Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 16 september 2010 (België)

Publicatie datum :
16-09-2010
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
2 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20100916-9
Rolnummer :
105/2010

Samenvatting

Het Hof verwerpt het beroep.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 16 september 2009 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 17 september 2009, heeft de nv « Brussels Securities », met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Marnixlaan 24, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 205, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.

(...)

II. In rechte

(...)

B.1. De verzoekende partij vordert de vernietiging van artikel 205, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. In de redactie ervan die van toepassing was voor het aanslagjaar 2004 waarnaar de verzoekende partij in haar verzoekschrift verwijst, luidde die bepaling als volgt :

« § 1. Geen aftrek ingevolge artikel 202 wordt verleend ter zake van inkomsten uit activa die voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt in inrichtingen waarover de belastingplichtige in het buitenland beschikt en waarvan de winst krachtens internationale overeenkomsten tot het vermijden van dubbele belasting is vrijgesteld.

§ 2. De aftrek ingevolge artikel 202 wordt beperkt tot het bedrag van de winst van het belastbare tijdperk dat overblijft na toepassing van artikel 199, verminderd met :

1° de niet als beroepskosten aftrekbare giften, met uitzondering van de giften die in toepassing van de artikelen 199 en 200 van de winst worden afgetrokken;

2° de in artikel 53, 6° tot 11° en 14°, vermelde kosten;

3° de interesten, retributies en bezoldigingen als bedoeld in artikel 54;

4° de niet-aftrekbare interesten als bedoeld in artikel 55;

5° de werkgeversbijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood en de ermede gelijkgestelde premies van bepaalde levensverzekeringen, in zoverre die bijdragen en premies niet voldoen aan de voorwaarden en de grens gesteld in de artikelen 59 en 195, alsmede de pensioenen, renten of als zodanig geldende toelagen voor zover die sommen niet voldoen aan de voorwaarden en de grens gesteld in artikel 60;

6° 25 pct. van de kosten en de minderwaarden met betrekking tot het gebruik van in artikel 66 vermelde personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen, met uitzondering van de brandstofkosten;

7° de als winst aan te merken restorno's zoals bedoeld in artikel 189, § 1;

8° de taksen als bedoeld in artikel 198, eerste lid, 4°, 8° en 9° ».

Die bepaling werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 december 1996.

B.2. Teneinde de ontvankelijkheid van haar beroep te verantwoorden, voert de verzoekende partij artikel 4, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof aan, dat bepaalt :

« Voor de Ministerraad, voor de Regering van een Gemeenschap of van een Gewest, voor de voorzitters van de wetgevende vergaderingen op verzoek van twee derde van hun leden of voor iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die doet blijken van een belang staat een nieuwe termijn van zes maanden open voor het instellen van een beroep tot vernietiging tegen een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, wanneer het Hof, uitspraak doende op een prejudiciële vraag, verklaard heeft dat die wet, dat decreet of die in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel een van de in artikel 1 bedoelde regels of artikelen van de Grondwet schendt. De termijn gaat respectievelijk in op de datum van de kennisgeving van het door het Hof gewezen arrest aan, al naar het geval, de Eerste Minister en de voorzitters van de Regeringen en aan de voorzitters van de wetgevende vergaderingen, of op de datum van de bekendmaking van het arrest in het Belgisch Staatsblad ».

Teneinde die bepaling aan te voeren, baseert de verzoekende partij zich, bij ontstentenis van een prejudicieel arrest van het Hof dat de bestreden bepaling zou hebben afgekeurd en in het Belgisch Staatsblad zou zijn bekendgemaakt binnen een termijn van zes maanden voorafgaand aan het instellen van haar beroep, op een arrest dat op 12 februari 2009 werd uitgesproken door het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Cobelfret (C-138/07). Uit dit arrest, dat werd bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie van 4 april 2009, blijkt dat de bestreden bepaling niet bestaanbaar is met artikel 4, lid 1, eerste streepje, van de richtlijn 90/435/EEG van de Raad van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten.

B.3. Teneinde ontvankelijk te zijn, moet het verzoekschrift evenwel de bepalingen aangeven waarop het beroep tot vernietiging betrekking heeft, alsook de bepalingen die zij zouden schenden; het moet bovendien aantonen waarin die schending bestaat. De verzoekende partij geeft niet aan waarin die schending bestaat. Louter verwijzen naar het voormelde arrest Cobelfret volstaat niet om dit gebrek aan middelen te verhelpen, vermits de motieven van dat arrest en die op grond waarvan het Hof de bestreden bepaling zou kunnen vernietigen, verschillen, gelet op de respectieve bevoegdheden van het Hof van Justitie van de Europese Unie en van het Hof.

B.4. Het beroep is onontvankelijk.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt het beroep.

Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 16 september 2010.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

M. Melchior