Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 18 december 2014 (België)

Publicatie datum :
18-12-2014
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
5 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20141218-11
Rolnummer :
188/2014

Samenvatting

Het Hof verwerpt het beroep.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en A. Alen, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 23 december 2013 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 24 december 2013, heeft Karine Vander Perre beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 76, 2°, vierde lid, d) en e), 91 en 102 van de programmawet van 28 juni 2013 (cumulatie van een rustpensioen met een vervangingsinkomen), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 1 juli 2013, tweede editie.

(...)

II. In rechte

(...)

B.1.1. Artikel 76, 2°, vierde lid, van de programmawet van 28 juni 2013 is opgenomen in hoofdstuk 1, dat het opschrift « Regeling van de cumulatie van pensioenen van de overheidssector met inkomsten voortvloeiend uit de uitoefening van een beroepsactiviteit of met een vervangingsinkomen » draagt, van titel 8 (« Pensioenen ») van die wet. Het bepaalt :

« Worden niet beschouwd als beroepsinkomsten :

[...]

d) de inkomsten uit een politiek mandaat of een mandaat van voorzitter of van lid van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn tot het verstrijkt, voor zover dit mandaat vóór de ingangsdatum van het pensioen en uiterlijk de laatste dag van de maand van de 65e verjaardag van de mandataris is ingegaan;

e) de inkomsten uit een mandaat bij een beheers-, bestuurs- of directieorgaan van een openbare instelling, een instelling van openbaar nut, een vereniging van gemeenten of een mandaat van gewoon bestuurder bij een autonoom overheidsbedrijf tot het verstrijkt, voor zover dit mandaat vóór de ingangsdatum van het pensioen en uiterlijk de laatste dag van de maand van de 65e verjaardag van de mandataris is ingegaan. Deze afwijking vervalt uiterlijk de laatste dag van de maand tijdens welke de titularis de leeftijd van 67 jaar bereikt of, indien de belanghebbende op dat ogenblik nog een in d) bedoeld mandaat uitoefent, uiterlijk bij het verstrijken van dit laatste mandaat ».

B.1.2. Naar luid van artikel 76, 10°, van dezelfde wet :

« 10° moet onder ' vervangingsinkomen ' worden verstaan :

a) de uitkering wegens loopbaanonderbreking, wegens vermindering van de arbeidsprestaties of wegens tijdskrediet;

b) de werkloosheidsuitkering;

c) de aanvullende vergoeding toegekend in het kader van een conventioneel brugpensioen;

d) de primaire ongeschiktheidsuitkering;

e) de invaliditeitsuitkering.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden de verschillende voordelen toegekend krachtens een buitenlandse wetgeving of door een instelling van internationaal publiek recht die van dezelfde aard zijn als een van de voordelen bedoeld onder a) tot d), ermee gelijkgesteld ».

B.1.3. Artikel 77 van de bestreden wet voert als principe in dat het verboden is een rust- of overlevingspensioen met beroepsinkomsten te cumuleren. De artikelen 78 en volgende voeren de regels in krachtens welke, in afwijking van het in artikel 77 gestelde principe, de cumulatie van een rust- of overlevingspensioen met beroepsinkomsten is toegestaan.

In essentie mag een persoon zijn rust- of overlevingspensioen met beroepsinkomsten cumuleren voor zover die laatste bepaalde plafonds, door de wetgever vastgelegd ten opzichte van verscheidene criteria, niet overschrijden. Onder de voorwaarden vastgelegd in de artikelen 79 en 84, is een onbeperkte cumulatie echter toegestaan voor het kalenderjaar waarin de persoon de leeftijd van 65 jaar bereikt en voor de kalenderjaren die daarop volgen, voor zover hij een loopbaan van ten minste 42 kalenderjaren bewijst.

B.1.4. Artikel 91 van de bestreden wet bepaalt :

« Het rust- of overlevingspensioen wordt geschorst gedurende de kalendermaanden tijdens de welke de persoon die dit pensioen geniet, effectief een vervangingsinkomen ontvangt, tenzij de betrokkene aan de betaling van zijn vervangingsinkomen verzaakt.

In afwijking van het eerste lid mag een overlevingspensioen met een vervangingsinkomen gecumuleerd worden gedurende een eenmalige periode van maximaal twaalf al dan niet opeenvolgende kalendermaanden.

Voor de toepassing van het tweede lid worden de kalendermaanden waarin de cumulatie tussen een overlevingspensioen en een vervangingsinkomen was toegelaten ingevolge de regels van kracht vóór 1 januari 2013, in mindering gebracht van de eenmalige periode van maximaal twaalf al dan niet opeenvolgende kalendermaanden.

Indien het krachtens het tweede lid betaalbaar bedrag van een overlevingspensioen 661,24 EUR per kalendermaand overschrijdt, wordt dit bedrag tot dit laatste bedrag beperkt. Dit bedrag is vastgesteld aan de verhogingscoëfficiënt 1,6084 van het spilindexcijfer 138,01 en volgt de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als de rust- en overlevingspensioenen ten laste van de Staatskas ».

Die bepaling werd als volgt verantwoord :

« Momenteel wordt, overeenkomstig artikel 13 van de wet van 5 april 1994, een rustpensioen van de overheidssector enkel geschorst in geval van cumulatie met een uitkering wegens loopbaanonderbreking, met uitzondering van de uitkering wegens thematische loopbaanonderbreking, of een aanvullende vergoeding toegekend in het kader van een conventioneel brugpensioen. In geval van cumulatie van een rustpensioen met een ander vervangingsinkomen (werkloosheidsuitkering, primaire ongeschiktheidsuitkering en invaliditeitsuitkering) werd het rustpensioen uitbetaald en werd de schorsing of de vermindering ingevolge de cumulatie uitgevoerd op het vervangingsinkomen.

Het nieuwe artikel 72 bevat een volledig cumulatieverbod inzake rustpensioenen van de overheidssector met een vervangingsinkomen zodat voortaan het rustpensioen zal geschorst worden tijdens elke kalendermaand waarin de betrokkene een vervangingsinkomen geniet, tenzij hij aan de uitbetaling van zijn vervangingsinkomen verzaakt.

Inzake overlevingspensioenen wordt de regeling die momenteel in de wet van 5 april 1994 is vervat, grotendeels hernomen. Dit houdt een cumulatieverbod in, met een uitzondering voor twaalf al dan niet opeenvolgende kalendermaanden tijdens dewelke een overlevingspensioen vrij kan gecumuleerd worden met om het even welk vervangingsinkomen, met dien verstande dat het overlevingspensioen beperkt wordt tot het bedrag van de inkomensgarantie voor ouderen. In afwijking van de huidige regeling wordt er geen onderscheid meer gemaakt naar gelang het vervangingsinkomen al dan niet ontvangen wordt voor alle werkdagen van de maand.

Aangezien zoals hiervoor reeds gesteld werd ook in de in de wet van 5 april 1994 vervatte regeling een periode van twaalf maanden voorzien is gedurende dewelke de cumulatie van het overlevingspensioen met een vervangingsinkomen wordt toegelaten, wordt rekening gehouden met de perioden van vrijstelling die reeds onder die regeling werden opgenomen. De aldus reeds opgenomen perioden zullen in mindering gebracht worden van de twaalf maanden die door het nieuwe artikel 72 worden toegekend.

Voormelde vrijstelling van het cumulatieverbod geldt enkel in het geval waarin uitsluitend overlevingspensioenen gecumuleerd worden met een vervangingsinkomen en niet in de gevallen waarin de betrokkene naast zijn overlevingspensioen ook nog een rustpensioen geniet. Artikel 73 van het ontwerp bepaalt dan ook dat indien de persoon die één of meerdere overlevingspensioenen vrij cumuleert met een vervangingsinkomen, het voordeel van deze vrije cumulatie verliest vanaf het ogenblik dat hij ook een rustpensioen bekomt » (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2853/003, pp. 28-29).

B.1.5. Artikel 102 van de bestreden wet bepaalt :

« De bepalingen van dit hoofdstuk hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2013 en zijn eveneens toepasselijk op de op 31 december 2012 lopende pensioenen en cumulaties. Zij zijn ook toepasselijk op de gewaarborgde minimumbedragen inzake rustpensioenen voortvloeiend uit de toepassing van artikel 140, § 3 van de wet van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, zonder dat zij evenwel aan de betrokkene een hoger minimumpensioenbedrag kunnen opleveren dan datgene dat hij werkelijk genoot op 31 december 2012.

In afwijking van het eerste lid, treedt artikel 93, § 5, in werking op de eerste dag van de tweede maand na die waarin deze wet is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

Indien de toepassing van de door dit hoofdstuk aangebrachte wijzigingen tot gevolg heeft dat pensioenbedragen die betrekking hebben op de periode gelegen tussen 31 december 2012 en de eerste dag van de tweede maand na die waarin deze wet is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad dienen te worden verminderd, worden voor die periode de pensioenbedragen toegekend overeenkomstig de op 31 december 2012 van kracht zijnde wetgeving ».

Tijdens de parlementaire voorbereiding werd gepreciseerd dat het derde lid van dat artikel « een overgangsbepaling bevat die erover waakt dat de terugwerkende kracht die verleend wordt aan de bepalingen van deze wet niet tot gevolg heeft dat pensioenbedragen die betrekking hebben op de periode gelegen tussen 31 december 2012 en de eerste dag van de tweede maand na die waarin deze wet werd bekendgemaakt in het Belgische Staatsblad, dienen te worden verminderd » (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2853/003, p. 32). Voorts werd onderstreept :

« Met [die bepaling] wordt deze terugwerkende kracht immers beperkt tot de gevolgen die in het voordeel van de gepensioneerden spelen (bijvoorbeeld wegens het verhogen van de grensbedragen, het verhogen van de marge van 15 % naar 25 %, de mogelijkheid om onbeperkt bij te verdienen vanaf de leeftijd van 65 jaar mits 42 loopbaanjaren, enz.). In de eerder uitzonderlijke gevallen waarin de nieuwe bepalingen in het nadeel van de gepensioneerde zouden uitvallen (bijvoorbeeld omdat vanaf 1 januari 2013 ook de uitkering wegens loopbaanonderbreking voor het verstrekken van palliatieve zorgen als een vervangingsinkomen wordt beschouwd voor wie zijn overlevingspensioen gedurende 12 kalendermaanden mag cumuleren met een vervangingsinkomen), wordt aan deze nieuwe bepalingen geen terugwerkende kracht verleend » (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2853/003, pp. 32-33).

B.2.1. De verzoekende partij, die recht heeft op een rustpensioen en rechten kan doen gelden op een vervangingsinkomen, leidt een enig middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door de artikelen 76, 2°, vierde lid, d) en e), 91 en 102 van de bestreden wet.

B.2.2. In haar memorie van antwoord voert de verzoekende partij ook de schending aan van het beginsel van het gewettigd vertrouwen.

Zonder zich te moeten uitspreken over de vraag of dat beginsel al dan niet is aangevoerd in samenhang met een bepaling waarvan het Hof de inachtneming verzekert, volstaat het vast te stellen dat die grief, voor de eerste keer aangevoerd in de memorie van antwoord van de verzoekende partij, niet tijdig is.

Bijgevolg is het middel in die mate onontvankelijk.

B.3.1. Volgens de verzoekende partij zou de wetgever een niet redelijk verantwoord verschil in behandeling hebben ingesteld onder de personen die een rustpensioen van de overheidssector genieten, naargelang die al dan niet tot de in artikel 76, 2°, vierde lid, d) en e), van de bestreden wet beoogde categorieën behoren. Alleen de eersten zouden immers een pensioen van de overheidssector kunnen cumuleren met een vervangingsinkomen.

B.3.2. Het door de verzoekende partij aangevoerde middel steunt op een verkeerd uitgangspunt. Zoals de Ministerraad doet opmerken, laat geen van de bestreden bepalingen de rechthebbenden van een rustpensioen van de overheidssector die betrokken zijn bij een van de in artikel 76, 2°, vierde lid, d) en e), beoogde mandaten immers toe hun pensioen te cumuleren met een vervangingsinkomen.

Artikel 76, 2°, vierde lid, d) en e), heeft als enig doel de inkomsten afkomstig uit de uitoefening van bepaalde mandaten van het begrip « beroepsinkomsten » uit te sluiten. De bepaling van de vervangingsinkomens, in de zin van de bestreden wet, is vervat in artikel 76, 10°, ervan. Derhalve heeft de omstandigheid dat de houders van bepaalde mandaten beoogd zijn in artikel 76, 2°, van de bestreden wet, niet tot gevolg dat zij een eventueel vervangingsinkomen uit die mandaten mogen cumuleren met het rustpensioen van de overheidssector waarop zij recht hebben.

B.4. Het middel is niet gegrond.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt het beroep.

Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 18 december 2014.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

J. Spreutels