Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 14 december 2016 (België)

Publicatie datum :
14-12-2016
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
7 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20161214-6
Rolnummer :
162/2016

Samenvatting

Het Hof zegt voor recht : - Artikel 335, § 1, tweede lid, derde zin, van het Burgerlijk Wetboek schendt niet de artikelen 10, 11 en 22bis van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het in geen enkele toetsing van het belang van het kind bij de naamgeving voorziet. - Voor het overige behoeft de prejudiciële vraag geen antwoord.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en E. De Groot, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 8 januari 2016 in zake B.L. tegen S.H., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 21 januari 2016, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Luik, de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 335, § 1, van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en in het bijzonder artikel 10, derde lid, en artikel 22bis van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens,

- in zoverre het niet toestaat dat het kind de naam van de moeder of de naam van de vader en die van de moeder draagt wanneer de afstamming van vaderszijde en de afstamming van moederszijde tegelijkertijd vaststaan en de vader het niet eens is met de toekenning van de naam van de moeder of van de naam van beide ouders;

- in zoverre het in geen enkele toetsing van het belang van het kind bij de naamgeving voorziet ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. Het Hof wordt gevraagd of artikel 335, § 1, van het Burgerlijk Wetboek bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 22bis van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het niet toestaat dat het kind de naam van de moeder of de naam van de vader en die van de moeder draagt wanneer de afstamming van vaderszijde en de afstamming van moederszijde tegelijkertijd vaststaan en de vader het niet eens is met de toekenning van de naam van de moeder of van de naam van beide ouders en in zoverre het in geen enkele toetsing van het belang van het kind bij de naamgeving voorziet.

B.1.2. Uit de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het kind op 8 mei 2015 is geboren en dat het krachtens het vermoeden van vaderschap de echtgenoot van de moeder als vader heeft.

B.2.1. Artikel 335, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 2 van de wet van 8 mei 2014 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek met het oog op de invoering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen bij de wijze van naamsoverdracht aan het kind en aan de geadopteerde, bepaalde, vóór de gedeeltelijke vernietiging ervan bij het arrest nr. 2/2016 van 14 januari 2016 :

« Het kind wiens afstamming van vaderszijde en afstamming van moederszijde tegelijkertijd komen vast te staan draagt ofwel de naam van zijn vader, ofwel de naam van zijn moeder, ofwel één die samengesteld is uit hun twee namen, in de door hen gekozen volgorde met niet meer dan één naam voor elk van hen.

De ouders kiezen de naam van het kind op het ogenblik van de aangifte van de geboorte. De ambtenaar van de burgerlijke stand neemt akte van deze keuze. In geval van onenigheid of bij afwezigheid van keuze, draagt het kind de naam van de vader ».

B.2.2. Uit de bewoordingen van de prejudiciële vraag blijkt dat zij enkel betrekking heeft op artikel 335, § 1, tweede lid, derde zin, van het Burgerlijk Wetboek.

Die vraag werd bovendien gesteld vóór de uitspraak van het arrest nr. 2/2016.

B.3. Bij zijn arrest nr. 2/2016 heeft het Hof geoordeeld :

« B.6. De toekenning van een familienaam berust in hoofdzaak op overwegingen van sociaal nut. In tegenstelling tot de toekenning van de voornaam wordt zij door de wet bepaald. Die wet strekt ertoe, enerzijds, de familienaam op een eenvoudige, snelle en eenvormige wijze te bepalen en, anderzijds, aan die familienaam een zekere onveranderlijkheid te geven.

B.7.1. Anders dan het recht om een naam te dragen, kan het recht om zijn familienaam aan zijn kind te geven niet als een grondrecht worden beschouwd. Wat de regeling van de naamgeving betreft, beschikt de wetgever derhalve over een ruime beoordelingsbevoegdheid, voor zover hij het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in samenhang gelezen met het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven, in acht neemt.

B.7.2. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft geoordeeld dat

' artikel 8 van het Verdrag geen uitdrukkelijke bepaling inzake de naam bevat, maar dat als bepalend middel tot identificatie van een persoon (Johansson t. Finland, nr. 10163/02, § 37, 6 september 2007, en Daróczy t. Hongarije, nr. 44378/05, § 26, 1 juli 2008) en tot uitdrukking van een band met een gezin, de naam van een persoon niettemin zijn of haar privéleven en gezinsleven betreft. Dat de Staat en de samenleving belang erbij hebben het gebruik ervan te regelen volstaat niet om de kwestie van de naam van personen uit te sluiten van het domein van het privé- en gezinsleven, in die zin opgevat dat het in zekere mate het recht van het individu om met zijn naasten betrekkingen aan te knopen omvat (Burghartz, voormeld, § 24; Stjerna, voormeld, § 37; Ünal Tekeli, voormeld, § 42, EHRM 2004-X; Losonci Rose en Rose t. Zwitserland, nr. 664/06, § 26, 9 november 2010; Garnaga t. Oekraïne, nr. 20390/07, § 36, 16 mei 2013) ' (EHRM, 7 januari 2014, Cusan en Fazzo t. Italië, § 55).

B.7.3. Ook al kan het recht om zijn familienaam te geven niet als een grondrecht worden beschouwd, toch hebben de ouders een duidelijk en persoonlijk belang erbij om zeggenschap te hebben in het proces om de familienaam van hun kind te bepalen.

B.8.1. Vóór de wijziging ervan bij de bestreden wet, werd in artikel 335 van het Burgerlijk Wetboek de voorkeur gegeven aan de familienaam van de vader. Bij zijn arrest nr. 161/2002 van 6 november 2002 heeft het Hof geoordeeld dat die bepaling niet strijdig was met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet :

' B.5. De voorkeur voor de familienaam van de vader vindt een verklaring in de patriarchale opvattingen over de familie en het gezin die de samenleving gedurende lange tijd hebben gedomineerd. De band tussen de naam en de vaderlijke afstamming, die aanvankelijk op een gewoonterechtelijke regel steunde, werd uitdrukkelijk opgenomen in artikel 335 van het Burgerlijk Wetboek.

B.6. In de opvattingen van de huidige samenleving zouden andere regelingen aan de doelstellingen van de naamgeving kunnen beantwoorden. Die vaststelling alleen volstaat evenwel niet om de geldende regeling als discriminatoir te beschouwen '.

B.8.2. Uit het opschrift van de bestreden wet en uit de in B.2 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever de gelijkheid tussen mannen en vrouwen bij de wijze van naamsoverdracht aan het kind en aan de geadopteerde heeft willen invoeren. Daartoe heeft hij de voorrang gegeven aan de wilsautonomie van de ouders boven een systeem van naamgeving door de wetgever en heeft hij de ouders de mogelijkheid geboden ofwel een dubbele naam samengesteld uit de naam van de vader en de naam van de moeder in de door hen bepaalde volgorde ofwel de naam van de vader of die van de moeder van het kind te kiezen.

In het reeds aangehaalde arrest Cusan en Fazzo heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ' herinnerd aan het belang van vooruitgang in de richting van gelijkheid van de geslachten en van het wegwerken van elke discriminatie op grond van geslacht in de keuze van de familienaam. Het is bovendien van oordeel geweest dat de traditie om de eenheid van het gezin kenbaar te maken via het toekennen van de naam van de echtgenoot aan alle leden van dat gezin een discriminatie tegenover de vrouwen niet kan verantwoorden (zie inzonderheid Ünal Tekeli, voormeld, §§ 64-65) ' ( § 66). Het Hof preciseert voorts : ' Hoewel de regel dat aan de " wettige kinderen " de naam van de man wordt toegekend, in de praktijk noodzakelijk kan blijken en niet noodzakelijkerwijs in tegenspraak is met het Verdrag (zie, mutatis mutandis, Losonci Rose en Rose, voormeld, § 49), is de onmogelijkheid om daarvan af te wijken bij de inschrijving van de pasgeborenen in de registers van de burgerlijke stand overdreven star en discriminerend tegenover de vrouwen ' ( § 67).

B.8.3. In zoverre het bepaalt dat ' het kind wiens afstamming van vaderszijde en afstamming van moederszijde tegelijkertijd komen vast te staan [...] ofwel de naam van zijn vader [draagt], ofwel de naam van zijn moeder, ofwel één die samengesteld is uit hun twee namen, in de door hen gekozen volgorde met niet meer dan één naam voor elk van hen ' ( § 1, eerste lid) en dat ' de ouders [...] de naam van het kind [kiezen] op het ogenblik van de aangifte van de geboorte ' ( § 1, tweede lid, eerste zin), stelt het nieuwe artikel 335 van het Burgerlijk Wetboek een wijze van naamsoverdracht in die het mogelijk maakt de familienaam op eenvoudige en eenvormige wijze te bepalen bij de aangifte en aan die familienaam een bepaalde onveranderlijkheid te verlenen. De wetgever heeft bovendien erop toegezien de eenheid in de naam van broers en zussen te waarborgen (artikel 335bis van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 3 van de bestreden wet). Daarenboven vermocht de wetgever ervan uit te gaan dat de ouders zich in de beste positie bevinden om het belang van het kind te beoordelen. Die bepalingen zijn ten slotte in overeenstemming met de wil van de wetgever om de gelijkheid tussen mannen en vrouwen in te voeren.

B.8.4. Het Hof dient na te gaan of artikel 335, § 1, tweede lid, derde zin, van het Burgerlijk Wetboek bestaanbaar is met de artikelen 10, 11, 11bis, eerste lid, en 22 van de Grondwet, doordat het bepaalt dat in geval van onenigheid of bij afwezigheid van keuze, het kind de naam van de vader draagt.

B.8.5. Nu hij voor de keuze van de familienaam de voorrang geeft aan de wilsautonomie van de ouders, dient de wetgever ook de wijze te bepalen waarop de familienaam wordt toegekend voor het geval dat de ouders het oneens zijn of geen keuze maken, ook al heeft hij voor het overige erop toegezien de gevallen van onenigheid te beperken door de ouders de mogelijkheid te bieden te kiezen voor de ene of de andere familienaam of voor de twee namen in de door hen bepaalde volgorde. Het kan worden verantwoord dat hij zelf de naam vastlegt die het kind zal dragen wanneer er onenigheid of afwezigheid van keuze is, veeleer dan dienaangaande aan de rechter een beoordelingsbevoegdheid te verlenen. Het is immers in die aangelegenheid van belang de naam van een kind vanaf zijn geboorte op een eenvoudige, snelle en eenvormige wijze te bepalen. Artikel 7 van het Verdrag inzake de rechten van het kind bepaalt dienaangaande dat het kind onmiddellijk na de geboorte wordt ingeschreven en vanaf de geboorte het recht op een naam heeft.

B.8.6. Personen die zich in soortgelijke situaties bevinden, namelijk de vader en de moeder van een kind, worden door de bestreden bepaling echter verschillend behandeld aangezien in geval van onenigheid tussen de ouders of in geval van afwezigheid van keuze, het kind verplicht de naam van de vader alleen draagt. In hun recht om hun familienaam over te dragen aan hun kind worden de moeders aldus anders behandeld dan de vaders.

B.8.7. Het verschil in behandeling vervat in de bestreden bepaling is gegrond op het criterium van het geslacht van de ouders. Alleen zeer sterke overwegingen kunnen een verschil in behandeling verantwoorden dat uitsluitend op het geslacht is gegrond.

Uit de in B.2 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever de keuze voor de naam van de vader heeft verantwoord door de traditie en de wil om de hervorming geleidelijk tot een goed einde te brengen. Noch de traditie, noch de wil om geleidelijk vooruitgang te boeken kunnen worden geacht zeer sterke overwegingen te zijn die een verschil tussen de vaders en de moeders verantwoorden wanneer er onenigheid tussen de ouders of afwezigheid van keuze is, terwijl de doelstelling van de wet erin bestaat de gelijkheid van mannen en vrouwen te verwezenlijken. De bestreden bepaling kan overigens tot gevolg hebben dat aan de vader van een kind een vetorecht gegeven wordt in het geval dat de moeder van het kind de wil te kennen geeft aan dat kind haar eigen naam of een dubbele naam te geven en de vader het met die keuze niet eens is.

B.9. Artikel 335, § 1, tweede lid, derde zin, van het Burgerlijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 2 van de wet van 8 mei 2014, schendt de artikelen 10, 11 en 11bis, eerste lid, van de Grondwet en dient derhalve te worden vernietigd.

Teneinde rechtsonzekerheid te vermijden, inzonderheid gelet op de noodzaak om de naam van het kind vanaf zijn geboorte te bepalen, en om de wetgever toe te laten een nieuwe regeling aan te nemen, dienen de gevolgen van de vernietigde bepaling tot 31 december 2016 te worden gehandhaafd ».

B.4.1. Bij het voormelde arrest nr. 2/2016 heeft het Hof artikel 335, § 1, tweede lid, derde zin, van het Burgerlijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 2 van de wet van 8 mei 2014, vernietigd. Het heeft de gevolgen van die bepaling evenwel gehandhaafd tot 31 december 2016.

B.4.2. Aangezien de gevolgen van de in het geding zijnde bepaling zijn gehandhaafd, dient de verwijzende rechter die bepaling toe te passen bij het beslechten van het voor hem hangende geschil. Het Hof antwoordt op de vraag zoals ze is gesteld, in zoverre zij verschilt van de rechtsvragen die bij het arrest nr. 2/2016 zijn beslecht.

B.5. In zoverre zij ertoe strekt van het Hof te vernemen of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 22bis van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre die bepaling niet toestaat dat het kind de naam van de moeder of de naam van de vader en die van de moeder draagt wanneer de afstamming van vaderszijde en de afstamming van moederszijde tegelijkertijd vaststaan en de vader het niet eens is met de toekenning van de naam van de moeder of van de naam van beide ouders, heeft de prejudiciële vraag betrekking op een rechtsvraag die identiek is aan die welke bij het arrest nr. 2/2016 is beslecht.

Wegens de handhaving van de gevolgen waartoe in dat arrest door het Hof is beslist, behoeft de prejudiciële vraag, in die mate, geen antwoord.

B.6. In zoverre het Hof wordt gevraagd of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 22bis van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, omdat die bepaling in geen enkele toetsing van het belang van het kind bij de naamgeving voorziet, wordt een rechtsvraag voorgelegd die verschilt van die welke bij het arrest nr. 2/2016 is beslecht. Het Hof antwoordt in die mate op de prejudiciële vraag.

B.7.1. De toekenning van een familienaam berust in hoofdzaak op overwegingen van sociaal nut en wordt, in tegenstelling tot de voornaam, door de wet bepaald. Die wet strekt ertoe, enerzijds, de familienaam op een eenvoudige, snelle en eenvormige wijze te bepalen en, anderzijds, aan die familienaam een zekere onveranderlijkheid te geven.

B.7.2. Zoals het Hof bij zijn arrest nr. 2/2016 heeft geoordeeld, is de wetgever ertoe gehouden, aangezien hij voor de keuze van de familienaam de voorrang geeft aan de wilsautonomie van de ouders, de wijze te bepalen waarop de familienaam wordt toegekend voor het geval dat de ouders het oneens zijn of geen keuze maken. In dat verband is het verantwoord dat hij in dat geval zelf de naam vastlegt die het kind zal dragen, zodat die naam vanaf de geboorte van het kind wordt bepaald. Het toewijzen, aan de rechter, van de bevoegdheid om de naam van het kind toe te kennen na het belang van dat kind te hebben beoordeeld of hem toelaten de wettelijke toewijzing van de naam van het kind te wijzigen op grond van het belang van dat kind, zou afbreuk doen aan het doel dat erin bestaat de naam van een kind vanaf zijn geboorte op een eenvoudige, snelle en eenvormige wijze te bepalen. Artikel 7 van het Verdrag inzake de rechten van het kind bepaalt dienaangaande dat het kind onmiddellijk na de geboorte wordt ingeschreven en vanaf de geboorte het recht op een naam heeft.

B.7.3. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord in zoverre zij ertoe strekt van het Hof te vernemen of artikel 335, § 1, tweede lid, derde zin, van het Burgerlijk Wetboek bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 22bis van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het in geen enkele toetsing van het belang van het kind bij de naamgeving voorziet.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

- Artikel 335, § 1, tweede lid, derde zin, van het Burgerlijk Wetboek schendt niet de artikelen 10, 11 en 22bis van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het in geen enkele toetsing van het belang van het kind bij de naamgeving voorziet.

- Voor het overige behoeft de prejudiciële vraag geen antwoord.

Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 14 december 2016.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

J. Spreutels