Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 17 september 2015 (België)

Publicatie datum :
17-09-2015
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
22 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20150917-2
Rolnummer :
111/2015

Samenvatting

Het Hof verwerpt het beroep.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en A. Alen, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 14 februari 2014 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 17 februari 2014, is beroep tot vernietiging ingesteld van de wet van 8 mei 2013 « tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen II » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 22 augustus 2013), en minstens van de artikelen 2 en 21 ervan, door de vzw « Association pour le droit des Etrangers », de vzw « Coordination et initiatives pour et avec les Réfugiés et Etrangers », de vzw « Ligue des Droits de l'Homme », de vzw « Vluchtelingenwerk Vlaanderen » en Florin Selhanej, allen bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. G. Ladrière, advocaat bij de balie te Brussel.

Op 12 maart 2014 hebben de rechters-verslaggevers F. Daoût en T. Merckx-Van Goey, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen het onderzoek van de zaak af te doen met een arrest gewezen op voorafgaande rechtspleging.

(...)

Bij beschikking van 24 april 2014 heeft het Hof beslist de zaak overeenkomstig de gewone rechtspleging voort te zetten

(...)

II. In rechte

(...)

B.1.1. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van de wet van 8 mei 2013 « tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen II » (hierna : de wet van 8 mei 2013) in haar geheel en minstens van de artikelen 2 en 21 ervan.

B.1.2. Uit het verzoekschrift blijkt dat het onderwerp van het beroep is beperkt tot de artikelen 2 en 21, 1°, van de bestreden wet.

Ten aanzien van het onderwerp van het beroep

Wat betreft artikel 39/2 van de wet van 15 december 1980, gewijzigd bij artikel 2 van de bestreden wet

B.2.1. Artikel 2 van de bestreden wet wijzigt artikel 39/2 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna : de wet van 15 december 1980), dat de bevoegdheden van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vaststelt.

Die bevoegdheden zijn van tweeërlei aard :

- op grond van paragraaf 1 van artikel 39/2 neemt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, wanneer hij uitspraak doet inzake asiel en subsidiaire bescherming, kennis van beroepen die zijn ingesteld tegen de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (hierna : de Commissaris-generaal);

- op grond van paragraaf 2 van dat artikel treedt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op als annulatierechter wanneer hij uitspraak doet over de overige beroepen wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht.

Bijgevolg verschillen de aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen toegekende bevoegdheden naargelang de Raad zijn bevoegdheden uitoefent op grond van paragraaf 1 dan wel paragraaf 2 van artikel 39/2. In het eerste geval gaat het om een bevoegdheid met volle rechtsmacht. In het tweede geval betreft het een wettigheidstoetsing van de beslissing.

B.2.2. Alvorens te worden gewijzigd bij de wet van 15 maart 2012 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, bepaalde artikel 39/2 van de wet van 15 december 1980 :

« § 1. De Raad doet uitspraak, bij wijze van arresten, op de beroepen die zijn ingesteld tegen de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen.

De Raad kan :

1° de bestreden beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bevestigen of hervormen;

2° de bestreden beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vernietigen hetzij omdat aan de bestreden beslissing een substantiële onregelmatigheid kleeft die door de Raad niet kan worden hersteld, hetzij omdat essentiële elementen ontbreken die inhouden dat de Raad niet kan komen tot de in 1° bedoelde bevestiging of hervorming zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen hiertoe te moeten bevelen.

In afwijking van het tweede lid, staat tegen de in artikel 57/6, eerste lid, 2° bedoelde beslissing enkel het in § 2 bepaalde annulatieberoep open.

§ 2. De Raad doet uitspraak, bij wijze van arresten als annulatierechter over de overige beroepen wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht ».

De in artikel 57/6, eerste lid, 2°, bedoelde beslissing tot niet-inoverwegingneming, bedoeld in het derde lid van het voormelde artikel 39/2 van de wet van 15 december 1980, is die waarbij de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beslist de aanvraag tot erkenning van de vluchtelingenstatus of tot het verkrijgen van de subsidiaire beschermingsstatus die is ingediend door een vreemdeling die een onderdaan is van een lidstaat van de Europese Unie of door een vreemdeling die een onderdaan is van een Staat die partij is bij een toetredingsverdrag tot de Europese Unie dat nog niet in werking is getreden, niet in overweging te nemen wanneer uit zijn verklaring niet duidelijk blijkt dat er, wat hem betreft, een gegronde vrees voor vervolging bestaat in de zin van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, zoals bepaald in artikel 48/3, of dat er zwaarwegende gronden zijn om aan te nemen dat hij een reëel risico loopt op het lijden van ernstige schade, zoals bepaald in artikel 48/4.

B.2.3. Bij artikel 2 van de wet van 15 maart 2012 werden in artikel 39/2, § 1, derde lid, van de wet van 15 december 1980 de woorden « de in artikel 57/6, eerste lid, 2° bedoelde beslissing » vervangen door de woorden « de in de artikelen 57/6, eerste lid, 2° en 57/6/1 bedoelde beslissingen ».

De in artikel 57/6/1 van de wet van 15 december 1980 bedoelde beslissing is die waarbij de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beslist de aanvraag tot erkenning van de vluchtelingenstatus of tot het verkrijgen van de subsidiaire beschermingsstatus ingediend door een onderdaan van een veilig land van herkomst of door een staatloze die voorheen in een veilig land van herkomst zijn gewone verblijfplaats had, niet in overweging te nemen. De Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen is, krachtens artikel 57/6/1 van de wet van 15 december 1980, bevoegd om die beslissing tot niet-inoverwegingneming te nemen wanneer uit de verklaringen van de asielzoeker niet duidelijk blijkt dat, wat hem betreft, een gegronde vrees voor vervolging bestaat in de zin van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, of dat er zwaarwegende gronden zijn om aan te nemen dat hij een reëel risico loopt op het lijden van ernstige schade in de zin van artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980 met betrekking tot de subsidiaire beschermingsstatus. De lijst van veilige landen van herkomst wordt, minstens eenmaal per jaar, bepaald door de Koning, overeenkomstig het tweede tot vierde lid van artikel 57/6/1 van de wet van 15 december 1980.

Krachtens de wijziging die aldus ingevolge de wet van 15 maart 2012 is doorgevoerd, kon de beslissing tot niet-inoverwegingneming van een aanvraag tot het verkrijgen van asiel of van de subsidiaire beschermingsstatus genomen door de Commissaris-generaal ten aanzien van een asielzoeker die afkomstig is uit een land dat is opgenomen in de lijst van veilige landen zoals die door de Koning is vastgesteld, niet het voorwerp uitmaken van een beroep met volle rechtsmacht voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Die beslissing kon daarentegen het voorwerp uitmaken van een annulatieberoep voor datzelfde rechtscollege.

B.2.4. Bij het arrest nr. 1/2014 van 16 januari 2014 heeft het Hof artikel 2 van de wet van 15 maart 2012 vernietigd.

B.2.5. Intussen is de bestreden wet van 8 mei 2013 aangenomen die, bij artikel 2 ervan, het derde lid van artikel 39/2, § 1, van de wet van 15 december 1980 opnieuw heeft vervangen door wat volgt :

« In afwijking van het tweede lid, staat het in § 2 bedoelde annulatieberoep open tegen :

1° de in artikel 57/6, eerste lid, 2° bedoelde beslissing tot niet-inoverwegingneming;

2° de in artikel 57/6/1, eerste lid, bedoelde beslissing tot niet-inoverwegingneming;

3° de in artikel 57/6/2 bedoelde beslissing tot niet-inoverwegingneming;

4° de in artikel 57/6/3 bedoelde beslissing tot niet-inoverwegingneming;

5° de beslissing die toepassing maakt van artikel 52, § 2, 3° tot 5°, § 3, 3°, § 4, 3° of van artikel 57/10 ».

De in artikel 57/6/2 van de wet van 15 december 1980 bedoelde beslissing is die waarbij de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beslist een nieuwe aanvraag tot erkenning van de vluchtelingenstatus of tot het verkrijgen van de subsidiaire beschermingsstatus niet in overweging te nemen, na ontvangst van het asielverzoek dat door de minister of diens gemachtigde werd overgezonden op grond van artikel 51/8, indien hij meent dat geen enkel nieuw element aan de orde is, of door de asielzoeker is voorgelegd, dat de kans aanzienlijk groter maakt dat de asielzoeker voor erkenning als vluchteling in de zin van artikel 48/3 of voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 in aanmerking komt.

De in artikel 57/6/3 van de wet van 15 december 1980 bedoelde beslissing is die waarbij de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beslist de aanvraag tot erkenning van de vluchtelingenstatus of tot het verkrijgen van de subsidiaire beschermingsstatus niet in overweging te nemen, wanneer een andere lidstaat van de Europese Unie de vluchtelingenstatus heeft toegekend aan de asielzoeker, tenzij hij elementen naar voren brengt waaruit blijkt dat hij zich niet langer kan beroepen op de bescherming die hem reeds werd toegekend.

Ten slotte is de in het 5° van artikel 21 van de bestreden wet bedoelde beslissing waarbij toepassing wordt gemaakt van artikel 52, § 2, 3° tot 5°, § 3, 3°, § 4, 3°, of van artikel 57/10 die waarbij de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beslist de aanvraag tot erkenning van de vluchtelingenstatus of tot het verkrijgen van de subsidiaire beschermingsstatus niet in overweging te nemen om formele redenen. Zulks is het geval wanneer de vreemdeling zich vrijwillig heeft onttrokken aan een bij de grens ingezette procedure, of nog wanneer de vreemdeling zich niet heeft aangemeld op de in een oproeping vastgestelde datum zonder hiervoor binnen vijftien dagen na het verstrijken van die datum geldige redenen op te geven, of geen gevolg heeft gegeven aan een verzoek om inlichtingen binnen de maand na de verzending van dit verzoek en daarvoor geen geldige reden heeft opgegeven. Zulks is ten slotte het geval wanneer de vreemdeling voor wie een terugkeercentrum is aangeduid, zich gedurende vijftien dagen onttrekt aan de meldingsplicht of nog wanneer de vreemdeling niet voldoet aan de verplichting om in België woonplaats te kiezen.

Uit de bij artikel 2 van de bestreden wet van 8 mei 2013 doorgevoerde wijziging vloeit voort dat de beslissing tot niet-inoverwegingneming van een aanvraag tot het verkrijgen van asiel of van de subsidiaire beschermingsstatus genomen door de Commissaris-generaal ten aanzien van een asielzoeker die onder een van de vijf categorieën valt die voortaan in artikel 39/2 van de wet van 15 december 1980 worden beoogd, niet het voorwerp kan uitmaken van een beroep met volle rechtsmacht voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, waarbij die beslissing daarentegen het voorwerp kan uitmaken van een annulatieberoep voor datzelfde rechtscollege.

Wat betreft artikel 39/81 van de wet van 15 december 1980, gewijzigd bij artikel 21 van de bestreden wet

B.3.1. Alvorens te worden gewijzigd bij artikel 15 van de wet van 15 maart 2012, bepaalde artikel 39/81 van de wet van 15 december 1980 :

« De annulatieprocedure verloopt op dezelfde wijze als bepaald in de artikelen :

[...]

- 39/76, § 3, eerste lid;

[...] ».

Artikel 39/76, § 3, eerste lid, waarnaar werd verwezen, bepaalde :

« De geadieerde kamervoorzitter of rechter in vreemdelingenzaken neemt een beslissing binnen de drie maanden na de ontvangst van het beroep of, indien met toepassing van artikel 39/69, § 1, het verzoekschrift geregulariseerd werd, na ontvangst van de regularisatie, of indien een rolrecht dient te worden gekwijt, vanaf de inschrijving op de rol ».

B.3.2. Bij artikel 3 van de wet van 15 maart 2012 werden de woorden « - 39/76, § 3, eerste lid; » in artikel 39/81 van de wet van 15 december 1980 vervangen door de woorden « - 39/76, § 3, eerste lid, met uitzondering van de beroepen inzake de beslissingen vermeld in de artikelen 57/6, eerste lid, 2° en 57/6/1 die overeenkomstig artikel 39/76, § 3, tweede lid, worden behandeld; ».

Artikel 39/76, § 3, waarnaar werd verwezen, bepaalde toen :

« De geadieerde kamervoorzitter of rechter in vreemdelingenzaken neemt een beslissing binnen de drie maanden na de ontvangst van het beroep of, indien met toepassing van artikel 39/69, § 1, het verzoekschrift geregulariseerd werd, na ontvangst van de regularisatie, of indien een rolrecht dient te worden gekwijt, vanaf de inschrijving op de rol.

Betreft het een beroep in een zaak die de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen overeenkomstig artikel 52, § 5, 52/2, § 1 of § 2, 3° of 4° met voorrang heeft behandeld, dan worden deze beroepen eveneens bij voorrang behandeld door de Raad. De in het eerste lid bepaalde termijn wordt ingekort tot twee maanden ».

De bij artikel 3 van de voormelde wet van 15 maart 2012 ingevoerde wijziging heeft tot gevolg gehad dat ten laste van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen waarbij een annulatieberoep tegen een in artikel 57/6, eerste lid, 2°, of in artikel 57/6/1 bedoelde beslissing is ingesteld, de verplichting werd ingevoerd om binnen een termijn van twee maanden na de ontvangst van het beroep uitspraak te doen.

B.3.3. Bij zijn arrest nr. 1/2014 van 16 januari 2014 heeft het Hof de woorden « en 57/6/1 » in artikel 39/81 van de wet van 15 december 1980, gewijzigd bij artikel 3 van de voormelde wet van 15 maart 2012, vernietigd.

B.3.4. Vooraleer dat arrest is uitgesproken, werden de woorden « en 57/6/1 » in artikel 39/81, eerste lid, van de wet van 15 december 1980 vervangen door de woorden « , 57/6/1, 57/6/2 en 57/6/3 » bij artikel 21, 1°, van de bestreden wet van 8 mei 2013.

Bij artikel 18 van de wet van 8 mei 2013 werd artikel 39/76, waarnaar artikel 39/81 van de wet van 15 december 1980 verwijst, vervangen als volgt :

« § 1. De geadieerde kamervoorzitter of de aangewezen rechter in vreemdelingenzaken onderzoekt steeds of hij de bestreden beslissing kan bevestigen of hervormen. Hij kan zich hierbij inzonderheid steunen op de beoordelingsgronden bepaald in artikel 57/6/1, eerste tot derde lid.

[...] ».

Paragraaf 3 van die bepaling is ongewijzigd gebleven.

Ten aanzien van de wet van 10 april 2014

B.4.1. Sedert de afkondiging van de bestreden wet van 8 mei 2013 werd artikel 39/2 van de wet van 15 december 1980 opnieuw gewijzigd bij artikel 16 van de wet van 10 april 2014 « houdende diverse bepalingen met betrekking tot de procedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en voor de Raad van State », bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 21 mei 2014. Met uitzondering van artikel 29 ervan, is die wet op 31 mei 2014 in werking getreden.

Artikel 39/2 van de wet van 15 december 1980, gewijzigd bij het voormelde artikel 16, bepaalt voortaan :

« § 1. De Raad doet uitspraak, bij wijze van arresten, op de beroepen die zijn ingesteld tegen de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen.

De Raad kan :

1° de bestreden beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bevestigen of hervormen;

2° de bestreden beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vernietigen hetzij omdat aan de bestreden beslissing een substantiële onregelmatigheid kleeft die door de Raad niet kan worden hersteld, hetzij omdat essentiële elementen ontbreken die inhouden dat de Raad niet kan komen tot de in 1° bedoelde bevestiging of hervorming zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen hiertoe te moeten bevelen;

3° onverminderd het bepaalde in 1° en 2°, de bestreden beslissing tot niet-inoverwegingneming van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bedoeld in artikel 57/6/1, eerste lid, of in artikel 57/6/2, eerste lid, vernietigen omdat er ernstige aanwijzingen bestaan dat de verzoeker in aanmerking zou komen voor de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling, zoals bepaald in artikel 48/3, of voor de toekenning van de subsidiaire bescherming, zoals bepaald in artikel 48/4.

In afwijking van het tweede lid, staat het in § 2 bedoelde annulatieberoep open tegen :

1° de in artikel 57/6, eerste lid, 2° bedoelde beslissing tot niet-inoverwegingneming;

2° [...];

3° [...];

4° de in artikel 57/6/3 bedoelde beslissing tot niet-inoverwegingneming;

5° de beslissing die toepassing maakt van artikel 52, § 2, 3° tot 5°, § 3, 3°, § 4, 3° of van artikel 57/10.

§ 2. De Raad doet uitspraak, bij wijze van arresten als annulatierechter over de overige beroepen wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht ».

B.4.2. Artikel 22, 1°, van de wet van 10 april 2014 heeft artikel 39/81 van de wet van 15 december 1980 eveneens gewijzigd door in het eerste lid van dat artikel de cijfers « 57/6/1, 57/6/2 » op te heffen.

B.4.3. Artikel 39/76 van de wet van 15 december 1980, waarnaar in artikel 39/81 van dezelfde wet wordt verwezen, werd eveneens gewijzigd bij artikel 20 van de wet van 10 april 2014.

Paragraaf 1 van dat artikel bepaalt voortaan :

« De geadieerde kamervoorzitter of de aangewezen rechter in vreemdelingenzaken onderzoekt steeds of hij de bestreden beslissing kan bevestigen of hervormen, behoudens wat de beslissing tot niet-inoverwegingneming betreft bedoeld in artikel 57/6/1, eerste lid, of in artikel 57/6/2, eerste lid. Hij kan zich hierbij inzonderheid steunen op de beoordelingsgronden bepaald in artikel 57/6/1, eerste tot derde lid.

[...] ».

Paragraaf 3 werd aangevuld met een derde lid dat bepaalt :

« De geadieerde kamervoorzitter of de rechter in vreemdelingenzaken die hij aanwijst, neemt een beslissing binnen dertig dagen na de ontvangst van het beroep tegen de beslissing tot niet-inoverwegingneming van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bedoeld in artikel 57/6/1, eerste lid, of in artikel 57/6/2, eerste lid, of, indien met toepassing van artikel 39/69, § 1, het verzoekschrift geregulariseerd werd, na ontvangst van de regularisatie, of, indien een rolrecht dient te worden gekwijt, vanaf de inschrijving op de rol ».

B.5.1. De wet van 10 april 2014 bevat een hoofdstuk 2 dat aan overgangsbepalingen is gewijd. Artikel 26 van die wet bepaalt :

« § 1. Voor wat de annulatieberoepen betreft die ingediend werden tegen een beslissing tot niet-inoverwegingneming bedoeld in de artikelen 57/6/1, eerste lid, en 57/6/2, eerste lid, van voormelde wet van 15 december 1980, die op de rol geplaatst zijn vóór de inwerkingtreding van deze wet en waarvoor op dat ogenblik nog geen eindarrest geveld werd, brengt de griffie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bij aangetekende zending de verzoekende partij op de hoogte van het feit dat ze een nieuw verzoekschrift kan indienen met het oog op behandeling ervan conform het gestelde in artikel 39/2, § 1, eerste en tweede lid, van de wet van 15 december 1980.

§ 2. De verzoekende partij beschikt te rekenen vanaf de kennisgeving van het in § 1 bedoelde zending, over een termijn van dertig dagen om een nieuw verzoekschrift in te dienen in de zin van § 1.

§ 3. Indien de verzoekende partij binnen de in § 2 gestelde termijn geen nieuw verzoekschrift neerlegt, doet de Raad uitspraak op basis van het oorspronkelijk ingediende verzoekschrift dat van rechtswege gelijkgesteld wordt met een beroep zoals bedoeld in artikel 39/2, § 1, eerste lid, van de wet van 15 december 1980.

Wanneer de verzoekende partij binnen de in § 2, gestelde termijn een nieuw verzoekschrift indient, wordt de verzoekende partij geacht afstand gedaan te hebben van haar initieel ingediend verzoekschrift en beslist de Raad uitsluitend op basis van het nieuwe verzoekschrift.

In de in het eerste en tweede lid bedoelde gevallen wordt de procedure verdergezet overeenkomstig de bepalingen van artikel 39/2, § 1, eerste lid, van de wet van 15 december 1980 juncto artikelen 19 en 20, 2°, van deze wet, onverminderd artikel 21 van deze wet ».

B.5.2. De wet van 10 april 2014 heeft tot gevolg dat zij twee van de door de verzoekende partijen aangeklaagde verschillen in behandeling doet verdwijnen door erin te voorzien dat een beroep met volle rechtsmacht met schorsende werking kan worden ingesteld tegen een weigering van inoverwegingneming van een asielaanvraag die uitgaat van asielzoekers die afkomstig zijn uit een als veilig beschouwd land, alsook van een meervoudige asielaanvraag.

Aangezien het verschil in behandeling is opgeheven bij de wet van 10 april 2014 ten aanzien van de vijfde verzoekende partij en aangezien die wet, overeenkomstig artikel 26 ervan, van toepassing is op de door die verzoekende partij bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ingestelde procedure, doet de vijfde verzoekende partij niet meer blijken van het rechtens vereiste belang

Het verschil in behandeling dat is aangeklaagd ten aanzien van de drie andere categorieën van asielzoekers bedoeld in artikel 39/2, § 1, van de wet van 15 december 1980 blijft evenwel bestaan, zodat de andere verzoekende partijen hun belang behouden.

Ten aanzien van het enige middel

B.6. De verzoekende partijen leiden een middel af uit de schending van de artikelen 10, 11, 13, 23 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna : het VWEU), met name artikel 288 ervan, met het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 « betreffende de status van vluchtelingen », met name de artikelen 1, 3 en 33 ervan, met het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met name de artikelen 6 en 13 ervan, met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna : het Handvest), met name de artikelen 1, 18 en 47 ervan, met de richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 « betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus » (hierna : de Procedurerichtlijn), met name de artikelen 23 en 39 ervan, met de richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 « betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking) » (hierna : de Herschikte Procedurerichtlijn), met name de artikelen 31 en 46 ervan, met de richtlijn 2003/9/EG van de Raad van 27 januari 2003 « tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten » (hierna : de Opvangrichtlijn), met name de artikelen 13, 14 en 15 ervan, met de richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 « tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (herschikking) » (hierna : de Herschikte Opvangrichtlijn), met name de artikelen 17, 18 en 19 ervan, met de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen (hierna : de Opvangwet), met name de artikelen 3, 6 en 33 ervan, en, ten slotte, met het algemeen beginsel van het recht op toegang tot een rechter zoals vastgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie, alsook met het beginsel van rechtszekerheid en van het gewettigd vertrouwen.

B.7.1. De Ministerraad werpt de gedeeltelijke niet-ontvankelijkheid van het middel op om reden dat de verzoekende partijen niet zouden uiteenzetten in welk opzicht de artikelen 1, 3 en 33 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, artikel 288 van het VWEU, de artikelen 13, 14 en 15 van de Opvangrichtlijn en de artikelen 17, 18 en 19 van de Herschikte Opvangrichtlijn zouden zijn geschonden.

B.7.2. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden geschonden zijn, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden.

B.7.3. Uit de uiteenzetting van het enige middel blijkt dat de verzoekende partijen niet uiteenzetten in welk opzicht de bestreden bepalingen daadwerkelijk afbreuk zouden doen aan de door de Ministerraad aangehaalde internationale bepalingen. De verzoekende partijen zetten evenmin uiteen in welk opzicht de bestreden bepalingen afbreuk zouden doen aan de artikelen 13 en 23 van de Grondwet, alsook aan de artikelen 1 en 18 van het Handvest, aan artikel 23 van de Procedurerichtlijn, aan artikel 31 van de Herschikte Procedurerichtlijn en aan de artikelen 3, 6 en 33 van de Opvangwet. Overigens is het Hof niet bevoegd om de bestreden bepalingen aan die wet te toetsen. Daaruit vloeit voort dat het middel, in zoverre de schending ervan wordt aangevoerd, zij het in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, niet ontvankelijk is.

B.8.1. De Ministerraad voert eveneens aan dat artikel 191 van de Grondwet enkel dienstig kan worden aangevoerd indien de aangevoerde discriminatie betrekking heeft op Belgen en vreemdelingen, hetgeen niet het geval zou zijn.

B.8.2. Artikel 191 van de Grondwet kan enkel zijn geschonden in zoverre de bestreden bepalingen een verschil in behandeling instellen tussen bepaalde vreemdelingen en de Belgen. Aangezien uit de uiteenzetting in het verzoekschrift blijkt dat het verschil in behandeling dat in het enige middel wordt bekritiseerd, uitsluitend betrekking heeft op de vergelijking van verschillende categorieën van vreemdelingen onderling, is het middel niet ontvankelijk, in zoverre het uit de schending van artikel 191 van de Grondwet is afgeleid.

B.9.1. De Ministerraad voert eveneens de niet-toepasbaarheid van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens aan.

B.9.2. De administratieve cassatieprocedure heeft grotendeels betrekking op de beroepen die worden ingesteld tegen de beslissingen van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, die een administratief rechtscollege is dat « als enige bevoegd [is] om kennis te nemen van de beroepen die worden ingesteld tegen individuele beslissingen genomen met toepassing van de wetten betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » (artikel 39/1, § 1, van de wet van 15 december 1980). Die betwistingen hebben geen betrekking op burgerlijke rechten en verplichtingen, noch op de gegrondheid van een strafvervolging, zodat de bepalingen van artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens niet erop van toepassing zijn (EHRM, 5 oktober 2000, Maaouia t. Frankrijk, § 40; EHRM, 14 februari 2008, Hussain t. Roemenië, § 98).

B.10. Volgens de verzoekende partijen zou aan de in de bestreden bepalingen bedoelde asielzoekers de mogelijkheid worden ontzegd om de beslissing van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen waarbij hun asiel en subsidiaire bescherming wordt geweigerd, te kunnen betwisten in het kader van een beroep met volle rechtsmacht voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, aangezien zij enkel over een annulatieberoep beschikken dat door die Raad binnen een tot twee maanden ingekorte termijn moet worden beslecht, waarbij dat beroep niet van rechtswege schorsend is en de toegankelijkheid ervan wordt belemmerd door de toename van het aantal beroepen, de korte termijnen waarbinnen zij moeten worden ingesteld en het verlies van materiële hulp tijdens de uitoefening ervan. Aldus zou aan de betrokken asielzoekers op discriminerende wijze een daadwerkelijk rechtsmiddel worden ontzegd zoals gedefinieerd in artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in samenhang gelezen met artikel 3 van dat Verdrag, met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met artikel 39 van de Procedurerichtlijn en met artikel 46 van de Herschikte Procedurerichtlijn.

B.11. Artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :

« Niemand mag worden onderworpen aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen ».

Artikel 13 van hetzelfde Verdrag bepaalt :

« Eenieder wiens rechten en vrijheden welke in dit Verdrag zijn vermeld, zijn geschonden, heeft recht op een daadwerkelijke rechtshulp voor een nationale instantie, zelfs indien deze schending zou zijn begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie ».

Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie bepaalt :

« Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden.

Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen.

Rechtsbijstand wordt verleend aan diegenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voorzover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen ».

Artikel 39 van de Procedurerichtlijn bepaalt :

« 1. De lidstaten zorgen ervoor dat voor asielzoekers een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie openstaat tegen :

a) een beslissing die inzake hun asielverzoek is gegeven, met inbegrip van een beslissing :

i) om een asielverzoek als niet-ontvankelijk te beschouwen overeenkomstig artikel 25, lid 2;

ii) aan de grens of in de transitzones van een lidstaat zoals omschreven in artikel 35, lid 1;

iii) om een behandeling niet uit te voeren overeenkomstig artikel 36;

b) een weigering om de behandeling van een verzoek na de onderbreking ervan overeenkomstig de artikelen 19 en 20 te hervatten;

c) een beslissing om het hernieuwde verzoek niet opnieuw te behandelen overeenkomstig de artikelen 32 en 34;

d) een beslissing waarbij de binnenkomst wordt geweigerd in het kader van de procedures krachtens artikel 35, lid 2;

e) een beslissing tot intrekking van de vluchtelingenstatus krachtens artikel 38.

[...] ».

Overweging 27 van de richtlijn vermeldt, in verband met het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel :

« (27) Krachtens een fundamenteel beginsel van het Gemeenschapsrecht moet tegen beslissingen inzake een asielverzoek en inzake de intrekking van de vluchtelingenstatus een daadwerkelijk rechtsmiddel openstaan voor een rechterlijke instantie in de zin van artikel [267 van het VWEU]. Of het om een daadwerkelijk rechtsmiddel gaat, hangt, ook wat het onderzoek van de relevante feiten betreft, af van het - als één geheel beschouwde - bestuurlijke en justitiële systeem van elke lidstaat ».

Ten slotte bepaalt artikel 46 van de Herschikte Procedurerichtlijn :

« 1. De lidstaten zorgen ervoor dat voor verzoekers een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie openstaat tegen :

a) een beslissing die inzake hun verzoek om internationale bescherming is gegeven, met inbegrip van een beslissing :

i) om een verzoek als ongegrond te beschouwen met betrekking tot de vluchtelingenstatus en/of de subsidiairebeschermingsstatus;

ii) om een verzoek als niet-ontvankelijk te beschouwen overeenkomstig artikel 33, lid 2;

iii) aan de grens of in de transitzones van een lidstaat zoals omschreven in artikel 43, lid 1;

iv) om een behandeling niet uit te voeren krachtens artikel 39;

b) een weigering om de behandeling van een verzoek na de onderbreking ervan overeenkomstig de artikelen 27 en 28 te hervatten;

c) een beslissing tot intrekking van de internationale bescherming krachtens artikel 45.

2. De lidstaten zorgen ervoor dat personen van wie door de beslissingsautoriteit is erkend dat zij voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, toegang hebben tot een daadwerkelijk rechtsmiddel krachtens lid 1 tegen een beslissing om een verzoek als ongegrond te beschouwen met betrekking tot de vluchtelingenstatus.

Onverminderd lid 1, onder c), kan een lidstaat, indien de door hem verleende subsidiarebeschermingsstatus dezelfde rechten en voordelen biedt als de vluchtelingenstatus uit hoofde van het recht van de Unie en het nationale recht, een beroep tegen een beslissing om een verzoek als ongegrond te beschouwen met betrekking tot de vluchtelingenstatus als niet-ontvankelijk beschouwen omdat de verzoeker er onvoldoende belang bij heeft om de procedures voort te zetten.

3. Teneinde aan lid 1 te voldoen, zorgen de lidstaten ervoor dat een daadwerkelijk rechtsmiddel een volledig en ex nunc onderzoek van zowel de feitelijke als juridische gronden omvat, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig Richtlijn 2011/95/EU, zulks ten minste in beroepsprocedures voor een rechterlijke instantie van eerste aanleg.

4. De lidstaten stellen redelijke termijnen en andere vereiste voorschriften vast opdat de verzoeker zijn recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel krachtens lid 1 kan uitoefenen. De termijnen maken het uitoefenen van dit recht niet onmogelijk of uiterst moeilijk.

De lidstaten kunnen ook voorzien in een ambtshalve toetsing van krachtens artikel 43 genomen beslissingen.

5. Onverminderd lid 6 staan de lidstaten de verzoekers toe om op het grondgebied te blijven tot de termijn waarbinnen zij hun recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel kunnen uitoefenen, verstreken is en, wanneer dat recht binnen de termijn werd uitgeoefend, in afwachting van de uitkomst van het rechtsmiddel.

6. In het geval van een beslissing om :

a) een verzoek als kennelijk ongegrond te beschouwen overeenkomstig artikel 32, lid 2, of als ongegrond na behandeling overeenkomstig artikel 31, lid 8, behoudens de gevallen waarin deze beslissingen zijn genomen op basis van de in artikel 31, lid 8, onder h), genoemde omstandigheden;

b) een verzoek als niet-ontvankelijk te beschouwen krachtens artikel 33, lid 2, onder a), b) of d);

c) het opnieuw in behandeling nemen van het dossier van de verzoeker te weigeren nadat de behandeling ervan overeenkomstig artikel 28 is beëindigd; of

d) een verzoek niet of niet volledig te behandelen overeenkomstig artikel 39,

is een rechterlijke instantie bevoegd om, op verzoek van de betrokken verzoeker of ambtshalve, uitspraak te doen over de vraag of de verzoeker op het grondgebied van de lidstaat mag blijven, indien deze beslissing resulteert in een beëindiging van het recht van de verzoeker om in de lidstaat te blijven, en het nationale recht in dergelijke gevallen niet voorziet in het recht om in de lidstaat te blijven in afwachting van de uitkomst van het rechtsmiddel.

7. Lid 6 is uitsluitend van toepassing op de in artikel 43 bedoelde procedures mits :

a) de verzoeker over de nodige tolkdiensten en rechtsbijstand beschikt, en minstens een week de tijd heeft om het verzoek op te stellen en aan de rechterlijke instantie de argumenten voor te leggen om hem, in afwachting van de uitkomst van het rechtsmiddel, het recht te verlenen op het grondgebied te blijven; en

b) in het kader van de behandeling van het in lid 6 bedoelde verzoek, de rechterlijke instantie de feitelijke en juridische aspecten van de negatieve beslissing van de beslissingautoriteit onderzoekt.

Indien niet is voldaan aan de onder a) en b) genoemde voorwaarden, is lid 5 van toepassing.

8. De lidstaten staan de verzoeker toe om op het grondgebied te blijven in afwachting van de uitkomst van de in de leden 6 en 7 bedoelde procedure om te bepalen of de verzoeker al dan niet op het grondgebied mag blijven.

9. De leden 5, 6 en 7 doen geen afbreuk aan artikel 26 van Verordening (EU) nr. 604/2013.

10. De lidstaten kunnen termijnen vastleggen voor het onderzoek door de in lid 1 bedoelde rechterlijke instantie van beslissingen van de beslissingsautoriteit.

11. De lidstaten kunnen in hun nationale wetgeving tevens de voorwaarden vastleggen waaronder ervan kan worden uitgegaan dat een verzoeker zijn rechtsmiddel zoals bedoeld in lid 1, impliciet heeft ingetrokken of daarvan heeft afgezien, en wel tezamen met de regels inzake de procedure die moet worden gevolgd ».

B.12.1. Zoals blijkt uit het opschrift ervan en zoals in punt 1 van de preambule ervan wordt bevestigd, strekt de Herschikte Procedurerichtlijn ertoe verschillende substantiële wijzigingen in de Procedurerichtlijn aan te brengen.

B.12.2. De bestreden bepalingen werden aangenomen terwijl de omzettingstermijn, vastgesteld op 20 juli 2015 bij artikel 51, lid 1, van de richtlijn, nog niet was verstreken. Het Hof dient bijgevolg rekening te houden met het nog steeds van kracht zijnde artikel 39 van de Procedurerichtlijn, door tevens erover te waken dat de wetgever, met de bestreden bepalingen, geen maatregelen heeft genomen die de verwezenlijking van het door artikel 46 van de Herschikte Procedurerichtlijn voorgeschreven resultaat ernstig in gevaar zouden kunnen brengen tijdens de termijn die is vastgesteld voor de omzetting ervan (HvJ, 18 december 1997, vzw Inter-Environnement Wallonie t. Waals Gewest, punt 45).

B.13.1. Uit de parlementaire voorbereiding van de bestreden wet blijkt dat de wetgever de bevoegdheden van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wou afstemmen op die van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. De memorie van toelichting vermeldt :

« De Regering verkiest om op een doelmatige wijze de hervormingsbevoegdheid (gebruikelijk internrechtelijk ' volle rechtsmacht ' genoemd) te reserveren voor die beroepen waarin de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen alle aspecten van de asielaanvraag volledig en ten gronde heeft onderzocht. De beroepen tegen de andere beslissingen worden best onderworpen aan de annulatiebevoegdheid » (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2555/001, p. 32).

B.13.2. Het aannemen van het bestreden artikel 2 werd als volgt verantwoord :

« Deze bepaling strekt er toe de bevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te verduidelijken inzake beroepen tegen beslissingen van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen. Hierbij worden de bevoegdheden van de Raad gealigneerd op die van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen inzake (weigerings)beslissingen over asielaanvragen.

De bevoegdheden van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen worden behandeld in de artikelen 57/2 e.v. Bij een weigering (beroepen tegen een erkenning van de vluchtelingenstatus zijn in hoofde van de vreemdeling niet-ontvankelijk) om de vluchtelingenstatus te erkennen en/of de weigering de subsidiaire beschermingsstatus toe te kennen, zal de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen in de regel tot zijn weigeringsbeslissing komen na een grondig onderzoek te gronde van alle elementen in de zin van de artikelen 48/3 e.v. van de vreemdelingenwet. Hij zal de grond van de zaak onderzoeken en ten gronde toetsen of de betrokken vreemdeling een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de artikelen 48/3 e.v. kan laten gelden en/of er gronden zijn om de subsidiaire beschermingsstatuut toe te kennen. In deze beslissingen zal de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen tot zijn besluit komen de vluchtelingenstatus en/of de subsidiaire beschermingsstatus te weigeren om inhoudelijke redenen. Ook de andere, in artikel 57/6, eerste lid, 1°, 3°, 4°, 5°, 6° en 7° bepaalde opheffings- of uitsluitingsbevoegdheden zijn de vrucht van een grondig onderzoek en toetsing aan de (inter)nationale bepalingen ter zake (Cf. inzake bevoegdheid van de Commissaris-generaal inz. S. BODART, La protection internationale des réfugiés en Belgique, Brussel, Bruylant, 2008, 78-79).

In overeenstemming met de Procedurerichtlijn heeft de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen evenwel de bevoegdheid om in welbepaalde gevallen niet tot een dergelijk onderzoek ' ten gronde ' van de asielaanvraag over te gaan.

Dit is in de eerste plaats het geval wat asielaanvragen van Burgers van de Unie betreft. Binnen de voorwaarden gesteld in artikel 57/6, eerste lid, 2°, kan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen besluiten tot een niet-inoverwegingneming van de asielaanvraag. Hetzelfde geldt ook voor asielaanvragen ingediend door een asielaanvrager die een onderdaan is van een veilig land van herkomst of door een staatloze die voorheen in dat land zijn gewone verblijfplaats had (art. 57/6/1, eerste lid van de Vreemdelingenwet), en voor de volgende asielaanvraag waarin geen nieuwe elementen zijn vervat (ontworpen artikel 57/6/2). Hieraan moeten worden toegevoegd de beslissingen tot niet-inoverwegingneming van de asielaanvraag omwille van het bestaan van reële bescherming in een eerste land van asiel, lidstaat van de Europese Unie (ontworpen artikel 57/6/3), en de zogenaamde ' technische weigeringen ' vervat in o.m. de artikelen 52, 55 en 57/10.

Voor de tweede categorie van beslissingen opteert de Regering een annulatieberoep in te stellen. Dit ligt in het verlengde van de bestaande regelgeving inzake beroep tegen beslissingen tot niet-inoverwegingneming van asielaanvragen van burgers van de Unie (het 1° van het ontwerp) en tegen beslissingen tot niet-inoverwegingneming gegrond op de notie ' veilig land ' (artikel 2 van de wet van 15 maart 2012 - het 2° van het ontwerp). Daaraan worden toegevoegd de andere voornoemde beslissingen.

De annulatiebevoegdheid tegen weigeringen tot inoverwegingneming van meervoudige asielaanvragen bestaat thans reeds (art. 51/8) zodat er op dat vlak geen wijzigingen in rechtsbescherming is geschied. Ten aanzien van de vorige regeling, is het bovendien zo dat, waar op grond van het te wijzigen artikel 51/8 binnen de door het Grondwettelijk Hof gestelde grenzen, geen schorsingsberoep (bij uiterst dringende noodzakelijkheid) bestaat (zie GwH 27 mei 2008, nr. 81/2008, overweging B.80), in de ontworpen regeling steeds een schorsingsberoep (bij uiterst dringende noodzakelijkheid) open staat. Deze beperkingen worden opgeheven zodat wat deze beslissingen betreft, in wezen de rechtsbescherming wordt verruimd.

Wat de beroepen tegen ' technische weigeringen ' betreft, moet er op worden gewezen dat het gemaakte onderscheid in een evenredige verhouding staat tot het doel. Allereerst blijft de rechtzoekende beschikken over een daadwerkelijke jurisdictionele waarborg, voor een onafhankelijk en onpartijdig rechtscollege, tegen deze administratieve beslissingen. Bovendien moet worden gewezen op het bepaalde in het ontworpen artikel 57/6/2, eerste lid. Deze bepaling houdt in dat, in overeenstemming met de Procedurerichtlijn, een asielzoeker wiens aanvraag om technische redenen werd geweigerd, een steeds in overweging genomen volgende asielaanvraag kan indienen, waarvan de behandeling schorsend is. M.a.w., de geboden rechtsbescherming is gelijkwaardig » (ibid., pp. 35 tot 37).

B.13.3. Het bestreden artikel 21 werd als volgt becommentarieerd :

« De eerste aanpassing in artikel 39/81 voorziet dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen binnen een termijn van twee maanden uitspraak moet doen omtrent een beroep dat werd ingesteld tegen een beslissing van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen die werd genomen op basis van artikel 57/6/2 of 57/6/3. In de Vreemdelingenwet is reeds voorzien dat [de] Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de beroepen bij voorrang behandelt die worden ingesteld tegen de beslissingen waarbij de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen oordeelde dat een asielaanvraag, in toepassing van 57/6, eerste lid, 2°, of van 57/6/1 niet in overweging wordt genomen. Het is dan ook logisch en het past tevens in het in het regeerakkoord opgenomen streven om asielprocedures volledig af te handelen binnen een termijn van zes maanden, om te voorzien dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ook de beroepen tegen de beslissingen waarbij de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en staatlozen, in toepassing van artikel 57/6/2 of 57/6/3, oordeelde een asielaanvraag niet in overweging te kunnen nemen, bij voorrang behandelt » (ibid., pp. 54-55).

B.14. Zoals in B.2.4 en B.3.3 is vermeld, heeft het Hof, bij zijn arrest nr. 1/2014 van 16 januari 2014, artikel 2 van de wet van 15 maart 2012 tot wijziging van artikel 39/2 van de wet van 15 december 1980 en de woorden « en 57/6/1 » in artikel 39/81, eerste lid, van de wet van 15 december 1980, gewijzigd bij artikel 3 van de wet van 15 maart 2012, vernietigd. Het Hof heeft geoordeeld :

« B.5.1. Zoals geïnterpreteerd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens veronderstelt het bij artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens gewaarborgde recht op daadwerkelijke rechtshulp dat de persoon die een verdedigbare grief aanvoert die is afgeleid uit de schending van artikel 3 van hetzelfde Verdrag, toegang heeft tot een rechtscollege dat bevoegd is om de inhoud van de grief te onderzoeken en om het gepaste herstel te bieden. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft herhaaldelijk geoordeeld dat, ' gelet op het belang dat [het] hecht aan artikel 3 van het Verdrag en aan de onomkeerbare aard van de schade die kan worden veroorzaakt wanneer het risico van foltering of slechte behandelingen zich voordoet [...], artikel 13 eist dat de betrokkene toegang heeft tot een van rechtswege opschortend beroep ' (EHRM, 26 april 2007, Gebremedhin (Gaberamadhien) t. Frankrijk, § 66; zie EHRM, 21 januari 2011, M.S.S. t. België en Griekenland, § 293; 2 februari 2012, I.M. t. Frankrijk, §§ 134 en 156; 2 oktober 2012, Singh en anderen t. België, § 92).

B.5.2. Om daadwerkelijk te zijn in de zin van artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens moet het beroep dat openstaat voor de persoon die een schending van artikel 3 aanklaagt, een ' aandachtige ', ' volledige ' en ' strikte ' controle mogelijk maken van de situatie van de verzoeker door het bevoegde orgaan (EHRM, 21 januari 2011, M.S.S. t. België en Griekenland, §§ 387 en 389; 20 december 2011, Yoh-Ekale Mwanje t. België, §§ 105 en 107).

B.6.1. Het instellen, voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, van het annulatieberoep dat bij artikel 39/2, § 1, derde lid, van de wet van 15 december 1980 openstaat tegen de beslissing tot niet-inoverwegingneming die de Commissaris-generaal heeft genomen aangaande een aanvraag tot het verkrijgen van asiel en van de subsidiaire bescherming ingediend door een persoon afkomstig uit een land opgenomen in de lijst van veilige landen die is vastgesteld door de Koning, schorst de beslissing van de Commissaris-generaal niet.

B.6.2. Het annulatieberoep impliceert overigens een onderzoek van de wettigheid van de beslissing van de Commissaris-generaal op grond van de elementen waarvan die overheid kennis had op het ogenblik dat zij uitspraak deed. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is, wanneer hij dat onderzoek uitvoert, derhalve niet ertoe gehouden de eventuele nieuwe bewijselementen die de verzoeker hem voorlegt, in overweging te nemen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is evenmin ertoe gehouden om, teneinde de wettigheidstoetsing uit te voeren, de actuele situatie van de verzoeker te onderzoeken, met andere woorden op het ogenblik dat hij uitspraak doet, ten opzichte van de situatie die gold in zijn land van herkomst.

B.6.3. Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat het annulatieberoep dat overeenkomstig artikel 39/2, § 1, derde lid, van de wet van 15 december 1980 kan worden ingesteld tegen een beslissing tot niet-inoverwegingneming van de aanvraag tot het verkrijgen van asiel of van de subsidiaire bescherming, geen daadwerkelijke rechtshulp is in de zin van artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.7. Om na te gaan of die bepaling is geschonden, dient evenwel rekening te worden gehouden met alle beroepen waarover de verzoekers beschikken, met inbegrip van de beroepen die het mogelijk maken zich te verzetten tegen de tenuitvoerlegging van een maatregel tot verwijdering naar een land waar, luidens de grief die zij aanvoeren, een risico bestaat dat artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens te hunnen aanzien zou kunnen worden geschonden. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft immers herhaaldelijk geoordeeld dat ' het geheel van de door het interne recht geboden beroepen kan voldoen aan de vereisten van artikel 13, zelfs wanneer geen enkele daarvan op zich daaraan helemaal beantwoordt ' (zie met name EHRM, 5 februari 2002, Conka t. België, § 75; 26 april 2007, Gebremedhin (Gaberamadhien) t. Frankrijk, § 53; 2 oktober 2012, Singh en anderen t. België, § 99).

B.8.1. Wanneer de tenuitvoerlegging van de maatregel tot verwijdering van het grondgebied imminent is, kan de asielzoeker die het voorwerp heeft uitgemaakt van een beslissing tot niet-inoverwegingneming van zijn aanvraag, tegen de verwijderingsmaatregel een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid instellen overeenkomstig artikel 39/82, § 4, tweede lid, van de wet van 15 december 1980. Krachtens artikel 39/83 van dezelfde wet kan de gedwongen uitvoering van de verwijderingsmaatregel pas op zijn vroegst plaatshebben vijf dagen na de kennisgeving van de maatregel, zonder dat die termijn minder dan drie werkdagen mag bedragen. Wanneer de vreemdeling reeds een gewone vordering tot schorsing had ingesteld en de uitvoering van de verwijderingsmaatregel imminent wordt, kan hij, bij wege van voorlopige maatregelen, verzoeken dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zo snel mogelijk uitspraak doet. Na ontvangst van dat verzoek kan niet meer worden overgegaan tot de gedwongen tenuitvoerlegging van de verwijderingsmaatregel (artikelen 39/84 en 39/85 van dezelfde wet).

B.8.2. Bij meerdere arresten gewezen in algemene vergadering op 17 februari 2011 heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geoordeeld dat, opdat die vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid overeenkomstig de vereisten van artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens zou zijn, de bepalingen van de wet van 15 december 1980 in die zin moesten worden geïnterpreteerd dat de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid die binnen de termijn van vijf dagen na de kennisgeving van de verwijderingsmaatregel is ingesteld, de tenuitvoerlegging van de verwijderingsmaatregel van rechtswege opschort totdat de Raad zich uitspreekt. Bij dezelfde arresten heeft de Raad eveneens geoordeeld dat het beroep, ingesteld buiten de opschortende termijn van vijf dagen, maar binnen de termijn bepaald in artikel 39/57 van de wet van 15 december 1980 om een annulatieberoep in te stellen, namelijk 30 dagen, de tenuitvoerlegging van de verwijderingsmaatregel waarvan de uitvoering imminent is, eveneens van rechtswege opschort (RVV, 17 februari 2011, arresten nrs. 56.201 tot 56.205, 56.207 en 56.208).

B.8.3. Die uitbreiding van de schorsende werking van het instellen van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid vloeit evenwel niet voort uit een wetswijziging, maar wel uit rechtspraak van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, zodat de verzoekers, ondanks het gezag van die arresten, niet de waarborg kunnen hebben dat de administratie van de Dienst Vreemdelingenzaken haar praktijk in alle omstandigheden aan die rechtspraak heeft aangepast. In dat opzicht dient eraan te worden herinnerd dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens herhaaldelijk heeft verklaard dat ' de vereisten van artikel 13, net als die van de andere bepalingen van het Verdrag, moeten worden beschouwd als een waarborg, en niet gewoon als een bereidwilligheid of een praktische regeling; dat is een van de gevolgen van de voorrang van het recht, een van de grondbeginselen van een democratische maatschappij, inherent aan alle artikelen van het Verdrag ' (EHRM, 5 februari 2002, Conka t. België, § 83; 26 april 2007, Gebremedhin (Gaberamadhien) t. Frankrijk, § 66). Het heeft eveneens gepreciseerd dat ' de daadwerkelijkheid [van het beroep] vereisten inhoudt inzake de beschikbaarheid en toegankelijkheid van de beroepen, zowel in rechte als in de praktijk ' (EHRM, 2 februari 2012, I.M. t. Frankrijk, § 150; 2 oktober 2012, Singh en anderen t. België, § 90).

B.8.4. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen beslist overigens enkel tot de schorsing van de verwijderingsmaatregel onder de drievoudige voorwaarde dat de verzoekende partij de uiterst dringende noodzakelijkheid van de situatie aantoont, dat zij minstens een ernstig vernietigingsmiddel aanvoert en dat zij een risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel bewijst.

Het ernstige middel moet de vernietiging van de betwiste handeling kunnen verantwoorden. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gaat in die context met andere woorden in beginsel over tot een duidelijke controle van de wettigheid van de verwijderingsbeslissing, controle die hem niet ertoe verplicht om, op het ogenblik dat hij uitspraak doet, rekening te houden met de nieuwe elementen die de verzoeker zou kunnen voorleggen of met de actuele situatie van die laatstgenoemde wat betreft de eventuele ontwikkeling van de situatie in zijn land van herkomst.

B.8.5. De Ministerraad geeft aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, op het ogenblik dat hij bij uiterst dringende noodzakelijkheid uitspraak doet, rekening kan houden met nieuwe elementen om het risico van schending van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bij verwijdering naar het land van herkomst van de aanvrager, te evalueren. Er zij opnieuw opgemerkt dat die praktijk zou voortvloeien uit een zekere rechtspraak van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en dat de verzoekers dus geenszins de waarborg hebben dat de nieuwe bewijselementen of de ontwikkeling van de situatie in overweging zullen worden genomen door de Raad. Artikel 39/78 van de wet van 15 december 1980, dat bepaalt dat de annulatieberoepen worden ingediend volgens de modaliteiten bepaald in artikel 39/69, dat betrekking heeft op de beroepen met volle rechtsmacht inzake asiel, geeft immers uitdrukkelijk aan dat de bepalingen van artikel 39/69, § 1, tweede lid, 4°, die betrekking hebben op het aanvoeren van nieuwe elementen, niet van toepassing zijn op de annulatieberoepen. Evenzo is artikel 39/76, § 1, tweede lid, van dezelfde wet, dat preciseert onder welke voorwaarden de nieuwe elementen worden onderzocht door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen die in het contentieux met volle rechtsmacht zitting heeft, niet van toepassing op de Raad wanneer hij de annulatieberoepen onderzoekt.

B.8.6. Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid geen daadwerkelijke rechtshulp is in de zin van artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Bijgevolg ontzegt artikel 39/2, § 1, derde lid, van de wet van 15 december 1980 de asielzoekers die uit een veilig land afkomstig zijn en wier aanvraag het voorwerp uitmaakt van een beslissing tot niet-inoverwegingneming, daadwerkelijke rechtshulp in de zin van die bepaling ».

B.15.1. Vermits de procedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de betrokkenen geen daadwerkelijk rechtsmiddel waarborgde, heeft het Hof vastgesteld dat artikel 39/2 van de wet van 15 december 1980, zoals gewijzigd bij artikel 2 van de wet van 15 maart 2012, een verschil in behandeling inhield, tussen de asielzoekers die afkomstig zijn uit een veilig land van herkomst en de andere asielzoekers die, tegen de beslissing tot verwerping van hun aanvraag, een beroep met volle rechtsmacht kunnen instellen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, dat van rechtswege schorsend is. Volgens het Hof was dat verschil in behandeling niet redelijk verantwoord.

B.15.2. Opdat de betrokken vreemdelingen beschikken over daadwerkelijke rechtshulp overeenkomstig artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens is volgens het Hof vereist dat het aangewende rechtsmiddel van rechtswege een opschortende werking heeft en dat eventueel nieuwe bewijselementen kunnen worden voorgelegd, zodat de rechter de actuele toestand van de verzoeker kan onderzoeken op het ogenblik van de uitspraak.

Het Hof heeft daarbij gepreciseerd dat bij de beoordeling of een daadwerkelijk rechtsmiddel beschikbaar is, « rekening [dient] te worden gehouden met alle beroepen waarover de verzoekers beschikken, met inbegrip van de beroepen die het mogelijk maken zich te verzetten tegen de tenuitvoerlegging van een maatregel tot verwijdering naar een land waar, luidens de grief die zij aanvoeren, een risico bestaat dat artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens te hunnen aanzien zou kunnen worden geschonden ».

B.16.1. Sedert het aannemen van de bestreden wet van 8 mei 2013 werd artikel 39/2 van de wet van 15 december 1980 gewijzigd bij artikel 16 van de wet van 10 april 2014.

Ingevolge die wijziging staat voortaan opnieuw een beroep met volle rechtsmacht open tegen de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen om een asielaanvraag niet in overweging te nemen wanneer deze uitgaat van een onderdaan van een veilig land van herkomst (artikel 57/6/1, eerste lid, van de wet van 15 december 1980) of wanneer het gaat om een tweede asielaanvraag (artikel 57/6/2 van dezelfde wet).

B.16.2. De annulatieprocedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen blijft evenwel behouden ten aanzien de in artikel 57/6, eerste lid, 2°, en de in artikel 57/6/3 bedoelde beslissingen tot niet-inoverwegingneming en tegen de beslissingen die toepassing maken van artikel 52, § 2, 3° tot 5°, § 3, 3°, § 4, 3°, of van artikel 57/10 van de wet van 15 december 1980.

B.17.1. Bij artikel 5 van dezelfde wet van 10 april 2014 werd artikel 39/82, § 4, tweede lid, van de wet van 15 december 1980, dat betrekking heeft op de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, vervangen door nieuwe bepalingen. Sindsdien bepaalt artikel 39/82, § 4, vierde lid :

« De Kamervoorzitter of de rechter in vreemdelingenzaken doet een zorgvuldig en nauwgezet onderzoek van alle bewijsstukken die hem worden voorgelegd, inzonderheid die welke van dien aard zijn dat daaruit blijkt dat er redenen zijn om te geloven dat de uitvoering van de bestreden beslissing de verzoeker zou blootstellen aan het risico te worden onderworpen aan de schending van de grondrechten van de mens ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is uit hoofde van artikel 15, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ».

B.17.2. Bij dezelfde wetsbepaling werd artikel 39/82, § 2, van de wet van 15 december 1980 gewijzigd. Aldus is volgens die bepaling aan de voorwaarde van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel onder andere vervuld « indien een ernstig middel werd aangevoerd gesteund op de grondrechten van de mens, in het bijzonder de rechten ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is uit hoofde van artikel 15, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ».

B.17.3. Bij artikel 6 van de wet van 10 april 2014 werd artikel 39/83 van de wet van 15 december 1980 als volgt vervangen :

« Behoudens toestemming van de betrokkene, zal ten aanzien van een vreemdeling die het voorwerp uitmaakt van een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel, slechts tot gedwongen tenuitvoerlegging van deze maatregel worden overgegaan na het verstrijken van de in artikel 39/57, § 1, derde lid, bedoelde beroepstermijn of, wanneer de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van deze maatregel bij uiterst dringende noodzakelijkheid werd ingeleid binnen deze termijn, nadat de Raad deze vordering heeft verworpen ».

B.17.4. Wanneer de betrokken vreemdeling reeds een gewone vordering tot schorsing heeft ingediend en daarna het voorwerp is van een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel waarvan de uitvoering imminent is, kan hij op basis van artikel 39/85 van de wet van 15 december 1980, zoals gewijzigd door artikel 7 van de wet van 10 april 2014, bij wege van voorlopige maatregel de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vragen de eerder ingediende gewone vordering tot schorsing zo snel mogelijk te behandelen. Ook in dat geval voorziet de wet voortaan erin dat de Raad rekening moet houden met alle bewijsstukken en derhalve een onderzoek ex nunc moet voeren (artikel 39/85, § 1, derde lid) en dat niet mag worden overgegaan tot een gedwongen verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel totdat de Raad zich over de vordering heeft uitgesproken (artikel 39/85, § 3).

B.17.5. Artikel 8 van de wet van 10 april 2014 bepaalt bij wijze van overgangsmaatregel :

« § 1. De artikelen 4 en 5, 2°, zijn van toepassing op de vorderingen tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van elke verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel, waarvan kennis gegeven wordt na de datum van inwerkingtreding van deze wet, en van de uitvoering van elke beslissing die ten aanzien van dezelfde vreemdeling getroffen wordt na een dergelijke maatregel.

§ 2. Artikel 7 is van toepassing op alle vorderingen tot het bevelen van voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid die ingediend worden door elke vreemdeling ten aanzien van wie een beslissing getroffen wordt waardoor de tenuitvoerlegging van de verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel imminent wordt en waarvan hem kennis wordt gegeven na de datum van inwerkingtreding van deze wet ».

B.18. De wet van 10 april 2014 is in het Belgisch Staatsblad van 21 mei 2014 bekendgemaakt en is op 31 mei 2014 in werking getreden. Mede rekening houdend met de vermelde overgangsbepalingen hebben de grieven van de verzoekende partijen die verenigingen zijn, sinds die datum hun voorwerp verloren, zodat er geen noodzaak bestaat om er alsnog uitspraak over te doen in de context van het huidige beroep.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt het beroep.

Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 17 september 2015.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

J. Spreutels