Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 16 oktober 2014 (België)

Publicatie datum :
16-10-2014
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
6 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20141016-1
Rolnummer :
152/2014

Samenvatting

Het Hof zegt voor recht : Artikel 39, § 1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet indien het in die zin wordt geïnterpreteerd dat de arbeidsongeschikte werknemer die het werk gedeeltelijk hervat op vrijwillige basis zonder de toestemming van de adviserend geneesheer, alleen recht heeft op een opzeggingsvergoeding waarvan het bedrag is berekend op basis van het lopende loon waarop hij recht heeft voor zijn verminderde arbeidsprestaties.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en A. Alen, en de rechters E. De Groot, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût en T. Giet, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 15 oktober 2013 in zake Carmela Venti tegen de vzw « Centre de guidance d'Etterbeek », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 22 oktober 2013, heeft de Arbeidsrechtbank te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 39, § 1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in die zin geïnterpreteerd dat een werknemer die eerst deeltijds en daarna voltijds heeft gewerkt alvorens arbeidsongeschikt te worden, recht heeft op een compenserende opzeggingsvergoeding die wordt berekend op basis van het loon dat deeltijds werkelijk is geïnd, omdat hij, op de datum van verbreking van zijn arbeidsovereenkomst met vergoeding, op eigen verzoek (en zonder het optreden van de adviserende arts van zijn ziekenfonds), opnieuw deeltijds werkte en verhoudingsgewijs werd bezoldigd, zonder dat een arbeidsovereenkomst is opgemaakt die voldeed aan de bij artikel 11bis van de wet van 3 juli 1978 bepaalde vormvereisten ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid van artikel 39 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten (hierna : Arbeidsovereenkomstenwet), zoals het van toepassing was op het ogenblik van de aan de verwijzende rechter voorgelegde feiten, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Het voormelde artikel 39 bepaalde :

« § 1. Is de overeenkomst voor onbepaalde tijd gesloten, dan is de partij die de overeenkomst beëindigt zonder dringende reden of zonder inachtneming van de opzeggingstermijn vastgesteld in de artikelen 59, 82, 83, 84 en 115, gehouden de andere partij een vergoeding te betalen die gelijk is aan het lopend loon dat overeenstemt hetzij met de duur van de opzeggingstermijn, hetzij met het resterende gedeelte van die termijn. De vergoeding is nochtans steeds gelijk aan het lopend loon dat overeenstemt met de duur van de opzeggingstermijn, wanneer de opzegging uitgaat van de werkgever en met miskenning van het bepaalde in artikel 38, § 3, van deze wet of in artikel 40 van de arbeidswet van 16 maart 1971.

De opzeggingsvergoeding behelst niet alleen het lopende loon, maar ook de voordelen verworven krachtens de overeenkomst.

[...] ».

B.1.2. Het voormelde artikel 39 dient te worden gelezen in het licht van artikel 37, § 1, eerste lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet, dat onveranderd is gebleven en bepaalt :

« Is de overeenkomst voor onbepaalde tijd gesloten, dan heeft ieder der partijen het recht om die te beëindigen door opzegging aan de andere ».

B.2. Krachtens de voormelde artikelen 37 en 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet konden arbeidsovereenkomsten die voor onbepaalde tijd zijn gesloten, eenzijdig worden beëindigd door middel van een opzeggingstermijn, of, bij ontstentenis daarvan, door middel van een compenserende opzeggingsvergoeding, het ontslag om dringende reden buiten beschouwing gelaten.

Met artikel 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet beoogde de wetgever de gevolgen van een eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst enigszins af te zwakken, door de opzegging in beginsel afhankelijk te stellen van een zekere opzeggingstermijn of, bij ontstentenis daarvan, van de betaling van een compenserende opzeggingsvergoeding.

De duur van de opzeggingstermijn werd geregeld in de artikelen 59, 82, 83, 84 en 115 van de Arbeidsovereenkomstenwet, al naargelang het ging om werklieden, bedienden of dienstboden. Krachtens artikel 39, § 1, van die wet werd de compenserende opzeggingsvergoeding bepaald aan de hand van het « lopende loon », dat in beginsel overeenstemt hetzij met de duur van de opzeggingstermijn, hetzij met het resterende gedeelte van die termijn. Artikel 39, § 1, tweede lid, preciseerde dat de opzeggingsvergoeding niet alleen het lopende loon behelsde maar ook alle voordelen verworven krachtens de overeenkomst.

B.3. De verwijzende rechter vraagt het Hof of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre de arbeidsongeschikte werknemer die het werk gedeeltelijk hervat op eigen verzoek, zonder het optreden van de adviserend geneesheer van zijn ziekenfonds en bij ontstentenis van een arbeidsovereenkomst die voldoet aan de vormvoorwaarden bepaald in artikel 11bis van de Arbeidsovereenkomstenwet, recht zou hebben op een compenserende opzeggingsvergoeding berekend op basis van het loon dat hij voor zijn verminderde arbeidsprestaties heeft ontvangen.

B.4.1. De eisende partij voor de verwijzende rechter voert aan dat de prejudiciële vraag geen enkel nut heeft voor het oplossen van het geschil, omdat zij zou steunen op een verkeerde beoordeling van de feitelijke elementen van de zaak. De deeltijdse werkhervatting door die eisende partij zou immers niet op vrijwillige basis zijn gebeurd, maar wegens de ongeschiktheid om het werk voltijds te hervatten.

B.4.2. In de regel komt het het rechtscollege dat het Hof een vraag stelt, toe na te gaan of het antwoord op de prejudiciële vraag nuttig is om het aan dat rechtscollege voorgelegde geschil te beslechten. Alleen wanneer dit klaarblijkelijk niet het geval is, kan het Hof beslissen de vraag niet te beantwoorden.

B.4.3. Artikel 11bis van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalt :

« De arbeidsovereenkomst gesloten voor deeltijdse arbeid moet voor iedere werknemer afzonderlijk schriftelijk worden vastgesteld, uiterlijk op het tijdstip waarop de werknemer de uitvoering van zijn overeenkomst aanvangt.

Dit geschrift moet de overeengekomen deeltijdse arbeidsregeling en werkrooster vermelden.

[...]

Zo er geen overeenkomstig het eerste en het tweede lid gesteld geschrift is, kan de werknemer de deeltijdse arbeidsregeling en werkrooster kiezen die hem het meest gunstig zijn onder dewelke die :

- ofwel in het arbeidsreglement bepaald zijn;

- ofwel, bij ontstentenis, uit elk ander document blijken waarvan het bijhouden is opgelegd door het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten.

[...] ».

Te dezen heeft de verwijzende rechter in zijn vonnis vastgesteld dat de partijen niet betwistten dat de eiseres, bij haar ontslag, werkte in het kader van een « de facto » deeltijdse arbeidsovereenkomst, zonder dat een geschrift is opgemaakt overeenkomstig het voormelde artikel 11bis van de wet van 3 juli 1978. De verwijzende rechter heeft eveneens vastgesteld dat het ging om een arbeidsduurvermindering buiten het wettelijke kader van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen. De verwijzende rechter heeft bijgevolg geoordeeld dat de eiseres halftijds heeft willen werken, zonder enig optreden van de adviserend geneesheer van haar ziekenfonds en dat de omstandigheden die ten grondslag liggen aan het geschil, hierdoor verschilden van die van een arbeidsongeschikte werknemer die het werk gedeeltelijk hervat met de toestemming van de adviserend geneesheer van zijn ziekenfonds.

B.4.4. De kwestie van de vrijwillige deeltijdse werkhervatting door de eiseres voor de verwijzende rechter en van de gevolgen die daaruit voortvloeien ten aanzien van de kwalificatie van de arbeidsovereenkomst, vormen rechtspunten die verband houden met de grond van het aan de verwijzende rechter voorgelegde geschil en die uitsluitend onder diens bevoegdheid vallen.

Het blijkt niet dat de verwijzende rechter aan het Hof een vraag heeft gesteld die klaarblijkelijk niet relevant is om het aan hem voorgelegde geschil te beslechten.

B.4.5. De exceptie wordt verworpen.

B.5. Het Hof beperkt de draagwijdte van de gestelde vraag tot de hypothese van een arbeidsongeschikte werknemer die het werk vrijwillig deeltijds hervat en recht heeft op een compenserende opzeggingsvergoeding die berekend is op basis van het loon dat hij ontvangt in ruil voor deeltijdse arbeidsprestaties.

B.6.1. Bij zijn arrest nr. 89/2009 van 28 mei 2009 heeft het Hof geoordeeld dat artikel 39, § 1, van de Arbeidsovereenkomstenwet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schond indien het in die zin wordt geïnterpreteerd dat de arbeidsongeschikte werknemer die met toestemming van de adviserend geneesheer van zijn ziekenfonds het werk gedeeltelijk hervat, recht had op een opzeggingsvergoeding waarvan het bedrag wordt berekend op basis van het lopende loon waarop hij recht heeft voor zijn verminderde arbeidsprestaties.

Het Hof oordeelde dat het aldus geïnterpreteerde artikel 39 onevenredige gevolgen had wanneer de arbeidsongeschikte werknemer zich bevindt in een situatie van deeltijdse hervatting en derhalve van deeltijdse tewerkstelling waarvoor hij niet zelf kiest, maar waartoe hij ingevolge zijn gezondheidstoestand wordt gebracht, in tegenstelling tot de werknemer in een stelsel van deeltijdse arbeidsprestaties met toepassing van de artikelen 101 en 103 van de herstelwet van 22 januari 1985, waarover het Hof zich heeft uitgesproken bij zijn arresten nrs. 51/2008 van 13 maart 2008 en 77/2008 van 8 mei 2008.

B.6.2. Het Hof heeft evenwel geoordeeld dat artikel 39, § 1, van de Arbeidsovereenkomstenwet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt indien het in die zin wordt geïnterpreteerd dat de arbeidsongeschikte werknemer die met toestemming van de adviserend geneesheer van zijn ziekenfonds het werk gedeeltelijk hervat, recht heeft op een opzeggingsvergoeding waarvan het bedrag wordt berekend op basis van het lopende loon voor volledige arbeidsprestaties waarop hij recht heeft krachtens zijn arbeidsovereenkomst op het ogenblik van de opzegging.

B.7. Elke vorm van loopbaanvermindering door een werknemer die zijn prestaties op vrijwillige basis beperkt, wordt gekenmerkt door de vrije keuze van de werknemer.

Dat geldt niet voor de deeltijdse schorsing van een arbeidsovereenkomst als gevolg van een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, die daarentegen wordt gekenmerkt door de onmogelijkheid voor de werknemer om zijn arbeid te verrichten. Artikel 31, § 1, van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalt immers dat de onmogelijkheid voor de werknemer om zijn werk te verrichten als gevolg van een ziekte of een ongeval, de uitvoering van de overeenkomst schorst.

B.8.1. Krachtens artikel 39, § 1, van de Arbeidsovereenkomstenwet hebben alle werknemers die door de werkgever worden ontslagen zonder inachtneming van de opzeggingstermijn, recht op een opzeggingsvergoeding die gelijk is aan het lopende loon dat overeenstemt met hetzij de duur van de opzeggingstermijn, hetzij het resterende gedeelte van die termijn. Volgens de verwijzende rechter in de onderhavige zaak stemt het « lopende loon » in geval van verminderde arbeidsprestaties overeen met het werkelijk geïnde loon en niet met het vroeger geïnde voltijdse loon.

B.8.2. Artikel 101 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende de sociale bepalingen luidt :

« Wanneer de uitvoering van de arbeidsovereenkomst wordt geschorst met toepassing van de artikelen 100, eerste lid, en 100bis of wanneer de arbeidsprestaties worden verminderd met toepassing van artikel 102, § 1 en 102bis, mag de werkgever geen handeling verrichten die ertoe strekt eenzijdig een einde te maken aan de dienstbetrekking, behalve om een dringende reden als bedoeld in artikel 35 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, of om een voldoende reden.

Dit verbod gaat in :

- de dag van het akkoord of,

- de dag van de aanvraag in geval van toepassing van de artikelen 100bis en 105, § 1, evenals in alle gevallen waarbij de werknemer een recht op loopbaanonderbreking kan inroepen.

Als voldoende reden geldt een door de rechter als zodanig bevonden reden waarvan de aard en de oorsprong vreemd zijn aan de in de artikelen 100 en 100bis bedoelde schorsing of de in de artikelen 102 en 102bis bedoelde vermindering.

[...]

Dit verbod eindigt drie maanden na het einde van de schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst of de vermindering van de arbeidsprestaties.

De werkgever die, ondanks de bepalingen van het eerste lid, de arbeidsovereenkomst beëindigt zonder een dringende reden of een voldoende reden, is gehouden om aan de werknemer een forfaitaire vergoeding te betalen die gelijk is aan het loon van zes maanden, onverminderd de vergoedingen die bij een verbreking van de arbeidsovereenkomst aan de werknemer moeten worden betaald.

[...] ».

Artikel 103 van dezelfde wet bepaalt :

« De termijn van de opzegging ter kennis gebracht aan de werknemer die zijn arbeidsprestaties overeenkomstig artikel 102 en 102bis heeft verminderd, zal ingeval van eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever, worden berekend alsof de werknemer zijn arbeidsprestaties niet had verminderd. Met de duur van deze opzeggingstermijn moet eveneens rekening worden gehouden bij het vaststellen van de vergoeding, bedoeld bij artikel 39 van de wet van 3 juli 1978 ».

B.8.3. Met de aanneming van artikel 101 van de herstelwet van 22 januari 1985 heeft de wetgever een bijkomende bescherming geboden tegen ontslag aan de werknemer die zijn beroepsloopbaan onderbreekt of die zijn arbeidsprestaties vermindert, door de ontslagmogelijkheden te beperken tot een ontslag om dringende of om voldoende reden en door in geval van onrechtmatig ontslag een forfaitaire vergoeding op te leggen gelijk aan het loon van zes maanden, bovenop de eventuele compenserende ontslagvergoeding. Enerzijds, wordt aldus het risico beperkt dat de werkgever de periode van loopbaanonderbreking of verminderde arbeidsprestaties zou aangrijpen om tot ontslag over te gaan en, anderzijds, biedt het een stimulans voor meer flexibel werken en voor een herverdeling van arbeid die onder meer met de herstelwet van 22 januari 1985 worden aangemoedigd.

Artikel 103 van de herstelwet van 22 januari 1985 bepaalt eveneens dat de termijn van de opzegging ter kennis gebracht aan de werknemer die zijn arbeidsprestaties overeenkomstig de artikelen 102 en 102bis heeft verminderd - dit zijn de gevallen van deeltijdse vermindering van arbeidsprestaties met 1/5, 1/4, 1/3 of 1/2 of, bij arbeidsduurvermindering voor palliatieve bijstand, met 1/5 of 1/2 -, zal worden berekend alsof de werknemer zijn arbeidsprestaties niet had verminderd. Dat artikel bepaalt bovendien dat met de duur van die opzeggingstermijn eveneens rekening moet worden gehouden bij het vaststellen van de vergoeding bedoeld bij artikel 39 van de wet van 3 juli 1978.

Met de voormelde artikelen 101 en 103 heeft de wetgever de loopbaanonderbreking aldus voldoende aantrekkelijk willen maken door de werkzekerheid van de betrokken werknemers te waarborgen en de mogelijk onevenredige gevolgen van een ontslag tijdens of vanwege die onderbreking te matigen.

Er kan hem evenwel niet in redelijkheid worden verweten dat hij niet zover is gegaan om ook voor het bedrag van de opzeggingsvergoeding te bepalen dat moet worden uitgegaan van het basisjaarloon alsof de werknemer zijn arbeidsprestaties niet had verminderd.

B.9. Rekening houdend met de in B.8 omschreven maatregelen teneinde de werknemers te beschermen die hun arbeidsprestaties verminderen wanneer een werkgever de arbeidsovereenkomst beëindigt zonder dringende reden of om een reden waarvan de aard en de oorsprong niet vreemd zijn aan die vermindering van de arbeidsprestaties, is het immers niet zonder redelijke verantwoording het bedrag van de opzeggingsvergoeding te berekenen op basis van het lopende loon waarop de werknemer het recht heeft voor zijn verminderde arbeidsprestaties wanneer die vermindering van de prestaties een vrijwillig karakter heeft voor de werknemer.

B.10. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 39, § 1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet indien het in die zin wordt geïnterpreteerd dat de arbeidsongeschikte werknemer die het werk gedeeltelijk hervat op vrijwillige basis zonder de toestemming van de adviserend geneesheer, alleen recht heeft op een opzeggingsvergoeding waarvan het bedrag is berekend op basis van het lopende loon waarop hij recht heeft voor zijn verminderde arbeidsprestaties.

Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 16 oktober 2014.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

J. Spreutels