Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 19 maart 2015 (België)

Publicatie datum :
19-03-2015
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
8 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20150319-5
Rolnummer :
38/2015

Samenvatting

Het Hof zegt voor recht : Artikel 330, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek schendt niet de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het bepaalt dat de vordering tot betwisting van de erkenning van het vaderschap ingesteld door de man die het kind heeft erkend, slechts ontvankelijk is indien hij aantoont dat aan zijn toestemming een gebrek kleefde.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en A. Alen, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Moerman, F. Daoût en T. Giet, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 12 februari 2014 in zake L.K. tegen F.M., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 24 februari 2014, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Namen de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 330 van het Burgerlijk Wetboek, in zoverre het voorschrijft dat de vordering van diegene die zijn eigen erkenning betwist dat pas op gegronde wijze kan doen indien hij aantoont dat aan zijn toestemming een gebrek kleefde, niet met name de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met andere supranationale wetsbepalingen zoals het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en onder meer artikel 8 daarvan, in zoverre het de rechter de mogelijkheid ontzegt rekening te houden met de belangen van alle partijen die zijn betrokken bij de beoordeling van het aan hem voorgelegde geschil inzake afstamming, met name in de gevallen waarin het kind geen socioaffectieve band met zijn wettelijke vader heeft ?

Doet de voormelde wetsbepaling met andere woorden geen grondwettigheidsprobleem rijzen in zoverre zij, als een grendel, het bewijs invoert dat aan de toestemming een gebrek kleeft, hetgeen, bij ontstentenis van een dergelijk bewijs, inhoudt dat het vaderschap van het betrokken kind onmogelijk kan worden nagegaan en vervolgens daarover onmogelijk uitspraak kan worden gedaan ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Artikel 330 van het Burgerlijk Wetboek, vervangen bij artikel 16 van de wet van 1 juli 2006 « tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan » en aangevuld bij artikel 370 van de wet van 27 december 2006 « houdende diverse bepalingen (I) », bepaalde :

« § 1. Tenzij het kind bezit van staat heeft ten aanzien van degene die het heeft erkend, kan de erkenning van het moederschap worden betwist door de vader, het kind, de vrouw die het kind heeft erkend en de vrouw die het moederschap van het kind opeist. Tenzij het kind bezit van staat heeft ten aanzien van degene die het heeft erkend, kan de erkenning van het vaderschap worden betwist door de moeder, het kind, de man die het kind heeft erkend en de man die het vaderschap van het kind opeist.

De erkenner en zij die de voorafgaande, in artikel 329bis vereiste of bedoelde toestemmingen hebben gegeven, zijn echter alleen gerechtigd de erkenning te betwisten, indien zij bewijzen dat aan hun toestemming een gebrek kleefde.

De erkenning kan niet worden betwist door hen die partij zijn geweest bij de beslissing waarbij de erkenning is toegestaan overeenkomstig artikel 329bis, of bij de beslissing waarbij de krachtens dat artikel gevorderde vernietiging is afgewezen.

De vordering van de vader, de moeder of de persoon die het kind erkend heeft, moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat de persoon die het kind erkend heeft, niet de vader of de moeder is; die van de persoon die de afstamming opeist moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij of zij de vader of de moeder van het kind is; die van het kind moet op zijn vroegst worden ingesteld op de dag waarop het de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt en moet uiterlijk worden ingesteld op de dag waarop het de leeftijd van tweeëntwintig jaar heeft bereikt of binnen een jaar na het ontdekken van het feit dat de persoon die het erkend heeft noch zijn vader, noch zijn moeder is.

§ 2. Onverminderd het bepaalde in § 1, wordt de erkenning tenietgedaan, indien door alle wettelijke middelen is bewezen dat de betrokkene niet de vader of de moeder is.

§ 3. De vordering tot betwisting die wordt ingesteld door de persoon die beweert de biologische vader of moeder van het kind te zijn, is maar gegrond als diens vaderschap of moederschap is komen vast te staan. De beslissing welke die vordering tot betwisting inwilligt, brengt van rechtswege de vaststelling van de afstammingsband van de verzoeker met zich. De rechtbank gaat na of aan de voorwaarden van artikel 332quinquies is voldaan. In ontkennend geval wordt de vordering afgewezen ».

B.2. Uit de motieven van de verwijzingsbeslissing en de bewoordingen van de prejudiciële vraag blijkt dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van artikel 330, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek met de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre de in het geding zijnde wetsbepaling, door de ontvankelijkheid van de vordering tot betwisting van het vaderschap ingesteld door de erkenner van het kind ondergeschikt te maken aan het bewijs dat aan zijn « toestemming » voor die erkenning een gebrek kleefde, de rechtbank waarvoor die vordering is ingesteld, verbiedt het biologische vaderschap van dat kind na te gaan, zelfs wanneer het kind geen socioaffectieve band met die erkenner heeft.

B.3.1. Artikel 22 van de Grondwet bepaalt :

« Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald.

De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht ».

B.3.2. Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :

« 1. Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ».

B.3.3. De Grondwetgever heeft gestreefd naar een zo groot mogelijke concordantie tussen artikel 22 van de Grondwet en die internationale bepaling (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 997/5, p. 2).

De draagwijdte ervan is analoog aan die van de voormelde grondwetsbepaling, zodat de waarborgen die beide bepalingen bieden, een onlosmakelijk geheel vormen.

B.4.1. Het recht op de eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven, zoals het door de voormelde bepalingen wordt gewaarborgd, beoogt in wezen de personen te beschermen tegen inmengingen in hun privéleven en hun gezinsleven.

Artikel 22, eerste lid, van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens sluiten een overheidsinmenging in het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven niet uit, maar vereisen dat die inmenging wordt toegestaan door een voldoende precieze wettelijke bepaling, dat zij een wettig doel nastreeft en dat zij noodzakelijk is in een democratische samenleving. Die bepalingen houden voor de overheid bovendien de positieve verplichting in om maatregelen te nemen die een daadwerkelijke eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven verzekeren, zelfs in de sfeer van de onderlinge verhoudingen tussen individuen (EHRM, 27 oktober 1994, Kroon e.a. t. Nederland, § 31; grote kamer, 12 november 2013, Söderman t. Zweden, § 78; 3 april 2014, Konstantinidis t. Griekenland, § 42).

B.4.2. De procedures met betrekking tot het vaststellen of betwisten van de vaderlijke afstamming raken het privéleven omdat de materie van de afstamming belangrijke aspecten van iemands persoonlijke identiteit omvat (EHRM, 28 november 1984, Rasmussen t. Denemarken, § 33; 24 november 2005, Shofman t. Rusland, § 30; 12 januari 2006, Mizzi t. Malta, § 102; 16 juni 2011, Pascaud t. Frankrijk, § § 48-49; 21 juni 2011, Kruskovic t. Kroatië, § 20; 22 maart 2012, Ahrens t. Duitsland, § 60; 12 februari 2013, Krisztissn Barnabsss Tóth t. Hongarije, § 28).

De in het geding zijnde regeling voor het betwisten van de erkenning van het vaderschap valt derhalve onder de toepassing van artikel 22 van de Grondwet en van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.4.3. De wetgever beschikt bij de uitwerking van een regeling die een overheidsinmenging in het privéleven inhoudt, over een appreciatiemarge om rekening te houden met een billijk evenwicht tussen de tegenstrijdige belangen van het individu en de samenleving in haar geheel (EHRM, 26 mei 1994, Keegan t. Ierland, § 49; 27 oktober 1994, Kroon e.a. t. Nederland, § 31; 2 juni 2005, Znamenskaya t. Rusland, § 28; 24 november 2005, Shofman t. Rusland, § 34; 20 december 2007, Phinikaridou t. Cyprus, § § 51 tot 53; 25 februari 2014, Ostace t. Roemenië, § 33).

Die appreciatiemarge van de wetgever is evenwel niet onbegrensd : om te oordelen of een wettelijke regeling verenigbaar is met het recht op de eerbiediging van het privéleven, moet worden nagegaan of de wetgever een billijk evenwicht heeft gevonden tussen alle rechten en belangen die in het geding zijn. Zulks vereist dat de wetgever niet alleen een afweging maakt tussen de belangen van het individu tegenover die van de samenleving in haar geheel, maar tevens tussen de tegenstrijdige belangen van de betrokken personen (EHRM, 6 juli 2010, Backlund t. Finland, § 46; 15 januari 2013, Laakso t. Finland, § 46; 29 januari 2013, Röman t. Finland, § 51).

Bij het uitwerken van een wettelijke regeling inzake afstamming dient de wetgever de bevoegde overheden in beginsel de mogelijkheid te bieden om in concreto een afweging te maken tussen de belangen van de verschillende betrokken personen, op gevaar af anders een maatregel te nemen die niet evenredig zou zijn met de nagestreefde wettige doelstellingen.

Zowel artikel 22bis, vierde lid, van de Grondwet als artikel 3, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind verplichten de rechtscolleges om in de eerste plaats het belang van het kind in aanmerking te nemen in de procedures die op het kind betrekking hebben. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft verduidelijkt dat, bij het afwegen van de in het geding zijnde belangen, de belangen van het kind dienen te primeren (EHRM, 5 november 2002, Yousef t. Nederland, § 73; 26 juni 2003, Maire t. Portugal, § § 71 en 77; 8 juli 2003, Sommerfeld t. Duitsland, § § 64 en 66; 28 juni 2007, Wagner en J.M.W.L. t. Luxemburg, § 119; 6 juli 2010, Neulinger en Shuruk t. Zwitserland, § 135; 22 maart 2012, Ahrens t. Duitsland, § 63).

Hoewel het belang van het kind de eerste overweging dient te zijn, heeft het geen absoluut karakter. Bij de afweging van de verschillende op het spel staande belangen, neemt het belang van het kind een bijzondere plaats in door het feit dat het kind de zwakke partij is in de familiale relatie. Uit die bijzondere plaats volgt evenwel niet dat met de belangen van de andere in het geding zijnde partijen geen rekening zou kunnen worden gehouden.

B.5. De rust der families en de rechtszekerheid van de familiale banden, enerzijds, en het belang van het kind, anderzijds, zijn legitieme doelstellingen waarvan de wetgever kan uitgaan om de gevallen van betwisting van de erkenning van het vaderschap te beperken. In dat opzicht is het pertinent om de biologische werkelijkheid niet a priori te laten prevaleren op de socioaffectieve werkelijkheid van het vaderschap.

B.6.1. De regel die is opgenomen in de in het geding zijnde wetsbepaling, volgens welke de vordering tot betwisting van de erkenning van het vaderschap ingesteld door die erkenner, pas ontvankelijk is indien die laatste aantoont dat aan zijn « toestemming » een gebrek kleefde, was reeds opgenomen in artikel 330, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 38 van de wet van 31 maart 1987 « tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende de afstamming ».

De aanneming van die regel drukte de wil uit om de betwisting van de erkenning van een kind te beperken tot « zeer uitzonderlijke gevallen », teneinde « inzake erkenning [...] een zo groot mogelijk parallellisme met het vaderschap binnen het huwelijk » te verzekeren, zodat « een zelfde stabiliteit als deze die bestaat ten aanzien van een kind dat binnen het huwelijk wordt geboren » kan worden bereikt (Parl. St., Senaat, 1984-1985, nr. 904-2, p. 101).

Het is in die context dat de wetgever heeft beslist de erkenner van het kind het recht te weigeren om die erkenning te betwisten « wanneer hij met kennis van zaken heeft gehandeld, ook [...] wanneer hij niet de vader van dat erkende kind is », zonder daarom een dergelijke betwisting uit te sluiten wanneer zou vaststaan dat « aan de toestemming een gebrek kleeft » (ibid., pp. 101 en 102).

B.6.2. Die maatregel werd behouden bij de aanneming van de wet van 1 juli 2006, die verschillende wijzigingen van de regeling voor de betwisting van de afstamming bevatte teneinde « de regels inzake betwisting van het [vermoeden van] vaderschap van de echtgenoot en betwisting van de afstamming door erkenning, nader tot elkaar te brengen », wijzigingen die als volgt zijn becommentarieerd :

« De wet van 1987 heeft de meeste vormen van discriminatie tussen kinderen wat de gevolgen van de afstamming betreft, weggewerkt. Nu is het de bedoeling om de verschillen in behandeling weg te werken met betrekking tot het betwisten van een afstamming die niet met de werkelijkheid overeenstemt. Alle kinderen worden zo op dezelfde manier behandeld. De wet van 1987 behoudt het recht om het vaderschap van de echtgenoot te betwisten voor aan de moeder, de echtgenoot (of de vorige echtgenoot) en het kind. De erkenning kan daarentegen door iedere belanghebbende worden betwist (artikel 330). Artikel 318 van het ontwerp bepaalt dat het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot dezelfde gevolgen heeft als de erkenning. Het nieuwe artikel 330 legt voor de betwisting van beide dezelfde voorwaarden op. In beide gevallen kan de afstamming worden betwist door de ouder ten aanzien van wie de afstamming al is vastgesteld (meestal : de moeder), door de echtgenoot (of de vorige echtgenoot), door de kandida(a)t(e) voor erkenning en door het kind » (Parl. St., Senaat, 2005-2006, nr. 3-1402/7, p. 4).

B.6.3. Artikel 318 van het Burgerlijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 7 van de wet van 1 juli 2006 en bij artikel 368 van de wet van 27 december 2006, bepaalde :

« § 1. Tenzij het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot, kan het vermoeden van vaderschap worden betwist door de moeder, het kind, de man ten aanzien van wie de afstamming vaststaat en de persoon die het vaderschap van het kind opeist.

§ 2. De vordering van de moeder moet worden ingesteld binnen een jaar na de geboorte. De vordering van de echtgenoot moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij niet de vader van het kind is, die van de man die het vaderschap van het kind opeist moet worden ingesteld binnen het jaar na de ontdekking van het feit dat hij de vader van het kind is en die van het kind moet worden ingesteld op zijn vroegst op de dag waarop het de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt en uiterlijk op de dag waarop het de leeftijd van tweeëntwintig jaar heeft bereikt of binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat de echtgenoot zijn vader niet is.

Indien de echtgenoot overleden is zonder in rechte te zijn opgetreden, terwijl de termijn om zulks te doen nog niet verstreken is, kan zijn vaderschap binnen een jaar na zijn overlijden of na de geboorte, worden betwist door zijn bloedverwanten in de opgaande en in de neerdalende lijn.

Het vaderschap dat vaststaat krachtens artikel 317 kan daarenboven worden betwist door de vorige echtgenoot.

§ 3. Onverminderd het bepaalde in § § 1 en 2, wordt het vermoeden van vaderschap teniet gedaan indien door alle wettelijke middelen is bewezen dat de betrokkene niet de vader is.

De betwisting van het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot wordt bovendien, behoudens tegenbewijs, gegrond verklaard :

1° in de gevallen bedoeld in artikel 316bis;

2° wanneer de afstamming van moederszijde door erkenning of bij rechterlijke beslissing is vastgesteld;

3° wanneer de vordering werd ingesteld vooraleer de afstamming van moederszijde is komen vast te staan.

§ 4. De vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap is niet ontvankelijk, als de echtgenoot toestemming heeft gegeven tot kunstmatige inseminatie of tot een andere daad die de voortplanting tot doel had, tenzij de verwekking van het kind hiervan niet het gevolg kan zijn.

§ 5. De vordering tot betwisting die wordt ingesteld door de persoon die beweert de biologische vader van het kind te zijn, is maar gegrond als diens vaderschap is komen vast te staan. De beslissing welke die vordering tot betwisting inwilligt, brengt van rechtswege de vaststelling van de afstammingsband van de verzoeker met zich. De rechtbank gaat na of aan de voorwaarden van artikel 332quinquies is voldaan. In ontkennend geval wordt de vordering afgewezen ».

B.7.1. Het Hof moet nagaan of objectief en redelijk kan worden verantwoord dat de door de erkenner van het vaderschap ingestelde vordering tot betwisting alleen ontvankelijk is indien die persoon aantoont dat aan zijn toestemming een gebrek kleefde en of de in het geding zijnde bepaling, door van het bestaan van een wilsgebrek een voorwaarde voor de ontvankelijkheid van de vordering te maken, geen afbreuk doet aan de positieve verplichting voor de overheid om maatregelen te nemen die de daadwerkelijke eerbiediging van het privé- en gezinsleven verzekeren, zelfs binnen de sfeer van de onderlinge verhoudingen tussen individuen, die voortvloeit uit artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, zoals gepreciseerd in B.3 tot B.5.

B.7.2. Uit de in B.6.1 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever de mogelijkheden om de erkenning van een kind te betwisten, heeft willen beperken omwille van de rechtszekerheid, en dat hij rekening ermee heeft gehouden dat de erkenner uitdrukkelijk heeft ingestemd met die erkenning. Alleen in de gevallen waarin aan die toestemming een gebrek kleefde, is het dus toegestaan om het vaderschap te betwisten en aldus terug te komen op de gegeven toestemming.

B.7.3. In tegenstelling tot de vaststelling van de afstamming van een kind dat binnen het huwelijk is geboren, die voortvloeit uit het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot (artikel 315 van het Burgerlijk Wetboek), veronderstelt de erkenning van een kind door een man dat die laatstgenoemde zijn wil uitdrukkelijk uit. Ofschoon door die erkenning een afstammingsband tot stand komt, is het niet uitgesloten dat de betrokkene een kind erkent in de wetenschap dat er tussen hen geen biologische band bestaat.

B.7.4. De niet-naleving van een voorwaarde van ontvankelijkheid van een rechtsvordering belet de rechter in beginsel het geschil ten gronde te onderzoeken en dus de belangen af te wegen. Te dezen verhindert de in het geding zijnde bepaling evenwel niet dat een man die een kind erkent omdat hij op het ogenblik van die erkenning ervan overtuigd was dat hij de biologische vader was, die erkenning betwist wanneer achteraf zou blijken dat hij niet de biologische vader was : in dat geval dient immers te worden aangenomen dat zijn toestemming tot de erkenning gebrekkig was.

Wanneer de betrokkene een kind erkent in de wetenschap dat er tussen hen geen biologische band bestaat, is zulks niet het geval. In die hypothese vermocht de wetgever er rekening mee te houden dat de erkenner vrij en weloverwogen heeft gehandeld.

B.7.5. De voorwaarde van ontvankelijkheid waarin de in het geding zijnde bepaling voorziet, geldt niet wanneer de vordering tot betwisting van de erkenning van het vaderschap is ingesteld door het erkende kind of door een andere man die het vaderschap van dat kind opeist. De wetgever maakt het de rechter dus mogelijk de grond van de betwisting van het vaderschap te onderzoeken en de belangen van de verschillende betrokken personen in concreto af te wegen.

B.8. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 330, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek schendt niet de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het bepaalt dat de vordering tot betwisting van de erkenning van het vaderschap ingesteld door de man die het kind heeft erkend, slechts ontvankelijk is indien hij aantoont dat aan zijn toestemming een gebrek kleefde.

Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 19 maart 2015.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

J. Spreutels