Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 21 mei 2015 (België)

Publicatie datum :
21-05-2015
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
10 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20150521-1
Rolnummer :
59/2015

Samenvatting

Het Hof zegt voor recht : Artikel 4 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap schendt niet de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 28, lid 2, van de richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 « inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming », in zoverre het de tegemoetkomingen weigert aan de persoon die is gemachtigd tot verblijf op het Belgische grondgebied krachtens artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, zonder dat het opzettelijk weigeren van medische zorg aan die persoon in zijn land van herkomst of in het derde land waar hij voordien verbleef, in het geding is.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en A. Alen, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 8 november 2012 in zake Mohamed M'Bodj tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 13 november 2012, heeft de Arbeidsrechtbank te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 4 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 28, lid 2, van de richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 ' inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming ', in zoverre het de vreemdeling die op grond van een in het kader van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen verkregen machtiging tot verblijf legaal in België verblijft en die zodoende de in de richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 bedoelde status van internationale bescherming geniet, enkel vanwege zijn nationaliteit van het voordeel van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap uitsluit, terwijl het het voordeel van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap openstelt voor de vluchteling die dezelfde in de richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 bedoelde status van internationale bescherming geniet ? ».

Bij tussenarrest nr. 124/2013 van 26 september 2013, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 21 november 2013, heeft het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie :

« 1. Dienen de artikelen 2, onder e) en f), 15, 18, 28 en 29 van de richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 ' inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming ' aldus te worden geïnterpreteerd dat niet alleen de persoon aan wie, op zijn aanvraag, de subsidiaire beschermingsstatus is toegekend door een onafhankelijke autoriteit van een lidstaat de sociale voorzieningen en de gezondheidszorg moet kunnen genieten bedoeld in de artikelen 28 en 29 van die richtlijn, maar ook de vreemdeling die door een administratieve overheid van een lidstaat wordt gemachtigd tot verblijf op het grondgebied van die lidstaat en die op zodanige wijze aan een ziekte lijdt dat die ziekte een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit of een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling wanneer er geen adequate behandeling is in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft ?

2. Dienen de artikelen 20, lid 3, 28, lid 2, en 29, lid 2, van diezelfde richtlijn, indien de eerste prejudiciële vraag een antwoord behoeft dat inhoudt dat beide categorieën van personen die erin worden beschreven, de sociale voorzieningen en de gezondheidszorg moeten kunnen genieten die daarin worden beoogd, aldus te worden geïnterpreteerd dat de verplichting die aan de lidstaten is opgelegd om rekening te houden met de specifieke situatie van kwetsbare personen zoals personen met een handicap, inhoudt dat aan die personen tegemoetkomingen moeten worden toegekend waarin is voorzien in de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, rekening houdend met het feit dat maatschappelijke dienstverlening waarbij de handicap in aanmerking wordt genomen, kan worden toegekend op grond van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn ? ».

Bij arrest van 18 december 2014 in de zaak C-542/13 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie op de vragen geantwoord.

Bij beschikking van 3 februari 2015 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Giet en L. Lavrysen te hebben gehoord, beslist :

- de partijen uit te nodigen, in een uiterlijk op 26 februari 2015 in te dienen aanvullende memorie, waarvan ze een kopie laten toekomen aan de andere partij binnen dezelfde termijn, hun standpunt uiteen te zetten over de weerslag op de huidige zaak van het voormelde arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie;

- dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en

- dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 4 maart 2015 en de zaak in beraad zal worden genomen.

(...)

II. In rechte

(...)

B.1.1. Aan het Hof wordt door de Arbeidsrechtbank te Luik een prejudiciële vraag gesteld over artikel 4 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, dat bepaalt :

« § 1. De tegemoetkomingen bedoeld in artikel 1 kunnen enkel toegekend worden aan een persoon die zijn werkelijke verblijfplaats in België heeft en die :

1° Belg is;

2° onderdaan is van een lidstaat van de Europese Unie;

3° Marokkaan, Algerijn of Tunesiër is en die voldoet aan de voorwaarden van de Verordening (EEG) nr. 1408 van 14 juni 1971 van de Raad van de Europese gemeenschappen betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen;

4° staatloos is en die onder de toepassing valt van het Verdrag betreffende de status van staatlozen, ondertekend in New York op 28 september 1954 en goedgekeurd door de wet van 12 mei 1960;

5° vluchteling is zoals bedoeld in artikel 49 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;

6° niet tot de in 1° tot 5° bepaalde categorieën behoort, maar die tot 21 jaar de verhoging van de kinderbijslag genoten heeft, bedoeld in artikel 47, § 1, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders of in artikel 20, § 2, van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen.

§ 2. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad toepassing van deze wet, onder de door Hem gestelde voorwaarden, uitbreiden tot andere categorieën van personen dan deze beoogd in § 1 die hun werkelijke verblijfplaats in België hebben.

§ 3. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, wat voor de toepassing van deze wet onder werkelijke verblijfplaats moet worden verstaan.

§ 4. Indien een persoon aan wie een tegemoetkoming bedoeld in artikel 1 werd toegekend niet meer voldoet aan de voorwaarden bedoeld in § 1 of § 2, dan wordt zijn recht op deze tegemoetkoming afgeschaft. Wanneer hij opnieuw voldoet aan deze voorwaarden, dan kan hij een nieuwe aanvraag indienen.

§ 5. De Koning kan de wijze bepalen waarop wordt toegezien op de naleving van dit artikel ».

B.1.2. Bij het koninklijk besluit van 9 februari 2009 « houdende wijziging van het koninklijk besluit van 17 juli 2006 tot uitvoering van artikel 4, § 2, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap » heeft de Koning, vanaf 12 december 2007, de toepassing van de wet uitgebreid tot de vreemdelingen die in het bevolkingsregister zijn ingeschreven. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 17 juli 2006 bepaalt thans :

« De tegemoetkomingen bedoeld in artikel 1 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap kunnen eveneens worden toegekend aan de personen die :

1° onderdaan zijn van IJsland, Liechtenstein, Noorwegen of Zwitserland, voldoen aan de voorwaarden van Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, en in België hun werkelijke verblijfplaats hebben, of

2° de echtgenoot, de wettelijk samenwonende, of een ander gezinslid zijn in de zin van de vernoemde Verordening nr. 1408/71 van 14 juni 1971 van een persoon zoals bedoeld in artikel 4, § 1, 1° tot 5° van de voornoemde wet van 27 februari 1987 of van een onderdaan van een Staat bedoeld in artikel 1, 1° van dit besluit, zelf geen onderdaan zijnde van deze Staten, en die in België hun werkelijke verblijfplaats hebben.

3° ingeschreven zijn als vreemdeling in het bevolkingsregister.

Men verstaat onder gezinslid van de onderdaan de minderjarige kinderen evenals de meerderjarige kinderen, de vader, de moeder, de schoonvader en de schoonmoeder die ten laste zijn van de onderdaan. De persoon die onder hetzelfde dak woont als de onderdaan en die wordt beschouwd als persoon ten laste van de onderdaan in de zin van de wet betreffende de verplichte verzekering voor gezondheidszorgen en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994 wordt beschouwd als zijnde ten laste van de onderdaan ».

B.2. Uit de feiten van de aan de verwijzende rechter voorgelegde zaak blijkt dat de persoon die om het voordeel van de aan personen met een handicap toegekende tegemoetkomingen verzoekt, van Mauritaanse nationaliteit is. Rekening houdend met de motieven van de beslissing van de verwijzende rechter, is het verschil in behandeling dat door het Hof moet worden onderzocht, dat wat onder de personen met een handicap bestaat tussen, enerzijds, de in paragraaf 1, 5°, van de in het geding zijnde bepaling bedoelde vluchtelingen en, anderzijds, de vreemdelingen die op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen een machtiging tot verblijf hebben verkregen : terwijl beiden volgens de verwijzende rechter de status van internationale bescherming zouden genieten waarin in de richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 « inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming » (hierna : de richtlijn 2004/83/EG) is voorzien, kunnen enkel de eerstgenoemden de krachtens de in het geding zijnde wet toegekende tegemoetkomingen genieten.

B.3. Bij zijn arrest nr. 124/2013 van 26 september 2013 heeft het Hof geoordeeld dat de subsidiaire beschermingsstatus de personen betreft die geen aanspraak kunnen maken op de vluchtelingenstatus maar die, om andere redenen dan die welke zijn vermeld in het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, internationale bescherming genieten omdat zij bij de terugkeer naar hun land van herkomst of naar het land waar zij vroeger gewoonlijk verbleven, een reëel risico lopen op ernstige schade in de zin van artikel 15 van de richtlijn 2004/83/EG en van artikel 48/4, § 2, van de wet van 15 december 1980, met name onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Met betrekking tot de vreemdelingen die vragen om tot een verblijf in het Rijk te worden gemachtigd om medische redenen, heeft het Hof vastgesteld dat de wetgever in artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 heeft voorzien in een procedure tot toekenning van een machtiging tot verblijf die verschilt van die waarin in artikel 48/4 van de wet (ingevoegd in de wet van 1980 bij de wet van 15 september 2006) is voorzien voor de vreemdelingen die het voormelde artikel 9ter niet kunnen genieten.

B.4. Het Hof heeft opgemerkt dat de richtlijn 2004/83/EG, die van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen de hoeksteen maakt van het internationale rechtsstelsel ter bescherming van vluchtelingen (overweging nr. 3), de beschermingsregeling waarin dat Verdrag voorziet, aanvult met een subsidiaire beschermingsregeling (overweging nr. 24) en bepaalt dat de lidstaten personen die subsidiaire bescherming genieten, een verblijfstitel verstrekken voor een minimumtermijn van één jaar die kan worden verlengd (artikel 24) en dat, tenzij anders is bepaald, de bepalingen die de kenmerken van de internationale bescherming omschrijven, zowel voor vluchtelingen gelden als voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen (artikel 20, lid 2); het Hof heeft in dat verband aangegeven dat de artikelen 28 en 29 van de voormelde richtlijn een dergelijke andersluidende bepaling bevatten met betrekking tot de sociale bijstand en de gezondheidszorg waarin is voorzien ten gunste van de personen die subsidiaire bescherming genieten.

B.5. Het Hof heeft aan het Hof van Justitie van de Europese Unie twee prejudiciële vragen gesteld waarvan enkel de eerste, luidend als volgt, werd beantwoord :

« Dienen de artikelen 2, onder e) en f), 15, 18, 28 en 29 van de richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 ' inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming ' aldus te worden geïnterpreteerd dat niet alleen de persoon aan wie, op zijn aanvraag, de subsidiaire beschermingsstatus is toegekend door een onafhankelijke autoriteit van een lidstaat de sociale voorzieningen en de gezondheidszorg moet kunnen genieten bedoeld in de artikelen 28 en 29 van die richtlijn, maar ook de vreemdeling die door een administratieve overheid van een lidstaat wordt gemachtigd tot verblijf op het grondgebied van die lidstaat en die op zodanige wijze aan een ziekte lijdt dat die ziekte een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit of een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling wanneer er geen adequate behandeling is in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft ? ».

B.6. Bij het in de zaak C-542/13 gewezen arrest van 18 december 2014 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (grote kamer) geoordeeld :

« 26. Blijkens de bewoordingen van de artikelen 28 en 29 van richtlijn 2004/83 zijn die artikelen van toepassing op personen die de vluchtelingenstatus of de subsidiaire-beschermingsstatus genieten.

27. Vaststaat, in de eerste plaats, dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wettelijke regeling niet ziet op de machtiging tot verblijf van derdelanders met een gegronde vrees voor vervolging in de zin van artikel 2, sub c, van richtlijn 2004/83 en, in de tweede plaats, dat zij er niet toe strekt de vluchtelingenstatus te verlenen aan derdelanders die op grond van die regeling tot verblijf worden gemachtigd.

28. Het Koninkrijk België is krachtens de artikelen 28 en 29 van die richtlijn bijgevolg alleen verplicht de in die artikelen bedoelde sociale voorzieningen en gezondheidszorg toe te kennen aan derdelanders die gemachtigd zijn tot verblijf in België krachtens de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wettelijke regeling, indien wordt aangenomen dat hun machtiging tot verblijf de toekenning van de subsidiaire-beschermingsstatus meebrengt.

29. Volgens artikel 18 van genoemde richtlijn verlenen de lidstaten die status aan derdelanders die voldoen aan de voorwaarden om voor subsidiaire bescherming in aanmerking te komen.

30. In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat de drie in artikel 15 van richtlijn 2004/83 omschreven soorten ' ernstige schade ' de voorwaarden vormen waaraan moet zijn voldaan opdat een persoon kan worden geacht in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming, wanneer er overeenkomstig artikel 2, sub e, van de richtlijn zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat de verzoeker, wanneer hij terugkeert naar het betrokken land van herkomst, een reëel risico loopt op dergelijke schade (arresten Elgafaji, C-465/07, EU: C: 2009: 94, punt 31, en Diakité, C-285/12, EU: C: 2014: 39, punt 18).

31. De risico's die derdelanders lopen op verslechtering van hun gezondheidstoestand om andere redenen dan het opzettelijk weigeren van medische zorg en waartegen de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wettelijke regeling bescherming biedt, vallen niet onder artikel 15, sub a en c, van genoemde richtlijn, aangezien de in die bepalingen omschreven schade respectievelijk bestaat in doodstraf of executie en in ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

32. Artikel 15, sub b, van richtlijn 2004/83 omschrijft ernstige schade die verband houdt met foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een derdelander in zijn land van herkomst.

33. Uit die bepaling volgt duidelijk dat zij alleen van toepassing is op onmenselijke of vernederende behandelingen die een verzoeker in zijn land van herkomst ondergaat. Daaruit volgt dat de Uniewetgever het voordeel van de subsidiaire bescherming heeft willen beperken tot gevallen waarin de betrokkene in zijn land van herkomst aan die behandelingen wordt onderworpen.

34. Bovendien moet voor de uitlegging van artikel 15, sub b, van richtlijn 2004/83, naast de doelstellingen van die richtlijn, ook rekening worden gehouden met een aantal elementen eigen aan de context van die bepaling (zie in die zin arrest Maatschap L.A. en D.A.B. Langestraat en P. Langestraat-Troost, C-11/12, EU: C: 2012: 808, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

35. In artikel 6 van richtlijn 2004/83 wordt een opsomming gegeven van de actoren van ernstige schade, hetgeen de opvatting bevestigt dat dergelijke schade moet voortvloeien uit de gedragingen van derden en dat het dus niet volstaat dat die schade louter het gevolg is van de algemene tekortkomingen van het gezondheidsstelsel in het land van herkomst.

36. Voorts preciseert punt 26 van de considerans van die richtlijn dat gevaren waaraan de bevolking van een land of een deel van de bevolking in het algemeen is blootgesteld, normaliter op zich geen individuele bedreiging vormen die als ernstige schade kan worden aangemerkt. De omstandigheid dat een derdelander die aan een ernstige ziekte lijdt, risico loopt op verslechtering van zijn gezondheidstoestand omdat in zijn land van herkomst geen adequate behandeling voorhanden is, doch hem niet opzettelijk medische zorg wordt geweigerd, volstaat dan ook niet om hem subsidiaire bescherming te verlenen.

37. Die uitlegging vindt bovendien steun in de punten 5, 6, 9 en 24 van de considerans van richtlijn 2004/83 waaruit blijkt dat, hoewel die richtlijn met de subsidiaire bescherming de vluchtelingenbescherming die is vastgelegd in het op 28 juli 1951 te Genève ondertekende Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, wil aanvullen door te bepalen welke personen werkelijk internationale bescherming behoeven (zie in die zin arrest Diakité, EU: C: 2014: 39, punt 33), de werkingssfeer van deze richtlijn zich niet uitstrekt tot personen die om andere redenen gemachtigd zijn tot verblijf op het grondgebied van de lidstaten, dat wil zeggen op discretionaire basis, uit mededogen of op humanitaire gronden.

38. Aan die uitlegging wordt niet afgedaan door de verplichting om artikel 15, sub b, van richtlijn 2004/83 uit te leggen met inachtneming van artikel 19, lid 2, van het Handvest (zie in die zin arrest Abed El Karem El Kott e.a., C-364/11, EU: C: 2012: 826, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak), volgens hetwelk niemand mag worden verwijderd naar een staat waar een ernstig risico bestaat dat hij aan onmenselijke of vernederende behandelingen wordt onderworpen, alsmede met inachtneming van artikel 3 EVRM waarmee laatstgenoemd artikel in wezen overeenstemt (arrest Elgafaji, EU: C: 2009: 94, punt 28).

39. In dat verband moet worden opgemerkt dat uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens, die volgens artikel 52, lid 3, van het Handvest, in aanmerking moet worden genomen bij de uitlegging van artikel 19, lid 2, van dat Handvest, volgt dat, hoewel niet-staatsburgers tegen wie een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, in beginsel geen aanspraak kunnen maken op een recht van verblijf op het grondgebied van een staat teneinde er medische, sociale of andere hulp en diensten te ontvangen van die staat, het besluit om een vreemdeling die aan een ernstige fysieke of psychische ziekte lijdt, te verwijderen naar een land dat over minder geschikte middelen beschikt om die ziekte te behandelen dan die waarover die lidstaat beschikt, in zeer uitzonderlijke omstandigheden, een bezwaar kan opleveren vanuit het oogpunt van artikel 3 EVRM, wanneer dwingende humanitaire overwegingen zich tegen die verwijdering verzetten (zie met name EHRM, arrest van 27 mei 2008, N./Verenigd Koninkrijk, § 42).

40. Dat artikel 3 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de rechten van de mens, zich in zeer uitzonderlijke omstandigheden ertegen verzet dat een derdelander die aan een ernstige ziekte lijdt, wordt verwijderd naar een land waar geen adequate behandeling voorhanden is, betekent evenwel niet dat hij op grond van de subsidiaire bescherming krachtens richtlijn 2004/83 tot verblijf in die lidstaat moet worden gemachtigd.

41. Gelet op een en ander moet artikel 15, sub b, van richtlijn 2004/83 aldus worden uitgelegd dat de daarin omschreven ernstige schade niet ziet op een situatie waarin onmenselijke of vernederende behandelingen, zoals die welke zijn bedoeld in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wettelijke regeling, die een verzoeker die aan een ernstige ziekte lijdt mogelijkerwijs ondergaat in geval van terugkeer naar zijn land van herkomst, het gevolg zijn van het ontbreken van adequate behandeling in dat land, zonder dat hem medische zorg opzettelijk wordt geweigerd.

42. Volgens artikel 3 van die richtlijn kunnen de lidstaten evenwel, onder meer ter bepaling van wie als voor subsidiaire bescherming in aanmerking komend persoon wordt erkend, gunstiger normen vaststellen of handhaven op voorwaarde evenwel dat die normen verenigbaar zijn met die richtlijn (zie in die zin arrest B en D, C-57/09 en C-101/09, EU: C: 2010: 661, punt 114).

43. Het in artikel 3 van richtlijn 2004/83 gemaakte voorbehoud staat eraan in de weg dat een lidstaat bepalingen vaststelt of handhaaft op grond waarvan de in de richtlijn bepaalde subsidiaire-beschermingsstatus wordt toegekend aan een derdelander die aan een ernstige ziekte lijdt, op grond dat hij risico loopt dat zijn gezondheidstoestand verslechtert omdat in zijn land van herkomst geen adequate behandeling voorhanden is, aangezien dergelijke bepalingen niet verenigbaar met die richtlijn zijn.

44. Gelet op de overwegingen in de punten 35 tot en met 37 van het onderhavige arrest, zou het namelijk in strijd zijn met de algemene opzet en de doelstellingen van richtlijn 2004/83 om de erin bepaalde statussen toe te kennen aan derdelanders die zich in situaties bevinden die geen enkel verband houden met de logica van de internationale bescherming.

45. Derhalve kan een wettelijke regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is niet worden beschouwd als een gunstigere norm in de zin van artikel 3 van die richtlijn om te bepalen welke personen voor de subsidiaire bescherming in aanmerking komen. Derdelanders die gemachtigd zijn tot verblijf krachtens een dergelijke wettelijke regeling, zijn dus geen personen met de subsidiaire beschermingsstatus, op wie de artikelen 28 en 29 van die richtlijn van toepassing zijn.

46. De toekenning door een lidstaat van die nationale beschermingsstatus om andere redenen dan de behoefte aan internationale bescherming in de zin van artikel 2, sub a, van de richtlijn, namelijk op discretionaire basis, uit mededogen of op humanitaire gronden, valt overigens niet binnen de werkingssfeer van de richtlijn, zoals punt 9 van de considerans van die richtlijn duidelijk maakt (arrest B en D, EU: C: 2010: 661, punt 118).

47. Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat de artikelen 28 en 29 van richtlijn 2004/83, gelezen in samenhang met de artikelen 2, sub e, 3, 15 en 18 van die richtlijn, aldus moeten worden uitgelegd dat een lidstaat niet verplicht is de in die artikelen bedoelde sociale voorzieningen en gezondheidszorg toe te kennen aan een derdelander die gemachtigd is tot verblijf op het grondgebied van die lidstaat krachtens een nationale wettelijke regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die bepaalt dat een machtiging tot verblijf in die lidstaat wordt verleend aan de vreemdeling die lijdt aan een ziekte die een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit of een reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling, wanneer er geen adequate behandeling is in het land van herkomst van die vreemdeling of in het derde land waar hij voordien verbleef, zonder dat hem in dat land opzettelijk medische zorg wordt geweigerd ».

B.7. Uit het voorafgaande vloeit voort dat de werkingssfeer van de voormelde richtlijn 2004/83/EG zich niet uitstrekt tot personen die, zoals de verzoeker voor de verwijzende rechter, om gezondheidsredenen zijn gemachtigd tot verblijf op het Belgische grondgebied, tenzij het opzettelijk weigeren van medische zorg aan die personen in hun land van herkomst of in het land waar zij voordien verbleven, in het geding is. Het in het geding zijnde verschil in behandeling met betrekking tot het al dan niet toekennen van de in de in het geding zijnde wet bedoelde tegemoetkomingen aan vluchtelingen of aan personen die om gezondheidsredenen zijn gemachtigd tot verblijf op het Belgische grondgebied, dient derhalve te worden onderzocht door in aanmerking te nemen dat, rekening houdend met de interpretatie van de bepalingen van de richtlijn die in het voormelde arrest van het Hof van Justitie is gegeven, die personen in de regel niet de bescherming genieten waarin zij voorziet.

B.8. Het voordeel van de bepalingen van de wet van 27 februari 1987 wordt alleen toegekend aan de Belgen en enkel aan de vreemdelingen ten aanzien van wie België zich heeft verbonden op grond van een in die aangelegenheid van toepassing zijnd internationaal verdrag. Het verschil in behandeling tussen de vluchtelingen en de vreemdelingen die om gezondheidsredenen zijn gemachtigd tot verblijf op het Belgische grondgebied, berust op een objectief en relevant criterium. De eerstgenoemden hebben de erkenning van hun hoedanigheid van vluchteling verkregen na te hebben aangetoond dat zij een gegronde vrees koesterden in hun land te worden vervolgd wegens hun ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of hun politieke overtuiging, zodat België ertoe verplicht is hen inzake sociale zekerheid te behandelen zoals de Belgische onderdanen. De laatstgenoemden hebben de machtiging tot verblijf verkregen zonder aan dergelijke verplichtingen te hebben moeten voldoen.

B.9. Het verschil in behandeling is niet onevenredig, want de vreemdelingen die om gezondheidsredenen zijn gemachtigd tot verblijf op het Belgische grondgebied, hebben recht op maatschappelijke dienstverlening en de bijzondere behoeften die een handicap meebrengt, vormen een element dat de openbare centra voor maatschappelijk welzijn in voorkomend geval in aanmerking moeten nemen wanneer om hun tegemoetkoming wordt verzocht.

B.10. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 4 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap schendt niet de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 28, lid 2, van de richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 « inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming », in zoverre het de tegemoetkomingen weigert aan de persoon die is gemachtigd tot verblijf op het Belgische grondgebied krachtens artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, zonder dat het opzettelijk weigeren van medische zorg aan die persoon in zijn land van herkomst of in het derde land waar hij voordien verbleef, in het geding is.

Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 21 mei 2015.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

J. Spreutels