Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 17 juli 2014 (België)

Publicatie datum :
17-07-2014
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
3 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20140717-10
Rolnummer :
115/2014

Samenvatting

Het Hof verwerpt het beroep.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters A. Alen en J. Spreutels, en de rechters J.-P. Snappe, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en R. Leysen, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 28 augustus 2013 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 29 augustus 2013, heeft de bvba « Enjoy », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Maus, advocaat bij de balie te Gent, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 6, 3°, van de wet van 11 juli 2013 tot wijziging van het systeem van fiscale regularisatie en tot invoering van een sociale regularisatie (wijziging van artikel 124, vierde lid, van de programmawet van 27 december 2005), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 12 juli 2013, derde editie.

(...)

II. In rechte

(...)

B.1. De verzoekende partij vordert de vernietiging van artikel 6, 3°, van de wet van 11 juli 2013 tot wijziging van het systeem van fiscale regularisatie en tot invoering van een sociale regularisatie (hierna : de wet van 11 juli 2013), dat bepaalt :

« In artikel 124 [van de programmawet van 27 december 2005] worden de volgende wijzigingen aangebracht :

[...]

3° het vierde lid wordt aangevuld met de woorden ' en is definitief door de Schatkist verworven. ' ».

Na de wijziging bij het bestreden artikel 6, 3°, van de wet van 11 juli 2013, bepaalt artikel 124, vierde lid, van de programmawet van 27 december 2005 :

« De betaling van de heffing moet verricht worden binnen 15 dagen volgend op de verzendingsdatum van die brief en is definitief door de Schatkist verworven ».

B.2.1. Artikel 124 van de programmawet van 27 december 2005 is opgenomen in titel VII, hoofdstuk VI (« De fiscale regularisatie »), van die wet.

Bij die programmawet werd een fiscale regularisatieprocedure ingevoerd die, in tegenstelling tot de bij de wet van 31 december 2003 ingevoerde procedure betreffende de « eenmalige bevrijdende aangifte », niet in de tijd was beperkt.

Volgens de memorie van toelichting bij het ontwerp van de programmawet van 27 december 2005 wenste « het systeem van de fiscale regularisatie [...] op een blijvende wijze aan belastingplichtigen en btw-plichtigen een mogelijkheid te bieden om hun fiscale toestand te regulariseren » (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2097/001, p. 71). Hiertoe werd aan particulieren en aan rechtspersonen de mogelijkheid gegeven « om hun fiscale toestand te regulariseren door spontaan de niet bij de fiscale administratie aangegeven inkomsten overeenkomstig de bestaande wettelijke bepalingen aan te geven, ten einde zowel fiscale als strafrechtelijke immuniteit te bekomen » (ibid., p. 71).

B.2.2. Met de wet van 11 juli 2013 wordt een einde gemaakt aan het permanente karakter van de bij de programmawet van 27 december 2005 ingevoerde regularisatieprocedure en wordt de einddatum voor het indienen van regularisatieaangiften vastgesteld op 31 december 2013 (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2874/001, p. 3).

De wet van 11 juli 2013 wijzigt ook de regularisatievoorwaarden. Die wijzigingen gelden voor de aangiften die worden ingediend vanaf 15 juli 2013 en ten laatste op 31 december 2013.

B.2.3. In de nieuwe regularisatieprocedure wordt een onderscheid gemaakt tussen fiscaal niet verjaarde inkomsten, enerzijds, en fiscaal verjaarde kapitalen, anderzijds.

Voor de categorie van de fiscaal niet verjaarde inkomsten wordt in twee types van regularisatie voorzien. De memorie van toelichting bij het ontwerp dat tot de wet van 11 juli 2013 heeft geleid, vermeldt dienaangaande :

« Aangaande de inkomsten die mogelijk kunnen worden geregulariseerd, heeft de Regering beslist om twee types van regularisatie voor te stellen.

Een eerste type van regularisatie betreft de ' kleine belastingontduikers ' die bijvoorbeeld inkomsten willen regulariseren zoals bijvoorbeeld de ontwijking van roerende voorheffing door geldsommen in het buitenland te beleggen. Deze zullen onderworpen worden aan het normale belastingtarief verhoogd met een boete van 15 procentpunten.

Een tweede type van regularisatie zal bestemd zijn voor de ' grote belastingontduikers ' die zich schuldig hebben gemaakt aan ernstige en georganiseerde fiscale fraude en aanverwante misdrijven (misbruik van vennootschapsgoederen, misbruik van vertrouwen). Deze zullen onderworpen worden aan een hoger tarief » (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2874/001, pp. 3-4).

Het eerste type van regularisatie wordt geregeld in artikel 122 van de programmawet van 27 december 2005, zoals gewijzigd bij artikel 3 van de wet van 11 juli 2013, het tweede type in artikel 122/1, § 2, van de voormelde programmawet, zoals ingevoegd bij artikel 4 van de wet van 11 juli 2013.

B.3.1. De verzoekende partij betoogt dat zij door de bestreden bepaling rechtstreeks en ongunstig zou worden geraakt, doordat de regularisatieheffing, na betaling ervan, definitief door de Schatkist zou zijn verworven en bijgevolg niet langer aanvechtbaar zou zijn, terwijl de verzoekende partij, vóór de bestreden wetswijziging, een procedure bij de rechtbank heeft ingeleid, waarbij de door haar betaalde regularisatieheffing wordt betwist.

B.3.2. Volgens de Ministerraad zou de verzoekende partij niet over het vereiste belang bij haar beroep beschikken. Haar regularisatieaangifte werd op 6 oktober 2009 ingediend en haar regularisatie werd op 24 december 2009 afgesloten, terwijl de bestreden bepaling van toepassing zou zijn op regularisatieaangiften die vanaf 15 juli 2013 worden ingediend. De regularisatieaangifte van de verzoekende partij zou volledig aan de vroegere regeling onderworpen blijven, zodat de bestreden maatregel geen weerslag zou hebben op de procedure die door de verzoekende partij, vóór de bestreden wetswijziging, bij de rechtbank aanhangig werd gemaakt.

B.4. Uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij op 6 oktober 2009 een regularisatieaangifte heeft ingediend en de desbetreffende heffing vóór de inwerkingtreding van de wet van 11 juli 2013 heeft betaald. Vermits de verzoekende partij van oordeel was dat zij, ingevolge een vergissing, te veel had aangegeven en dus ook te veel had betaald, heeft zij op 8 mei 2013 een fiscaal verzoekschrift op tegenspraak bij de rechtbank van eerste aanleg ingediend. In de loop van die procedure werd bij de wet van 11 juli 2013 met ingang van 15 juli 2013 de regelgeving inzake fiscale regularisatie gewijzigd. Op grond van het bestreden artikel 6, 3°, van die wet voert de verzoekende partij aan dat haar het recht zou worden ontzegd om op haar regularisatieaangifte terug te komen en om de regularisatieheffing te betwisten.

B.5.1. Artikel 19 van de wet van 11 juli 2013 bepaalt :

« Deze wet treedt in werking op 15 juli 2013 behalve artikel 7 dat in werking treedt op 1 januari 2014.

De regularisatieaangiften ingediend voor 15 juli 2013 zullen behandeld worden volgens de bepalingen van de programmawet van 27 december 2005 zoals die luidden alvorens te zijn gewijzigd of opgeheven door de huidige wet ».

B.5.2. Om uit te maken of de oude dan wel de nieuwe regularisatieregeling van toepassing is, dient krachtens het voormelde artikel 19 rekening te worden gehouden met de datum waarop de regularisatieaangifte wordt ingediend : de aangiften ingediend vóór 15 juli 2013 worden behandeld volgens de oude regeling, de aangiften ingediend vanaf 15 juli 2013 volgens de nieuwe regeling.

In tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij beweert, heeft artikel 19 geen terugwerkende kracht. Overigens werd de regularisatieprocedure van de verzoekende partij op 24 december 2009 volledig afgesloten ingevolge het uitreiken van een regularisatieattest. Bijgevolg vallen de regularisatieaangifte en de betaling van de heffing door de verzoekende partij niet onder het toepassingsgebied van de nieuwe regelgeving, zodat de bestreden bepaling geen weerslag kan hebben op de hangende procedure voor de rechtbank van eerste aanleg.

B.6. Het beroep is derhalve niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt het beroep.

Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 17 juli 2014.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

A. Alen