Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 17 november 2016 (België)

Publicatie datum :
17-11-2016
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
2 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20161117-7
Rolnummer :
147/2016

Samenvatting

Het Hof verwerpt de vordering tot uitlegging.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters E. De Groot en J. Spreutels, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Moerman, F. Daoût en T. Giet, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter E. De Groot,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de vordering en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 30 augustus 2016 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 31 augustus 2016, is een vordering tot uitlegging van het arrest van het Hof nr. 1/2016 van 14 januari 2016 ingesteld door de vzw « Algemene Unie van verpleegkundigen van België », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Tack, advocaat bij de balie te Brugge.

Op 21 september 2016 hebben de rechters-verslaggevers A. Alen en T. Giet, ter vervanging van rechter J.-P. Moerman, wettig verhinderd op die datum, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen het onderzoek van de zaak af te doen met een arrest gewezen op voorafgaande rechtspleging.

(...)

II. In rechte

(...)

B.1. Het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over het verzoekschrift tot uitlegging van het arrest nr. 1/2016 van 14 januari 2016. Bij zijn arrest nr. 1/2016 heeft het Hof uitspraak gedaan over de beroepen tot vernietiging van de artikelen 177 tot 187 van de wet van 10 april 2014 houdende diverse bepalingen inzake gezondheid (hierna : wet van 10 april 2014).

Bij dat arrest heeft het Hof het beroep tot vernietiging van de artikelen 177 tot 187 van de wet van 10 april 2014, zoals ingesteld door de verzoekende partij, verworpen.

B.2. Met haar vordering tot uitlegging vraagt de verzoekende partij aan het Hof de volgende passage in B.21.2 toe te lichten :

« In zoverre de verzoekende partij in de zaak nr. 6069 voor het overige aanklaagt dat verpleegkundigen geen ingrepen van niet-heelkundige esthetische geneeskunde en van esthetische heelkunde mogen verrichten, voert zij een verschil in behandeling aan dat niet voortvloeit uit de thans bestreden bepalingen ».

Zij vraagt in het bijzonder in een eerste onderdeel toe te lichten waarom het door haar opgeworpen verschil in behandeling niet uit de bestreden bepalingen zou volgen, en in een tweede onderdeel, in voorkomend geval aan te geven uit welke bepalingen het verschil in behandeling zou voortvloeien.

In het derde onderdeel vraagt zij te willen verduidelijken of uit de voormelde passage mag worden afgeleid dat verpleegkundigen die zuiver esthetische (al dan niet heelkundige) handelingen stellen, niet strafrechtelijk kunnen worden vervolgd op basis van de wet van 23 mei 2013 « tot regeling van de vereiste kwalificaties om ingrepen van niet-heelkundige esthetische geneeskunde en esthetische heelkunde uit te voeren » (hierna : wet van 23 mei 2013), zoals gewijzigd bij de bestreden bepalingen.

B.3. In het arrest wordt vermeld dat het beroep tot vernietiging uitsluitend betrekking heeft op de artikelen 177 tot 187 van de wet van 10 april 2014. Die bepalingen zijn de « thans bestreden bepalingen », bedoeld in de passage waarover uitleg wordt gevraagd.

B.4.1. Die bepalingen strekken er evenwel niet toe de artikelen 3 en 9 tot 17 van de wet van 23 mei 2013 te wijzigen door aan bepaalde beroepsbeoefenaars de bevoegdheid toe te kennen om esthetische heelkunde of niet-heelkundige esthetische geneeskunde uit te oefenen.

B.4.2. Het gegeven dat ingrepen door middel van « hulpmiddelen die een laser van klasse 4 en hoger of fel pulserend licht gebruiken » niet langer tot de niet-heelkundige esthetische geneeskunde worden gerekend (artikel 178 van de wet van 10 april 2014), dat de daarmee samenhangende bevoegdheid van schoonheidsspecialisten om « de epilatietechnieken met een laser van klasse 4 of met fel pulserend licht aan te wenden », werd opgeheven (artikel 181 van de wet van 10 april 2014) en dat « de tatoeages, piercings en epileertechnieken [...] niet onder de toepassing van [de wet van 23 mei 2013 vallen] » (artikel 180 van de wet van 10 april 2014), heeft immers enkel tot gevolg dat het verrichten van die handelingen niet langer onder het toepassingsgebied van de wet van 23 mei 2013 valt.

Aldus wordt door de bestreden bepalingen op geen enkele wijze een bevoegdheid tot het verrichten van esthetische heelkunde of niet-heelkundige esthetische geneeskunde, zoals bedoeld in de wet van 23 mei 2013, toegekend.

B.4.3. Bijgevolg is het duidelijk dat de onmogelijkheid voor verpleegkundigen om ingrepen van niet-heelkundige esthetische geneeskunde en esthetische heelkunde, zoals bedoeld in de wet van 23 mei 2013, te verrichten, reeds voortvloeit uit de bepalingen van die wet, die in de zaak nr. 6069 niet werden bestreden, noch konden worden bestreden.

B.4.4. Uit het voorgaande volgt dat noch op het eerste, noch op het tweede onderdeel van de vordering tot uitlegging dient te worden ingegaan.

B.5. Wat het derde onderdeel van haar vordering tot uitlegging betreft, stelt de verzoekende partij in wezen een vraag over de interpretatie van de wet van 23 mei 2013 en niet van het arrest.

B.6. Bijgevolg dient niet op de vordering tot uitlegging van het arrest te worden ingegaan.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt de vordering tot uitlegging.

Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 17 november 2016.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

E. De Groot