Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 22 april 2010 (België)

Publicatie datum :
22-04-2010
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
5 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20100422-5
Rolnummer :
37/2010

Samenvatting

Het Hof zegt voor recht : De artikelen 1 en 2 van de wet van 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg schenden de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet niet.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, de rechters R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter P. Martens, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 17 juni 2009 in zake het openbaar ministerie tegen W. V.B., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 6 juli 2009, heeft de Correctionele Rechtbank te Veurne de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schenden artikel 1 en 2 van de wet van 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over de weg, de spoorweg en de waterweg, het legaliteitsbeginsel in strafzaken vervat in artikel 12, tweede lid en artikel 14 van de Grondwet doordat in artikel 1 van de voormelde wet van 18 februari 1969 aan de Koning, bij in ministerraad overlegd besluit, zonder specificatie de mogelijkheid wordt overgedragen om alle vereiste maatregelen te treffen ter uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit de internationale verdragen en uit de krachtens deze genomen internationale akten en welke maatregelen de opheffing en de wijziging van wetsbepalingen kunnen inhouden, en doordat geen aanduiding wordt gegeven van de internationale verdragen en internationale akten van welke het voorzien van maatregelen in aanmerking kan komen, terwijl in artikel 2 van de voormelde wet van 18 februari 1969 strafsancties bepaald worden voor de overtredingen van de besluiten die bij toepassing van artikel 1 worden genomen ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. Artikel 1 van de wet van 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg bepaalt :

« De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, inzake vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg, alle vereiste maatregelen treffen ter uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit de internationale verdragen en uit de krachtens deze genomen internationale akten, welke maatregelen de opheffing en de wijziging van wetsbepalingen kunnen inhouden.

Deze wet is niet van toepassing op de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen.

Deze wet geldt niet voor de verplichtingen die voortvloeien uit de verordeningen en de richtlijnen die uitgevaardigd zijn in toepassing van artikel 87 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, goedgekeurd bij de wet van 2 december 1957 ».

B.1.2. Artikel 2 van dezelfde wet bepaalt :

« § 1. De overtredingen van de besluiten die genomen werden bij toepassing van artikel 1 van deze wet worden gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en een geldboete van vijftig tot tienduizend euro, of slechts één van beide straffen, onverminderd de eventuele schadevergoeding.

De bepalingen van het eerste boek van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en van artikel 85, zijn toepasselijk op deze overtredingen.

Onverminderd artikel 56 van het Strafwetboek mag de straf, in geval van herhaling binnen twee jaren te rekenen van de veroordeling, evenwel niet minder bedragen dan het dubbel van de straf die vroeger voor dezelfde overtreding uitgesproken werd.

De politierechtbanken zijn bevoegd voor de in dit artikel bedoelde overtredingen.

§ 2. In afwijking van artikel 43, eerste lid, van het Strafwetboek, kan de rechter in de door de Koning bepaalde gevallen, de verbeurdverklaring of de tijdelijke vastlegging van het vervoermiddel bevelen.

In geval van tijdelijke vastlegging stelt de rechter de duur hiervan vast en wijst de plaats aan waar het vervoermiddel aan de ketting zal gelegd worden, op kosten en risico van de eigenaar.

§ 3. De schadevergoeding die toegekend wordt aan de burgerlijke partij is bevoorrecht op het vervoermiddel waarmede de overtreding werd gepleegd. Dit voorrecht neemt rang in onmiddellijk na dat bedoeld in artikel 20, 5°, van de wet van 16 december 1851.

§ 4. De personen die op grond van artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk zijn voor de schadevergoeding en de kosten, zijn het ook voor de geldboete ».

B.2. De verwijzende rechter wenst van het Hof te vernemen of de machtiging aan de Koning in het voormelde artikel 1 en de strafbaarstelling van de overtredingen van de op grond van die machtiging genomen besluiten in het voormelde artikel 2 het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel schenden, doordat de wetgever niet heeft gepreciseerd wat onder « alle vereiste maatregelen » moet worden verstaan en doordat hij evenmin nader heeft bepaald welke « internationale verdragen » en « internationale akten » worden beoogd.

B.3.1. Artikel 12, tweede lid, van de Grondwet bepaalt :

« Niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft ».

B.3.2. Artikel 14 van de Grondwet bepaalt :

« Geen straf kan worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet ».

B.4. Door aan de wetgevende macht de bevoegdheid te verlenen, enerzijds, om te bepalen in welke gevallen en in welke vorm strafvervolging mogelijk is en, anderzijds, om een wet aan te nemen op grond waarvan een straf kan worden bepaald en toegepast, waarborgen de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet aan elke burger dat geen enkele gedraging strafbaar zal worden gesteld en geen enkele straf zal worden opgelegd dan op grond van regels aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering.

B.5. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken gaat niet zover dat het de wetgever ertoe verplicht elk aspect van de strafbaarstelling zelf te regelen. Een delegatie aan de Koning is niet in strijd met dat beginsel voor zover de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen voorafgaandelijk door de wetgever zijn vastgesteld.

B.6. De zaak voor de verwijzende rechter heeft betrekking op inbreuken op de artikelen 13 en 15, lid 7, van de Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer. Een koninklijk besluit van 14 juli 2005 bepaalt dat de inbreuken op die verordening en op dat koninklijk besluit worden bestraft overeenkomstig artikel 2 van de wet van 18 februari 1969.

Het Hof beperkt zijn onderzoek in dit geval tot de hypothese dat de machtiging aan de Koning betrekking heeft op verplichtingen die voortvloeien uit een Europese verordening.

B.7. Een verordening heeft een algemene strekking. Zij is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat (artikel 288, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie). Een verordening heeft slechts bindende kracht nadat zij, samen met de bijlagen in voorkomend geval, in het Publicatieblad van de Europese Unie is bekendgemaakt.

B.8.1. Artikel 13 van de Verordening (EEG) nr. 3821/85 bepaalt :

« De werkgever en de bestuurders zien toe op de juiste werking en het juiste gebruik van het controleapparaat en van de bestuurderskaart, indien de bestuurder moet rijden met een voertuig dat is uitgerust met een aan bijlage I B beantwoordend controleapparaat ».

B.8.2. Artikel 15, lid 7, van dezelfde verordening bepaalt :

« a) Wanneer de bestuurder rijdt met een voertuig dat is uitgerust met een aan bijlage I beantwoordend controleapparaat, moet hij op verzoek van de met de controle belaste ambtenaren het volgende kunnen tonen :

i) de registratiebladen van de lopende week en die welke de bestuurder de voorafgaande vijftien dagen heeft gebruikt,

ii) de bestuurderskaart, indien hij houder is van een dergelijke kaart, en

iii) alle handmatig opgetekende gegevens en afdrukken van de lopende week zelf en van de voorafgaande 15 dagen, zoals vereist uit hoofde van deze verordening en Verordening (EG) nr. 561/2006.

Echter na 1 januari 2008 bestrijken de onder i) en iii) bedoelde perioden de dag zelf en de voorafgaande 28 dagen.

b) Wanneer de bestuurder rijdt met een voertuig dat is uitgerust met een aan bijlage I B beantwoordend controleapparaat, moet hij op verzoek van de met controle belaste ambtenaren het volgende kunnen tonen :

i) de bestuurderskaart waarvan hij houder is,

ii) alle handmatig geregistreerde gegevens en afdrukken van de week zelf en van de voorafgaande 15 dagen, zoals vereist uit hoofde van deze verordening en Verordening (EG) nr. 561/2006, en

iii) de registratiebladen voor dezelfde periode als die welke onder ii) is bedoeld en waarin hij heeft gereden met een voertuig dat is uitgerust met een aan bijlage I beantwoordend controleapparaat.

Echter na 1 januari 2008 bestrijken de onder ii) bedoelde perioden evenwel de dag zelf en de voorafgaande 28 dagen.

c) Een met de controle belaste ambtenaar met inspectiebevoegdheid kan de naleving van Verordening (EG) nr. 561/2006 controleren door onderzoek van de registratiebladen, de getoonde of afgedrukte gegevens die door het controleapparaat of de bestuurderskaart zijn geregistreerd of, bij ontbreken daarvan, door analyse van elk ander bewijsdocument aan de hand waarvan de niet-naleving van een bepaling zoals deze neergelegd in artikel 16, leden 2 en 3, kan worden gerechtvaardigd ».

B.8.3. Artikel 19, lid 1, van dezelfde verordening bepaalt :

« De Lid-Staten stellen, na raadpleging van de Commissie, tijdig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van deze verordening.

Deze bepalingen hebben onder andere betrekking op de organisatie, de procedure en de controlemiddelen, alsmede op de sancties die bij overtreding kunnen worden toegepast ».

B.9. Het komt aan de wetgever toe de vereiste maatregelen te nemen tot uitvoering van een verordening of de Koning daartoe te machtigen. Wanneer de wetgever de niet-naleving van een bepaling strafbaar stelt, dan vereist het wettigheidsbeginsel, gewaarborgd door artikel 12, tweede lid, van de Grondwet, dat de machtiging aan de Koning voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen voorafgaandelijk door de wetgever zijn vastgesteld.

B.10. Doordat een Europese verordening rechtstreeks toepasselijk is in de Belgische rechtsorde, kan zij eveneens krachtens artikel 34 van de Grondwet de vereiste essentiële elementen bevatten. Dat is met name het geval wat de hoger vermelde artikelen 13 en 15, lid 7, van de Verordening (EEG) nr. 3821/85 betreft.

De voorschriften waarvan de niet-naleving door de wetgever strafbaar is gesteld, zijn derhalve op nauwkeurige wijze uiteengezet. De strafbaarstelling van inbreuken op de verordening vloeit voort uit artikel 2, § 1, van de wet van 18 februari 1969 dat de overtreding van de besluiten, genomen met toepassing van de machtiging bedoeld in artikel 1 van dezelfde wet, strafbaar stelt. De minimum- en de maximumstraf zijn uitdrukkelijk bepaald in artikel 2, § 1, van de wet van 18 februari 1969.

In een dergelijke juridische context kan de wetgever, zonder aan het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel afbreuk te doen, de nadere uitvoering van verordeningen op een bepaald domein, te dezen het vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg, in haar geheel aan de Koning opdragen, zonder dat hij dat voor elke verordening afzonderlijk dient te bevestigen en zonder dat hij nader dient te preciseren welke uitvoeringsmaatregelen de Koning mag nemen.

B.11. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

De artikelen 1 en 2 van de wet van 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg schenden de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 22 april 2010.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.