Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 18 juni 2015 (België)

Publicatie datum :
18-06-2015
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
5 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20150618-1
Rolnummer :
90/2015

Samenvatting

Het Hof zegt voor recht : Artikel 20sexies, § 1, van de wet van 21 december 1990 houdende statuut van de kandidaat-militairen van het actief kader, zoals ingevoegd bij artikel 29 van de wet van 20 juli 2005 houdende diverse bepalingen, schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 182 van de Grondwet.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en A. Alen, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest nr. 227.240 van 29 april 2014 in zake Guillaume Laveaux tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 12 mei 2014, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Doet artikel 20sexies, § 1, van de wet van 21 december 1990 houdende statuut van de kandidaat-militairen van het actief kader, in die wet ingevoegd bij artikel 29 van de wet van 20 juli 2005 houdende diverse bepalingen, afbreuk aan artikel 182 van de Grondwet doordat het de Koning ertoe machtigt de lijst van de criteria en de lijst van de waarneembare gedragingen te bepalen die als grondslag dienen voor de beoordeling van de karakteriële hoedanigheden van de kandidaat-militairen van het actief kader, alsook doordat het de Koning ertoe machtigt de weging en het al dan niet uitsluitend karakter van de criteria, de waardeschaal van de waarneembare gedragingen en de te behalen cijfers om te slagen, te bepalen, en schendt het hierdoor de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het de categorie van de beoogde militairen een grondwettelijke waarborg ontzegt ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. Aan het Hof wordt een prejudiciële vraag gesteld over artikel 20sexies, § 1, van de wet van 21 december 1990 houdende statuut van de kandidaat-militairen van het actief kader (hierna : wet van 21 december 1990), zoals het is ingevoegd bij artikel 29 van de wet van 20 juli 2005 houdende diverse bepalingen.

B.1.2. Het in het geding zijnde artikel 20sexies, § 1, bepaalt :

« § 1. De beoordeling van de karakteriële hoedanigheden is de beoordeling van de attitude van de kandidaat als militair volgens bepaalde criteria, op basis van waarneembare gedragingen. De lijst van de criteria en de lijst van de overeenkomstige waarneembare gedragingen worden bepaald door de Koning.

De weging en het al dan niet uitsluitend karakter van de criteria, de waardeschaal van de waarneembare gedragingen en de te behalen cijfers om te slagen worden door de Koning bepaald in functie van de personeelscategorie waarvoor de kandidaat wordt gevormd en, in voorkomend geval, van zijn specifieke vormingscyclus, evenals van het moment van de beoordeling.

De lijst en de waardeschaal van de waarneembare gedragingen worden evenwel tot 31 december 2006 door de Minister van Landsverdediging bepaald.

§ 2. De karakteriële hoedanigheden van de kandidaat worden, in voorkomend geval, ten minste beoordeeld :

1° op het einde van de periode van schoolvorming of van opleiding en éénmaal per vormingsjaar;

2° op het einde van de stageperiode;

3° op het einde van de evaluatieperiode.

De Koning kan bijkomende karakteriële beoordelingsmomenten bepalen in functie van de specifieke vormingscyclus van de kandidaat ».

B.1.3. Uit de omstandigheden van de aan de Raad van State voorgelegde zaak en uit het verwijzingsarrest blijkt dat het Hof wordt gevraagd of het voormelde artikel 20sexies, § 1, van de wet van 21 december 1990 artikel 182 van de Grondwet en bijgevolg de artikelen 10 en 11 ervan schendt, in zoverre het, door de Koning ertoe te machtigen de regels vast te stellen om de karakteriële hoedanigheden van de kandidaat-militairen van het actief kader te beoordelen, alsook de weging en het al dan niet uitsluitend karakter van de criteria, de waardeschaal van de waarneembare gedragingen en de te behalen cijfers om te slagen, te bepalen, die categorie van burgers op discriminerende wijze de waarborg zou ontzeggen van het optreden van een democratisch verkozen beraadslagende vergadering zoals voorgeschreven bij artikel 182 van de Grondwet.

B.2.1. Artikel 182 van de Grondwet bepaalt :

« De wet bepaalt op welke wijze het leger wordt aangeworven. Zij regelt eveneens de bevordering, de rechten en de verplichtingen van de militairen ».

Door aan de wetgevende macht de voormelde bevoegdheden toe te kennen, heeft de Grondwetgever willen vermijden dat alleen de uitvoerende macht de krijgsmacht regelt. Artikel 182 van de Grondwet waarborgt aldus aan elke militair dat hij niet aan verplichtingen kan worden onderworpen zonder dat daartoe is beslist door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering.

B.2.2. Hoewel artikel 182 van de Grondwet aan de federale wetgever de regelgevende bevoegdheid voorbehoudt, sluit het echter niet uit dat de wetgever aan de Koning of aan een andere overheid een beperkte uitvoeringsbevoegdheid toekent. Een delegatie aan de Koning is niet strijdig met het wettigheidsbeginsel, voor zover de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen voorafgaandelijk door de wetgever zijn vastgesteld.

Bijgevolg dient te worden onderzocht of de bij artikel 20sexies van de wet van 21 december 1990 aan de Koning verleende machtiging binnen de aldus vastgestelde perken blijft.

B.3. Artikel 20sexies, § 1, kent aan de Koning de bevoegdheid toe om de lijst van de criteria en van de waarneembare gedragingen vast te stellen die het mogelijk maakt de karakteriële hoedanigheden en het gedrag van de kandidaat als militair te beoordelen, zonder in de tekst zelf van de wet te preciseren welke soorten criteria in aanmerking dienen te worden genomen en zonder nader te definiëren wat onder waarneembare gedragingen dient te worden begrepen.

B.4.1. Zoals is aangegeven in B.1.1 is het in de prejudiciële vraag in het geding zijnde artikel 20sexies in de wet van 21 december 1990 houdende statuut van de kandidaat-militairen van het actief kader ingevoegd bij artikel 29 van de wet van 20 juli 2005 houdende diverse bepalingen.

B.4.2. Bij artikel 23 van dezelfde wet heeft de wetgever artikel 15 van de wet van 21 december 1990 opgeheven.

Dat artikel 15 bepaalde :

« De Koning bepaalt de regels die gelden bij de beoordeling van de morele, karakteriële, fysieke en professionele hoedanigheden van een kandidaat.

[...] ».

Die opheffing is verantwoord door het feit dat het Hof bij zijn arrest nr. 135/2004 van 22 juli 2004 de aldus door de wetgever aan de Koning verleende delegatie te vaag en derhalve strijdig met artikel 182 van de Grondwet had geacht. De reglementaire basis van de vormingen en beoordelingen van de kandidaten dienden bijgevolg te worden aangepast (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1845/001, p. 30).

B.4.3. De uiteenzetting van de minister van Landsverdediging voor de bevoegde Kamercommissie bevestigt de wil van de wetgever om de wettelijke basis met betrekking tot de evaluatie van de kandidaat-militairen te versterken :

« Het eerste hoofdstuk (de artikelen 19 tot 31) heeft tot doel de wettelijke grondslag voor de evaluatie van kandidaten te versterken. Die grondslag werd ingevolge een prejudiciële vraag van de Raad van State, door het Arbitragehof als ontoereikend bestempeld in zijn arrest nr. 153/2004 [lees : 135/2004] van 22 juli 2004.

Aangezien de thans aan de Koning verleende machtiging als te vaag wordt beschouwd, werden de essentiële aspecten van de evaluatie bij wet vastgelegd met toepassing van artikel 182 van de Grondwet. Daarin worden onder meer de geëvalueerde eigenschappen opgesomd, met name professionele, karakteriële, fysieke, medische en morele hoedanigheden; voorts het ogenblik en de wijze waarop de evaluatie plaatsvindt, het optreden van de deliberatie-, evaluatie- en beroepscommissies enzovoort » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1845/016, p. 3).

B.4.5. De aanneming van het in het geding zijnde artikel 20sexies is in de parlementaire voorbereiding van de wet als volgt becommentarieerd :

« Artikel 20sexies, § 1, tweede lid, benadrukt dat het gedrag van een kandidaat op een zeker moment niet alleen in functie van het ambt waarvoor hij gevormd wordt, beoordeeld wordt maar ook van de vordering van de vorming. Een gebrek aan initiatief zal bijvoorbeeld zwaarder wegen op de beoordeling van een kandidaat-officier tijdens het vierde vormingsjaar als tijdens de militaire initiatiefase.

Teneinde rekening te houden met het advies van de Raad van State, is artikel 20sexies, § 1, van de wet van 21 december 1990 houdende statuut van de kandidaat-militairen van het actief kader, aangepast. Het eerste lid stelt dat de Koning de criteria voor de beoordeling van de karakteriële hoedanigheden van een kandidaat bepaalt en dat deze criteria op ' waarneembare gedragingen ' moeten berusten. Dit is reeds het geval. Zo zijn er voor elk criterium, zoals bijvoorbeeld zin voor initiatief, voorbeelden van gedragingen opgenomen in een beoordelingsrooster, dat men kan terugvinden in bijlage bij het algemeen order J/801 betreffende de beoordeling van de karakteriële geschiktheid tijdens de vorming van de kandidaat-militair van het actief kader. Voor het bovenvermelde voorbeeld vindt men aldus gedragingen zoals : ' Neemt dikwijls een afwachtende houding aan of is tevreden met lijdzaam toekijken/Neemt doorgaans de nodige initiatieven om zijn opdracht tot een goed einde te brengen/Grijpt iedere mogelijkheid tot het nemen van initiatief met beide handen aan '. Elk van deze gedragingen is geassocieerd met een score die dan wordt toegekend aan het betrokken criterium. Alhoewel het bovenvermeld algemeen order algemeen bekend is bij en verspreid is onder de onderrichters en de kandidaat-militairen, is er evenwel tijdens de syndicale onderhandeling van de wet in onderwerp overeengekomen en in het onderhandelingsakkoord hernomen dat de overheid zich engageert dat een lijst van waarneembare gedragingen door de Koning zal worden vastgesteld. Teneinde de voortzetting van de momenteel aan de gang zijnde vormingen te garanderen, zonder de kandidaten te benadelen door een juridische leemte en een onzekerheid, wordt een derde lid toegevoegd dat bepaalt dat wat de waarneembare gedragingen betreft, deze bepaald blijven door de minister, in praktijk door AO-J/801 tot 31 december 2006.

Teneinde tegemoet te komen aan de opmerkingen van de Raad van State, werd beslist § 2, tweede lid, van dit artikel te herformuleren. De oorspronkelijke bepaling ' De Koning of de overheid die Hij aanwijst ' werd immers als onaanvaardbaar beschouwd omdat de machtiging die aan deze overheid toegewezen werd even ruim was als de machtiging aan de Koning » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1845/001, pp. 33-34).

B.5.1. Zoals de Ministerraad in zijn memorie opmerkt, heeft de Koning, ter uitvoering van de Hem aldus verleende machtiging, in de bijlagen van het koninklijk besluit van 13 november 1991 « tot bepaling van de regels die gelden bij de beoordeling van de karakteriële hoedanigheden van de kandidaten van de krijgsmacht » de criteria vastgesteld met het oog op de beoordeling van de karakteriële hoedanigheden van de kandidaten op basis van waarneembare gedragingen zoals hun dynamiek, hun zin voor initiatief, hun motivatie, hun autonomie, hun organisatiezin en hun geschiktheid om leiding te geven, of nog, hun zin voor analyse. De Koning heeft eveneens een rooster voor de weging van die criteria vastgesteld.

B.5.2. Door in artikel 20sexies, § 1, te bepalen dat de erin bedoelde delegatie de voorschriften betreffende de « attitude » van de « militair » betreft, heeft de wetgever op voldoende nauwkeurige wijze de essentiële elementen omschreven waarop die machtiging betrekking heeft. De aard van de in aanmerking genomen criteria en gedragingen kan verantwoorden dat de Koning ertoe gemachtigd wordt die te preciseren en een gedetailleerde lijst daarvan, alsook de weging die onder die criteria dient te worden bepaald, vast te stellen naar gelang van de personeelscategorie waarvoor de kandidaat wordt gevormd. De wetgever vermocht redelijkerwijze van oordeel te zijn dat de aangelegenheid waarop de delegatie betrekking heeft, van dien aard is dat niet is vereist dat hij daar zelf een nadere omschrijving van diende te geven.

B.6. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 20sexies, § 1, van de wet van 21 december 1990 houdende statuut van de kandidaat-militairen van het actief kader, zoals ingevoegd bij artikel 29 van de wet van 20 juli 2005 houdende diverse bepalingen, schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 182 van de Grondwet.

Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 18 juni 2015.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

J. Spreutels