Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 2 februari 2012 (België)

Publicatie datum :
02-02-2012
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
4 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20120202-1
Rolnummer :
12/2012

Samenvatting

Het Hof zegt voor recht : - In die zin geïnterpreteerd dat het de rechtstreekse vordering enkel toekent aan de onderaannemer in de eerste graad ten aanzien van de bouwheer en aan de onderaannemer in de tweede graad ten aanzien van de hoofdaannemer, en niet aan de onderaannemers in de derde graad en verder, schendt artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. - In die zin geïnterpreteerd dat het de rechtstreekse vordering toekent aan alle onderaannemers ten aanzien van de schuldenaar van hun schuldenaar, schendt artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, A. Alen, J.-P. Snappe, T. Merckx-Van Goey en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest van 21 februari 2011 in zake de vennootschap naar Roemeens recht « Gabro Job Center SRL SC » tegen de bvba « J.Y.C Concept » en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 28 februari 2011, heeft het Hof van Beroep te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij de wet van 19 februari 1990, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet indien het in die zin moet worden geïnterpreteerd dat het een rechtstreekse vordering enkel toekent aan de onderaannemer in de eerste graad ten aanzien van de bouwheer en aan de onderaannemer in de tweede graad ten aanzien van de hoofdaannemer, en niet aan de onderaannemers in de derde graad en verder ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij de wet van 19 februari 1990, bepaalt :

« Metselaars, timmerlieden, arbeiders, vaklui en onderaannemers gebezigd bij het oprichten van een gebouw of voor andere werken die bij aanneming zijn uitgevoerd, hebben tegen de bouwheer een rechtstreekse vordering ten belope van hetgeen deze aan de aannemer verschuldigd is op het ogenblik dat hun rechtsvordering wordt ingesteld.

De onderaannemer wordt als aannemer en de aannemer als bouwheer beschouwd ten opzichte van de eigen onderaannemers van de eerstgenoemde ».

B.2. De verwijzende rechter stelt het Hof een vraag over de bestaanbaarheid van dat artikel met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet « indien het in die zin moet worden geïnterpreteerd dat het een rechtstreekse vordering enkel toekent aan de onderaannemer in de eerste graad ten aanzien van de bouwheer en aan de onderaannemer in de tweede graad ten aanzien van de hoofdaannemer, en niet aan de onderaannemers in de derde graad en verder ».

B.3.1. De Ministerraad is van mening dat de prejudiciële vraag onontvankelijk moet worden verklaard omdat daarin een kwestie met betrekking tot de interpretatie van een wet aan het Grondwettelijk Hof zou worden voorgelegd.

B.3.2. Het Hof merkt op dat de door de verwijzende rechter gestelde vraag geen betrekking heeft op de interpretatie van artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek, maar op de grondwettigheid ervan in de door die rechter gepreciseerde interpretatie. Een dergelijke vraag behoort tot de bevoegdheid van het Grondwettelijk Hof, zoals zij uit artikel 142, tweede lid, 2°, van de Grondwet voortvloeit.

B.3.3. De prejudiciële vraag is ontvankelijk.

B.4. Zowel uit de titel als uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 19 februari 1990 « tot aanvulling van artikel 20 van de hypotheekwet en tot wijziging van artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek met het oog op de bescherming van de onderaannemers » blijkt dat met de rechtstreekse vordering waarin artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek voorziet, de bescherming van de onderaannemer wordt nagestreefd omdat de wetgever heeft geoordeeld dat hij, als partij die vanuit economisch en financieel oogpunt als de zwakste en als het eerste slachtoffer van een faillissement van de aannemer wordt beschouwd, een bijzondere bescherming verdiende :

« T.o.v. de hoofdaannemer bevindt de onderaannemer zich in een economisch ondergeschikte positie en deze relatie kan vergeleken worden met het arbeidsrecht waarin ook dwingende bepalingen werden opgenomen ten gunste van de economisch zwakkeren » (Parl. St., Kamer, 1981-1982, nr. 294/3, p. 6).

Een dergelijke doelstelling strekte, overeenkomstig de regeringsverklaring, ertoe een klimaat van vertrouwen in de bouwsector te herstellen met het oog op de relance van de sector (ibid., p. 2). Dezelfde wet voert tevens ten gunste van de onderaannemer een bijzonder voorrecht op roerend goed in :

« Aldus beschikt de onderaannemer over twee rechtsmiddelen die elkaar niet uitsluiten » (ibid., p. 8).

De wetgever heeft de positie van de onderaannemer willen versterken door voor hem in het voordeel van een rechtstreekse vordering te voorzien :

« Oorspronkelijk werd in 1982 alleen het toekennen van een bijzonder voorrecht voorgesteld, hoewel er steeds discussie zal blijven of zulks nog wenselijk is, vermits het principe van de gelijkheid der schuldeisers steeds verder afbrokkelt.

Uit het debat in de Kamercommissie bleek dat de onderaannemers zo nodig met een kleine wijziging in artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek ook een sterkere positie konden winnen.

Het resultaat was een wetsontwerp waar beide voorgestelde verbeteringen ten voordele van de onderaannemers werden aanvaard » (Parl. St., Senaat, 1989-1990, nr. 855/2, p. 2).

B.5. De verwijzende rechter stelt het Hof een vraag over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek in zoverre het het voordeel van de rechtstreekse vordering enkel toekent aan de onderaannemer in de eerste graad ten aanzien van de bouwheer en aan de onderaannemer in de tweede graad ten aanzien van de hoofdaannemer, en niet aan de onderaannemers in de derde graad en verder.

B.6. Wanneer de wetgever in een mechanisme van rechtstreekse vordering voorziet, verleent hij aan een derde persoon bij een overeenkomst een eigen en persoonlijk recht dat die persoon uit die overeenkomst put en uitoefent ten aanzien van de schuldenaar van zijn eigen schuldenaar.

B.7. Zoals in de motieven van de verwijzingsbeslissing wordt opgemerkt, interpreteert de verwijzende rechter, steunend op de meerderheid van de rechtsleer, artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek in die zin dat het het voordeel van de rechtstreekse vordering beperkt tot de onderaannemers in de eerste en de tweede graad. Die interpretatie van de verwijzende rechter is gebaseerd op de tekst van het tweede lid en op het feit dat artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek niet ruim kan worden geïnterpreteerd, aangezien een rechtstreekse vordering een van het gemeen recht afwijkend instituut is.

In die interpretatie doet artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek bijgevolg een verschil in behandeling tussen onderaannemers ontstaan naar gelang van hun plaats in de keten van onderaanneming. Enkel de onderaannemers in de eerste en de tweede graad genieten een rechtstreekse vordering, de eerstgenoemde ten aanzien van de bouwheer, de laatstgenoemde ten aanzien van de hoofdaannemer.

B.8. Uit de in B.4 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever een bescherming die hij reeds had toegekend aan de metselaars, timmerlieden en arbeiders, heeft willen uitbreiden tot de vaklui en onderaannemers, aangezien elk van die categorieën van personen zich in een bijzondere economische positie bevindt om reden van hun afhankelijkheid ten aanzien van de hoofdaannemer. In de parlementaire voorbereiding wijst niets erop dat de wetgever het voordeel van die bescherming heeft willen beperken tot de onderaannemers in de eerste en de tweede graad. Integendeel, de wetgever heeft de onderaannemers willen beschermen wegens hun positie van afhankelijkheid en hun economische en financiële kwetsbaarheid. Het druist in tegen dat doel om het voordeel van de rechtstreekse vordering aan de onderaannemers verder dan in de tweede graad te ontzeggen. Het verschil tussen de onderaannemers kan niet redelijk worden verantwoord.

In die zin geïnterpreteerd dat het de rechtstreekse vordering enkel toekent aan de onderaannemer in de eerste graad ten aanzien van de bouwheer en aan de onderaannemer in de tweede graad ten aanzien van de hoofdaannemer, en niet aan de onderaannemers in de derde graad en verder, is artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.9. Het Hof merkt evenwel op dat artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek ook in die zin kan worden geïnterpreteerd dat het de rechtstreekse vordering toekent aan alle onderaannemers ten aanzien van de schuldenaar van hun schuldenaar, los van hun graad in de keten van onderaanneming. In de parlementaire voorbereiding wijst niets immers erop dat de wetgever de bescherming die hij aan de onderaannemers toekent wegens hun economische afhankelijkheid, heeft willen beperken. Bovendien heeft het tweede lid van dat artikel de begrippen « onderaannemer », « aannemer » en « bouwheer » in het mechanisme van de rechtstreekse vordering willen toelichten. Het kan in die zin worden geïnterpreteerd dat het de regeling uitsluit waarin alle onderaannemers een rechtstreekse vordering ten aanzien van de bouwheer zouden genieten, en dat het aangeeft dat elke onderaannemer over een rechtstreekse vordering beschikt ten aanzien van de schuldenaar van zijn schuldenaar. In die interpretatie doet artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek geen verschil in behandeling tussen de onderaannemers ontstaan en is het niet onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

- In die zin geïnterpreteerd dat het de rechtstreekse vordering enkel toekent aan de onderaannemer in de eerste graad ten aanzien van de bouwheer en aan de onderaannemer in de tweede graad ten aanzien van de hoofdaannemer, en niet aan de onderaannemers in de derde graad en verder, schendt artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

- In die zin geïnterpreteerd dat het de rechtstreekse vordering toekent aan alle onderaannemers ten aanzien van de schuldenaar van hun schuldenaar, schendt artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 2 februari 2012.

De griffier,

F. Meersschaut.

De voorzitter,

R. Henneuse.