Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 18 februari 2016 (België)

Publicatie datum :
18-02-2016
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
7 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20160218-6
Rolnummer :
23/2016

Samenvatting

Het Hof zegt voor recht : Artikel 31 van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het de belastingadministratie tijdens de periode van opschorting niet verbiedt een hypothecaire inschrijving te nemen om erna als bevoorrechte schuldeiser te worden erkend.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en E. De Groot, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest van 24 oktober 2014 in zake de bvba « Belgium Taste » tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 19 november 2014, heeft het Hof van Beroep te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 31 van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen de in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet vastgelegde beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie in zoverre het verbiedt om tijdens de opschorting beslag te leggen voor schuldvorderingen in de opschorting, zonder de wettelijke hypotheken van de belastingadministratie te beogen, terwijl de wettelijke hypotheken in de feiten hetzelfde gevolg van onbeschikbaarheid van het vermogen hebben als het bewarend beslag op onroerend goed en de hypothecaire inschrijving aan de belastingadministratie een prioritaire rang verleent, waarbij daarentegen de andere schuldeisers geen bewarend beslag op onroerend goed tijdens de opschorting kunnen laten overschrijven ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over de bestaanbaarheid van artikel 31 van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen (hierna : WCO) met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het verbiedt om tijdens de opschorting beslag te leggen voor schuldvorderingen in de opschorting, zonder de wettelijke hypotheken van de belastingadministratie te beogen, terwijl die, volgens de verwijzende rechter, in de feiten hetzelfde gevolg van onbeschikbaarheid van het vermogen zouden hebben als het bewarend beslag op onroerend goed en aan de belastingadministratie een prioritaire rang zouden verlenen terwijl de andere schuldeisers geen bewarend beslag op onroerend goed tijdens de opschorting zouden kunnen laten overschrijven.

B.2.1. De WCO voorziet onder meer in een zogenoemde procedure « van gerechtelijke reorganisatie » die strekt tot het behouden, onder toezicht van de rechter, van de continuïteit van het geheel of een gedeelte van de onderneming in moeilijkheden of van haar activiteiten (artikel 16, eerste lid, van de WCO); die procedure maakt het mogelijk de schuldenaar een opschorting toe te kennen (waarvan de duur door de rechter wordt bepaald krachtens artikel 24, § 2, van de WCO) om hetzij tot een gerechtelijke reorganisatie te komen door een minnelijk akkoord tussen schuldeisers en schuldenaar - bedoeld in artikel 43 - of door een collectief akkoord van de schuldeisers - bedoeld in de artikelen 44 en volgende -, hetzij de overdracht toe te staan, aan derden, van het geheel of een gedeelte van de onderneming of haar activiteiten, bedoeld in de artikelen 59 en volgende (artikel 16, tweede lid, van de WCO).

De parlementaire voorbereiding van de WCO vermeldt daarover :

« ' De continuïteit van de onderneming behouden ', verwijst naar de entiteit zelf met haar verschillende componenten. ' De activiteiten behouden ' verwijst naar de economische activiteit die gedeeltelijk losstaat van het medium ervan. De formulering is heel ruim bedoeld, teneinde te voorkomen dat de wil van de wetgever door interpretaties wordt vertekend : het is duidelijk de bedoeling ervoor te zorgen dat problemen van structurele of toevallige aard in toereikende economische omstandigheden kunnen worden opgelost » (Parl. St., Kamer, B.Z. 2007, DOC 52-0160/001, p. 15).

B.2.2. De wetgever heeft met die procedure de draagwijdte willen verruimen van de regelgeving op het gerechtelijk akkoord, die zij vervangt (Parl. St., Kamer, B.Z. 2007, DOC 52-0160/002, pp. 39 en 82). Hij heeft getracht het doel van behoud van de continuïteit van de onderneming te verzoenen met dat van vrijwaring van de rechten van de schuldeisers :

« [De materie met betrekking tot de gevolgen van de gerechtelijke reorganisatie] is een van de moeilijkste die er bestaat omdat een insolventiewetgeving rekening moet houden met zeer uiteenlopende belangen : de belangen van de schuldeisers die wensen betaald te worden op zo kort mogelijke tijd en de nood om de reorganisatie een kans te geven (met inbegrip van een reorganisatie door overdracht van de onderneming). De regel is dat de continuïteit en van de onderneming en van de contracten behouden blijft, maar het is vanzelfsprekend dat in een periode van acute betaalmoeilijkheden de handhaving van de rechten bedreigd wordt » (Parl. St., Kamer, B.Z. 2007, DOC 52-0160/005, p. 10).

B.3. De wet bepaalt dat tijdens de periode van opschorting voor schuldvorderingen in de opschorting geen enkel middel van tenuitvoerlegging kan worden voortgezet en dat tijdens de periode van opschorting voor die schuldvorderingen geen enkel beslag kan worden gelegd.

De artikelen 30 en 31 van de WCO bepalen immers :

« Art. 30. Tijdens de duur van de opschorting kan voor schuldvorderingen in de opschorting geen enkel middel van tenuitvoerlegging op de roerende of onroerende goederen van de schuldenaar worden voortgezet of aangewend.

Tijdens dezelfde periode kan de schuldenaar die koopman is, niet worden failliet verklaard en, indien de schuldenaar een vennootschap is, kan deze niet gerechtelijk worden ontbonden.

Art. 31. Tijdens de opschorting kan voor schuldvorderingen in de opschorting geen enkel beslag worden gelegd.

De reeds eerder gelegde beslagen behouden hun bewarend karakter, maar de rechtbank kan, naar gelang van de omstandigheden, er handlichting van geven na het verslag van de gedelegeerd rechter, de schuldeiser en de schuldenaar gehoord te hebben, in zoverre de handlichting geen beduidend nadeel veroorzaakt aan de schuldeiser ».

B.4. De verwijzende rechter stelt vast dat artikel 31 van de WCO, hoewel het het beslag uitdrukkelijk verbiedt, daarentegen met geen woord rept over de wettelijke hypotheek van de fiscus. Volgens hem zou de aan de belastingadministratie verleende machtiging om hypothecaire inschrijvingen te nemen tot zekerheid van schuldvorderingen in de opschorting tijdens de duur van de opschorting een verschil in behandeling doen ontstaan tussen, enerzijds, de andere schuldeisers in de opschorting dan de belastingadministratie, die het verbod krijgen om tijdens de opschorting enig beslag, ook een bewarend, voor een schuldvordering in de opschorting te leggen, en, anderzijds, de belastingadministratie die niet het verbod krijgt om tijdens de opschorting een wettelijke hypotheek voor schuldvorderingen in de opschorting in te schrijven, terwijl beide maatregelen in de feiten een gevolg van onbeschikbaarheid van het bezwaarde goed hebben.

B.5. De schuldvorderingen in de opschorting worden in artikel 2, c), van de WCO gedefinieerd als « de schuldvorderingen ontstaan voor het vonnis dat de procedure van gerechtelijke reorganisatie opent of die uit het verzoekschrift of beslissingen genomen in het kader van de procedure volgen ».

In punt d) van hetzelfde artikel worden de buitengewone schuldvorderingen in de opschorting gedefinieerd als die welke gewaarborgd zijn door een bijzonder voorrecht of door een hypotheek en als de schuldvorderingen van de schuldeisers-eigenaars, terwijl de gewone schuldvorderingen in de opschorting in punt e) van artikel 2 van de wet worden gedefinieerd als de andere schuldvorderingen dan de buitengewone schuldvorderingen in de opschorting.

In de parlementaire voorbereiding wordt gepreciseerd :

« Schuldvorderingen in de opschorting zijn die welke bedoeld zijn in de aanvraag tot opschorting. Zij gaan vooraf aan de dag waarop de opschorting open is verklaard of volgen uit het verzoekschrift of de beslissingen genomen in het kader van de procedure (bijvoorbeeld een schuld die ontstaat wegens de toepassing van een ontbindende voorwaarde in geval van reorganisatie). Twee soorten schulden zijn bedoeld : gewone schuldvorderingen in de opschorting en buitengewone schuldvorderingen in de opschorting.

Deze laatste schuldvorderingen krijgen een bijzondere behandeling en zijn gewaarborgd door een zakelijke zekerheid, d.w.z. een waarborg of een hypotheek, of komen in aanmerking voor een waarborg verstrekt door de retentie van een eigendomsrecht of via een bijzonder voorrecht » (Parl. St., Kamer, B.Z. 2007, DOC 52-0160/002, pp. 44-45).

B.6.1. Met betrekking tot de schuldvorderingen van de belastingadministratie heeft de wetgever aangegeven dat zij, net zoals die van de sociale zekerheid of van de algemeen bevoorrechte schuldeisers, gewone schuldvorderingen in de opschorting vormden.

Terwijl de fiscus bij de wet betreffende het gerechtelijk akkoord tot buitengewone schuldeiser in de opschorting was verheven, werd de wijziging van zijn rechten bij de in het geding zijnde wet verantwoord door de bekommernis om, in het kader van procedures die het herstel van de onderneming beogen, de gelijke behandeling te verzekeren van alle schuldeisers, zowel openbare als private, en er op die manier voor te zorgen dat elk van die laatsten in het algemeen belang correct bijdraagt tot het herstel van de onderneming (ibid.). De wetgever was immers van oordeel dat de voorgestelde procedure, zonder de uitsluiting van de algemene voorrechten, geen enkele kans zou maken (Parl. St., Senaat, 2008-2009, nr. 4-995/2, p. 15; Parl. St., Senaat, 2008-2009, nr. 4-995/3, p. 22).

B.6.2. De minister van Financiën die werd ondervraagd over de wet, heeft bevestigd dat de belastingadministratie niet betwistte dat de fiscus als een gewone schuldeiser in de opschorting moet worden beschouwd voor de belastingschulden die niet zijn gewaarborgd door een hypothecaire inschrijving en waarvan het belastbaar feit dateert van vóór het vonnis dat de procedure van gerechtelijke reorganisatie open verklaart. De fiscus moet daarentegen als een buitengewone schuldeiser in de opschorting worden beschouwd als de schuldvordering is gewaarborgd door een hypothecaire inschrijving (Hand., Senaat, 18 maart 2010, nr. 4-116, p. 118).

B.7.1. Volgens de Ministerraad zou de prejudiciële vraag op een verkeerde premisse berusten door te vermelden dat het recht op hypothecaire inschrijving in de praktijk wordt gelijkgesteld met een beslag dat bij artikel 31 van de in het geding zijnde wet is verboden. Het in de vraag aangeklaagde verschil in behandeling zou onbestaande zijn aangezien de belastingadministratie tijdens de periode van opschorting niet kan overgaan tot enig beslag, zoals dat het geval is voor elke andere schuldeiser.

B.7.2. De door de Ministerraad opgeworpen exceptie vereist een vergelijking van de juridische regeling van de beslagen en die van de hypotheken, alsook van de gevolgen die die maatregelen voor het vermogen van de schuldenaar kunnen hebben. Het onderzoek van die exceptie valt samen met het onderzoek van de grond van de zaak.

B.8. De Ministerraad voert eveneens aan dat het aangeklaagde verschil in behandeling tussen de belastingadministratie en de andere schuldeisers met betrekking tot het voorrecht van de hypothecaire inschrijving dat enkel de eerstgenoemde geniet, niet zijn oorsprong vindt in artikel 31 van de WCO maar in de artikelen 85 en 88 van het BTW-Wetboek die niet het voorwerp van de prejudiciële vraag uitmaken.

B.9.1. De hypotheekwet van 16 december 1851 beschrijft de algemene regeling van de voorrechten en hypotheken op roerende en onroerende goederen van eenieder die zich persoonlijk heeft verbonden en die ertoe gehouden is zijn verbintenissen na te komen, onder verband van al zijn goederen, zo tegenwoordige als toekomstige (artikel 7).

Die goederen strekken tot gemeenschappelijke waarborg voor de schuldeisers en de prijs ervan wordt onder hen naar evenredigheid van hun vordering verdeeld, tenzij er tussen de schuldeisers wettige redenen van voorrang, namelijk voorrechten en hypotheken, bestaan (artikelen 8 en 9).

De hypotheek wordt in artikel 41 van de hypotheekwet gedefinieerd als een zakelijk recht op onroerende goederen, die verbonden zijn ter voldoening van een verbintenis. De wettelijke hypotheek is de hypotheek die uit de wet ontstaat (artikel 44).

B.9.2. Een wettelijke hypotheek wordt ten gunste van de Schatkist toegekend bij artikel 425 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : WIB 1992). Het bepaalt :

« De directe belastingen en de voorheffingen in hoofdsom en opcentiemen, de interesten en de kosten zijn gewaarborgd door een wettelijke hypotheek op al de aan de belastingschuldige toebehorende goederen, die in België gelegen en daarvoor vatbaar zijn.

[...] ».

In artikel 426 van hetzelfde Wetboek wordt gepreciseerd dat die hypotheek de vorige voorrechten en hypotheken geenszins schaadt en dat zij slechts rang neemt vanaf haar inschrijving. Het is op het ogenblik van die inschrijving dat de hypotheek immers aan derden kan worden tegengeworpen.

B.9.3. Bij artikel 86 van het BTW-Wetboek wordt ten gunste van de Schatkist eveneens voorzien in een wettelijke hypotheek op alle daarvoor vatbare en in België gelegen goederen van de belastingschuldige, voor de invordering van de belasting, van de interesten en van de kosten. Artikel 88 van hetzelfde Wetboek bepaalt dat de rang ervan wordt bepaald door de dagtekening van de inschrijving die wordt genomen.

B.10. Hoewel de voormelde bepalingen van het WIB 1992 en van het BTW-Wetboek de grondslag vormen van de wettelijke hypotheek die de belastingadministratie geniet en de regels vaststellen die de rang ervan bepalen, leggen zij geenszins het lot van die hypotheken vast tijdens de periode van opschorting die in het kader van een procedure van gerechtelijke reorganisatie is geregeld. Bijgevolg kunnen die bepalingen, in tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad beweert, niet aan de oorsprong van het door de verwijzende rechter aangeklaagde verschil in behandeling liggen.

De exceptie wordt verworpen.

B.11.1. De aangelegenheid van het bewarend beslag wordt geregeld in titel II van het vijfde deel van het Gerechtelijk Wetboek.

Artikel 1413 van dat Wetboek bepaalt dat iedere schuldeiser in spoedeisende gevallen aan de rechter toelating kan vragen om op de voor beslag vatbare goederen van zijn schuldenaar bewarend beslag te leggen. Die toelating moet krachtens artikel 1417 van het Wetboek worden gevraagd bij een verzoekschrift dat aan de rechter wordt gericht.

B.11.2. De regels eigen aan het bewarend beslag op onroerend goed zijn vastgelegd in de artikelen 1429 tot 1444 van het Gerechtelijk Wetboek. Volgens artikel 1442 doet dat beslag geen voorrang ontstaan ten voordele van de beslagleggende schuldeiser en verhindert het het beslag op onroerend goed niet. In artikel 1443 wordt eveneens gepreciseerd dat de schuldenaar in het bezit blijft van de in beslag genomen goederen, het genot ervan mag hebben en elke daad van beheer mag verrichten, alsook de vruchten ervan mag plukken.

B.12.1. De regels met betrekking tot de maatregelen van gedwongen tenuitvoerlegging worden vastgelegd in titel III van het tweede deel van het Gerechtelijk Wetboek.

Artikel 1494 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat geen uitvoerend beslag mag worden gelegd dan krachtens een uitvoerbare titel en wegens vaststaande en zekere zaken.

B.12.2. Met betrekking tot het uitvoerend beslag op onroerend goed bepaalt artikel 1560 van het Gerechtelijk Wetboek :

« De schuldeiser kan de uitwinning vervolgen :

1° van de onroerende goederen en van hun als onroerend goed beschouwd toebehoren die eigendom zijn van zijn schuldenaar;

2° van de rechten van vruchtgebruik, erfpacht en opstal die aan de schuldenaar toebehoren op goederen van dezelfde aard ».

Indien de in beslag genomen onroerende goederen niet verhuurd of verpacht zijn, blijft de beslagene, als gerechtelijk sekwester, in het bezit ervan tot bij de verkoop ervan, tenzij de rechter, op verzoek van een of meer schuldeisers, anders beschikt (artikel 1572 van het Gerechtelijk Wetboek).

B.12.3. Onder de bij het Wetboek voorgeschreven voorwaarden en vormvereisten wordt het onroerend goed uit de hand of met een veiling verkocht.

Artikel 1627 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de gerechtsdeurwaarder, uiterlijk 15 dagen na de verkoop, de schuldeisers die beslag of verzet hebben gedaan, verzoekt de aangifte en het bewijs van hun schuldvordering in hoofdsom, interest en kosten binnen 15 dagen op zijn kantoor te doen toekomen, met vermelding, indien daartoe grond bestaat, van het voorrecht waarop zij aanspraak maken.

De rechten van de ingeschreven schuldeisers gaan over op de prijs ten gevolge van de toewijzing, zoals artikel 1639 van het Wetboek erin voorziet.

B.13. Zoals in B.3 is vermeld, kan tijdens de periode van opschorting die aan de schuldenaar is toegekend in het kader van een procedure van gerechtelijke reorganisatie, geen enkel beslag, zowel bewarend als uitvoerend, worden gelegd door de schuldeisers in de opschorting, zowel gewone als buitengewone.

B.14.1. De wettelijke hypotheek vormt geen beslag in de technische betekenis van het woord. Terwijl het bewarend beslag op onroerend goed geen enkel voorrecht aan de schuldeiser verleent, heeft een hypotheek tot gevolg dat een zakelijk recht wordt toegekend aan de schuldeiser die ze laat inschrijven en dat hem vanaf die inschrijving een rang van bevoorrechte schuldeiser wordt verleend.

De inschrijving van een wettelijke hypotheek door de fiscus tijdens de periode van opschorting van een procedure van gerechtelijke reorganisatie heeft niet tot gevolg dat de belastingadministratie tot bevoorrechte schuldeiser wordt verheven op het ogenblik waarop daartoe wordt overgegaan, maar wel dat haar die rang na afloop van de procedure wordt verleend en dat aan de schuldeisers die niet over een dergelijk voorrecht beschikken, pas de mogelijkheid wordt geboden zich in een situatie van samenloop te bevinden zodra de fiscus is voldaan.

B.14.2. Zoals blijkt uit de in B.6 aangehaalde parlementaire voorbereiding van de WCO, heeft de wetgever aan de belastingadministratie echter de rang van gewone schuldeiser tijdens die periode willen verlenen teneinde de gelijkheid te verzekeren tussen alle schuldeisers op wie de procedure betrekking heeft en teneinde aldus de continuïteit van de onderneming te bevorderen.

B.14.3. Daaruit vloeit voort dat de in het geding zijnde bepaling, door de belastingadministratie tijdens de periode van opschorting niet te verbieden een hypothecaire inschrijving te nemen om erna als bevoorrechte schuldeiser te worden erkend, op onevenredige wijze afbreuk doet aan de rechten van de andere schuldeisers wier situatie rechtstreeks zal worden geraakt door het bestaan van een dergelijk voorrecht, in strijd met de wil van de wetgever om de gelijkheid van de schuldeisers te beschermen.

De in het geding zijnde bepaling is derhalve in dat opzicht niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Aangezien de vaststelling van die lacune is uitgedrukt in voldoende nauwkeurige en volledige bewoordingen die toelaten de in het geding zijnde bepaling toe te passen met inachtneming van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, staat het aan de verwijzende rechter een einde te maken aan de schending van die normen.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 31 van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het de belastingadministratie tijdens de periode van opschorting niet verbiedt een hypothecaire inschrijving te nemen om erna als bevoorrechte schuldeiser te worden erkend.

Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 18 februari 2016.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

J. Spreutels