Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 20 oktober 2016 (België)

Publicatie datum :
20-10-2016
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
11 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20161020-4
Rolnummer :
131/2016

Samenvatting

Het Hof zegt voor recht : 1. - De artikelen 479 tot 482bis van het Wetboek van strafvordering schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in die interpretatie dat de zaak, na het beëindigen van het door het Hof van Cassatie gevorderde onderzoek, niet aan dat Hof moet worden teruggezonden maar de procureur-generaal bij het hof van beroep alsdan bevoegd is om te beslissen of de zaak al dan niet naar het vonnisgerecht moet worden verwezen. - De artikelen 479 tot 482bis van het Wetboek van strafvordering schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in die interpretatie dat de zaak, na het beëindigen van het door het Hof van Cassatie gevorderde onderzoek, aan dat Hof moet worden teruggezonden dat in het kader van een tegensprekelijke procedure zal overgaan tot de regeling van de rechtspleging en daarbij de toereikendheid van de bezwaren en de regelmatigheid van de rechtspleging zal beoordelen. 2. De tweede prejudiciële vraag behoeft geen antwoord in zoverre zij de artikelen 483 en 503bis van het Wetboek van strafvordering beoogt.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en E. De Groot, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en T. Giet, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij arrest van 31 maart 2015 in zake het openbaar ministerie tegen O.L. en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 2 april 2015, heeft het Hof van Beroep te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld :

« 1. Schenden de artikelen 479 tot 482bis van het Wetboek van strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij de daarin beoogde magistraten en hun mededaders en medeplichtigen het recht ontzeggen om de regelmatigheid van het te hunnen aanzien gevoerde onderzoek in de loop van dat onderzoek te laten controleren door de kamer van inbeschuldigingstelling, alsook het recht om, voor de kamer van inbeschuldigingstelling, beroepen in te stellen tegen beslissingen die zijn gewezen door de onderzoeksmagistraat op verzoekschriften die zij aan hem hebben gericht, terwijl de artikelen 6 en 29 van elk van beide wetten van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van [federale] ministers, enerzijds, en van die van leden van een gemeenschaps- of gewestregering, anderzijds, die rechten toekennen aan die laatstgenoemden, hun mededaders en hun medeplichtigen ?

2. Schenden de artikelen 479, 483 en 503bis van het Wetboek van strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij bepalen dat, na afloop van een onderzoek dat is gevoerd ten aanzien van de daarin beoogde magistraten en hun mededaders en medeplichtigen, enkel de procureur-generaal, zonder optreden van de kamer van inbeschuldigingstelling, beslist over het gevolg dat moet worden gegeven aan de procedure, waardoor die magistraten, mededaders en medeplichtigen het voordeel wordt ontzegd van de regel op grond waarvan elk onderzoek aanleiding geeft tot een beoordeling van de bezwaren door een onderzoeksgerecht (regeling van rechtspleging), terwijl, voor de [federale] ministers en de leden van een gemeenschaps- of gewestregering, hun mededaders en medeplichtigen, de wetten van 25 juni 1998 tot regeling van hun strafrechtelijke verantwoordelijkheid, in de artikelen 9, 16 en 29 ervan, in een dergelijke regeling van rechtspleging voorzien ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. In een eerste prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van de artikelen 479 tot 482bis van het Wetboek van strafvordering, in zoverre zij de daarin beoogde magistraten en hun mededaders en medeplichtigen het recht zouden ontzeggen om de regelmatigheid van het te hunnen aanzien gevoerde onderzoek in de loop van dat onderzoek te laten controleren door de kamer van inbeschuldigingstelling, alsook het recht om voor de kamer van inbeschuldigingstelling beroep in te stellen tegen de beslissingen die zijn gewezen door de onderzoeksmagistraat op verzoekschriften die zij aan hem hebben gericht, terwijl de artikelen 6 en 29 van de gewone en bijzondere wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van federale ministers, respectievelijk van leden van een gemeenschaps- of gewestregering die rechten toekennen aan de voormelde ministers en hun mededaders en medeplichtigen.

B.1.2. In een tweede prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van de artikelen 479, 483 en 503bis van hetzelfde Wetboek, in zoverre zij bepalen dat, na afloop van een onderzoek dat ten aanzien van de magistraten en hun mededaders en medeplichtigen is gevoerd, enkel de procureur-generaal beslist over het gevolg dat aan de procedure moet worden gegeven, zonder dat het onderzoek aanleiding geeft tot een beoordeling van de bezwaren door de kamer van inbeschuldigingstelling ter gelegenheid van de regeling van de rechtspleging, terwijl voor de federale ministers, gemeenschaps- of gewestministers en hun mededaders en medeplichtigen de artikelen 9, 16 en 29 van de gewone en bijzondere wet van 25 juni 1998 voorzien in een regeling van de rechtspleging door de kamer van inbeschuldigingstelling.

B.2.1. De in het geding zijnde artikelen 479 tot 482bis, 483 en 503bis van het Wetboek van strafvordering, die deel uitmaken van boek II, titel IV (« Enige rechtsplegingen van bijzondere aard »), hoofdstuk III (« Misdaden door rechters gepleegd buiten hun ambt en in de uitoefening van hun ambt »), van dat Wetboek, bepalen :

« Art. 479. Wanneer een vrederechter, een rechter in de politierechtbank, een rechter in de rechtbank van eerste aanleg, in de arbeidsrechtbank of in de rechtbank van koophandel, een raadsheer in het hof van beroep of in het arbeidshof, een raadsheer in het Hof van Cassatie, een magistraat van het parket bij een rechtbank of een hof, een referendaris bij het Hof van Cassatie, een lid van het Rekenhof, een lid van de Raad van State van het auditoraat of van het coördinatiebureau bij de Raad van State, een lid van het Grondwettelijk Hof, een referendaris bij dat Hof, de leden van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, een provinciegouverneur, ervan beschuldigd wordt buiten zijn ambt een misdrijf gepleegd te hebben dat een correctionele straf meebrengt, laat de procureur-generaal bij het hof van beroep hem dagvaarden voor dat hof, dat uitspraak doet, zonder dat beroep kan worden ingesteld.

Art. 480. Indien het een misdrijf betreft waarop een criminele straf is gesteld, wijst de procureur-generaal bij het hof van beroep de magistraat aan die het ambt van officier van gerechtelijke politie zal waarnemen en de eerste voorzitter van dat hof de magistraat die het ambt van onderzoeksrechter zal waarnemen.

Art. 481. Indien echter een lid van een hof van beroep of een ambtenaar die bij het hof het openbaar ministerie uitoefent, ervan verdacht wordt buiten zijn ambt een wanbedrijf of een misdaad te hebben gepleegd, is de ambtenaar die de aangiften of de klachten ontvangen heeft, gehouden daarvan dadelijk afschriften te doen toekomen aan de minister van Justitie, zonder enige vertraging van het onderzoek, dat voortgezet zal worden zoals in voorgaande bepalingen is geregeld, en hij zal eveneens aan de minister een afschrift zenden van de stukken.

Art. 482. De minister van Justitie zendt de stukken door aan het Hof van Cassatie, dat, indien daartoe grond bestaat, de zaak verwijst hetzij naar een correctionele rechtbank, hetzij naar een onderzoeksrechter, de ene zowel als de andere aan te wijzen buiten het rechtsgebied van het hof waartoe het verdachte lid behoort.

Indien een inbeschuldigingstelling moet worden uitgesproken, geschiedt de verwijzing naar een ander hof van beroep.

Art. 482bis. De mededaders van en de medeplichtigen aan het misdrijf waarvoor de ambtenaar van de hoedanigheid als vermeld in artikel 479 wordt vervolgd en de daders van samenhangende misdrijven worden samen met de ambtenaar vervolgd en berecht.

Het eerste lid is evenwel niet van toepassing op de daders van misdaden en van politieke misdrijven en drukpersmisdrijven die samenhangen met het misdrijf waarvoor de ambtenaar wordt vervolgd ».

« Art. 483. Wanneer een vrederechter, een rechter in de politierechtbank, een rechter in de rechtbank van eerste aanleg, in de arbeidsrechtbank of in de rechtbank van koophandel, een raadsheer in het hof van beroep of in het arbeidshof, een raadsheer in het Hof van Cassatie, een magistraat van het parket bij een rechtbank of een hof, een referendaris bij het Hof van Cassatie, een lid van het Rekenhof, een lid van de Raad van State van het auditoraat of van het coördinatiebureau bij de Raad van State, een lid van het Grondwettelijk Hof, een referendaris bij dat Hof, de leden van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, een provinciegouverneur, ervan beschuldigd wordt in zijn ambt een misdrijf gepleegd te hebben dat een correctionele straf meebrengt, dan wordt dat misdrijf vervolgd en gevonnist zoals in artikel 479 is bepaald ».

« Art. 503bis. De mededaders van en de medeplichtigen aan het in deze afdeling bedoelde misdrijf waarvoor een ambtenaar van de hoedanigheid als vermeld in artikel 483 of een in artikel 485 bepaalde rechtbank wordt vervolgd, en de daders van samenhangende misdrijven worden samen met de ambtenaar of de rechtbank vervolgd en berecht.

Het eerste lid is evenwel niet van toepassing op de daders van misdaden en van politieke misdrijven en drukpersmisdrijven die samenhangen met het misdrijf waarvoor de ambtenaar of de rechtbank worden vervolgd ».

B.2.2. De eveneens in de prejudiciële vragen vermelde artikelen 6, 9, 16 en 29 van de wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van ministers bepalen :

« Art. 6. De regels van de strafrechtspleging die niet in strijd zijn met de procesvormen bij deze wet voorgeschreven, worden bovendien nagekomen ».

« Art. 9. Indien de procureur-generaal geen andere onderzoekshandelingen vordert, vordert hij de regeling van de rechtspleging voor de kamer van inbeschuldigingstelling van het bevoegde hof van beroep, indien de Kamer van volksvertegenwoordigers daartoe verlof gegeven heeft ».

« Art. 16. Indien de kamer van inbeschuldigingstelling van oordeel is dat het feit noch een misdaad, noch een wanbedrijf, noch een overtreding is of dat er tegen de inverdenkinggestelde generlei bezwaar bestaat, verklaart zij dat er geen reden tot vervolging is.

Zij kan, zo nodig, bijkomende onderzoekshandelingen bevelen.

Indien de kamer van inbeschuldigingstelling van oordeel is dat er tegen de inverdenkinggestelde voldoende bezwaren bestaan, verwijst ze hem naar het bevoegde hof van beroep ».

« Art. 29. De mededaders van en de medeplichtigen aan het misdrijf waarvoor de minister wordt vervolgd en de daders van samenhangende misdrijven, worden samen met de minister vervolgd en berecht.

Het voorgaande lid vindt evenwel geen toepassing op de daders van misdaden en van politieke misdrijven en drukpersmisdrijven die samenhangen met het misdrijf waarvoor de minister wordt vervolgd ».

De artikelen 6, 9, 16 en 29 van de bijzondere wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van leden van een gemeenschaps- of gewestregering voorzien in identieke regels, met dien verstande dat niet wordt voorzien in het optreden van de Kamer van volksvertegenwoordigers, maar wel van het Parlement waaraan het betrokken lid verantwoording verschuldigd is of was, om het verlof om te vervolgen te verlenen.

Ten aanzien van de excepties

B.3.1. De Ministerraad voert aan dat de tweede prejudiciële vraag geen antwoord behoeft in zoverre zij bepalingen beoogt die kennelijk niet van toepassing zijn op het voor de verwijzende rechter hangende geschil. Hij voert eveneens aan dat het antwoord op de prejudiciële vragen kennelijk niet nuttig is om het geschil op te lossen in zoverre zij de andere magistraten dan die van het hof van beroep beogen.

B.3.2. Het staat aan de verwijzende rechter de bepalingen vast te stellen die op het aan hem voorgelegde geschil van toepassing zijn; de partijen zijn niet ertoe gemachtigd die keuze ter discussie te stellen voor het Hof. Het Hof zou zich overigens enkel van een antwoord op de gestelde vraag kunnen onthouden indien het antwoord op die vraag klaarblijkelijk niet nuttig zou zijn voor de oplossing van dat geschil.

B.3.3. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt duidelijk dat de misdrijven die de plaatsvervangende magistraat worden verweten, betrekking hebben op handelingen die zijn verricht buiten de uitoefening van zijn ambt. Aangezien de artikelen 483 en 503bis van het Wetboek van strafvordering de procedure betreffen die van toepassing is op de magistraat, evenals op zijn mededaders en medeplichtigen, die ervan wordt beschuldigd tijdens de uitoefening van zijn ambt een misdrijf te hebben gepleegd, staan die bepalingen los van de aan de verwijzende rechter voorgelegde feiten.

Het blijkt dus dat de in de tweede prejudiciële vraag in het geding zijnde artikelen 483 en 503bis van het Wetboek van strafvordering niet van toepassing zijn op het voor de verwijzende rechter hangende geschil, zodat het antwoord op die vraag, in zoverre zij die bepalingen beoogt, kennelijk niet nuttig is voor de oplossing van dat geschil.

B.3.4. De tweede prejudiciële vraag behoeft geen antwoord in zoverre zij de artikelen 483 en 503bis van het Wetboek van strafvordering beoogt.

B.3.5. Zoals de Ministerraad overigens opmerkt, betreft het voor de verwijzende rechter hangende geschil een plaatsvervangende raadsheer van een hof van beroep. Op de leden van de hoven van beroep zijn echter specifieke regels van toepassing. Het Hof beperkt het onderzoek van de in het geding zijnde bepalingen derhalve tot die magistraten.

B.4.1. De betrokken plaatsvervangende raadsheer bij het hof van beroep, zevende beklaagde voor de verwijzende rechter, merkt in zijn memorie op dat de plaatsvervangende magistraten niet zijn opgenomen in de exhaustieve opsomming van artikel 479 van het Wetboek van strafvordering, zodat het daarin bepaalde « voorrecht van rechtsmacht » niet van toepassing zou zijn op die categorie van magistraten en, bijgevolg, de twee prejudiciële vragen zonder voorwerp zouden moeten worden verklaard.

B.4.2. Artikel 479 van het Wetboek van strafvordering bepaalt welke magistraten onder de bijzondere rechtspleging ressorteren die het « voorrecht van rechtsmacht » inhoudt, zoals geregeld in de artikelen 479 en volgende van dat Wetboek.

Ofschoon de plaatsvervangende raadsheren bij het hof van beroep niet uitdrukkelijk in die bepaling worden vermeld, wordt aangenomen dat het « voorrecht van rechtsmacht » van toepassing is op de plaatsvervangende magistraten onder dezelfde voorwaarden als op de in artikel 479 vermelde werkende magistraten (Cass., 7 april 1975, Arr. Cass., 1975, 2, p. 852; Cass., 29 november 2011, Arr. Cass., 2011, nr. 650; Cass., 12 maart 2013, Arr. Cass., 2013, nr. 174).

B.4.3. De exceptie wordt verworpen.

Ten gronde

B.5.1. De artikelen 479 tot 503bis van het Wetboek van strafvordering voorzien in een van het gemeen strafprocesrecht afwijkende rechtspleging voor de misdrijven gepleegd door de magistraten en door bepaalde andere ambtsdragers. Die bijzondere rechtspleging die het zogenaamde « voorrecht van rechtsmacht » inhoudt, is ingesteld met het oog op het verzekeren van een onpartijdige en serene rechtsbedeling ten aanzien van die personen. De bijzondere regels op het gebied van onderzoek, vervolging en berechting beogen te vermijden dat, enerzijds, roekeloze, onverantwoorde of tergende vervolgingen jegens de betrokken personen op gang zouden worden gebracht en, anderzijds, diezelfde personen hetzij te streng, hetzij met te veel toegevendheid zouden worden behandeld.

B.5.2. Krachtens het in het geding zijnde artikel 479 van het Wetboek van strafvordering is uitsluitend de procureur-generaal bij het hof van beroep bevoegd om de strafvordering op gang te brengen lastens de in die bepaling beoogde magistraten die ervan worden verdacht een wanbedrijf of een misdaad te hebben gepleegd.

Wanneer de procureur-generaal bij het hof van beroep een gerechtelijk onderzoek wenselijk acht, vordert hij de eerste voorzitter van het hof van beroep om de magistraat aan te wijzen die het ambt van onderzoeksrechter zal uitoefenen (artikel 480 van het Wetboek van strafvordering en Cass., 31 juli 1882, Pas., 1882, I, 332). Hoewel artikel 480 enkel de misdaden betreft, wordt aangenomen dat een gerechtelijk onderzoek onder dezelfde voorwaarden mogelijk is voor een wanbedrijf (Cass., 31 juli 1882, Pas., 1882, I, 332). Na afloop van het opsporings- of gerechtelijk onderzoek beslist uitsluitend de procureur-generaal, zonder tussenkomst van een onderzoeksgerecht, over het gevolg dat aan de procedure moet worden gegeven. Hij kan daarbij een beslissing tot niet-vervolging nemen, dan wel, wanneer hij van mening is dat er voldoende bezwaren bestaan, de zaak bij rechtstreekse dagvaarding bij het hof van beroep aanhangig maken, dat uitspraak doet in eerste en laatste aanleg. Enkel wanneer de procureur-generaal meent dat de zaak moet worden verwezen naar het Hof van Assisen, dient hij overeenkomstig het gemeen recht de regeling van de rechtspleging door de kamer van inbeschuldigingstelling te vorderen (de artikelen 217 en volgende van het Wetboek van strafvordering).

B.5.3. Er is voorzien in extra waarborgen voor de magistraten van de hoven van beroep.

Het in het geding zijnde artikel 481 van het Wetboek van strafvordering bepaalt aldus dat de aangiften of de klachten die worden ontvangen inzake een wanbedrijf of misdaad dat door een magistraat van het hof van beroep buiten de uitoefening van zijn ambt zou zijn gepleegd, dadelijk worden overgezonden aan de minister van Justitie. Afschriften van de reeds verrichte onderzoekshandelingen moeten eveneens aan de minister worden toegezonden.

Die laatste bezorgt de stukken vervolgens aan het Hof van Cassatie dat, uitspraak doende in raadkamer, beslist over het gevolg dat aan de procedure moet worden gegeven (artikel 482 van het Wetboek van strafvordering). Het kan aldus beslissen dat de zaak niet moet worden verwezen gelet op de ontstentenis van een misdrijf of van toereikende bezwaren (Cass., 5 februari 2002, Arr. Cass., 2002, nr. 88). Het kan eveneens beslissen dat bijkomend onderzoek noodzakelijk is en de zaak verwijzen naar de eerste voorzitter van een ander hof van beroep dan dat van het rechtsgebied van de betrokken magistraat, opdat die een magistraat aanwijst die het ambt van onderzoeksrechter zal uitoefenen (Cass., 21 juni 1995, Arr. Cass., 1995, nr. 320). Ten slotte kan het Hof van Cassatie de zaak rechtstreeks verwijzen naar het hof van beroep van een ander rechtsgebied dan dat waartoe de betrokken magistraat behoort, of in voorkomend geval, naar de kamer van inbeschuldigingstelling van een ander hof van beroep wanneer de zaak wordt verwezen naar het Hof van Assisen.

B.5.4. Krachtens het in het geding zijnde artikel 482bis van het Wetboek van strafvordering worden de mededaders en de medeplichtigen aan het misdrijf waarvoor een in artikel 479 van dat Wetboek beoogde magistraat wordt vervolgd, samen met die magistraat vervolgd en berecht. Bijgevolg zijn zij eveneens onderworpen aan de bijzondere rechtspleging, zoals die in het kader van het stelsel van het « voorrecht van rechtsmacht » is geregeld in de in het geding zijnde artikelen 479 tot 482 van het Wetboek van strafvordering.

B.6.1. De wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van ministers en de bijzondere wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van leden van een gemeenschaps- of gewestregering (hierna : de gewone en bijzondere wet van 25 juni 1998) voorzien in een bijzondere rechtspleging voor de misdrijven gepleegd door ministers in de uitoefening van hun ambt dan wel buiten de uitoefening van hun ambt maar berecht tijdens de uitoefening daarvan.

Bij de aanneming van de regels inzake het « voorrecht van rechtsmacht » van de ministers heeft de wetgever het reeds bestaande stelsel van het « voorrecht van rechtsmacht » van de magistraten willen overnemen :

« Na de afweging van de alternatieven is men tot de conclusie gekomen dat het niet wenselijk is om uitsluitend voor de berechting van ministers een nieuw regime in het leven te roepen. Daarom wordt geopteerd voor het regime van voorrecht van rechtsmacht, dat vandaag reeds bestaat voor de rechters en andere personen, opgesomd in de artikelen 479 e.v. van het Wetboek van Strafvordering. De achterliggende filosofie van een dergelijk voorrecht van rechtsmacht lijkt immers perfect toepasbaar op ministers » (Parl. St., Kamer, 1997-1998, nr. 1258/1, p. 5).

« [H]et regime van het voorrecht van rechtsmacht [wordt] van toepassing op ministers, overeenkomstig de voor magistraten geldende regeling (artikelen 479 en volgende Wetboek van Strafvordering), wat erop neerkomt dat de betrokkenen rechtstreeks door het hof van beroep worden berecht » (Parl. St., Kamer, 1997-1998, nr. 1258/5, p. 6).

B.6.2. Hoewel de wetgever de stelsels van het « voorrecht van rechtsmacht » die van toepassing zijn op de magistraten en de ministers aldus op elkaar heeft willen afstemmen, bestaan er aanzienlijke verschillen tussen beide stelsels wat de regels inzake het strafrechtelijk onderzoek betreft.

Weliswaar wordt ook voor de ministers aan de procureur-generaal bij het hof van beroep de bevoegdheid voorbehouden om de strafvordering op gang te brengen, wordt het gerechtelijk onderzoek gevoerd door een magistraat die wordt aangewezen door de eerste voorzitter van het bevoegde hof van beroep en is uitsluitend dat hof van beroep bevoegd om de ministers in eerste en laatste aanleg te berechten (artikelen 103, vierde lid en 125, vierde lid, van de Grondwet en artikelen 3 en 4 van de gewone en bijzondere wet van 25 juni 1998). Anders evenwel dan voor de magistraten, wordt voor de ministers na het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek voorzien in een regeling van de rechtspleging door de kamer van inbeschuldigingstelling van het bevoegde hof van beroep, die kan beslissen dat er geen reden tot vervolging is, bijkomende onderzoekshandelingen kan bevelen of de zaak kan verwijzen naar het bevoegde hof van beroep (artikelen 9 en 16 van de gewone en bijzondere wet van 25 juni 1998). Voorts dient de procureur-generaal bij het hof van beroep, zowel voor de vordering tot regeling van de rechtspleging als voor de rechtstreekse dagvaarding, het voorafgaandelijk verlof te verkrijgen van het parlement waaraan de minister verantwoording verschuldigd is of was (artikelen 10, 11 en 13 van de gewone en de bijzondere wet van 25 juni 1998).

B.7. Beide prejudiciële vragen hebben betrekking op bepaalde van die verschillen in behandeling tussen de magistraten en de ministers. Meer in het bijzonder wordt het Hof ondervraagd over de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepalingen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij voor de magistraten en hun mededaders en medeplichtigen niet zouden voorzien in een tussenkomst van een onderzoeksgerecht, noch tijdens het te hunnen aanzien gevoerde strafrechtelijk onderzoek, om toezicht te houden op de regelmatigheid van de rechtspleging en om als beroepsinstantie uitspraak te doen over beslissingen van de als onderzoeksrechter aangewezen magistraat, noch bij het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek, om de rechtspleging te regelen, terwijl de gewone en bijzondere wet van 25 juni 1998 voor de ministers en hun mededaders en medeplichtigen wel zouden voorzien in een dergelijke tussenkomst van een onderzoeksgerecht.

B.8. Het staat in beginsel aan de wetgever te beslissen voor welke openbare ambten regels moeten worden vastgesteld die afwijken van de gewone regels van de strafrechtspleging teneinde de doelstellingen van algemeen belang te bereiken zoals die welke in B.5.1 zijn vermeld.

Het feit dat is voorzien in verschillende procedureregels in het kader van het stelsel van het « voorrecht van rechtsmacht » voor de magistraten en de ministers, houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen.

B.9. Zoals het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft geoordeeld, vormt het feit dat de Staten doorgaans « voorrechten van rechtsmacht » aan de magistraten verlenen, sinds lang een praktijk die de goede werking van het gerecht moet verzekeren. Meer in het bijzonder betreffende de specifieke regels in België inzake het onderzoek, de vervolging en de berechting die het « voorrecht van rechtsmacht » impliceert, heeft het Europees Hof onderstreept dat die regels ertoe strekken te voorkomen dat, enerzijds, roekeloze, onverantwoorde of tergende vervolgingen zouden worden ingesteld tegen de personen op wie die regeling van toepassing is en, anderzijds, diezelfde personen te streng of met te veel toegevendheid zouden worden behandeld. Volgens het Europees Hof dienen dergelijke doelstellingen legitiem te worden bevonden (EHRM, 15 oktober 2003, Ernst en anderen t. België, § 50).

Het Europees Hof heeft overigens geoordeeld dat het « voorrecht van rechtsmacht » dat door de nationale overheden is geregeld, niet in strijd is met artikel 6 van het Europees Verdrag op voorwaarde dat de gewaarborgde rechten, die de begunstigde worden ontzegd, op redelijke wijze worden gecompenseerd door andere middelen (EHRM, 15 oktober 2003, Ernst en anderen t. België, § 53; 30 april 2003, Cordova t. Italië, § 65).

Bijgevolg onderzoekt het Hof beide prejudiciële vragen tesamen.

B.10.1. In afwijking van het gemeen strafprocesrecht voorzien de in het geding zijnde bepalingen voor de magistraten van de hoven van beroep niet in de tussnekomst van een onderzoeksgerecht om, in de loop van het gerechtelijk onderzoek, toezicht te houden op de regelmatigheid van de rechtspleging en als beroepsinstantie uitspraak te doen over beslissingen van de als onderzoeksrechter aangewezen magistraat en om, bij het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek, de rechtspleging te regelen.

B.10.2. Gelet op de logica van het geldende stelsel, waarbij niet is voorzien in een mogelijkheid van beroep tegen de door het hof van beroep gewezen beslissing, is het niet zonder redelijke verantwoording dat de wetgever evenmin heeft voorzien in een mogelijkheid van beroep tegen de beslissingen genomen door de als onderzoeksrechter aangewezen magistraat op de aan hem gerichte verzoeken.

De wetgever vermocht ervan uit te gaan dat, wat de magistraten van de hoven van beroep betreft, voldoende waarborgen worden geboden door het feit dat het ambt van onderzoeksrechter wordt uitgeoefend door een magistraat die daartoe is aangewezen door de eerste voorzitter van het hof van beroep van een ander rechtsgebied dan het hunne, door het feit dat zij worden berecht door de hoogste feitenrechter die behoort tot een ander rechtsgebied dan het hunne, en door de tussenkomst van het Hof van Cassatie dat moet beslissen over het gevolg dat aan de procedure moet worden gegeven. Zoals is vermeld in B.5.3, kan het Hof van Cassatie, uitspraak doende in raadkamer, daarbij beslissen dat er geen reden tot vervolging is, dan wel de zaak rechtstreeks verwijzen naar het hof van beroep indien er voldoende bezwaren zijn, of nog, bijkomende onderzoekshandelingen vorderen.

Aldus wordt aan de magistraten bij de hoven van beroep de waarborg geboden dat het Hof van Cassatie, zoals een onderzoeksgerecht in de gemeenrechtelijke strafprocedure, overgaat tot de regeling van de rechtspleging en daarbij de toereikendheid van de bezwaren en de regelmatigheid van de rechtspleging beoordeelt.

B.11.1. Uit de rechtspleging in de zaak voor het verwijzende rechtscollege blijkt evenwel dat, wanneer het Hof van Cassatie bijkomend onderzoek heeft gevorderd en de zaak te dien einde heeft verwezen naar de eerste voorzitter van een ander hof van beroep dan dat van het rechtsgebied van de betrokken magistraat opdat die een onderzoeksmagistraat aanwijst, de procureur-generaal bij dat hof van beroep bevoegd wordt geacht om bij het afsluiten van het gevorderde onderzoek te beslissen of de zaak al dan niet naar het vonnisgerecht moet worden verwezen, zonder dat ter zake een nieuwe beslissing van het Hof van Cassatie vereist is.

In zoverre er aldus bij het afsluiten van het door het Hof van Cassatie gevorderde onderzoek geen tussenkomst is van een gerechtelijk orgaan dat in het kader van een tegensprekelijke procedure overgaat tot de regeling van de rechtspleging en daarbij de toereikendheid van de bezwaren en de regelmatigheid van de rechtspleging beoordeelt, wordt op onevenredige wijze afbreuk gedaan aan de rechten van de betrokken magistraten bij de hoven van beroep en hun mededaders en medeplichtigen.

B.11.2. In de in B.11.1 vermelde interpretatie zijn de in het geding zijnde bepalingen niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en dienen de prejudiciële vragen bevestigend te worden beantwoord.

B.12. De in het geding zijnde bepalingen kunnen het voorwerp uitmaken van een andere interpretatie volgens welke de zaak, na het beëindigen van het door het Hof van Cassatie gevorderde onderzoek, aan dat Hof moet worden teruggezonden, waarvan de bevoegdheid in deze procedure vergelijkbaar is met die van een onderzoeksgerecht en dat in het kader van een tegensprekelijke procedure overgaat tot de regeling van de rechtspleging en daarbij de toereikendheid van de bezwaren en de regelmatigheid van de rechtspleging beoordeelt.

De vervolgde magistraat bij het hof van beroep en zijn mededaders en medeplichtigen beschikken dus over de mogelijkheid om eventuele bezwaren, nietigheden of onregelmatigheden op te werpen en desgevallend het Hof van Cassatie te verzoeken om bijkomende rechtshandelingen te vorderen.

In die interpretatie zijn de in het geding zijnde bepalingen bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en dienen de prejudiciële vragen ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

1. - De artikelen 479 tot 482bis van het Wetboek van strafvordering schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in die interpretatie dat de zaak, na het beëindigen van het door het Hof van Cassatie gevorderde onderzoek, niet aan dat Hof moet worden teruggezonden maar de procureur-generaal bij het hof van beroep alsdan bevoegd is om te beslissen of de zaak al dan niet naar het vonnisgerecht moet worden verwezen.

- De artikelen 479 tot 482bis van het Wetboek van strafvordering schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in die interpretatie dat de zaak, na het beëindigen van het door het Hof van Cassatie gevorderde onderzoek, aan dat Hof moet worden teruggezonden dat in het kader van een tegensprekelijke procedure zal overgaan tot de regeling van de rechtspleging en daarbij de toereikendheid van de bezwaren en de regelmatigheid van de rechtspleging zal beoordelen.

2. De tweede prejudiciële vraag behoeft geen antwoord in zoverre zij de artikelen 483 en 503bis van het Wetboek van strafvordering beoogt.

Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 20 oktober 2016.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

J. Spreutels