Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 18 februari 2016 (België)

Publicatie datum :
18-02-2016
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
41 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20160218-5
Rolnummer :
22/2016

Samenvatting

Het Hof - vernietigt artikel 79, § 1, eerste lid, van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering van personen; - verwerpt de beroepen voor het overige.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters E. De Groot en J. Spreutels, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van rechter A. Alen,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging

a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 4 november 2014 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 5 november 2014, is beroep tot vernietiging ingesteld van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering van personen (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 9 juli 2014) door Rudi Goesaert.

b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 8 januari 2015 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 9 januari 2015, is beroep tot gedeeltelijke vernietiging ingesteld van dezelfde wet door R.W., B.W., D.V., M. V.E., M.C., J.D., G.O., R.B., K. V.Z., K.D., P.L., S.A., J.C., A. E.B., F.M. en J. V.W., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Verpoorten, advocaat bij de balie te Herentals.

c. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 9 januari 2015 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 12 januari 2015, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 3, 4°, a), 6, § 1, tweede lid, en § 2, 11, 79, § 1, en 84, § 2, van dezelfde wet door de vzw « Ligue des Droits de l'Homme » en de vzw « Liga voor Mensenrechten », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Dupuis, Mr. D. Ribant en Mr. F. Vansiliette, advocaten bij de balie te Brussel.

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 6082, 6136 en 6138 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoekschrift in de zaak nr. 6082

B.1. De Ministerraad voert aan dat het verzoekschrift in de zaak nr. 6082 onontvankelijk is omdat het dermate vaag is opgesteld, dat het gissen is naar de wetsbepaling die door de verzoekende partij wordt aangevochten, alsook naar de middelen die ertegen worden aangevoerd.

B.2.1. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, moet een middel te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. Die vereisten zijn ingegeven, enerzijds, door de noodzaak voor het Hof om vanaf het indienen van het verzoekschrift in staat te zijn de juiste draagwijdte van het beroep tot vernietiging te bepalen, en, anderzijds, door de zorg om aan de andere partijen in het geding de mogelijkheid te bieden op de argumenten van de verzoekende partijen te repliceren, waartoe een duidelijke en ondubbelzinnige uiteenzetting van het middel onontbeerlijk is.

B.2.2. Uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering van personen (hierna : de Interneringswet 2014) bekritiseert omdat de beslissingen aangaande de ministerieel geïnterneerden geldig blijven. De verzoekende partij verwijst naar artikel 135, § 3, van die wet en zij werpt op dat er « een ongerechtvaardigd verschil in behandeling wordt ingevoerd » en dat « het onrechtvaardig is dat ministerieel geïnterneerden na het verlopen van hun vrijheidsstraf geïnterneerd kunnen blijven ».

De Ministerraad heeft overigens in zijn memorie en in zijn memorie van wederantwoord op die grieven geantwoord.

B.2.3. De exceptie wordt verworpen.

Ten gronde

1. Wat de ministerieel geïnterneerden betreft

B.3. Het enige middel in de zaak nr. 6082 en het twaalfde middel in de zaak nr. 6136 hebben betrekking op het statuut van de ministerieel geïnterneerden.

In de zaak nr. 6082 voert de verzoekende partij aan dat artikel 135, § 3, van de Interneringswet 2014 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre het een ongerechtvaardigd verschil in behandeling zou creëren tussen de gewone geïnterneerden en de ministerieel geïnterneerden, doordat de gewone geïnterneerden een betere behandeling zouden krijgen dan de ministerieel geïnterneerden (eerste onderdeel), en doordat het onrechtvaardig zou zijn dat ministerieel geïnterneerden na het verlopen van hun vrijheidsstraf geïnterneerd kunnen blijven (tweede onderdeel).

In de zaak nr. 6136 voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 135, § 3, van de Interneringswet 2014, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt omdat het een willekeurig onderscheid zou maken binnen de groep van veroordeelde personen die tijdens hun hechtenis in staat van geestesstoornis worden bevonden. In de praktijk zouden de ministerieel geïnterneerden, volgens de verzoekende partijen, ook na het einde van hun oorspronkelijke straftijd geïnterneerd blijven en zouden zij de gevangenis slechts mogen verlaten onder de voorwaarden die de commissie tot bescherming van de maatschappij bepaalt, terwijl de wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen met een geestesstoornis (hierna : de Interneringswet 2007), die evenwel nooit in werking is getreden, stelde dat die personen na afloop van hun vrijheidsstraf dienden te worden vrijgelaten of dat het openbaar ministerie diende te handelen zoals vereist door de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke.

De Interneringswet 2014 voorziet niet meer in de mogelijkheid tot internering van veroordeelden door de minister van Justitie maar handhaaft wel de gevolgen van de reeds genomen beslissingen tot internering, waardoor twee identieke groepen van mensen verschillend worden behandeld op basis van een willekeurig criterium, te weten het ogenblik waarop wordt vastgesteld dat de veroordeelde zich in staat van geestesstoornis bevindt.

B.4.1. Artikel 135, § 3, van de Interneringswet 2014 bepaalt :

« De beslissing tot internering van veroordeelden die door de minister van Justitie overeenkomstig artikel 21 van de wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten werd genomen voor de inwerkingtreding van deze wet blijft geldig.

Met uitzondering van het eerste lid, is artikel 135 van toepassing op deze geïnterneerde veroordeelden ».

B.4.2. De tekst van de voormelde bepaling vloeit voort uit het amendement nr. 115 (Parl. St., Senaat, 2013-2014, nr. 5-2001/3, p. 53), dat als volgt was geredigeerd en werd aangenomen in de commissie :

« 3° § 3 vervangen door wat volgt :

' De beslissing tot internering van veroordeelden die door de minister van Justitie overeenkomstig artikel 21 van de wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten werd genomen voor de inwerkingtreding van deze wet, blijft geldig.

Met uitzondering van het eerste lid is artikel 114 van toepassing op deze geïnterneerde veroordeelden. ' ».

Het door het amendement beoogde artikel 114 verwees naar artikel 114 van de voormelde Interneringswet 2007, dat bepaalt :

« De persoon die zowel een vrijheidsstraf als een internering ondergaat, verblijft in een door de federale overheid georganiseerde inrichting of afdeling tot bescherming van de maatschappij die door de strafuitvoeringsrechtbank wordt aangewezen.

De artikelen [...] 90 tot 111 zijn van toepassing ».

Artikel 114 van de Interneringswet 2007 werd mutatis mutandis overgenomen in artikel 76 van de Interneringswet 2014, dat bepaalt :

« Een persoon die zowel een vrijheidsstraf als een internering ondergaat, wordt geplaatst in een federale instelling die wordt aangewezen door de kamer voor de bescherming van de maatschappij.

De bepalingen van deze wet zijn op hem van toepassing ».

Artikel 135, § 3, tweede lid, van de Interneringswet 2014 moet dus in die zin worden gelezen dat het verwijst naar artikel 76 van dezelfde wet.

B.5.1. Onder de gelding van artikel 21 van de wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten, konden veroordeelden die tijdens hun hechtenis in staat van krankzinnigheid werden bevonden, via een ministerieel besluit geïnterneerd worden op eensluidend advies van de commissie tot bescherming van de maatschappij.

B.5.2. Artikel 21 van de voormelde wet van 1 juli 1964 bepaalt :

« De wegens misdaad of wanbedrijf veroordeelde personen die, tijdens hun hechtenis, in staat van krankzinnigheid of in een ernstige staat van geestesstoornis of van zwakzinnigheid worden bevonden, die hen ongeschikt maakt tot het controleren van hun daden, kunnen geïnterneerd worden krachtens een beslissing van de minister van Justitie, genomen op eensluidend advies van de commissie tot bescherming van de maatschappij.

De internering heeft plaats in de inrichting die de commissie tot bescherming van de maatschappij aanwijst overeenkomstig artikel 14; de artikelen 15 tot 17 zijn mede van toepassing.

Indien de geestestoestand van de veroordeelde vóór het verstrijken van de straftijd voldoende is verbeterd zodat zijn internering niet meer nodig is, stelt de commissie dat vast en gelast de minister van Justitie de terugkeer van de veroordeelde naar de strafinrichting waar hij voordien in hechtenis was.

Voor de toepassing van de wet op de voorlopige invrijheidstelling wordt de tijd van de internering gelijkgesteld met hechtenis ».

B.5.3. In de Interneringswet 2014 heeft de wetgever ervoor gekozen geen specifieke procedure meer te organiseren voor de ministerieel geïnterneerden of anders gesteld de geïnterneerde veroordeelden.

Die keuze wordt gemotiveerd door de bekommernis om enkel nog in te zetten op de zorg voor veroordeelden die tijdens hun detentie komen te lijden aan een psychiatrische stoornis, « net zoals ze verzorgd dienen te worden voor fysieke problemen ». Tijdens de parlementaire voorbereiding werd geoordeeld dat het « een zuiver medische aangelegenheid [betreft], waarvoor de rechterlijke macht niet dient tussen te komen en voor dewelke de tussenstap van internering een overbodige stap is » (Parl. St., Senaat, 2013-2014, nr. 5-2001/2, p. 57) :

« Veroordeelden die tijdens de detentie komen te lijden aan een ernstige geestesstoornis, dienen hiervoor behandeld te worden. Dit kan onder meer gebeuren in een psychiatrische afdeling van een gevangenis, een inrichting of afdeling bescherming maatschappij, een penitentiaire psychiatrische ziekenhuisafdeling [...].

[...]

Indien bij strafeinde blijkt dat de veroordeelde ten gevolge van zijn geestesstoornis een ernstige bedreiging vormt voor andermans leven of integriteit, meldt de directeur dit aan de procureur des Konings, die aan de vrederechter de toepassing van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke kan vragen » (ibid., pp. 57-58).

« [De] geïnterneerde-veroordeelde - dit is een persoon die veroordeeld werd tot een klassieke gevangenisstraf, maar die tijdens de detentie een pathologie vertoont - [zal] niet langer [...] worden geïnterneerd. Veroordeelden met een psychiatrisch probleem moeten immers verzorgd worden. Zij kunnen deze verzorging krijgen zonder wijziging van hun juridisch statuut en zonder internering » (Parl. St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-3527/002, p. 5).

B.5.4. Ingevolge het afschaffen van de bijzondere procedure voor de ministerieel geïnterneerden diende evenwel voor de personen die reeds ministerieel geïnterneerd waren een overgangsregeling te worden uitgewerkt. Zo bepaalt de wet dat de beslissingen tot ministeriële internering geldig zijn en blijven (Parl. St., Senaat, 2013-2014, nr. 5-2001/2, p. 35).

B.6. Met betrekking tot, in eerste instantie, de aangevoerde schending van het gelijkheidsbeginsel, doordat gewone geïnterneerden een betere behandeling zouden krijgen dan ministerieel geïnterneerden (eerste onderdeel van het middel in de zaak nr. 6082), moet worden opgemerkt dat, luidens artikel 135, § 3, van de Interneringswet 2014, zoals de draagwijdte ervan werd gepreciseerd in B.4.2, de ministerieel geïnterneerden binnen het toepassingsgebied van de Interneringswet 2014 vallen wat betreft de nieuwe procedure voor de kamers voor de bescherming van de maatschappij, waardoor meer bepaald beide categorieën van vergeleken personen dezelfde behandeling zullen krijgen.

Volgens artikel 2 van de Interneringswet 2014 is de internering van personen met een geestesstoornis een veiligheidsmaatregel die tegelijkertijd ertoe strekt de maatschappij te beschermen en ervoor zorgt dat aan de geïnterneerde persoon de zorg wordt verstrekt die zijn toestand vereist met het oog op zijn re-integratie in de maatschappij. Bovendien wordt hem de nodige zorg verstrekt, met inachtneming van zijn recht om een menswaardig leven te leiden. Die zorg is tevens gericht op een maximaal haalbare vorm van maatschappelijke re-integratie en verloopt waar aangewezen en mogelijk op een manier waarbij aan de geïnterneerde persoon telkens zorg op maat wordt aangeboden.

Daaruit volgt dat beide categorieën van geïnterneerden dezelfde behandeling krijgen.

B.7.1. De verzoekende partijen voeren vervolgens aan (tweede onderdeel van het middel in de zaak nr. 6082 en twaalfde middel in de zaak nr. 6136) dat een verschil in behandeling zou volgen uit het feit dat ministerieel geïnterneerden geïnterneerd zullen blijven tot het verstrijken van hun vrijheidsstraf en zelfs langer, terwijl dat niet meer het geval zal zijn, vanaf de inwerkingtreding van de Interneringswet 2014, voor veroordeelden die gedurende hun hechtenis een mentale stoornis ontwikkelen, desnoods doordat die laatsten, indien hun geestestoestand dat vereist, bij het verstrijken van hun straf zouden kunnen worden onderworpen aan de gemeenrechtelijke regeling van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke.

B.7.2. De wijziging van een wet impliceert noodzakelijkerwijze dat de situatie van diegenen die waren onderworpen aan de vroegere wet, verschillend is van de situatie van diegenen die zijn onderworpen aan de nieuwe wet. Een dergelijk verschil in behandeling is op zich niet onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Indien de wetgever een beleidswijziging noodzakelijk acht, vermag hij te oordelen dat die onmiddellijk ingaat en is hij in beginsel niet ertoe gehouden in een overgangsregeling te voorzien. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet zijn slechts geschonden indien de overgangsregeling of de ontstentenis van een overgangsmaatregel tot een verschil in behandeling leidt waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat of indien aan het vertrouwensbeginsel op buitensporige wijze afbreuk wordt gedaan.

B.7.3. In de eerste plaats dient te worden vastgesteld dat beide categorieën van personen, vanaf de inwerkingtreding van de Interneringswet 2014, moeten worden onderworpen aan de gespecialiseerde zorg in gespecialiseerde instellingen. Ook de veroordeelde, wanneer bij zijn strafeinde blijkt dat hij, ten gevolge van zijn geestesstoornis, een ernstige bedreiging vormt voor andermans leven of integriteit, zal gedwongen opgenomen kunnen worden in een ziekenhuis met toepassing van de voormelde wet van 26 juni 1990.

Overigens zullen, met toepassing van artikel 135, § 3, tweede lid, waarvan de draagwijdte werd gepreciseerd in B.4.2, de bepalingen van titel V van de wet, die van toepassing zijn op diegenen die zijn veroordeeld na de inwerkingtreding van de Interneringswet 2014 en die gelijktijdig het voorwerp zijn van een interneringsmaatregel, van toepassing zijn op de ministerieel geïnterneerde veroordeelden. Zo zullen, met inachtneming van de voorwaarden vastgesteld in de Interneringswet 2014, de ministerieel geïnterneerden, met toepassing van artikel 77 van de wet, een uitgaansvergunning, verlof, beperkte detentie, elektronisch toezicht en invrijheidstelling op proef kunnen genieten overeenkomstig de tijdsvoorwaarden bepaald in de artikelen 4, 7, 23, § 1, 25 of 26 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten.

B.8.1. Het Hof moet nog onderzoeken of de bestreden bepaling artikel 12 van de Grondwet schendt in zoverre de internering kan worden verlengd tot na het verstrijken van de straftijd.

B.8.2. Allereerst dient te worden vastgesteld dat, wanneer een verdragsbepaling die België bindt, een draagwijdte heeft die analoog is aan die van één van de grondwetsbepalingen waarvan de toetsing tot de bevoegdheid van het Hof behoort en waarvan de schending wordt aangevoerd, de waarborgen vervat in die verdragsbepaling een onlosmakelijk geheel vormen met de waarborgen die in de betrokken grondwetsbepalingen zijn opgenomen.

Vermits zowel artikel 12 van de Grondwet als artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens het recht op individuele vrijheid waarborgen, dient het Hof, bij de toetsing aan artikel 12 van de Grondwet, rekening te houden met de voormelde verdragsbepaling.

B.8.3. Opdat de gevangenhouding van een geesteszieke rechtmatig is, dient er, volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, te worden voldaan aan drie minimumvoorwaarden : er moet, op basis van een objectieve, medische expertise worden aangetoond dat er een reële en voortdurende mentale stoornis bestaat; die stoornis moet bovendien van dien aard zijn dat zij de internering kan rechtvaardigen; de internering mag slechts zolang duren als de persoon geestesgestoord blijft, in die zin dat de geïnterneerde de mogelijkheid moet krijgen om vrij te komen zodra hij opnieuw gezond is (EHRM, 24 oktober 1979, Winterwerp t. Nederland, § 39).

B.8.4. Internering is geen straf, maar een maatregel om ervoor te zorgen dat een geesteszieke geen schade meer kan toebrengen en, terzelfder tijd, om hem een curatieve behandeling te doen ondergaan. Gelet op de aard van die maatregel is het redelijk verantwoord dat, indien de geestestoestand van een veroordeelde die wordt geïnterneerd krachtens een beslissing van de minister van Justitie, op het ogenblik van het verstrijken van de straftijd niet voldoende is verbeterd, zodat zijn internering nodig blijft, die maatregel voortduurt totdat de kamer voor de bescherming van de maatschappij gelast dat de geïnterneerde definitief (artikelen 67 en volgende van de Interneringswet 2014) in vrijheid zal worden gesteld. De risico's die uit een gevaarlijke psychische toestand voortvloeien en die de internering beoogt tegen te gaan, blijven immers voortbestaan totdat de kamer voor de bescherming van de maatschappij van oordeel is dat de geestestoestand van de geïnterneerde voldoende is verbeterd « zodat redelijkerwijze niet te vrezen valt dat de geïnterneerde persoon ten gevolge van zijn geestesstoornis zich in een staat bevindt die een gevaar uitmaakt voor het plegen van ernstige strafbare feiten of voor de fysieke of psychische integriteit van derden » (artikel 66 van de Interneringswet 2014).

B.8.5. Bovendien zullen de ministerieel geïnterneerden, vanaf de inwerkingtreding van de Interneringswet 2014, en rekening houdend met hetgeen in B.4.2 is vermeld, op dezelfde manier worden behandeld als de gewone geïnterneerden, waardoor zij eveneens de mogelijkheid verkrijgen om uitvoeringsmodaliteiten van de internering en van de bijhorende voorwaarden te verkrijgen (titels IV en V van de Interneringswet 2014), zodat is voldaan aan de in artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens besloten vereisten.

B.9. Het enige middel in de zaak nr. 6082 en het twaalfde middel in de zaak nr. 6136 zijn niet gegrond.

2. Wat de geïnterneerden betreft

B.10. De Interneringswet 2014 regelt het statuut van de geïnterneerden, te weten mensen die feiten hebben gepleegd waarop een gevangenisstraf is gesteld, en die ontoerekeningsvatbaar zijn verklaard.

De parlementaire voorbereiding vermeldt :

« Meestal begint het interneringstraject in de gevangenis waar deze mensen verblijven na hun aanhouding. Vanaf dat moment moeten ze wachten tot een voldoende geïndividualiseerd en recidivebeperkend reclasseringsplan werd afgewerkt, i.c. tot er een plaats vrijkomt in een gespecialiseerde instelling of tot er een aangepast ambulant reclasseringsplan op punt staat. Voor één op de vier geïnterneerden is deze wachttijd eindeloos. Zij blijven in de gevangenis, waar ze niet thuishoren. Deze zieke mensen zijn immers geen veroordeelde misdadigers en de gevangenis is niet bij machte om hen de noodzakelijke en wettelijk verplichte zorgen te verlenen. [...]

[...]

De in dit wetsvoorstel uitgewerkte wijzigingen beogen een constructieve bijdrage voor meer verfijning en vooral verbetering van de wet van 21 april 2007. Het welslagen van dit voorstel kan echter niet zonder een parallelle uitbouw van een uitgebreid zorgnetwerk. Het samenspel tussen een adequaat wettelijk kader en een dito slagkrachtig hulp- en begeleidingsaanbod biedt de enige waarborg om niet terug in een systeem van vergeetputten te belanden » (Parl. St., Senaat, 2012-2013, nr. 5-2001/1, pp. 1 en 6).

B.11.1. De Interneringswet 2014 vervangt de voormelde wet van 1 juli 1964, omdat de wetgever van oordeel was dat de bestaande wetgeving « zowel op juridisch-technisch vlak als inhoudelijk voor verbetering vatbaar » was. Een goede regeling van de internering dient, blijkens de parlementaire voorbereiding, hoofdzakelijk met twee fundamentele belangen rekening te houden : « enerzijds de bescherming van de maatschappij en anderzijds een intensieve, kwaliteitsvolle zorg voor de geïnterneerde » (Parl. St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-3527/002, p. 3).

Zo stelt artikel 2 van de Interneringswet 2014 dat de internering van personen met een geestesstoornis een veiligheidsmaatregel is die « er tegelijkertijd toe strekt de maatschappij te beschermen en ervoor te zorgen dat aan de geïnterneerde persoon de zorg wordt verstrekt die zijn toestand vereist met het oog op zijn re-integratie in de maatschappij. Rekening houdend met het veiligheidsrisico en de gezondheid van de geïnterneerde persoon zal hem de nodige zorg aangeboden worden om een menswaardig leven te leiden. Die zorg is gericht op een maximaal haalbare vorm van maatschappelijke re-integratie en verloopt waar aangewezen en mogelijk via een zorgtraject waarin aan de geïnterneerde persoon telkens zorg op maat aangeboden wordt ».

B.11.2. Bovendien is, blijkens de parlementaire voorbereiding, de Interneringswet 2014 vernieuwend op volgende punten :

« - Op het vlak van de beslissingsinstanties : in het wetsontwerp wordt niet langer verwezen naar de strafuitvoeringsrechtbank, maar naar een kamer binnen die SURB. De kamer ter bescherming van de maatschappij wordt opgericht binnen de strafuitvoeringsrechtbank (KBM) en bestaat uit een alleenzetelende rechter (de interneringsrechter). Die interneringsrechter zal worden bijgestaan door assessoren, onder wie klinische psychologen;

- Op het vlak van de procedure : een flexibele regeling maakt het mogelijk dat de KBM zonodig bij hoogdringendheid kan beslissen. Daarnaast worden de procedures tot toekenning, aanpassing, schorsing en herroeping van de uitgangsmodaliteiten vereenvoudigd en versoepeld;

- Vrijheid op proef wordt mogelijk vanaf de eerste zitting en er is geen minimumtermijn van voorafgaande residentiële plaatsing in een zorginstelling vereist.

[...]

- Er wordt voorzien in een afsluiting van samenwerkingsakkoorden met zorginstellingen die geïnterneerden opnemen. [...]

- Het psychiatrisch onderzoek zal voortaan worden uitgevoerd door een college van ' gedragswetenschappers ' (psychologen/criminologen/maatschappelijk assistenten) dat onder leiding van een psychiater staat.

- Het psychiatrisch deskundigenonderzoek wordt tegensprekelijk en verplicht.

- Het interneringsdossier wordt meegedeeld aan de zorginstelling.

- Er wordt voorzien in een verbeterde opvolging van het dossier door middel van een betere rapportage aan de KBM :

[...]

- De positie van het slachtoffer wordt verbeterd [...]. Daartoe wordt eveneens een ' slachtoffermoment ' op de zitting van de KBM ingevoerd.

- De bepalingen in verband met het woonverbod in de wet van 17 mei 2006, werden ook naar analogie van toepassing gemaakt » (Parl. St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-3527/002, pp. 3-5).

2.1. De beslissing tot internering

B.12.1. Het eerste middel in de zaak nr. 6136 is afgeleid uit een schending van de artikelen 13 en 150 van de Grondwet, door artikel 9, § 1, van de Interneringswet 2014, doordat het, volgens de verzoekende partijen, aan de onderzoeksgerechten de bevoegdheid zou geven om een uitspraak ten gronde te doen voor misdaden, « in gevallen waar de ten aanzien van de vordering tot internering betwisting voerende verdachte er niet in toestemt om de beoordeling van de tenlasteleggingen en van zijn geestestoestand te onttrekken aan een jury ».

B.12.2. In het tweede middel in de zaak nr. 6136 voeren de verzoekende partijen een schending aan van de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 150 van de Grondwet, doordat de artikelen 5 en 9 van de Interneringswet 2014, onrechtmatig en zonder afdoende redelijke verantwoording fundamenteel verschillende situaties op een gelijke wijze zouden behandelen.

B.13.1. Artikel 5 van de Interneringswet 2014 bepaalt :

« § 1. Wanneer er redenen zijn om aan te nemen dat een persoon zich bevindt in een in artikel 9 bedoelde toestand, bevelen de procureur des Konings, de onderzoeksrechter of de onderzoeks- of vonnisgerechten een forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek teneinde na te gaan :

1° of de persoon op het ogenblik van de feiten en op het ogenblik van het onderzoek leed aan een geestesstoornis die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden heeft tenietgedaan of ernstig heeft aangetast;

2° of er mogelijk een oorzakelijk verband bestaat tussen de geestesstoornis en de feiten;

3° of het gevaar bestaat dat betrokkene ten gevolge van de geestesstoornis, desgevallend in samenhang met andere risicofactoren, opnieuw misdrijven pleegt;

4° a) dat en hoe de persoon desgevallend kan worden behandeld, begeleid, verzorgd met het oog op zijn re-integratie in de maatschappij;

b) dat desgevallend, indien de tenlastelegging betrekking heeft op de in artikelen 372 tot 378 van het Strafwetboek bedoelde feiten of de in de artikelen 379 tot 387 van hetzelfde Wetboek bedoelde feiten indien ze gepleegd werden op minderjarigen of met hun deelneming, de noodzaak bestaat om een gespecialiseerde begeleiding of behandeling op te leggen.

§ 2. Het forensisch psychiatrisch onderzoek wordt uitgevoerd onder de leiding en de verantwoordelijkheid van een deskundige die voldoet aan de voorwaarden welke zijn gesteld in artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen.

Het deskundigenonderzoek kan ook in college of met bijstand van andere gedragswetenschappers uitgevoerd worden, telkens onder leiding van voormelde deskundige.

Daarenboven dient de leidende deskundige vooraf erkend te zijn door de bevoegde minister of door zijn afgevaardigde.

Binnen zes maanden te rekenen van de inwerkingtreding van dit artikel bepaalt de Koning, op voorstel van de ministers die Volksgezondheid en Justitie tot hun bevoegdheid hebben, de voorwaarden en de procedure voor het verlenen van de erkenning. Hij bepaalt de rechten en de plichten van de erkende deskundigen. Hij bepaalt de sancties die kunnen worden opgelegd bij het niet-naleven van de erkenningsvoorwaarden.

De expertises die zijn uitgevoerd door deskundigen, vooraleer voormelde erkenningsvoorwaarden van kracht zijn, blijven rechtsgeldig.

De deskundige dient in het kader van het deskundigenonderzoek alle nuttige inlichtingen in te winnen bij de huisarts van de betrokkene, en desgevallend bij zijn andere of vroegere psychiatrische behandelaars. Dit overleg dient plaats te vinden binnen het toepasselijk deontologisch kader.

§ 3. Onverminderd de mogelijkheid van de bevelende instantie om een nieuw deskundigenonderzoek te laten uitvoeren overeenkomstig de bepalingen van deze wet, blijven de deskundigenonderzoeken die zijn uitgevoerd voor de inwerkingtreding van het koninklijk besluit bedoeld in § 2, rechtsgeldig.

De bevelende instantie kan een actualisering van het deskundigenonderzoek vragen wanneer zij dit nodig acht. De deskundige maakt van de actualisering een verslag op, overeenkomstig het door de Koning vastgestelde model.

§ 4. De deskundige maakt van zijn bevindingen een omstandig verslag op, overeenkomstig het door de Koning vastgestelde model.

§ 5. Binnen de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid wordt een cel ' uitgebreide kwaliteitsbewaking ' opgericht. Deze heeft als taak na te gaan of de verslagen van de deskundigen voldoen aan de kwaliteitsnormen, zowel inhoudelijk als vormelijk, voordat ze naar de rechtbank worden doorgestuurd, zonder te raken aan de onafhankelijkheid van de deskundige bij de beslissing.

§ 6. De deskundige ontvangt een honorarium per uur, dat wordt vastgesteld overeenkomstig het tarief dat voor een psychotherapeutische behandelingszitting van een geaccrediteerde geneesheer is vastgelegd in de nomenclatuur voor de geneeskundige verstrekkingen ».

Artikel 5 geeft aldus aan de onderzoeksrechter, de procureur des Konings en de onderzoeks- en vonnisgerechten de mogelijkheid om een forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek te bevelen.

B.13.2. Artikel 9 van de Interneringswet 2014 bepaalt :

« § 1. De onderzoeksgerechten, tenzij het gaat om misdaden of wanbedrijven die worden beschouwd als politieke misdrijven of als drukpersmisdrijven, en de vonnisgerechten kunnen de internering bevelen van een persoon :

a) die een als misdaad of wanbedrijf omschreven feit heeft gepleegd waarop een gevangenisstraf is gesteld; en

b) die op het ogenblik van de beoordeling aan een geestesstoornis lijdt die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden tenietdoet of ernstig aantast, en

c) ten aanzien van wie het gevaar bestaat dat hij tengevolge van zijn geestesstoornis desgevallend in samenhang met andere risicofactoren opnieuw misdrijven zal plegen.

§ 2. De rechter beslist na uitvoering van het in artikel 5 bedoelde forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek of actualisatie van een eerder uitgevoerd deskundigenonderzoek ».

Overeenkomstig artikel 9 dient een misdaad of wanbedrijf te zijn gepleegd dat strafbaar is met een gevangenisstraf, vooraleer de dader kan worden geïnterneerd. Paragraaf 2 bepaalt dat de rechter zich voortaan enkel kan uitspreken over de internering na de uitvoering van een psychiatrisch deskundigenonderzoek of actualisatie van een eerder deskundigenonderzoek.

B.14. De verzoekende partijen voeren in essentie aan dat het recht op toegang tot de bevoegde rechter wordt geschonden, omdat een internering voor een als misdaad omschreven feit enkel mogelijk zou zijn mits toestemming van de betrokkene en omdat er in de Interneringswet 2014 geen onderscheid wordt gemaakt naargelang men al dan niet in staat is om berecht te worden, waardoor personen die in staat zijn om berecht te worden opnieuw worden onttrokken aan de aan hen toegewezen bevoegde rechter.

B.15.1. Overeenkomstig de Interneringswet 2014 worden alle personen die zich in de in artikel 9, § 1, van de wet vermelde voorwaarden bevinden, berecht, wat hun internering betreft, hetzij door een onderzoeksgerecht, hetzij door een vonnisgerecht. Derhalve worden alle personen die zich in dezelfde toestand bevinden, te weten zij die een misdaad of een wanbedrijf hebben begaan in een staat van geestesstoornis, berecht volgens regels waarvan het parallellisme is verzekerd inzake bevoegdheid en rechtspleging, zodat artikel 13 van de Grondwet niet is geschonden.

B.15.2. Aangezien de internering een maatregel is die tot doel heeft ervoor te zorgen dat een persoon die zich bevindt in de voorwaarden vermeld in het voormelde artikel 9, § 1, geen schade meer kan toebrengen en, terzelfder tijd, hem een curatieve behandeling te doen ondergaan, is zij geen straf.

B.15.3. De wetgever vermocht redelijkerwijze de bevoegdheid tot het gelasten van de internering in de eerste plaats aan de onderzoeksgerechten toe te kennen, om een doeltreffende rechtsbedeling te waarborgen en een verwijzing van de zaak naar het vonnisgerecht te vermijden, en bijgevolg lange en soms onmenselijke debatten, wanneer het misdrijf bewezen is en de geestestoestand van de verdachte duidelijk is (Pasin. 1930, p. 82).

Bovendien dient, opdat onderzoeksgerechten een internering kunnen bevelen, aan bepaalde voorwaarden strikt te worden voldaan : (1) de verdachte moet op het ogenblik van de beoordeling aan een geestesstoornis lijden die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden tenietdoet of ernstig aantast, (2) ten aanzien van de verdachte bestaat het gevaar dat hij ten gevolge van zijn geestesstoornis, in voorkomend geval in samenhang met andere risicofactoren, opnieuw misdrijven zal plegen, (3) de bevoegde rechter kan enkel beslissen tot internering na een wettelijk geregeld forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek of een actualisatie van een eerder uitgevoerd deskundigenonderzoek en (4) de verdachte moet worden bijgestaan door een advocaat.

B.15.4. Het feit dat een verdachte op het ogenblik van de berechting al dan niet mentaal in staat is om terecht te staan, is niet relevant met betrekking tot de eventueel te nemen interneringsbeslissing, en kan geen weerslag hebben op de beslissing van het onderzoeksgerecht, dat precies moet beoordelen of de geestestoestand van de verdachte al dan niet een internering vereist.

Het is enkel relevant te oordelen of de verdachte aan een geestesstoornis lijdt als nader bepaald in artikel 9, § 1, b), van de Interneringswet 2014, wat een feitenkwestie is, zonder dat daarnaast dient te worden nagegaan of de verdachte in staat is berecht te worden.

B.15.5. Er zijn bijzondere waarborgen van toepassing ook wanneer een onderzoeksgerecht een internering uitspreekt. Zo voorziet artikel 7 van de Interneringswet 2014 in de bijstand door een vertrouwenspersoon of een advocaat van degene die aan een forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek wordt onderworpen. Bovendien kan de onderzochte alle dienstige inlichtingen van de door hem gekozen arts of psycholoog overzenden aan de gerechtelijk deskundige. Hiertoe moet de arts of psycholoog kennis hebben van het doel van het onderzoek, wat betekent dat die arts of psycholoog op de hoogte gebracht moet worden van de precieze finaliteit van het psychiatrisch deskundigenonderzoek. Daarnaast waarborgt artikel 8 van de Interneringswet 2014 het contradictoir karakter van het deskundigenonderzoek in het raam van de evaluatie van de toerekeningsvatbaarheid.

Overeenkomstig artikel 13, § 1, van de Interneringswet 2014 kan de inverdenkinggestelde inzage hebben in zijn dossier en er een kopie van opvragen; de inverdenkinggestelde kan aan de onderzoeksrechter bijkomende onderzoeksmaatregelen vragen overeenkomstig artikel 61quinquies van het Wetboek van strafvordering (artikel 13, § 2). De raadkamer doet uitspraak op verslag van de onderzoeksrechter na de procureur des Konings, de burgerlijke partij en de inverdenkinggestelde gehoord te hebben (artikel 13, § 3, eerste lid). De inverdenkinggestelde wordt steeds bijgestaan door een raadsman (artikel 13, § 3, tweede lid). Artikel 14 van de Interneringswet 2014 regelt de rechtsmiddelen die ingesteld kunnen worden tegen een beslissing tot internering; zowel verzet als hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de raadkamer of de kamer van inbeschuldigingstelling.

B.15.6. Als laatste element wordt door de verzoekende partijen in de zaak nr. 6136 nog gewezen op artikel 150 van de Grondwet, dat bepaalt dat de jury wordt ingesteld voor criminele zaken.

Artikel 216novies van het Wetboek van strafvordering bepaalt :

« Het hof van assisen neemt kennis van misdaden, met uitzondering van de gevallen waarin toepassing gemaakt wordt van artikel 2 van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden ».

Artikel 1 van het Strafwetboek bepaalt :

« Het misdrijf, naar de wetten strafbaar met een criminele straf, is een misdaad.

[...] ».

De kwalificatie van een misdrijf als misdaad hangt af van de wettelijk voorgeschreven strafmaat. Pas wanneer een misdrijf wordt bestraft met een criminele straf, wordt het gekwalificeerd als misdaad. Aangezien internering echter geen straf is, maar een beschermingsmaatregel, kan het « als misdaad of wanbedrijf omschreven feit [...] waarop een gevangenisstraf is gesteld », bedoeld in artikel 9, § 1, a), van de Interneringswet 2014, niet binnen het toepassingsgebied vallen van artikel 150 van de Grondwet, dat betrekking heeft op criminele zaken.

B.16. Het eerste en het tweede middel in de zaak nr. 6136 zijn niet gegrond.

2.2. De termijnen

B.17. Het derde middel in de zaak nr. 6136 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat artikel 13 van de Interneringswet 2014 de rechten van verdediging op onrechtmatige wijze inperkt, door te voorzien in een inkorting van de termijn tot drie dagen voor de behandeling van de zaak voor de onderzoeksgerechten, terwijl dit steeds minstens vier dagen is.

B.18.1. Artikel 13 van de Interneringswet 2014 bepaalt :

« § 1. Wanneer de vordering of het verzoek tot internering bij de raadkamer of de kamer van inbeschuldigingstelling aanhangig is gemaakt, laat zij ten minste vijftien dagen vooraf in een daartoe bestemd register ter griffie melding maken van plaats, dag en uur van verschijning. De termijn wordt teruggebracht tot drie dagen indien een van de inverdenkinggestelden zich in voorlopige hechtenis bevindt of onmiddellijk werd opgesloten bij toepassing van artikel 10. De griffier stelt de inverdenkinggestelde, de burgerlijke partij en hun raadslieden in kennis, per faxpost of bij een ter post aangetekende brief, dat het dossier op de griffie in origineel of in kopie ter beschikking ligt en dat ze er inzage van kunnen hebben en er kopie van kunnen opvragen.

Op dezelfde wijze verwittigt de griffier, op aangeven van het openbaar ministerie, eveneens de benadeelden die zich nog geen burgerlijke partij hebben gesteld.

§ 2. Binnen de in § 1 bepaalde termijn kunnen de inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij de onderzoeksrechter overeenkomstig artikel 61quinquies van het Wetboek van strafvordering verzoeken om bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten. In dat geval wordt de regeling van de rechtspleging geschorst. Als het verzoek definitief is behandeld, wordt de zaak opnieuw vastgesteld voor de raadkamer overeenkomstig de in § 1 bepaalde vormen en termijnen.

§ 3. De raadkamer doet uitspraak op verslag van de onderzoeksrechter na de procureur des Konings, de burgerlijke partij en de inverdenkinggestelde gehoord te hebben.

De burgerlijke partijen kunnen bijgestaan of vertegenwoordigd worden door een raadsman. De inverdenkinggestelde wordt steeds bijgestaan door een raadsman. De raadkamer kan evenwel de persoonlijke verschijning van de partijen bevelen. Tegen deze beschikking staat geen rechtsmiddel open. De beschikking wordt betekend aan de desbetreffende partij op vordering van de procureur des Konings en brengt dagvaarding mee om te verschijnen op de vastgestelde datum. Als deze partij niet verschijnt, wordt uitspraak gedaan en geldt de beschikking als op tegenspraak gewezen.

Wanneer de raadkamer de zaak in beraad houdt om haar beschikking uit te spreken, bepaalt zij de dag voor die uitspraak.

§ 4. De debatten vóór de raadkamer verlopen met gesloten deuren en de uitspraak is openbaar ».

B.18.2. De procedure van internering voor de onderzoeksgerechten en de rechtsmiddelen zijn bepaald in de artikelen 13 en 14. De termijnen om te verschijnen worden gewijzigd, zijnde vijftien dagen wanneer de betrokken inverdenkinggestelde zich niet in voorlopige hechtenis bevindt en drie dagen indien dit wel het geval is (Parl. St., Senaat, 2012-2013, nr. 5-2001/1, p. 25).

B.19. De Interneringswet 2014 stapt, in tegenstelling tot de Interneringswet 2007 en de voormelde wet van 1 juli 1964, af van de eenvormige termijn van vier dagen tussen de aanhangigmaking van de vordering tot internering bij het onderzoeksgerecht en de verschijning van de partijen. De wetgever heeft gekozen voor een opsplitsing naargelang de inverdenkinggestelde zich al dan niet in voorlopige hechtenis bevindt.

Enkel wanneer de inverdenkinggestelde zich in voorlopige hechtenis of in een opsluiting, met toepassing van artikel 10 van de Interneringswet 2014, bevindt, geldt een termijn van drie dagen tussen de vordering tot internering en de verschijning voor het onderzoeksgerecht. In het andere geval geldt een termijn van minstens vijftien dagen.

B.20.1. Overeenkomstig artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens dient een verdachte te beschikken over voldoende tijd om zijn zaak voor te bereiden, terwijl terzelfder tijd de duur van de opsluiting met toepassing van artikel 10 van de Interneringswet 2014 dan wel de voorlopige hechtenis tot een minimum dient te worden beperkt. Immers, de opsluiting in een gevangenis kan dan wel noodzakelijk zijn, gelet op de vrees dat de geestesgestoorde verdachte zich zou onttrekken aan de opgelegde veiligheidsmaatregelen ofwel een ernstig gevaar zou vormen voor zijn integriteit of die van derden, een dergelijke situatie mag echter niet onredelijk lang duren.

B.20.2. Vergeleken met de termijnen die van toepassing zijn bij andere verschijningen voor de onderzoeksgerechten, blijkt niet dat de termijn van 72 uur voorgeschreven in artikel 13, § 1, van de Interneringswet 2014, waarover de partijen beschikken om hun verschijning voor het onderzoeksgerecht voor te bereiden, als onevenredig kort kan worden beschouwd.

Bovendien moet het onderzoeksgerecht zich baseren op het contradictoir forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek, waardoor de verdachte reeds gedurende de loop van dat onderzoek over tijd beschikt om zijn verschijning voor te bereiden; daarnaast heeft hij, op grond van artikel 13, § 2, van de Interneringswet 2014, ook de mogelijkheid om de onderzoeksrechter te verzoeken bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten, die tevens, indien ze worden toegestaan, tot gevolg hebben dat de verdachte over meer tijd beschikt.

B.20.3. Rekening houdend met het voorgaande, is artikel 13 van de Interneringswet 2014 niet onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.21. Het derde middel is niet gegrond.

B.22. De verzoekende partijen voeren in de zaak nr. 6136 als vijfde middel de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 5.1 en 5.4 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Zij oordelen dat het feit dat de artikelen 29, §§ 1 en 2, 32 en 33 van de Interneringswet 2014 niet aangepast zijn aan de geestestoestand van de geïnterneerde, leidt tot een schending van het recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht.

B.23.1. Artikel 29, §§ 1 en 2, van de Interneringswet 2014 bepaalt :

« § 1. Het openbaar ministerie bij het gerecht dat de internering bevolen heeft, maakt binnen de twee maanden die volgen op het in kracht van gewijsde gegane vonnis of arrest tot internering de zaak aanhangig bij de kamer voor de bescherming van de maatschappij met het oog op het laten aanwijzen van de inrichting waar de internering ten uitvoer dient te worden gelegd of met het oog op de toekenning van een andere uitvoeringsmodaliteit, zoals bepaald in de artikelen 20, 21, 23, 24, 25 en 28.

De zaak wordt door het openbaar ministerie aanhangig gemaakt bij wijze van gewone brief gericht aan de kamer voor de bescherming van de maatschappij; de griffie meldt hiervan ontvangst. Bij deze brief wordt het strafdossier gevoegd dat aanleiding gaf tot de internering.

Het openbaar ministerie bij het gerecht dat het in kracht van gewijsde getreden vonnis of arrest heeft uitgesproken, vat eveneens binnen de maand die volgt op het in kracht van gewijsde treden van de beslissing, de Dienst Justitiehuizen teneinde de gekende slachtoffers, die door haar in de vatting worden aangeduid, te contacteren.

§ 2. De zaak wordt behandeld op de eerste nuttige zitting van de kamer voor de bescherming van de maatschappij. Deze zitting moet plaatsvinden uiterlijk drie maanden nadat het vonnis of arrest tot internering in kracht van gewijsde is gegaan ».

Artikel 29, §§ 1 en 2, van de Interneringswet 2014 bepaalt de regels wanneer de behandeling van de zaak met het oog op het aanwijzen van een inrichting zal plaatsvinden en regelt de formaliteiten die de behandeling van de zaak voor de kamer voor de bescherming van de maatschappij voorafgaan (Parl. St., Senaat, 2012-2013, nr. 5-2001/1, pp. 33-34). Uiterlijk twee maanden na het definitief worden van het vonnis of het arrest moet de zaak aanhangig worden gemaakt bij de kamer voor de bescherming van de maatschappij en uiterlijk binnen drie maanden na het vonnis of arrest door die kamer worden behandeld. Het is daarenboven essentieel dat het zorgtraject voor de geïnterneerde begint vanaf de eerste dag (ibid., p. 34).

B.23.2. Artikel 32 van de Interneringswet 2014 bepaalt :

« De kamer voor de bescherming van de maatschappij kan de behandeling van de zaak eenmaal uitstellen tot een latere zitting, zonder dat die zitting meer dan twee maanden na het uitstel mag plaatsvinden.

De kamer voor de bescherming van de maatschappij kan eveneens bij gemotiveerde beschikking een aanvullend forensisch psychiatrisch onderzoek bevelen, dat voldoet aan de vereisten van artikel 5, §§ 2, 4 en 5 ».

Die bepaling voorziet in de mogelijkheid van de kamer voor de bescherming van de maatschappij om de behandeling van de zaak eenmaal uit te stellen naar een latere zitting. Die termijn wordt beperkt tot twee maanden.

B.23.3. Artikel 33 van de Interneringswet 2014 bepaalt :

« De kamer voor de bescherming van de maatschappij beslist binnen veertien dagen nadat de zaak in beraad is genomen ».

B.23.4. De bestreden artikelen voorzien derhalve in een regeling waarbij, na een uitspraak over een internering door een onderzoeksgerecht of een vonnisgerecht, de kamer voor de bescherming van de maatschappij wordt verzocht uitspraak te doen over de eigenlijke plaatsing van de geïnterneerde. De voormelde procedure heeft tot doel een psychiatrische instelling aangepast aan de geïnterneerde te vinden, op basis van de relevante gegevens in het dossier.

B.24. Artikel 5.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :

« Eenieder heeft recht op persoonlijke vrijheid en veiligheid. Niemand mag van zijn vrijheid worden beroofd, behalve in de navolgende gevallen en langs wettelijke weg :

[...]

e) in het geval van rechtmatige gevangenhouding van personen die een besmettelijke ziekte zouden kunnen verspreiden, van geesteszieken, van verslaafden aan alcohol of verdovende middelen of van landlopers;

[...] ».

B.25. Artikel 5.4 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :

« Eenieder die door arrestatie of gevangenhouding van zijn vrijheid is beroofd heeft het recht voorziening te vragen bij de rechter opdat deze op korte termijn beslist over de wettigheid van zijn gevangenhouding en zijn invrijheidstelling beveelt, indien de gevangenhouding onrechtmatig is ».

B.26.1. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat de gevangenhouding van een geesteszieke slechts rechtmatig is in de zin van het voormelde artikel indien ze plaatsvindt in een inrichting die is aangepast aan de bijzondere behoeften van geesteszieken (EHRM, 28 mei 1985, Ashingdane t. Verenigd Koninkrijk, § 44; 30 juli 1998, Aerts t. België, § 46), te weten een hospitaal, kliniek of aangepaste instelling, waarbij de effectieve therapeutische tenlasteneming van de geïnterneerde de toetssteen is om te beoordelen of er al dan niet sprake is van een schending van artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EHRM, 10 januari 2013, Swennen t. België, § 81; 10 januari 2013, Dufoort t. België, § 86; 10 januari 2013, Claes t. België, § 98; 9 januari 2014, Van Meroye t. België, §§ 82-83).

Het Europees Hof heeft ook geoordeeld dat er in België sprake is van « een structureel probleem [...] inzake tenlasteneming van delinquente personen met een mentale stoornis » (EHRM, 9 januari 2014, Van Meroye t. België, § 82).

B.26.2. Bovendien dient de plaatsing van de geïnterneerde in een aangepaste instelling te gebeuren binnen een redelijke termijn (EHRM, 24 oktober 1997, Johnson t. Verenigd Koninkrijk, § 66; 11 mei 2004, Brand t. Nederland, § 65; 11 mei 2004, Morsink t. Nederland, § 68).

B.26.3. Het Hof van Cassatie oordeelde bij zijn arrest van 23 december 2014 (P.14.1422.N) :

« Zoals de internering zelf van een geesteszieke noodzakelijk en evenredig moet zijn, zo ook moet de begane onrechtmatigheid bij de uitvoering van de interneringsmaatregel evenredig worden gesanctioneerd : een onaangepaste verzorging kan een onrechtmatigheid in de zin van artikel 5.1 en 5.4 EVRM opleveren, zonder daarom de invrijheidstelling van de geesteszieke te kunnen verantwoorden indien de samenleving daardoor in gevaar komt.

Het feit dat de invrijheidstelling van een geïnterneerde een gevaar voor de samenleving zou uitmaken, kan een zelfstandige reden zijn op grond waarvan de hoge commissie vermag te beslissen tot het behoud van de detentie van die geïnterneerde, mits zij een afweging doet tussen het belang van de samenleving die moet worden beschermd en de eventuele onrechtmatigheid van de vrijheidsberoving van de geïnterneerde, die een invrijheidstelling zou kunnen verantwoorden ».

B.27. Rekening houdend met de omstandigheid dat de in de bestreden artikelen vermelde termijnen, maximumtermijnen zijn die tot doel hebben de procedure voor de kamer voor de bescherming van de maatschappij te organiseren, met aandacht voor de bescherming van de belangen van de geïnterneerden en van de maatschappij, en rekening houdend met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, ten gevolge waarvan de opname in een gespecialiseerde instelling na de interneringsbeslissing dient te gebeuren binnen een redelijke termijn, zijn de bestreden bepalingen niet onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 5.1 en 5.4 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.28. Het vijfde middel in de zaak nr. 6136 is niet gegrond.

B.29. Als zevende middel wordt door de verzoekende partijen in de zaak nr. 6136 de schending aangevoerd van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 5.4 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat de artikelen 41, § 4, en 46, § 3, van de Interneringswet 2014 de rechten van verdediging op onrechtmatige wijze inperken door de verschijningstermijn voor de kamer voor de bescherming van de maatschappij te beperken tot twee dagen.

B.30. De artikelen 41, § 4, en 46, § 3, van de Interneringswet 2014 bepalen :

« Art. 41. [...]

§ 4. Vijftien dagen voor het einde van de in § 3 bepaalde termijn beslist de strafuitvoeringsrechtbank over de verlenging van de toegekende modaliteit, of over de omzetting van de maatregel van beperkte detentie [...] in [een] maatregel van elektronisch toezicht.

De geïnterneerde persoon en zijn raadsman, de directeur, indien de geïnterneerde persoon in beperkte detentie is, en het slachtoffer worden bij gerechtsbrief in kennis gesteld van de dag, het uur en de plaats van de zitting.

Het dossier wordt gedurende ten minste twee dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de geïnterneerde persoon en zijn raadsman op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank of, indien de geïnterneerde persoon in beperkte detentie is, op de griffie of het secretariaat van de inrichting waar hij verblijft.

De geïnterneerde persoon kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen. Ook de raadsman van de geïnterneerde persoon kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier krijgen.

De interneringsrechter kan, op advies van de psychiater van de inrichting, aan de geïnterneerde persoon de toegang tot zijn dossier ontzeggen wanneer deze toegang een klaarblijkelijk ernstig nadeel voor zijn gezondheid kan meebrengen ».

« Art. 46. [...]

§ 3. De procedure verloopt verder overeenkomstig de artikelen 29 § 5, met dien verstande dat de inzagetermijn wordt beperkt tot ten minste twee dagen, 30, 31, 33 met dien verstande dat de kamer voor de bescherming van de maatschappij binnen de zeven dagen beslist, 44, §§ 1 en 2, en 45 ».

B.31. De termijnen bepaald in de artikelen 41, § 4, en 46, § 3, van de Interneringswet 2014 zijn minimumtermijnen die de procedurele garantie bieden dat de geïnterneerde en zijn raadsman over minstens twee dagen beschikken om het dossier in te kijken. Bovendien hebben de bestreden inzagetermijnen betrekking op procedures die enkel zullen worden gevolgd bij een wijziging of een omzetting van de uitvoeringsmodaliteiten van de detentie, namelijk wanneer de geesteszieke reeds geïnterneerd is.

Daarnaast voorzien de artikelen 46 en 48 van de Interneringwet 2014 in andere specifieke procedurele waarborgen met het oog op de bescherming van de rechtspositie van de geïnterneerde.

B.32. Het zevende middel in de zaak nr. 6136 is niet gegrond.

B.33. Het negende middel in de zaak nr. 6136 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 5.1 en 5.4 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, door artikel 43 van de Interneringswet 2014, omdat die bepaling de geïnterneerde de mogelijkheid zou ontzeggen om op korte termijn de rechtmatigheid van zijn detentie te laten beoordelen en zijn invrijheidstelling te bevelen indien de gevangenhouding onrechtmatig is.

B.34.1. Artikel 43 van de Interneringswet 2014 bepaalt :

« Indien de kamer voor de bescherming van de maatschappij een uitvoeringsmodaliteit zoals bedoeld in de artikelen 20, § 2, 3°, 21, 23, 24, 25 en 28 niet toekent, bepaalt zij in haar vonnis de datum waarop de geïnterneerde persoon en zijn raadsman een verzoek kunnen indienen en de datum waarop de directeur van de inrichting of de hoofdgeneesheer van de inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, b), c) en d) een nieuw advies moet uitbrengen.

Deze termijn mag niet langer zijn dan één jaar te rekenen van de datum van het vonnis ».

B.34.2. Artikel 43 van de Interneringswet 2014 bepaalt wat er gebeurt indien de kamer voor de bescherming van de maatschappij de invrijheidstelling op proef niet toekent. In dat geval bepaalt die kamer de datum waarop de geïnterneerde of zijn raadsman een verzoek kunnen indienen en de datum waarop de directeur of de hoofdgeneesheer van de inrichting of de directeur van het justitiehuis een nieuw advies moet uitbrengen over de verschillende modaliteiten. Die termijn bedraagt maximum één jaar.

Volgens de parlementaire voorbereiding wordt op die wijze « het periodiek onderzoek van het dossier van de geïnterneerde door de directeur en strafuitvoeringskamer verzekerd. Tegelijk laat het de [strafuitvoeringskamer] toe in het individuele geval een zekere ' bezinningsperiode ' in te lassen, met een maximumgrens van één jaar » (Parl. St., Senaat, 2012-2013, nr. 5-2001/1, p. 38).

B.35.1. Rekening houdend met het feit dat artikel 43 van de Interneringswet 2014 vermeldt dat de termijn om de situatie opnieuw te beoordelen « niet langer [mag] zijn dan één jaar », moet de kamer voor de bescherming van de maatschappij, in haar vonnis, de maximumtermijn van één jaar opnemen, waarbinnen de geïnterneerde en zijn raadsman een verzoek tot beoordeling van de uitvoeringsmodaliteiten van de internering kunnen indienen. Aldus kan, ongeacht de concrete omstandigheden van de zaak, in elk geval een nieuw verzoek tot beoordeling van de uitvoeringsmodaliteiten worden ingediend door de geïnterneerde en zijn raadsman, uiterlijk binnen het jaar te rekenen vanaf het vonnis. Echter, niets belet de kamer voor de bescherming van de maatschappij om een kortere termijn in haar vonnis op te nemen indien zij dat aangewezen acht.

B.35.2. Tevens dient rekening te worden gehouden met artikel 54 van de Interneringswet 2014, volgens hetwelk de geïnterneerde, die meent op onrechtmatige wijze van zijn vrijheid beroofd te zijn, of zijn raadsman, over de mogelijkheid beschikt om via een schriftelijk verzoek bij de voorzitter van de kamer voor de bescherming van de maatschappij een procedure bij hoogdringendheid in te stellen. De kamer doet over die vordering bij hoogdringendheid uitspraak binnen vijf dagen. Voormelde procedure houdt een zeer sterke waarborg in voor de naleving van artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.36. Het negende middel in de zaak nr. 6136 is niet gegrond.

B.37. Het veertiende middel in de zaak nr. 6136 en het tweede middel in de zaak nr. 6138 zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 5.4 (in de zaak nr. 6136), dan wel met artikel 6 (in de zaak nr. 6138), van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat artikel 79, § 1, van de Interneringswet 2014, het recht op een eerlijk proces zou schenden, door in een te beperkte periode te voorzien voor de raadslieden van de geïnterneerden voor het instellen van een cassatieberoep en het voorbereiden van hun memorie.

B.38. Artikel 79, § 1, van de Interneringswet 2014 bepaalt :

« Het openbaar ministerie en de raadsman van de geïnterneerde persoon, desgevallend de veroordeelde, stellen het cassatieberoep in binnen een termijn van achtenveertig uur, te rekenen vanaf de kennisgeving van het vonnis.

De cassatiemiddelen worden voorgesteld in een memorie die op de griffie van het Hof van Cassatie moet toekomen ten laatste op de vijfde dag na de datum van het cassatieberoep.

De beroepen worden ingediend bij een verklaring ter griffie van de strafuitvoeringsrechtbank ».

B.39.1. In dat artikel is het cassatieberoep het enige mogelijke beroep tegen de beslissingen van de kamer voor de bescherming van de maatschappij.

« De beslissingen van de strafuitvoeringskamer waartegen men cassatieberoep kan instellen zijn deze met betrekking tot :

- de toekenning, de afwijzing of de herroeping van de beperkte detentie, het elektronisch toezicht, de vrijlating op proef, de vervroegde invrijheidstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied of met het oog op de overlevering en de definitieve invrijheidstelling;

- de herziening van de bijzondere voorwaarden,

- Ook tegen de overeenkomstig titel V genomen beslissingen tot internering van een veroordeelde, staat cassatieberoep open voor openbaar ministerie en veroordeelde » (Parl. St., Senaat, 2012-2013, nr. 5-2001/1, p. 55).

B.39.2. De nooit in werking getreden Interneringswet 2007 voorzag in korte cassatietermijnen. De parlementaire voorbereiding van die wet vermeldt dat de toegang tot het Hof van Cassatie aanzienlijk werd uitgebreid, als compensatie voor de afschaffing van het beroep dat vroeger ter zake bestond :

« Actueel staat tegen de beslissingen van de commissies tot bescherming van de maatschappij aangaande de invrijheidstelling op proef hoger beroep open bij de hoge commissie tot bescherming van de maatschappij. Tegen de beslissing van de hoge commissie is cassatieberoep mogelijk.

De mogelijkheid van hoger beroep tegen de beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank wordt niet voorzien, vanuit een parallellisme met de externe rechtspositie van veroordeelden tot een vrijheidsstraf. Er wordt benadrukt dat het dossier van de geïnterneerde wel steeds op periodieke wijze onderzocht wordt, zonder dat de geïnterneerde daar enig initiatief toe moet nemen.

Het cassatieberoep van de geïnterneerde, dat nu slechts mogelijk is tegen de beslissingen van de hoge commissie in verband met de invrijheidstelling op proef, wordt wel fors uitgebreid. Cassatieberoep zal mogelijk zijn tegen elke beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank die betrekking heeft op een modaliteit die de geïnterneerde toelaat de inrichting te verlaten » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2841/001, p. 66).

B.40.1. Het behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever om te bepalen welke beroepen mogelijk moeten zijn tegen de beslissingen van de kamers voor de bescherming van de maatschappij.

Hij vermag de termijnen van beroep eenvormig te maken teneinde de rechtsonzekerheid te vermijden die ontstaat uit het gelijktijdig bestaan van verschillende termijnen in vergelijkbare procedures.

B.40.2. De vaststelling van de zeer korte termijnen bepaald in artikel 79, § 1, van de Interneringswet 2014 werd verantwoord door de zorg om die af te stemmen op de termijnen die betrekking hebben op « de externe rechtspositie van veroordeelden tot een vrijheidsstraf » (artikel 97 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten).

B.40.3. Artikel 97, § 1, van de voormelde wet van 17 mei 2006 bepaalt :

« [...]

De veroordeelde stelt het cassatieberoep in binnen een termijn van vijftien dagen, te rekenen van de uitspraak van het vonnis. De verklaring van cassatieberoep wordt neergelegd ter griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en moet door een advocaat worden ondertekend. De cassatiemiddelen worden voorgesteld in een memorie die op de griffie van het Hof van Cassatie moet toekomen ten laatste op de vijfde dag na de datum van het cassatieberoep ».

Het enige beroep dat voortaan mogelijk is inzake internering, is een cassatieberoep. De geïnterneerde moet verplicht worden bijgestaan door een advocaat, aangezien het verzoekschrift door die laatste moet worden ondertekend en neergelegd ter griffie van de strafuitvoeringsrechtbank.

De bestreden maatregel stemt niet overeen met de wil van de wetgever en houdt bovendien geen rekening met het feit dat een termijn van 48 uur te dezen uitermate kort is, aangezien de geïnterneerde niet steeds verblijft in een instelling dichtbij de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank waar zijn advocaat het beroep moet indienen, onverminderd het feit dat de voorwaarden inzake communicatie met de geïnterneerde moeilijk kunnen zijn.

Ten slotte houdt de vaststelling van dergelijke termijnen geen rekening met « de bijzondere procedurele waarborgen die mogelijk vereist zijn om diegenen te beschermen die, wegens hun mentale stoornissen, niet volledig bekwaam zijn om voor zichzelf op te treden » (EHRM, 24 oktober 1979, Winterwerp t. Nederland, § 60).

B.41. Het veertiende middel in de zaak nr. 6136 en het tweede middel in de zaak nr. 6138 zijn gegrond. Artikel 79, § 1, eerste lid, dient derhalve te worden vernietigd.

2.3. De openbaarheid van de procedure

B.42. Het vierde middel in de zaak nr. 6136 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 148 van de Grondwet, doordat de artikelen 13, § 4, en 14, § 3, van de Interneringswet 2014 voorbij zouden gaan aan het grondwettelijke vereiste dat, minstens op verzoek van de verdachte, indien de openbaarheid van zijn proces geen gevaar oplevert voor de orde of de goede zeden, de opening van de deuren moet kunnen worden bevolen.

B.43. Artikel 13, § 4, van de Interneringswet 2014 bepaalt :

« De debatten vóór de raadkamer verlopen met gesloten deuren en de uitspraak is openbaar ».

Artikel 14, § 3, van de Interneringswet 2014 bepaalt :

« De debatten vóór de kamer van inbeschuldigingstelling verlopen met gesloten deuren en de uitspraak is openbaar ».

B.44.1. De parlementaire voorbereiding vermeldt :

« De wet van 21 april 2007 bepaalt niets over de openbaarheid. Bijgevolg lijkt de procedure altijd openbaar te moeten verlopen. [Het] Hof van Cassatie besliste ondertussen - op 30 augustus 2006 - dat de raadkamer/kamer van inbeschuldigingstelling altijd met gesloten deuren zetelt en dat derhalve de debatten die het arrest voorafgaan, geacht worden te hebben plaatsgevonden achter gesloten deuren.

Bijgevolg dient in het oud artikel 11 van de wet van 21 april 2007 een nieuwe paragraaf 4 te worden ingevoegd, waardoor uitdrukkelijk wordt bepaald dat de rechtspleging verloopt met gesloten deuren en de uitspraak in openbaarheid » (Parl. St., Senaat, 2012-2013, nr. 5-2001/1, pp. 25-26).

B.44.2. De openbaarheid van de terechtzittingen en de uitspraak van de vonnissen in openbare terechtzitting, voorgeschreven door de artikelen 148 en 149 van de Grondwet, is enkel van toepassing op de hoven en rechtbanken en niet op onderzoeksgerechten.

B.44.3. Bovendien wordt het gebrek aan openbaarheid bij de procedure tot internering gecompenseerd door de bijkomende procedurele waarborgen van de Interneringswet 2014, zoals reeds vermeld in B.15.5.

B.45. Het vierde middel in de zaak nr. 6136 is niet gegrond.

2.4. De opnameplicht voor een private instelling

B.46. In het zesde middel in de zaak nr. 6136 wordt aangevoerd dat de artikelen 3, 19, 34 en 135, § 5, van de Interneringswet 2014, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 5.1 en 5.4 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, schenden, omdat daardoor de opnameplicht voor private psychiatrische ziekenhuizen zou worden afgeschaft en het onmogelijk zou worden gemaakt voor de kamer voor de bescherming van de maatschappij om een beslissing tot plaatsing van de geïnterneerde te nemen indien die private psychiatrische ziekenhuizen hiermee niet instemmen.

B.47.1. Artikel 3 van de Interneringswet 2014 bepaalt :

« Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder :

1° minister : de minister van Justitie;

2° de directeur :

a) de ambtenaar die belast is met het lokaal bestuur van een gevangenis of van een door de federale overheid georganiseerde inrichting of afdeling tot bescherming van de maatschappij;

b) de verantwoordelijke of de door de verantwoordelijke aangewezen persoon van een forensisch psychiatrisch centrum of van een door de bevoegde overheid erkende inrichting die is georganiseerd door een privé-instelling, door een gemeenschap of een gewest of door een lokale overheid, die in staat is aan de geïnterneerde persoon de gepaste zorgen te verstrekken en die een samenwerkingsovereenkomst zoals bedoeld in het 5°, heeft afgesloten inzake de toepassing van deze wet;

3° hoofdgeneesheer : de hoofdpsychiater of zijn vervanger van een inrichting bedoeld in het 4° c), of het 4°, d);

4° de inrichting :

a) de psychiatrische afdeling van een gevangenis;

b) de door de federale overheid georganiseerde inrichting of afdeling tot bescherming van de maatschappij;

c) het door de federale overheid georganiseerd forensisch psychiatrisch centrum, aangewezen bij een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad op voorstel van de voor Justitie, Volksgezondheid en Sociale Zaken bevoegde ministers;

d) de door de bevoegde overheid erkende inrichting die is georganiseerd door een privé-instelling, door een gemeenschap of een gewest of door een lokale overheid, die in staat is aan de geïnterneerde persoon de gepaste zorgen te verstrekken en die een samenwerkingsovereenkomst zoals bedoeld in het 5° heeft afgesloten inzake de toepassing van deze wet;

5° samenwerkingsovereenkomst : een overeenkomst die wordt afgesloten tussen één of meerdere instellingen, enerzijds, en de minister van Justitie en de minister bevoegd voor het beleid inzake de zorgverstrekking in deze instellingen, anderzijds, waarbij de volgende aspecten worden vastgelegd : het minimum aantal geïnterneerde personen dat de instelling of instellingen onder de vorm van plaatsing willen opnemen, de profielen voor dewelke een plaatsing kan gebeuren en de te volgen procedure om tot plaatsing over te gaan;

6° kamer voor de bescherming van de maatschappij : de kamer van de strafuitvoeringsrechtbank die uitsluitend bevoegd is voor interneringszaken, behoudens de door de Koning bepaalde uitzonderingen;

7° interneringsrechter : de magistraat-voorzitter van de kamer van de strafuitvoeringsrechtbank die uitsluitend bevoegd is voor interneringszaken;

8° openbaar ministerie : het openbaar ministerie bij de strafuitvoeringsrechtbank;

9° het slachtoffer : de volgende categorieën van personen die bij de toekenning van een uitvoeringsmodaliteit kunnen vragen om te worden geïnformeerd en/of te worden gehoord in de door deze wet bepaalde gevallen, volgens de door de Koning bepaalde regels :

a) de natuurlijke persoon wiens burgerlijke vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;

b) de natuurlijke persoon voor wie een vonnis of een arrest bepaalt dat er ten aanzien van hem strafbare feiten zijn gepleegd, of zijn wettelijke vertegenwoordiger;

c) de natuurlijke persoon die zich omwille van een situatie van materiële onmogelijkheid of kwetsbaarheid geen burgerlijke partij heeft kunnen stellen;

d) de nabestaande van de persoon van wie het overlijden rechtstreeks is veroorzaakt door het strafbaar feit of de nabestaande van een overleden persoon die zich burgerlijke partij had gesteld; onder nabestaande wordt verstaan de echtgenoot van de overleden persoon, de persoon die met hem samenleefde en met hem een duurzame affectieve relatie had, zijn bloedverwanten in opgaande of neerdalende lijn, zijn broers of zussen, alsook anderen die van hem afhankelijk waren;

e) de naaste van een niet-overleden slachtoffer die zich omwille van een situatie van materiële onmogelijkheid of kwetsbaarheid geen burgerlijke partij heeft kunnen stellen; onder naaste wordt verstaan de echtgenoot van het niet-overleden slachtoffer, de persoon die met hem samenleeft en met hem een duurzame affectieve relatie heeft, zijn bloedverwanten in opgaande of neerdalende lijn, zijn broers of zussen, alsook anderen die van hem afhankelijk zijn.

Ten aanzien van de personen die onder de categorieën c), d) en e) vallen, oordeelt de interneringsrechter op hun verzoek, overeenkomstig de bepalingen van Titel III, of ze een direct en legitiem belang hebben;

10° hoogdringendheid : een omstandigheid die aan de discretionaire beslissing van de kamer voor de bescherming van de maatschappij van de strafuitvoeringsrechtbank wordt overgelaten en die betrekking heeft op een verzoek tot toekenning, wijziging of intrekking van een uitvoeringsmodaliteit, waarover het beraad onmiddellijk moet plaatsvinden, in het belang van de veiligheid en/of van de maatschappelijke re-integratie van de geïnterneerde persoon, zonder oproeping noch verschijning van de partijen;

11° kabinetsbeslissing : een beslissing van de alleenzetelende voorzitter van de kamer voor de bescherming van de maatschappij, zonder oproeping noch verschijning van de partijen ».

B.47.2. Artikel 19 van de Interneringswet 2014 bepaalt :

« De plaatsing is de beslissing van de kamer voor de bescherming van de maatschappij, al dan niet bij hoogdringendheid, tot aanwijzing van één van de inrichtingen bedoeld in artikel 3, 4°, b), c) en d) waar de internering ten uitvoer zal worden gelegd.

De overplaatsing is de beslissing van de kamer voor de bescherming van de maatschappij, al dan niet bij hoogdringendheid tot aanwijzing van één van de inrichtingen bedoeld in artikel 3, 4°, b) en c) waarnaar de geïnterneerde persoon dient te worden overgebracht, uit oogpunt van veiligheid of aangepaste zorg ».

B.47.3. Artikel 34 van de Interneringswet 2014 bepaalt :

« Indien de strafuitvoeringsrechtbank een beslissing tot plaatsing of overplaatsing neemt, bepaalt zij naar welke inrichting de geïnterneerde persoon dient te worden overgebracht. De inrichting wordt gekozen uit hetzij de door de federale overheid georganiseerde inrichtingen of afdelingen tot bescherming van de maatschappij, hetzij de door de federale overheid georganiseerde forensische psychiatrische centra, aangewezen door de Koning, hetzij, overeenkomstig de modaliteiten vermeld in de samenwerkingsovereenkomst, uit de door de bevoegde overheid erkende inrichtingen die georganiseerd zijn door een privé-instelling, door een gemeenschap of een gewest of door een lokale overheid, die in staat is aan de geïnterneerde persoon de gepaste zorgen te verstrekken en die een samenwerkingsovereenkomst, zoals bedoeld in artikel 3, 5° heeft afgesloten inzake de toepassing van deze wet.

Aan deze uitvoeringsmodaliteit kunnen geïndividualiseerde voorwaarden gekoppeld worden, zoals bedoeld in artikel 37 ».

B.47.4. Artikel 135, § 5, van de Interneringswet 2014 bepaalt :

« De geïnterneerde personen die op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet geplaatst zijn in een inrichting die niet door de bevoegde overheid erkend is, kunnen er gedurende één jaar geplaatst blijven na de inwerkingtreding van deze wet ».

B.48.1. Uit de bestreden artikelen blijkt dat de internering kan worden bevolen door de kamer voor de bescherming van de maatschappij, in door de federale overheid georganiseerde inrichtingen of afdelingen tot bescherming van de maatschappij of in de door de federale overheid georganiseerde forensische psychiatrische centra, aangewezen door de Koning, of in de door de bevoegde overheid erkende inrichtingen die georganiseerd zijn door een privé-instelling, door een gemeenschap of een gewest of door een lokale overheid, overeenkomstig de modaliteiten vermeld in een samenwerkingsovereenkomst.

Alleen de inrichtingen waarmee de federale overheid een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten, kunnen worden verplicht geïnterneerden op te nemen, wat impliceert dat voortaan geen enkele inrichting van een gemeenschap, een gewest of van een lokale overheid, noch een privé-instelling zullen kunnen worden verplicht een internering te aanvaarden wanneer zij niet zulk een overeenkomst hebben gesloten.

B.48.2. De bestreden bepalingen voeren de mogelijkheid van een onderhandelde plaatsing of overplaatsing in. Het is de bedoeling van de wetgever de plaatsing van geïnterneerden « gedifferentieerd » te laten verlopen, « aangepast aan de geestesstoornis en de risicotaxatie van de geïnterneerde en met respect voor de regels die eigen zijn aan de inrichting waar de plaatsing wordt beoogd » (Parl. St., Senaat, 2012-2013, nr. 5-2001/1, p. 29).

« Het is duidelijk dat een psychiatrische eenheid van een regulier psychiatrisch ziekenhuis en de forensische psychiatrische ziekenhuisdiensten alleen geïnterneerden kunnen opnemen waarvoor zij een behandelproject hebben en op voorwaarde dat de geïnterneerde zich hierbij kan aansluiten. In die zin is het belangrijk dat de mogelijkheid wordt geboden aan de strafuitvoeringskamer om hierover te onderhandelen en te zoeken waar de betrokken geïnterneerde het beste een zorgtraject op maat kan doorlopen » (ibid.).

B.49.1. Overeenkomstig de voormelde wet van 26 juni 1990 kan de vrederechter, op verzoek van een belanghebbende - in spoedeisende gevallen kan de procureur des Konings ambtshalve optreden -, de psychiatrische dienst aanwijzen waarin de geesteszieke ter observatie en in voorkomend geval tot verder gedwongen verblijf wordt opgenomen.

B.49.2. Het verschil in behandeling tussen beide categorieën van geesteszieken bestaat erin dat de opname van een geesteszieke op grond van de voormelde wet van 26 juni 1990 steeds in een private psychiatrische instelling kan worden gelast, terwijl tot de plaatsing van een geïnterneerde geesteszieke op grond van de Interneringswet 2014 in een private psychiatrische instelling slechts kan worden beslist wanneer met die instelling een samenwerkingsovereenkomst is gesloten.

B.50. Zoals reeds is vermeld in B.26.2, blijkt uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat de vrijheidsberoving van een geesteszieke slechts rechtmatig is in de zin van artikel 5.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens indien ze plaatsvindt in een inrichting die is aangepast aan de bijzondere behoeften van geesteszieken (EHRM, 28 mei 1985, Ashingdane t. Verenigd Koninkrijk, § 44; 30 juli 1998, Aerts t. België, § 46).

B.51.1. Het criterium van onderscheid dat het verschil in behandeling doet ontstaan, vloeit voort uit het toepassingsgebied van de respectieve wetten.

De opname in een psychiatrische instelling waarin de voormelde wet van 26 juni 1990 voorziet is, bij gebrek aan enige andere geschikte behandeling, toegestaan wanneer de toestand van de geesteszieke zulks vereist, hetzij omdat hij zijn gezondheid en zijn veiligheid ernstig in gevaar brengt, hetzij omdat hij een ernstige bedreiging vormt voor andermans leven of integriteit.

De maatregel van internering waarin de Interneringswet 2014 voorziet, kan worden genomen ten aanzien van de persoon die een als misdaad of wanbedrijf omschreven feit heeft gepleegd waarop een gevangenisstraf is gesteld en die aan een geestesstoornis lijdt die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden tenietdoet of ernstig aantast.

De vervolging van een geesteszieke die een als misdaad of wanbedrijf omschreven feit heeft gepleegd, is weliswaar afhankelijk van het optreden van het openbaar ministerie of van een burgerlijke partij, maar dat procedurele gegeven staat niet eraan in de weg dat de geesteszieke ten laste van wie is bewezen dat hij een als misdaad of wanbedrijf omschreven feit heeft gepleegd en die daarvoor wordt vervolgd, op objectieve wijze kan worden onderscheiden van de geesteszieke die zich niet in die situatie bevindt.

B.51.2. Het verschil in behandeling betreft dus twee verschillende categorieën van geesteszieken : de enen hebben niet en de anderen hebben wel een als misdaad of wanbedrijf omschreven feit gepleegd. Dat verschil rechtvaardigt dat de voormelde wet van 26 juni 1990 de klemtoon legt op de bescherming van de geesteszieken, terwijl de Interneringswet 2014 ook ertoe strekt de maatschappij te beschermen. De internering op grond van deze laatste wet blijft, ook tijdens een eventueel verblijf in een private psychiatrische inrichting, een strafvervangende veiligheidsmaatregel.

B.51.3. Het verschil in behandeling is niet zonder redelijke verantwoording, ermee rekening houdend dat de Interneringswet 2014 niet de opname verhindert van een geïnterneerde geesteszieke in een private psychiatrische inrichting wanneer met die private inrichting een samenwerkingsovereenkomst werd gesloten.

Door de opnameplicht te beperken tot die private inrichtingen die een principiële samenwerkingsovereenkomst hebben gesloten, wenst de wetgever de problemen omtrent de uitvoering van de rechterlijke beslissingen te voorkomen, in die zin dat de doeltreffendheid van de rechterlijke beslissing niet langer afhangt van de voorafgaande instemming van de inrichting, telkens wanneer een individuele beslissing wordt genomen.

B.52. Het zesde middel in de zaak nr. 6136 is niet gegrond.

2.5. De adviezen

B.53. Het achtste middel in de zaak nr. 6136 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 5.4 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat de artikelen 29, §§ 3, 4 en 5, 41, § 5, 46, §§ 1 en 2, 48, §§ 1 en 2, en 67, § 1, van de Interneringswet 2014 voorzien in het meedelen, ter voorlichting, van tal van adviezen aan de kamer voor de bescherming van de maatschappij en in de oproeping van de raadsman van de geïnterneerde via een gerechtsbrief, zonder dat diezelfde adviezen aan hem worden meegedeeld, samen met die gerechtsbrief.

B.54.1. Artikel 29, §§ 3, 4 en 5, van de Interneringswet 2014 bepaalt :

« § 3. Het dossier, dat door het openbaar ministerie wordt samengesteld, bestaat ten minste uit het vonnis of arrest tot internering, de uiteenzetting van de feiten, een uittreksel uit het strafregister, de verslagen van het deskundigenonderzoek en, desgevallend, de slachtofferfiche(s) of slachtofferverklaringen.

Het openbaar ministerie verleent een eerste schriftelijk advies voor wat de uitvoering van de internering betreft.

Het dossier wordt door het openbaar ministerie aangevuld met een verslag van de psychosociale dienst van de gevangenis, indien de geïnterneerde persoon gedetineerd is, of met een beknopt voorlichtingsverslag of een maatschappelijke enquête van de dienst Justitiehuizen, indien de geïnterneerde persoon niet gedetineerd is.

De inhoud van dit beknopt voorlichtingsverslag en van deze maatschappelijke enquête wordt door de Koning bepaald.

Het openbaar ministerie vult het dossier ook aan met het advies van de directeur van de inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, a) en b), of van de hoofdgeneesheer van de inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, c) en d), voor wat de uitvoering van de internering betreft.

§ 4. De geïnterneerde persoon en zijn raadsman en desgevallend ook het slachtoffer worden bij gerechtsbrief in kennis gesteld, de directeur van de inrichting, indien de geïnterneerde persoon gedetineerd is, of de hoofdgeneesheer van de inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, c) en d), indien de geïnterneerde persoon in een inrichting opgenomen werd, worden schriftelijk in kennis gesteld van de dag, het uur en de plaats van de zitting.

§ 5. Het dossier wordt gedurende ten minste vier dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de geïnterneerde persoon en zijn raadsman op de griffie van de kamer voor de bescherming van de maatschappij of, indien de geïnterneerde persoon gedetineerd is, op de griffie van de inrichting. Op advies van de psychiater van de inrichting of van de behandelende psychiater kan de interneringsrechter de geïnterneerde persoon in een met redenen omklede beschikking inzage van zijn dossier ontzeggen wanneer die inzage een klaarblijkelijk ernstig nadeel voor zijn gezondheid kan meebrengen.

De raadsman van de geïnterneerde persoon kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen ».

Die bepaling bevat de regels van de behandeling van de zaak met het oog op het aanwijzen van een inrichting en regelt de formaliteiten die de behandeling van de zaak voor de kamer voor de bescherming van de maatschappij voorafgaan (Parl. St., Senaat, 2012-2013, nr. 5-2001/1, pp. 33-34).

« De geïnterneerde en zijn raadsman kunnen het dossier raadplegen, vier dagen voor de behandeling van de zaak. Naar analogie van de wet betreffende de rechten van de patiënt wordt hen dit recht toegekend. Enkel op advies van de psychiater kan de strafuitvoeringskamer in een met reden omklede beschikking beslissen de inzage te ontzeggen aan de geïnterneerde. De raadsman kan dan een afschrift krijgen » (ibid., p. 34).

B.54.2. Artikel 41, § 5, van de Interneringwet 2014 bepaalt :

« De kamer voor de bescherming van de maatschappij hoort de geïnterneerde persoon en zijn raadsman, de directeur, indien de geïnterneerde persoon in beperkte detentie is, en het openbaar ministerie.

De geïnterneerde persoon verschijnt persoonlijk. Hij wordt door zijn raadsman vertegenwoordigd indien medisch-psychiatrische vragen in verband met zijn toestand gesteld worden en het bijzonder schadelijk is om deze in zijn aanwezigheid te behandelen.

Het slachtoffer wordt gehoord over de bijzondere voorwaarden die in zijn belang moeten worden opgelegd. Het slachtoffer is aanwezig op de zitting voor de tijd die nodig is om deze voorwaarden te onderzoeken. Het openbaar ministerie en, in voorkomend geval de directeur, lichten bij deze gelegenheid de voorwaarden toe die zij in hun advies hebben geformuleerd in het belang van het slachtoffer. Het slachtoffer kan zijn opmerkingen voordragen.

Het slachtoffer kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een raadsman en kan zich laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.

De zitting vindt plaats met gesloten deuren ».

Artikel 41 « bepaalt de mogelijke beslissingen van de strafuitvoeringskamer, in het bijzonder de toekenning van een beperkte detentie, elektronisch toezicht, voorlopige invrijheidstelling of invrijheidstelling op proef voor seksuele delinquenten op minderjarigen » (Parl. St., Senaat, 2012-2013, nr. 5-2001/1, p. 37).

« Er wordt bepaald dat de strafuitvoeringskamer de mogelijkheid heeft om voorwaarden op te leggen voor het volgen van een begeleiding of behandeling bij een dienst die in de begeleiding of de behandeling van seksuele delinquenten gespecialiseerd is » (ibid.).

B.54.3. Artikel 46, §§ 1 en 2, van de Interneringswet 2014 bepaalt :

« § 1. Indien zich, nadat de beslissing tot toekenning van een uitvoeringsmodaliteit door de kamer voor de bescherming van de maatschappij is genomen maar voor de uitvoering ervan, een situatie voordoet die onverenigbaar is met de modaliteit zelf of met de voorwaarden die in deze beslissing zijn bepaald, kan de kamer voor de bescherming van de maatschappij, ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie, een nieuwe beslissing nemen, met inbegrip van de intrekking van de modaliteit die werd toegekend.

§ 2. De geïnterneerde persoon en zijn raadsman en desgevallend ook het slachtoffer worden bij gerechtsbrief opgeroepen om binnen zeven dagen na de vaststelling van de onverenigbaarheid te verschijnen voor de kamer voor de bescherming van de maatschappij. De oproeping bij gerechtsbrief schorst de tenuitvoerlegging van de beslissing tot toekenning van de desbetreffende modaliteit.

De directeur of de hoofdgeneesheer van de inrichting en desgevallend het slachtoffer worden schriftelijk in kennis gesteld van de dag, het uur en de plaats van de zitting ».

Artikel 46 voorziet in de mogelijkheid voor de kamer voor de bescherming van de maatschappij om de beslissing tot toekenning van een uitvoeringsmodaliteit te wijzigen. Dit dient te gebeuren wanneer zich na de beslissing maar vóór de uitvoering ervan een situatie voordoet die onverenigbaar is met de voorwaarden die in de beslissing zijn bepaald (Parl. St., Senaat, 2012-2013, nr. 5-2001/1, p. 39).

Het bestreden artikel voorziet in een op tegenspraak gevoerde procedure : het slachtoffer kan, indien het dit wenst, worden gehoord.

B.54.4. Artikel 48, §§ 1 en 2, van de Interneringswet 2014 bepaalt :

« § 1. De griffie van de kamer voor de bescherming van de maatschappij vult het dossier, zoals samengesteld overeenkomstig artikel 29, § 3, aan met :

1° in voorkomend geval een recent afschrift van de opsluitingsfiche;

2° een recent uittreksel uit het strafregister;

3° het advies van de directeur van de inrichting of hoofdgeneesheer van de inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, b), c) en d);

4° een recent multidisciplinair psychosociaal-psychiatrisch verslag;

5° desgevallend een recent verslag van het justitiehuis;

6° desgevallend de slachtofferverklaring(en) en de nieuwe slachtofferfiche(s);

7° indien de betrokkene geïnterneerd is voor de in de artikelen 372 tot 378 van het Strafwetboek bedoelde feiten of voor de in de artikelen 379 tot 387 van hetzelfde Wetboek bedoelde feiten indien ze gepleegd werden op minderjarigen of met hun deelneming, het met redenen omkleed advies dat een beoordeling van de noodzaak om een begeleiding of behandeling op te leggen omvat en dat opgesteld is door een dienst of persoon die gespecialiseerd is in de diagnostische expertise van seksuele delinquenten.

§ 2. Een afschrift van het advies van de directeur van de inrichting of de hoofdgeneesheer van de inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, b), c) en d) wordt overgezonden aan het openbaar ministerie en aan de raadsman van de geïnterneerde persoon ».

De parlementaire voorbereiding vermeldt :

« Het artikel bepaalt een vrij zware procedure om net de rechten van alle betrokkenen te vrijwaren. Maar ook daarom is er altijd een tussentijdse aanpassing mogelijk of het nemen van maatregelen die dringend zijn » (Parl. St., Senaat, 2012-2013, nr. 5-2001/1, p. 41).

B.54.5. Artikel 67, § 1, van de Interneringswet 2014 bepaalt :

« Eén maand voor het einde van de proeftermijn waaraan de invrijheidstelling op proef overeenkomstig artikel 42, § 1, onderworpen is, beslist de kamer voor de bescherming van de maatschappij over de definitieve invrijheidstelling.

Met het oog op het nemen van die beslissing laat de kamer voor de bescherming van de maatschappij, zo nodig, een nieuw forensisch psychiatrisch onderzoek uitvoeren dat voldoet aan de vereisten van artikel 5, §§ 2, 4 en 5.

Drie maanden voor het einde van de proeftermijn maakt de Dienst Justitiehuizen een syntheseverslag over aan de kamer voor de bescherming van de maatschappij, dat in kopie aan het openbaar ministerie wordt gezonden.

Twee maanden voor het einde van de proeftermijn stelt het openbaar ministerie een met redenen omkleed advies op, zendt dit over aan de strafuitvoeringsrechtbank en deelt het in afschrift mee aan de geïnterneerde persoon en zijn raadsman ».

Artikel 67 bepaalt wanneer de kamer voor de bescherming van de maatschappij dient te beslissen over de definitieve invrijheidstelling, te weten één maand vóór het einde van de proeftermijn waaraan de invrijheidstelling op proef overeenkomstig artikel 43, § 1, is onderworpen.

« Aangezien een beslissing tot definitieve invrijheidstelling niet op lichtzinnige wijze mag worden genomen, dient de strafuitvoeringskamer zo nodig te beschikken over een recent forensisch psychiatrisch en/of psychologisch verslag » (Parl. St., Senaat, 2012-2013, nr. 5-2001/1, p. 49).

B.55.1. Hoewel artikel 5.4 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens de Staten in de regel niet verplicht tot mededeling van adviezen en andere dossierstukken aan de raadsman van de persoon over wiens gevangenhouding de rechter dient te beslissen, vloeit uit die bepaling echter voort dat bijzondere procedurele waarborgen noodzakelijk zouden kunnen blijken voor de belangen van personen die, gelet op hun mentale stoornissen, niet volledig bekwaam zijn om voor zichzelf op te treden (EHRM, 24 oktober 1979, Winterwerp t. Nederland, § 60). Het algemeen beginsel van de rechten van de verdediging houdt overigens het recht in op de bijstand van een advocaat om voor een rechtscollege te verschijnen wanneer uit de omstandigheden blijkt dat het zeer onwaarschijnlijk is dat de betrokkene zijn zaak op nuttige wijze kan verdedigen. Dat is het geval wanneer het gaat om personen die wegens een geestesstoornis van hun vrijheid zijn beroofd en van wie redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat zij in staat zijn zelf de beslissingen te nemen die in het kader van de rechtspleging vereist zijn.

Het is dan ook terecht dat de wetgever heeft geoordeeld dat de verplichte bijstand van een advocaat gerechtvaardigd is « gelet op de toestand waarin betrokkene zich bevindt en rekening houdend met het feit dat er geen hoger beroep (enkel cassatie) mogelijk is » (Parl. St., Senaat, 2012-2013, nr. 5-2001/1, p. 56) en dat hij in artikel 13, § 3, tweede lid, en in artikel 81 van de Interneringswet 2014 heeft bepaald dat de rechtscolleges slechts over de verzoeken tot internering kunnen beslissen indien de betrokkenen worden bijgestaan of vertegenwoordigd door een raadsman.

B.55.2. Artikel 29, § 5, van de Interneringswet 2014 bepaalt tevens uitdrukkelijk dat de raadsman van de geïnterneerde, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier kan verkrijgen. Daarnaast wordt in artikel 29, § 3, van de Interneringswet 2014 nauwkeurig geregeld waaruit het dossier ten minste dient te bestaan, te weten het « vonnis of arrest tot internering, de uiteenzetting van de feiten, een uittreksel uit het strafregister, de verslagen van het deskundigenonderzoek en, desgevallend, de slachtofferfiche(s) of slachtofferverklaringen ». Het dossier wordt door het openbaar ministerie aangevuld met « een verslag van de psychosociale dienst van de gevangenis, indien de geïnterneerde persoon gedetineerd is, of met een beknopt voorlichtingsverslag of een maatschappelijke enquête van de dienst Justitiehuizen, indien de geïnterneerde persoon niet gedetineerd is ».

Derhalve kan de raadsman van de geïnterneerde kennis nemen van alle adviezen wanneer hij op eenvoudig verzoek een afschrift van het dossier opvraagt, dan wel wanneer hij het dossier ter griffie gaat inkijken.

B.55.3. De opmerking van de verzoekende partijen als zou het dossier van de geïnterneerde op de griffie met de hand dienen te worden overgeschreven, vloeit niet als zodanig uit de wet voort maar in voorkomend geval uit de manier waarop door de verschillende griffies de interneringswet wordt uitgevoerd. Indien het noodzakelijk zou zijn op te treden tegen een dergelijke handelswijze, dan behoort dit toe aan de hoven en rechtbanken.

B.56. Het achtste middel in de zaak nr. 6136 is niet gegrond.

2.6. Het gebrek aan een controle- en sanctiemechanisme, indien men, als geïnterneerde, niet wordt opgenomen in een aangepaste inrichting

B.57. Het tiende en het elfde middel in de zaak nr. 6136 zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 3, 5.1, e), 5.4 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, aangezien de Interneringswet 2014 in geen enkel controle-, noch sanctiemechanisme zou voorzien inzake de opsluitingsomstandigheden van de van zijn vrijheid beroofde geïnterneerde. Aangezien de opsluiting van een geesteszieke delinquent slechts rechtmatig is onder bepaalde voorwaarden en er geen controlemechanisme, noch sanctiemechanisme is om te beoordelen of aan die voorwaarden is voldaan, zou de Interneringswet 2014 strijdig zijn met de voormelde artikelen van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.58.1. Er dient te worden opgemerkt dat, overeenkomstig artikel 11 van de Interneringswet 2014, geïnterneerden enkel « voorlopig » in een gevangenis kunnen worden geïnterneerd, in afwachting van hun plaatsing in een gespecialiseerde psychiatrische inrichting, en dat een dergelijke internering dus steeds moet worden beschouwd als een voorlopige maatregel.

Daarnaast kan een dergelijke opname in een penitentiaire instelling enkel plaatsvinden indien de geïnterneerde op het ogenblik van de internering in voorlopige hechtenis is, of indien de persoon op het ogenblik van de internering niet is aangehouden, maar voor hem de onmiddellijke opsluiting bevolen wordt omdat te vrezen valt dat hij zich aan de internering zou onttrekken of dat hij een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de fysieke of psychische integriteit van derden of voor zichzelf zou vormen (artikel 10 van de Interneringswet 2014).

B.58.2. Vervolgens kan, overeenkomstig de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, de geïnterneerde niet eisen dat hij vanaf de eerste dag van zijn internering in een gespecialiseerde inrichting zou moeten worden opgenomen (EHRM, 12 februari 2008, Pankiewicz t. Polen, § 44; 11 mei 2004, Morsink t. Nederland, §§ 67-69; 11 mei 2004, Brand t. Nederland, §§ 64-66).

Zo heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens bij zijn voormeld arrest Pankiewicz t. Polen geoordeeld :

« 44. Het Hof aanvaardt de argumenten van de Regering volgens welke de benadering niet realistisch en te strikt zou zijn indien van de overheid wordt verwacht dat zij verzekert dat in een gekozen psychiatrisch ziekenhuis onmiddellijk een plaats beschikbaar is. Er dient evenwel een billijk evenwicht te worden verwezenlijkt tussen de aanwezige belangen ».

B.58.3. Bovendien dient erop te worden gewezen dat de geïnterneerde het recht heeft om regelmatig te verschijnen voor de kamer voor de bescherming van de maatschappij en aldaar de grieven omtrent de interneringsomstandigheden kenbaar te maken. Tegen de beslissingen van de kamer voor de bescherming van de maatschappij staat cassatieberoep open en artikel 54 van de Interneringswet 2014 regelt de procedure bij hoogdringendheid in het geval waarin de geïnterneerde meent dat hij onrechtmatig is opgesloten.

B.58.4. Overigens is in diverse specifieke procedurele waarborgen ter bescherming van de geïnterneerde voorzien in de Interneringswet 2014.

Zo is de bijstand door een raadsman verplicht (artikel 81), bestaat de kamer voor de bescherming van de maatschappij uit een beroepsrechter (de zogenaamde interneringsrechter), « bijgestaan door assessoren, onder wie klinische psychologen » (Parl. St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-3527/002, p. 3), verkrijgt de raadsman van de geïnterneerde, op eenvoudig verzoek, een afschrift van het dossier (artikel 29, § 5), dient de geïnterneerde in persoon te verschijnen voor de kamer voor de bescherming van de maatschappij (artikel 30, tweede lid) en wordt hij ook door die kamer gehoord (artikel 30, eerste lid), moet de kamer uitspraak doen binnen veertien dagen nadat de zaak in beraad is genomen (artikelen 33 en 41, § 6) en wordt het vonnis of de beschikking binnen vierentwintig uur bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de geïnterneerde en zijn raadsman (artikel 44, § 1). Tegen beslissingen van de kamer voor de bescherming van de maatschappij staat bovendien cassatieberoep open (artikel 78).

B.59.1. De Interneringswet 2014 maakt het niet mogelijk dat een gedetineerde voor onbepaalde duur in een gevangenis wordt opgesloten. Wanneer het bevoegde rechtscollege heeft geoordeeld dat een geïnterneerde persoon moet worden opgenomen in een aangepaste inrichting, staat het aan de bevoegde overheden ervoor te zorgen dat die persoon daar kan worden opgenomen (EHRM, 24 oktober 1997, Johnson t. Verenigd Koninkrijk; 11 mei 2004, Brand t. Nederland; 11 mei 2004, Morsink t. Nederland). Wanneer de door de kamer voor de bescherming van de maatschappij aangewezen inrichting de geïnterneerde persoon niet kan opnemen, moet een redelijk evenwicht worden gezocht tussen de belangen van de overheden en die van de betrokkene. Dat evenwicht wordt verbroken wanneer een geïnterneerde voor onbepaalde tijd in een inrichting wordt gelaten die het bevoegde rechtscollege met het oog op diens reclassering onaangepast heeft geacht.

B.59.2. Evenwel vloeit een mogelijke inbreuk op de fundamentele rechten van de artikelen 5.1 en 5.4 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens niet voort uit een van de wetsbepalingen waartegen een beroep tot vernietiging is ingesteld. Ze volgt in voorkomend geval uit het gebrek aan voldoende plaatsen in de inrichtingen waarin de door de verwijzende rechter gelaste maatregel zou kunnen worden uitgevoerd.

B.59.3. Een dergelijke situatie betreft echter de toepassing van de wet, waarvoor het Hof niet bevoegd is. Het tiende en het elfde middel in de zaak nr. 6136 zijn niet gegrond.

2.7. De onderhoudsplicht

B.60.1. Het dertiende middel in de zaak nr. 6136 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat artikel 84, § 2, van de Interneringswet 2014, een verschil in behandeling invoert tussen twee categorieën van personen zonder dat hiervoor een redelijke verantwoording zou bestaan. Het betreft, enerzijds, de geesteszieken die vallen onder de voormelde wet van 26 juni 1990 of de personen die hun levensonderhoud verschuldigd zijn, en, anderzijds, de geesteszieken die vallen onder de Interneringswet 2014 of de personen die hun levensonderhoud verschuldigd zijn. Door de bestreden bepaling zouden de onderhoudskosten van de geïnterneerden in een private psychiatrische inrichting kunnen worden verhaald, terwijl dit niet het geval zou zijn voor de personen bedoeld in de voormelde wet van 26 juni 1990, voor wie de Staat die kosten ten laste zou nemen door middel van de ziekteverzekering.

B.60.2. Het derde middel in de zaak nr. 6138 voert aan dat artikel 84, § 2, van de Interneringswet 2014, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met het Twaalfde Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, schendt, omdat een onverantwoord verschil zou worden ingevoerd tussen de geïnterneerden volgens hun vermogenstoestand en tussen de geïnterneerden en gemeenrechtelijke gedetineerden in zoverre die laatsten geen onderhoudskosten met betrekking tot hun opsluiting verschuldigd zijn.

B.61.1. Artikel 84, § 2, van de Interneringswet 2014 bepaalt :

« De onderhoudskosten van de personen die met toepassing van artikel 9 geïnterneerd zijn en overeenkomstig artikel 19 verblijven in een in artikel 3, 4°, d), vermelde inrichting, komen onder de door de Koning gestelde voorwaarden ten laste van de geïnterneerde persoon zelf of van de personen die [...] hun levensonderhoud zijn verschuldigd. De Koning bepaalt de kosten die in geval van onvermogen ten laste vallen van de Federale Staat ».

B.61.2. Die bepaling betreft de overname, mutatis mutandis, van artikel 27 van de thans van toepassing zijnde wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten en heeft een tweeledige bedoeling :

« - geïnterneerden die over financiële middelen beschikken, dienen zelf in te staan voor de kosten van levensonderhoud;

- ingeval van onvermogen betaalt de overheid die kosten waarvan bij koninklijk besluit werd bepaald dat ze door de overheid gedragen zullen worden.

Actueel betaalt Justitie zowel voor de vermogende als de onvermogende geïnterneerden. De kosten die door de instellingen gefactureerd worden zijn zeer uiteenlopend. Het is belangrijk om dit te harmoniseren » (Parl. St., Senaat, 2013-2014, nr. 5-2001/3, p. 52).

B.61.3. Oorspronkelijk, krachtens de voormelde wet van 9 april 1930, waren de onderhoudskosten integraal ten laste van de geïnterneerden zelf of van de personen die hun levensonderhoud verschuldigd waren. Zulks werd verantwoord door de omstandigheid dat internering geen straf is.

Volgens de parlementaire voorbereiding van de wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen en de gewoontemisdadigers stuitte dit op vele bezwaren :

« Wanneer [de terugbetaling van de onderhoudskosten] ten laste [valt] van de geïnterneerde [kunnen] zij hem beroven van de middelen waarover hij nuttig zou beschikt hebben om zijn reclassering te bewerken. Indien voorts de terugbetaling ten laste komt van de personen die levensonderhoud verschuldigd zijn, kan dit tot gevolg hebben dat het gezinsverband verbroken wordt en de toekomstige kans om opnieuw in de maatschappij te worden opgenomen, in gevaar wordt gebracht. Men heeft overigens bevonden dat de terugbetaling minder dan 2 % bedroeg van al de gemaakte kosten.

In het belang van de maatschappij wordt de principiële terugbetaling [...] beperkt tot de geïnterneerde en veroordeelde personen, die in een door de regering erkende psychiatrische inrichting zijn geplaatst. Het zou immers aanstoot geven dat personen die over de nodige middelen beschikken, niet zouden bijdragen in de kosten ingevolge hun plaatsing in een private inrichting. Deze bepaling verhindert de plaatsing niet van andere zieken die in een minder gunstige vermogenstoestand mochten verkeren. De kosten worden door de Staat gedragen naarmate zij niet konden terugbetaald worden » (Parl. St., Senaat, 1959-1960, nr. 514, pp. 12-13).

B.62.1. Artikel 84, § 2, van de Interneringswet 2014 behoudt de mogelijkheid dat de Koning de voorwaarden bepaalt volgens welke de onderhoudskosten van de geïnterneerden die krachtens een beslissing van de kamer voor de bescherming van de maatschappij verblijven in een door de bevoegde overheid erkende inrichting die is georganiseerd door een privé-instelling, door een gemeenschap of een gewest of door een lokale overheid, ten laste komen van de geïnterneerde persoon zelf of van de personen die hun levensonderhoud verschuldigd zijn. De omstandigheid dat aan de Koning de bevoegdheid wordt opgedragen om het principe van de onderhoudsplicht nader uit te werken, binnen de door de wetgever vastgestelde grenzen, betekent niet dat de verzoekende partijen niet rechtstreeks zouden kunnen worden geraakt door de bestreden bepaling, wanneer die benadeling haar oorzaak in de wet zelf zou vinden.

B.62.2. Aangezien de onderhoudskosten, ter uitvoering van artikel 84, § 2, van de Interneringswet 2014, enkel kunnen worden opgelegd aan geïnterneerden, of aan hen die in hun levensonderhoud dienen te voorzien, die worden opgenomen in de door de bevoegde overheid erkende inrichtingen die zijn georganiseerd door een privé-instelling, door een gemeenschap of een gewest of door een lokale overheid, die in staat zijn aan die geïnterneerde personen de gepaste zorg te verstrekken en die een samenwerkingsovereenkomst hebben afgesloten inzake de toepassing van de Interneringswet 2014, vindt de benadeling haar oorzaak in de wet zelf.

B.63.1. In tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partijen in de zaak nr. 6136 beweren, kan de tenlastelegging van de onderhoudskosten van de geïnterneerde niet als een straf worden gekwalificeerd. Het betreft te dezen een vergoeding van de kosten in het kader van een aangepaste behandeling, die tot doel heeft de gepaste verzorging te verlenen aan de geïnterneerde met het oog op zijn re-integratie in de maatschappij.

B.63.2. Wat de vergelijking betreft met de personen die bedoeld zijn in de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke, dient te worden opgemerkt dat, anders dan de verzoekende partijen beweren, die wet wel in kostenverhaal voorziet, nu artikel 34, tweede lid, van die wet bepaalt dat de kosten van vervoer, opneming, verblijf en behandeling in een psychiatrische dienst, of in een gezin, en van eventuele overbrenging naar een andere dienst of een ander gezin, ten laste komen van de zieke of, indien het een minderjarige betreft, van zijn wettelijke vertegenwoordigers.

B.63.3. Het dertiende middel in de zaak nr. 6136 is niet gegrond.

B.64.1. Wat het derde middel in de zaak nr. 6138 betreft, dient allereerst te worden vastgesteld dat tussen de daarin vermelde categorieën van personen objectieve verschillen bestaan : een gedetineerde is veroordeeld tot een straf na het plegen van een misdrijf, terwijl een geïnterneerde wordt geïnterneerd op basis van een rechterlijke beslissing die steunt op de omstandigheid dat hij een als misdaad of wanbedrijf omschreven feit heeft gepleegd, dat hij lijdt aan een welbepaalde geestesstoornis, en dat hij wegens die geestesstoornis een gevaar vormt voor de maatschappij (artikel 9 van de Interneringswet 2014).

Bovendien worden beide categorieën van personen opgenomen in wezenlijk verschillende instellingen, die op erg verschillende wijze worden gefinancierd. De hechtenis gebeurt in een strafinrichting van de federale overheid, terwijl de in artikel 84, § 2, van de Interneringswet 2014 bedoelde internering gebeurt in een niet door de federale Staat georganiseerde gespecialiseerde inrichting voor geestelijke gezondheidszorg. In het eerste geval zijn de medische kosten niet het voorwerp van de gewone tegemoetkomingen door de ziektekostenverzekering, maar zijn zij zoals de verblijfskosten ten laste van de Staat, die dienaangaande luidens artikel 56, § 3bis, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen een forfaitaire tegemoetkoming ontvangt van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering. In het tweede geval zijn de kosten voor opname en behandeling, op grond van het bijzondere statuut van de geïnterneerde persoon, ofwel het voorwerp van een forfaitaire tegemoetkoming voor de inrichtingen, die is geregeld bij artikel 56, § 3, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, ofwel zijn zij het voorwerp van de gewone tegemoetkomingen door de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.

B.64.2. De omstandigheid dat een internering in een in de in het geding zijnde bepaling bedoelde inrichting een veiligheidsmaatregel is, waarbij aan de geïnterneerde een aangepaste behandeling wordt gegeven, samen met het feit dat het kostenverhaal enkel betrekking kan hebben op de niet door de ziektekostenverzekering gedragen onderhoudskosten en met de omstandigheid dat het aan de Koning staat de nadere voorwaarden van de tenlastelegging te bepalen, leidt ertoe dat het bestreden verschil in behandeling geen onevenredige gevolgen heeft ten aanzien van de in de in het geding zijnde bepaling bedoelde personen.

B.64.3. Het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de omstandigheid dat ten aanzien van de onvermogenden de Koning de kosten bepaalt die ten laste vallen van de federale Staat, terwijl voor solvabele personen de Koning de voorwaarden bepaalt waaronder de kosten ten laste zijn van de geïnterneerde persoon zelf of van de personen die hun levensonderhoud verschuldigd zijn, is niet zonder redelijke verantwoording. De wetgever kan op grond van overwegingen van sociaal beleid van oordeel zijn dat hij een bijzondere financiële inspanning moet leveren ten aanzien van de personen die niet in staat blijken te zijn de bedoelde kosten te dragen, terwijl budgettaire overwegingen verantwoorden dat die kosten wel ten laste worden gelegd van personen die wel in staat blijken te zijn die te dragen en die daarvoor overigens veelal een tegemoetkoming genieten van de ziektekostenverzekering.

B.64.4. Het derde middel in de zaak nr. 6138 is niet gegrond.

2.8. De interneringsmogelijkheid in de gevangenis

B.65.1. Als eerste onderdeel van het eerste middel voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 6138 een schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 3 en 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 7, 9 en 10 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, door de artikelen 3, 4°, a), 6, § 1, tweede lid, en § 2, en 11 van de Interneringswet 2014, in zoverre zij de internering van de in die wet bedoelde personen in de psychiatrische afdelingen van de gevangenissen mogelijk maken. De psychiatrische afdelingen van strafinrichtingen zouden evenwel geen geschikte plaats zijn voor de internering van iemand die aan een geestesstoornis lijdt, aangezien het plaatsen van opsluiting en niet van verzorging zijn.

B.65.2. Als tweede onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 6138 voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden artikelen artikel 23 van de Grondwet schenden, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en met artikel 25 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, omdat daardoor het in artikel 23 van de Grondwet vastgelegde recht op de bescherming van de gezondheid van geïnterneerden zou worden geschonden.

B.66.1. Artikel 3, 4°, a), van de Interneringswet 2014 bepaalt :

« Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder :

[...]

4° de inrichting :

a) de psychiatrische afdeling van een gevangenis; ».

B.66.2. Artikel 6 van de Interneringswet 2014 bepaalt :

« § 1. Wanneer er redenen bestaan om aan te nemen dat een persoon die overeenkomstig de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis is opgesloten, zich bevindt in een in artikel 9 bedoelde toestand, kunnen de onderzoeksrechter en de onderzoeks- of vonnisgerechten bevelen dat hij wordt onderworpen aan een forensisch psychiatrisch onderzoek met opneming ter observatie.

In dat geval wijzen ze de psychiatrische afdeling van de gevangenis of het door de Koning opgericht beveiligd klinisch observatiecentrum aan, waarnaar de verdachte ter observatie moet worden overgebracht.

§ 2. Tijdens de inobservatiestelling in een psychiatrische afdeling van een gevangenis of het door de Koning opgericht beveiligd klinisch observatiecentrum, die twee maanden niet te boven mag gaan, blijven de bepalingen van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis van toepassing op de verdachte.

§ 3. Na afloop van de observatieperiode, namelijk hetzij ten laatste na het verstrijken van de in § 2 bedoelde termijn, hetzij wanneer de periode ten einde loopt krachtens een beslissing van de rechterlijke overheid die de opneming ter observatie heeft bevolen, wordt de verdachte opnieuw geplaatst in een gevangenis en blijft hij in hechtenis op grond van het bevel tot aanhouding, tenzij de internering met onmiddellijke opsluiting wordt bevolen overeenkomstig artikel 10.

De inobservatiestelling wordt beëindigd in geval van opheffing van het bevel tot aanhouding ».

Als gevolg van artikel 6 wordt het residentieel psychiatrisch deskundigenonderzoek, inzonderheid de inobservatiestelling, mogelijk gemaakt. De inobservatiestelling is slechts mogelijk indien de verdachte in voorlopige hechtenis is geplaatst onder de voorwaarden bepaald in de wet. Artikel 6 bepaalt derhalve de regels inzake het psychiatrisch deskundigenonderzoek met opneming ter observatie.

B.66.3. Artikel 11 van de Interneringswet 2014 bepaalt :

« Indien de beklaagde of de beschuldigde op het ogenblik dat de internering bevolen wordt, aangehouden is of ingeval de rechter de internering met onmiddellijke opsluiting van een verdachte of beschuldigde beveelt, vindt de internering voorlopig plaats in de psychiatrische afdeling van een gevangenis ».

Voormeld artikel 11 bepaalt dat de internering in voorkomend geval voorlopig zal plaatshebben in de psychiatrische afdeling van een gevangenis.

B.67.1. Zolang over een internering niet definitief is beslist, kan de procedure tot aanwijzing van een aangepaste psychiatrische instelling niet worden aangevat. Zodra de internering definitief is, zijn de artikelen 29 en volgende van de Interneringswet 2014 van toepassing. Die artikelen voorzien in uitdrukkelijke termijnen waarbinnen de kamer voor de bescherming van de maatschappij een beslissing moet nemen over de plaatsing of de toekenning van andere uitvoeringsmodaliteiten.

Die beslissing tot plaatsing of andere uitvoeringsmodaliteiten moet uiterlijk binnen een termijn van vijf maanden en vijftien dagen worden genomen, nadat de internering definitief is geworden (artikelen 32 en 33 van de Interneringswet 2014).

B.67.2. Artikel 6 van de Interneringswet 2014 heeft geen betrekking op geïnterneerden, maar op in voorlopige hechtenis genomen personen ten aanzien van wie er redenen bestaan om aan te nemen dat zij aan een geestesstoornis zouden lijden. De bestreden bepaling voorziet in een door de onderzoeksrechter of door de onderzoeks- of vonnisgerechten bevolen maatregel die bestaat in een opneming ter observatie in een psychiatrische afdeling van een gevangenis of een door de Koning opgericht beveiligd klinisch observatiecentrum van ten hoogste twee maanden die moet toelaten zekerheid te hebben over het feit of de persoon al dan niet aan een geestesstoornis lijdt. De resultaten van die opneming ter observatie zijn essentieel bij het onderzoek van een verzoek tot internering van de beklaagde of de verdachte. Nu de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis en de waarborgen waarin zij voorziet op het vlak van de preventieve en curatieve rechtsbescherming, onverkort van toepassing zijn, tot de inobservatiestelling enkel kan besloten worden door een rechter, die beslissing enkel kan genomen worden wanneer er redenen bestaan om aan te nemen dat de betrokkene zich bevindt in een in artikel 9 van de Interneringswet 2014 bedoelde toestand en de inobservatiestelling ten hoogste twee maanden kan duren, is de bestreden bepaling bestaanbaar met artikel 5.1, c) en e), van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (vergelijk met : EHRM, 6 november 2008, Gouloub Atanassov t. Bulgarije, §§ 71 en 74; 18 juni 2015, Yaikov t. Rusland, §§ 55-56, 59-62). Het staat aan de uitvoerende macht de nodige voorzieningen te treffen opdat de door de wet voorgeschreven opdrachten naar behoren vervuld kunnen worden in een in de bestreden bepaling bedoelde psychiatrische afdeling van een gevangenis of een door de Koning opgericht beveiligd klinisch observatiecentrum.

B.67.3. Vervolgens is het opnieuw noodzakelijk erop te wijzen dat een internering van een persoon enkel mogelijk is wanneer aan strikte voorwaarden is voldaan en nadat een strikte procedure werd nageleefd.

B.68.1. Overeenkomstig de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, mag door de geïnterneerde niet worden verwacht dat hij vanaf de eerste dag van zijn internering in een gespecialiseerde inrichting zou moeten worden opgenomen (EHRM, 12 februari 2008, Pankiewicz t. Polen, §§ 44-45; 11 mei 2004, Morsink t. Nederland, §§ 67-69; 11 mei 2004, Brand t. Nederland, §§ 64-66).

B.68.2. De opname in een psychiatrische afdeling van een gevangenis is derhalve, overeenkomstig de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, toegelaten op voorwaarde dat die opname een redelijke termijn niet overschrijdt.

Het bestreden artikel 11 maakt het mogelijk dat, met naleving van specifieke voorwaarden, de internering, voor een beperkte periode, plaatsvindt in een psychiatrische afdeling van een gevangenis tijdens het zoeken naar een plaats in een aangepaste inrichting.

Het in de tijd beperkte karakter van die opname is bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 3 en 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.68.3. De verzoekende partijen laten bovendien na aan te tonen waarom een tijdelijke opname in de psychiatrische afdeling van een gevangenis in strijd zou zijn met het in artikel 23 van de Grondwet vermelde recht op bescherming van de gezondheid.

In de psychiatrische afdelingen van gevangenissen zijn ook zorgteams aanwezig die de eerste behoeften van personen met een geestesstoornis kunnen vervullen.

B.69. Het eerste middel in de zaak nr. 6138 is niet gegrond.

Om die redenen,

het Hof

- vernietigt artikel 79, § 1, eerste lid, van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering van personen;

- verwerpt de beroepen voor het overige.

Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 18 februari 2016.

De griffier,

F. Meersschaut

De wnd. voorzitter,

A. Alen