlijn ingevolge artikel 3 ervan op alle abonnees en geregistreerde gebruikers. Zij leidt dus tot inmenging in de fundamentele rechten van bijna de gehele Europese bevolking.

57. Dienaangaande zij in de eerste plaats vastgesteld dat richtlijn 2006/24 algemeen van toepassing is op alle personen, alle elektronischecommunicatiemiddelen en alle verkeersgegevens, zonder dat enig onderscheid wordt gemaakt, enige beperking wordt gesteld of enige uitzondering wordt gemaakt op basis van het doel, zware criminaliteit te bestrijden.

58. Richtlijn 2006/24 is om te beginnen algemeen van toepassing op alle personen die gebruikmaken van elektronischecommunicatiediensten, zonder dat de personen van wie de gegevens worden bewaard zich echter, zelfs niet indirect, in een situatie bevinden die aanleiding kan geven tot strafrechtelijke vervolging. Zij is dus zelfs van toepassing op personen voor wie er geen enkele aanwijzing bestaat dat hun gedrag - zelfs maar indirect of van ver - een verband vertoont met zware criminaliteit. Bovendien bevat de richtlijn geen uitzonderingen, zodat zij zelfs van toepassing is op personen van wie de communicaties volgens de nationale rechtsregels onder het zakengeheim vallen.

59. Voorts beoogt deze richtlijn weliswaar bij te dragen tot de strijd tegen zware criminaliteit, maar zij vereist geen enkel verband tussen de gegevens die moeten worden bewaard en een bedreiging van de openbare veiligheid. Zij beperkt met name de bewaring niet tot gegevens die betrekking hebben op een bepaalde periode en/of een bepaalde geografische zone en/of een kring van bepaalde personen die op een of andere wijze betrokken kunnen zijn bij zware criminaliteit, of op personen voor wie de bewaring van de gegevens om andere redenen zou kunnen helpen bij het voorkomen, opsporen of vervolgen van zware criminaliteit.

60. In de tweede plaats bevat richtlijn 2006/24 niet alleen geen beperkingen, maar ook geen objectieve criteria ter begrenzing van de toegang van de bevoegde nationale autoriteiten tot de gegevens en het latere gebruik ervan met het oog op het voorkomen, opsporen of strafrechtelijk vervolgen van inbreuken die, gelet op de omvang en de ernst van de inmenging in de door de artikelen 7 en 8 van het Handvest erkende fundamentele rechten, voldoende ernstig kunnen worden geacht om een dergelijke inmenging te rechtvaardigen. Integendeel, richtlijn 2006/24 verwijst in artikel 1, lid 1, ervan enkel op algemene wijze naar ernstige criminaliteit zoals gedefinieerd in de nationale wetgevingen van de lidstaten.

61. Bovendien bevat richtlijn 2006/24 geen materiële en procedurele voorwaarden betreffende de toegang van de bevoegde nationale autoriteiten tot de gegevens en het latere gebruik ervan. Artikel 4 van deze richtlijn, dat de toegang van deze autoriteiten tot de bewaarde gegevens regelt, bepaalt niet uitdrukkelijk dat deze toegang en het latere gebruik van de betrokken gegevens strikt gebonden zijn aan het doel, nauwkeurig afgebakende zware criminaliteit te voorkomen, op te sporen of strafrechtelijk te vervolgen, maar bepaalt enkel dat elke lidstaat de procedure en de te vervullen voorwaarden vaststelt voor toegang tot de bewaarde gegevens overeenkomstig de vereisten inzake noodzakelijkheid en evenredigheid.

62. In het bijzonder bevat richtlijn 2006/24 geen objectieve criteria op basis waarvan het aantal personen dat de bewaarde gegevens mag raadplegen en vervolgens gebruiken, kan worden beperkt tot wat strikt noodzakelijk is voor de verwezenlijking van het nagestreefde doel. Maar bovenal is de toegang van de bevoegde nationale autoriteiten tot de bewaarde gegevens niet onderworpen aan enige voorafgaande controle door een rechterlijke instantie of een onafhankelijke administratieve instantie waarvan de beslissing beoogt om de toegang tot de gegevens en het gebruik ervan te beperken tot wat strikt noodzakelijk is ter verwezenlijking van het nagestreefde doel en die uitspraak doet op een gemotiveerd verzoek van deze autoriteiten, ingediend in het kader van procedures ter voorkoming, opsporing of vervolging van strafbare feiten. Aan de lidstaten is evenmin enige specifieke verplichting opgelegd om dergelijke beperkingen vast te stellen.

63. Wat in de derde plaats de termijn betreft gedurende welke de gegevens worden bewaard, bepaalt artikel 6 van richtlijn 2006/24 dat deze gedurende ten minste zes maanden moeten worden bewaard, zonder dat enig onderscheid wordt gemaakt tussen de in artikel 5 van deze richtlijn genoemde categorieën van gegevens naargelang van het nut ervan voor het nagestreefde doel of naargelang van de betrokken personen.

64. Bovendien varieert de bewaringstermijn van ten minste zes maanden tot ten hoogste vierentwintig maanden, zonder dat wordt gepreciseerd dat deze termijn op basis van objectieve criteria moet worden vastgesteld om te waarborgen dat hij beperkt is tot wat strikt noodzakelijk is.

65. Uit het bovenstaande volgt dat richtlijn 2006/24 geen duidelijke en precieze regels bevat betreffende de omvang van de inmenging in de door de artikelen 7 en 8 van het Handvest erkende fundamentele rechten. Vastgesteld moet dus worden dat deze richtlijn een zeer ruime en bijzonder zware inmenging in deze fundamentele rechten in de rechtsorde van de Unie impliceert, zonder dat deze inmenging nauwkeurig is omkaderd door bepalingen die kunnen waarborgen dat zij daadwerkelijk beperkt is tot het strikt noodzakelijke.

66. Bovendien moet met betrekking tot de regels inzake de beveiliging en de bescherming van de gegevens die worden bewaard door de aanbieders van openbaar beschikbare elektronischecommunicatiediensten of een openbaar communicatienetwerk worden vastgesteld dat richtlijn 2006/24 onvoldoende garanties biedt dat de bewaarde gegevens doeltreffend worden beschermd tegen het risico van misbruik en tegen elke onrechtmatige raadpleging en elk onrechtmatig gebruik ervan, zoals wordt vereist door artikel 8 van het Handvest. In de eerste plaats bevat artikel 7 van richtlijn 2006/24 geen specifieke regels die aangepast zijn aan de enorme hoeveelheid gegevens die volgens deze richtlijn moeten worden bewaard, alsook aan het gevoelige karakter van deze gegevens en aan het risico dat zij op onrechtmatige wijze zullen worden geraadpleegd, en die met name ertoe strekken de bescherming en de beveiliging van de betrokken gegevens duidelijk en strikt te regelen om de volle integriteit en vertrouwelijkheid ervan te waarborgen. Bovendien is aan de lidstaten ook geen specifieke verplichting opgelegd om dergelijke regels vast te stellen ».

B.10.1. Zoals het Hof van Justitie heeft opgemerkt in de punten 56 en 57 van zijn arrest, schrijft de richtlijn voor om alle verkeersgegevens betreffende vaste en mobiele telefonie, internettoegang, e-mail over het internet en internettelefonie te bewaren, waardoor zij algemeen van toepassing is op alle personen en alle elektronische communicatiemiddelen, zonder onderscheid op basis van het doel, namelijk zware criminaliteit bestrijden, dat de Uniewetgever wilde nastreven.

De bestreden wet verschilt op dat punt niet van de richtlijn. Zoals in B.8 is vermeld, zijn immers de categorieën van gegevens die moeten worden bewaard identiek aan die welke zijn opgesomd in de richtlijn, terwijl geen enkel onderscheid wordt gemaakt met betrekking tot de betrokken personen of de bijzondere regels die moeten worden bepaald op basis van het doel van bestrijding van de inbreuken beschreven in artikel 126, § 2, van de wet van 13 juni 2005, dat bij de bestreden wet werd vervangen. Net zoals het Hof van Justitie heeft vastgesteld met betrekking tot de richtlijn (punt 58), is de wet dus ook van toepassing op personen voor wie er geen enkele aanwijzing bestaat dat hun gedrag - zelfs maar indirect of van ver - een verband vertoont met de in de bestreden wet opgesomde inbreuken. Op dezelfde wijze is de wet, zonder enige uitzondering, ook van toepassing op personen van wie de communicaties onder het beroepsgeheim vallen.

B.10.2. Niet méér dan het geval is voor de richtlijn, vereist het bestreden artikel 5 enig verband tussen de gegevens die moeten worden bewaard en een bedreiging van de openbare veiligheid. Het beperkt evenmin de bewaring van de desbetreffende gegevens tot een bepaalde periode of een bepaalde geografische zone of nog tot een kring van personen die betrokken kunnen zijn bij een door de wet beoogde inbreuk, of die zouden kunnen helpen, door het bewaren van de gegevens, bij het voorkomen, opsporen of vervolgen van die inbreuken.

B.10.3. Ook al worden de autoriteiten die gemachtigd zijn tot toegang tot de bewaarde gegevens, opgesomd in artikel 126, § 5, 3°, van de wet van 13 juni 2005, vervangen bij artikel 5 van de bestreden wet, toch wordt bij de wet geen enkele materiële of procedurele voorwaarde vastgelegd met betrekking tot die toegang.

B.10.4. Wat ten slotte de bewaarperiode van de gegevens betreft, maakt de wet geen enkel onderscheid tussen de categorieën van gegevens op basis van hun eventuele nut voor de nagestreefde doelstelling, of naar gelang van de betrokken personen.

B.11. Om dezelfde redenen als die welke het Hof van Justitie van de Europese Unie ertoe hebben gebracht de « Dataretentierichtlijn » ongeldig te verklaren, dient te worden vastgesteld dat de wetgever, met de aanneming van artikel 5 van de bestreden wet, de grenzen heeft overschreden die worden opgelegd door de eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel in het licht van de artikelen 7, 8 en 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Het voormelde artikel 5 schendt bijgevolg de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met die bepalingen. Het enige middel in de zaak nr. 5856 en het eerste middel in de zaak nr. 5859 zijn gegrond.

B.12. Wegens hun ondeelbaar karakter met artikel 5, dienen ook de artikelen 1 tot 4, 6 en 7 van de bestreden wet van 30 juli 2013, en dus de wet in haar geheel, te worden vernietigd.

B.13. Rekening houdend met het feit dat zij niet kunnen leiden tot een ruimere vernietiging, dienen de andere middelen in de zaak nr. 5859 niet te worden onderzocht.

Om die redenen,

het Hof

vernietigt de wet van 30 juli 2013 « houdende wijziging van de artikelen 2, 126 en 145 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie en van artikel 90decies van het Wetboek van strafvordering ».

Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 11 juni 2015.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

J. Spreutels