Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 18 februari 2010 (België)

Publicatie datum :
18-02-2010
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
5 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20100218-2
Rolnummer :
12/2010

Samenvatting

Het Hof zegt voor recht : - In de interpretatie volgens welke artikel 10, achtste lid, van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg niet van toepassing is op procedures van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening voor de arbeidsgerechten, schendt het de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. - In de interpretatie volgens welke artikel 10, achtste lid, van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg ook van toepassing is op procedures van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening voor de arbeidsgerechten, schendt het de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters P. Martens en M. Bossuyt, en de rechters R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen en J.-P. Snappe, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter P. Martens,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij arrest van 18 maart 2009 in zake de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening tegen Yolanda Flores Lopez, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 25 maart 2009, heeft het Arbeidshof te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld :

« I. Schendt artikel 10, achtste lid, van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, indien het in die zin dient te worden geïnterpreteerd dat :

- enerzijds, dat artikel de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, als instelling bedoeld in artikel 1 van de voormelde wet, ertoe zou verplichten een bepaling in acht te nemen die achterhaald is en volkomen betekenisloos met betrekking tot die instelling;

- terwijl alle andere privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersonen die in dezelfde situatie worden geplaatst, de bepalingen van de artikelen 703, eerste lid, en 34 van het Gerechtelijk Wetboek kunnen aanvoeren (zie het arrest nr. 135/98 van het Arbitragehof van 16 december 1998) met betrekking tot hun recht om in rechte te treden of in rechte te worden vertegenwoordigd ?

II. a) Schendt artikel 10, zevende lid, juncto artikel 11 van de wet betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, indien het in die zin dient te worden geïnterpreteerd dat :

- enerzijds, dat artikel de in artikel 1 van de voormelde wet bedoelde instelling ertoe zou verplichten te worden vertegenwoordigd door de in artikel 9 van diezelfde wet bedoelde persoon bij het verrichten van de gerechtelijke handelingen, en met name bij het vervullen van de vormregels bij hoger beroep, met inbegrip van de ondertekening van het verzoekschrift tot hoger beroep;

- terwijl, anderzijds, zoals het Arbitragehof in zijn arrest van 17 mei 2000 heeft bevestigd, artikel 1056, 2°, juncto artikel 1057 van het Gerechtelijk Wetboek in die zin dient te worden geïnterpreteerd dat artikel 1031ter [lees : 1034ter ], 6°, van dat Wetboek, dat de verzoeker of zijn advocaat op straffe van nietigheid verplicht het verzoekschrift te ondertekenen, niet van toepassing is op de verzoekschriften tot hoger beroep ?

b) Schendt artikel 10, vierde lid, juncto artikel 10, zesde lid, van de wet betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, indien het in die zin dient te worden geïnterpreteerd dat :

- enerzijds, die bepalingen een in artikel 1 van de wet bedoelde instelling ertoe zouden verplichten een verzoekschrift tot hoger beroep te laten ondertekenen door de in artikel 9 van diezelfde wet bedoelde persoon, zelfs wanneer de ondertekening van de verzoekschriften tot hoger beroep in het huishoudelijk reglement van de instelling als handeling van dagelijks beheer is aangemerkt, overeenkomstig artikel 10, vierde lid;

- terwijl, anderzijds, zoals het Arbitragehof in zijn arrest van 17 mei 2000 heeft bevestigd, artikel 1056, 2°, juncto artikel 1057 van het Gerechtelijk Wetboek in die zin dient te worden geïnterpreteerd dat artikel 1034ter, 6°, van dat Wetboek, dat de verzoeker of zijn advocaat op straffe van nietigheid verplicht het verzoekschrift te ondertekenen, niet van toepassing is op de verzoekschriften tot hoger beroep ?

c) Schenden de artikelen 10, achtste lid, en 11 van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, indien zij in die zin dienen te worden geïnterpreteerd dat :

- enerzijds, die artikelen 10, achtste lid, en 11 een in artikel 1 van de wet bedoelde instelling ertoe zouden verplichten een verzoekschrift tot hoger beroep te laten ondertekenen, hetzij door de in artikel 10, eerste lid, van diezelfde wet bedoelde persoon, hetzij door de adjunct van de in dat artikel bedoelde persoon, hetzij, bij ontstentenis van de adjunct, door een personeelslid van de instelling dat door het beheerscomité wordt aangewezen, zoals in artikel 11, tweede lid, is bepaald;

- terwijl, anderzijds, zoals het Arbitragehof in zijn arrest van 17 mei 2000 heeft bevestigd, artikel 1056, 2°, juncto artikel 1057 van het Gerechtelijk Wetboek in die zin dient te worden geïnterpreteerd dat artikel 1034ter, 6°, van dat Wetboek, dat de verzoeker of zijn advocaat op straffe van nietigheid verplicht het verzoekschrift te ondertekenen, niet van toepassing is op de verzoekschriften tot hoger beroep ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag

B.1. De eerste prejudiciële vraag heeft betrekking op de voorwaarden waaronder de persoon belast met het dagelijks beheer van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA), namelijk de administrateur-generaal (artikelen 1 en 3 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering), overeenkomstig artikel 10, achtste lid, van de wet van 25 april 1963 « betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg », aan een of meer personeelsleden zijn bevoegdheid om hem te vertegenwoordigen voor de rechtscolleges kan overdragen, in vergelijking met de in artikel 703, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde wijze van vertegenwoordiging in rechte van de rechtspersonen.

B.2. Artikel 10 van de voormelde wet van 25 april 1963 bepaalt :

« De persoon belast met het dagelijks beheer, voert de beslissingen van het beheerscomité uit; hij verstrekt aan dit comité alle inlichtingen en onderwerpt het alle voorstellen, die voor de werking van de instelling nuttig zijn.

Hij woont de vergaderingen van het beheerscomité bij.

Hij leidt het personeel en zorgt, onder het gezag en de controle van het beheerscomité, voor de gang van zaken.

Hij oefent de bevoegdheden uit inzake het dagelijks beheer, zoals het huishoudelijk reglement deze bepaalt.

Het beheerscomité kan hem andere bepaalde bevoegdheden overdragen.

Voor een vlottere gang van zaken kan het beheerscomité binnen de grenzen en voorwaarden die het vaststelt, de met het dagelijks beheer belaste persoon machtigen een deel van de hem verleende bevoegdheden en het ondertekenen van sommige stukken en brieven over te dragen.

De persoon belast met het dagelijks beheer vertegenwoordigt de instelling in de gerechtelijke en buitengerechtelijke handelingen, en treedt rechtsgeldig in haar naam, en voor haar rekening op, zonder dat hij zulks door een beslissing van het beheerscomité moet staven.

Hij mag nochtans, met instemming van het beheerscomité, zijn bevoegdheid om op te treden namens de instelling voor de administratieve rechtscolleges in de geschillen omtrent de rechten ontstaan uit een regeling van sociale zekerheid aan een of meer leden van het personeel overdragen ».

B.3.1. Volgens de RVA zou de in het geding zijnde bepaling een onverantwoord verschil in behandeling teweegbrengen tussen de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg die vallen onder het toepassingsgebied van artikel 1 van de wet van 25 april 1963 en de andere privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersonen in zoverre enkel aan de eerstgenoemden de verplichting zou worden opgelegd een striktere bepaling, die met betrekking tot de RVA achterhaald en volkomen betekenisloos is, in acht te nemen, terwijl de andere rechtspersonen artikel 703, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek kunnen aanvoeren met betrekking tot hun recht om in rechte te treden.

B.3.2. Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat de ontvankelijkheid van het namens de RVA ingediende verzoekschrift tot hoger beroep tegen een door de arbeidsrechtbank gewezen vonnis wordt betwist, aangezien het is ingediend en ondertekend door een persoon die de delegatie niet onder de in artikel 10, achtste lid, van de voormelde wet van 25 april 1963 bedoelde voorwaarden heeft verkregen.

B.3.3. Enkel artikel 10, achtste lid, van de voormelde wet wordt in de eerste prejudiciële vraag beoogd.

Aangezien die bepaling een delegatie « aan een of meer leden van het personeel » enkel mogelijk maakt « voor de administratieve rechtscolleges », dient, voor de gerechtelijke handelingen voor andere rechtscolleges, het voormelde artikel 12 van dezelfde wet te worden toegepast luidens hetwelk de instelling gezamenlijk wordt vertegenwoordigd door de persoon die met het dagelijks beheer is belast en door de voorzitter, onder voorbehoud van de vervangingen die bij hetzelfde artikel in geval van verhindering zijn toegestaan (Cass., 18 september 2000, Arr. Cass., 2000, nr. 475; Cass., 18 maart 2002, Arr. Cass., 2002, nr. 187).

B.4.1. Uit de beslissing waarbij aan het Hof vragen worden gesteld, blijkt dat enkel de bevoegdheid om namens de RVA in rechte te treden teneinde te beslissen om hoger beroep aan te tekenen tegen een vonnis van de arbeidsrechtbank in het geding is.

Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die hypothese.

B.4.2. Luidens artikel 703 van het Gerechtelijk Wetboek kunnen rechtspersonen enkel in rechte treden door tussenkomst van hun bevoegde organen, wat niet belet dat de wetgever de delegatie van die bevoegdheid aan andere personen toestaat, zoals personeelsleden die niet de hoedanigheid van orgaan hebben.

B.4.3. Aldus kan de administrateur-generaal van de Rijksdienst der Pensioenen « met de instemming van het beheerscomité, zijn bevoegdheid om de instelling te vertegenwoordigen voor de gewone en de administratieve gerechten aan één of meer leden van het personeel overdragen » (artikel 19 van de wet van 12 augustus 2000 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen tot wijziging van het zesde en het zevende lid van artikel 49 van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers). Op dezelfde wijze kan, in de geschillen bedoeld in artikel 580, 8°, c, van het Gerechtelijk Wetboek, het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn met name verschijnen « bij monde van een door dit centrum afgevaardigd effectief lid of personeelslid » (artikel 728, § 3, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek). De Gemeenschaps- en Gewestelijke Dienst voor Beroepsopleiding en Arbeidsbemiddeling (FOREm) kan in rechte treden bij monde van een ambtenaar van die Dienst die wordt afgevaardigd op initiatief van zijn administrateur-generaal (artikel 17, achtste lid, van het decreet van het Waalse Gewest van 16 december 1988).

B.4.4. Die overdracht van de bevoegdheid om in rechte te treden is evenzeer verantwoord voor de RVA die een aanzienlijk aantal dossiers beheert en moet beslissen om beroep in te stellen binnen de bepaalde termijnen op straffe van onontvankelijkheid.

B.4.5. In zoverre de in het geding zijnde bepaling het niet mogelijk maakt, met de instemming van het beheerscomité, de bevoegdheid om namens de RVA in rechte te treden voor de arbeidsgerechten, over te dragen aan één of meer personeelsleden, voert ze een verschil in behandeling in dat niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.4.6. Artikel 10, achtste lid, van de wet van 25 april 1963 kan evenwel ook zo worden geïnterpreteerd dat voor alle geschillen over rechten ontstaan uit de werkloosheidsreglementering een delegatie van vertegenwoordigingsbevoegdheid mogelijk is voor de geschillen die voor de arbeidsgerechten worden gebracht.

Immers, sinds de inwerkingtreding van artikel 580, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek (wet van 10 oktober 1967), neemt de arbeidsrechtbank kennis van de geschillen betreffende de rechten en verplichtingen van werknemers en leerlingen en hun rechtverkrijgenden, welke voortvloeien uit de wetten en verordeningen bedoeld in dat artikel, waaronder de wetten en verordeningen inzake werkloosheid.

B.4.7. In die interpretatie is artikel 10, achtste lid, van de wet van 25 april 1963 bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag

B.5. Rekening houdend met het antwoord op de eerste prejudiciële vraag en met het feit dat, naar luid van de verwijzingsbeslissing zelf, de vraag over de hoedanigheid van de ondertekenaar van de akte van hoger beroep verband houdt met die over de ontvankelijkheid van de akte van hoger beroep die is ingediend door het orgaan via hetwelk de RVA in rechte kan treden, staat het aan de verwijzende rechter te oordelen of het antwoord op de tweede prejudiciële vraag nog nuttig is om het geschil op te lossen.

B.6. De tweede prejudiciële vraag behoeft geen antwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

- In de interpretatie volgens welke artikel 10, achtste lid, van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg niet van toepassing is op procedures van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening voor de arbeidsgerechten, schendt het de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

- In de interpretatie volgens welke artikel 10, achtste lid, van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg ook van toepassing is op procedures van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening voor de arbeidsgerechten, schendt het de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

- De tweede prejudiciële vraag behoeft geen antwoord.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 18 februari 2010.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

P. Martens.