Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 22 december 2010 (België)

Publicatie datum :
22-12-2010
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
5 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20101222-3
Rolnummer :
151/2010

Samenvatting

Het Hof zegt voor recht : Artikel 9 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 17 juli 1997 betreffende de strijd tegen geluidshinder in een stedelijke omgeving schendt noch artikel 23 van de Grondwet, noch het beginsel van de vrijheid van handel en nijverheid.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter M. Melchior, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest nr. 199.465 van 13 januari 2010 in zake de vzw « Airline Operators Committee Brussels » en Luc Geens tegen het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 18 januari 2010, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 9 van de ordonnantie van 17 juli 1997 betreffende de strijd tegen geluidshinder in een stedelijke omgeving artikel 23 van de Grondwet afzonderlijk genomen en in samenhang gelezen met de vrijheid van handel en onderneming doordat het de regering machtigt om elementen zoals de geluidsnormen te bepalen ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de tussenkomst van de Waalse Regering

B.1.1. De vzw « Airline Operators Committee Brussels » en Luc Geens voeren aan dat de memorie van de Waalse Regering niet ontvankelijk is, bij gebrek aan het bewijs van de beslissing om voor het Hof in rechte te treden. De nv « The Brussels Airport Company » en anderen sluiten zich daarbij aan.

B.1.2. Artikel 7, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof bepaalt :

« Indien een rechtspersoon het beroep instelt of in het geding tussenkomt, legt deze partij, op het eerste verzoek, het bewijs voor van de beslissing om het beroep in te stellen of voort te zetten of om tussen te komen en, wanneer haar statuten moeten worden bekendgemaakt in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad , een kopie van die bekendmaking ».

Dat voorschrift geldt evenwel niet ten aanzien van de Regeringen, die krachtens de artikelen 77 en 85 van de voormelde bijzondere wet door de griffier van het Hof in kennis worden gesteld van alle verwijzingsbeslissingen en die binnen 45 dagen na ontvangst van die kennisgeving een memorie kunnen indienen, zonder van een belang te moeten doen blijken.

Weliswaar schrijft artikel 7, tweede lid, van de voormelde bijzondere wet voor dat de Ministerraad, de Regering van een gemeenschap of gewest of de voorzitter van een wetgevende vergadering bij het verzoekschrift een « voor eensluidend verklaard afschrift van de beslissing » dient te voegen, maar zulks geldt enkel voor het instellen van een beroep tot vernietiging, en niet voor een tussenkomst naar aanleiding van een ingesteld beroep of in een prejudiciële procedure.

B.1.3. De exceptie wordt verworpen.

Ten aanzien van de prejudiciële vraag

B.2. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 9 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 17 juli 1997 betreffende de strijd tegen geluidshinder in een stedelijke omgeving (hierna : ordonnantie van 17 juli 1997), dat bepaalt :

« De Regering treft elke maatregel om :

1° de geluidshinder van bepaalde bronnen te beperken door de maximale emissie- of immissienormen te bepalen;

2° aanvaardbare grenswaarden inzake geluidsbronnen vast te stellen, naargelang de oorsprong, hun stedenbouwkundige plaatsaanduiding, hun akoestische kenmerken en de noodzaak om in het bijzonder de bewoners van gebouwen gelegen in welbepaalde zones te beschermen;

3° het gebruik van toestellen, tuigen of voorwerpen die in bepaalde omstandigheden zeer hinderlijke geluiden of trillingen voortbrengen of kunnen voortbrengen te reglementeren;

4° in voorkomend geval, door toekenning van subsidies, de plaatsing en het gebruik van toestellen, bouwmateriaal of tuigen bestemd om het geluid of de trillingen te verminderen, te dempen of de hinder ervan te verhelpen, te bevorderen;

5° in voorkomend geval, door toekenning van premies of subsidies, het aankopen van sonometers en het opleiden om deze te gebruiken door de gemeentelijke overheden te bevorderen ».

B.3. De prejudiciële vraag strekt in de eerste plaats ertoe van het Hof te vernemen of de machtiging die in de voormelde bepaling is vervat, bestaanbaar is met artikel 23 van de Grondwet.

Artikel 23 van de Grondwet bepaalt :

« Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden.

Daartoe waarborgen de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen.

Die rechten omvatten inzonderheid :

1° het recht op arbeid en op de vrije keuze van beroepsarbeid in het raam van een algemeen werkgelegenheidsbeleid dat onder meer gericht is op het waarborgen van een zo hoog en stabiel mogelijk werkgelegenheidspeil, het recht op billijke arbeidsvoorwaarden en een billijke beloning, alsmede het recht op informatie, overleg en collectief onderhandelen;

2° het recht op sociale zekerheid, bescherming van de gezondheid en sociale, geneeskundige en juridische bijstand;

3° het recht op een behoorlijke huisvesting;

4° het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu;

5° het recht op culturele en maatschappelijke ontplooiing ».

B.4. Die grondwetsbepaling verbiedt de bevoegde wetgever niet aan de Regering machtigingen te verlenen, voor zover die machtigingen betrekking hebben op het aannemen van maatregelen waarvan het onderwerp door de bevoegde wetgever is aangegeven.

B.5.1. De memorie van toelichting vermeldt :

« Het voorgelegde ontwerp van ordonnantie neemt de vorm aan van een ordonnantie-kader dat de gehele geluidsproblematiek dekt. Dit legt de algemene beginselen vast voor de strijd tegen geluidshinder en machtigt de Regering ertoe de grenswaarden voor emissie en immissie, de methodes en de meetapparatuur te bepalen.

De keuze om de technische normen aan uitvoeringsbesluiten voor te behouden, wordt verantwoord door de noodzaak om zowel rekening te houden met de technologische ontwikkeling als met de wetenschappelijke kennis, de opgedane veldervaring en de economische weerslag van deze normen » (Parl. St., Brusselse Hoofdstedelijke Raad, 1996-1997, nr. A-151/1, p. 2).

De doelstelling van de ordonnantie bestaat in

« een gepland beheer van de geluidshinder, [ter] verbetering van de levenskwaliteit in het [Brusselse Hoofdstedelijke] Gewest.

Bijgevolg dient enerzijds meer rekening te worden gehouden met de soorten geluiden, de tijdsduur en de kenmerken ervan. Anderzijds gaat het erom een zekere buigzaamheid in te voeren om rekening te houden met de ontwikkeling op het vlak van de internationale ervaring, de ontwikkeling van de formuleringen inzake regelgeving en technische vorderingen » (ibid., p. 3).

B.5.2. Volgens haar artikel 3, in de oorspronkelijke versie van vóór de wijziging bij de ordonnantie van 1 april 2004, heeft de ordonnantie van 17 juli 1997 meer bepaald tot doel :

« 1° geluidshinder en trillingen afkomstig van vaste of beweeglijke bronnen te voorkomen;

2° een akoestische bescherming in te voeren voor de bewoonde gebouwen en voor de open ruimten voor privé of collectief gebruik;

3° de bewoners van gebouwen te beschermen tegen geluidshinder.

Rekening houdende met de technische mogelijkheden en de technologische ontwikkeling en de economische weerslag van de maatregel, zal de Regering in de eerste plaats toezien op :

1° de vermindering van geluidshinder en trillingen aan de bron;

2° de invoering van een aangepaste akoestische bescherming die de emissie van geluiden en trillingen beperkt;

3° de isolatie tegen geluiden en trillingen van de te beschermen bewoonde gebouwen en de schadeloosstelling van de benadeelde personen ».

B.5.3. Het oorspronkelijke artikel 2 van de ordonnantie van 17 juli 1997 bevatte definities van de begrippen « bron », « bewoonde gebouwen », « Instituut » en « Raad voor het Leefmilieu ». Artikel 4 belastte het Brussels Instituut voor Milieubeheer (BIM) met de uitwerking van een gewestelijk plan ter bestrijding van de geluidshinder, bestaande uit een (thans in artikel 4bis ) nader omschreven « geluidskadaster », een « algemeen beleid ter bestrijding van de geluidshinder dat tevens preventieve maatregelen omvat » en een « beoordeling van de technische of reglementaire normen, van de financiële middelen, van de acties voor de bewustmaking en de voorlichting van de bevolking en de ondernemingen, welke nodig zijn om de doelstellingen van het plan te verwezenlijken ». Na een openbaar onderzoek waarbij de gemeenten worden betrokken, legt het BIM een ontwerp-plan voor aan de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, die het definitieve plan aanneemt (artikel 5). Volgens het oorspronkelijke artikel 6, tweede lid (thans artikel 6, vierde lid), zijn de bepalingen van het plan dwingend voor de overheden die onder het toezicht van het Gewest vallen, maar richtinggevend voor de overige rechtssubjecten. Artikel 7 voorziet in een regeling van evaluatie en aanpassing van het plan. Artikel 8 machtigt de gemeenten om verordeningen inzake geluidshinder uit te vaardigen mits inachtneming van de bepalingen en de doelstellingen van het plan, en voorziet daarbij in een procedure van openbaar onderzoek en de medewerking van het BIM.

De in het geding zijnde bepaling, die ongewijzigd is gebleven, maakt deel uit van hoofdstuk III, getiteld « Algemene preventieve maatregelen ». Datzelfde hoofdstuk bevat nog artikel 10, dat voorziet in een procedure om, op aanvraag van een significant aantal bewoners van een wijk, geluidshinder in de wijk te doen onderzoeken en verhelpen.

Voorts bevat de ordonnantie van 17 juli 1997 afzonderlijke hoofdstukken met bepalingen inzake de strijd tegen geluidshinder op de openbare weg (artikelen 11-12), en tegen buurtlawaai (artikelen 13-14), betreffende de controle van de geluidshinder (artikelen 15-20, waarvan de eerste vijf werden opgeheven bij de ordonnantie van 25 maart 1999), en slotbepalingen (artikelen 21-23).

B.5.4. In de aanhef van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 mei 1999 betreffende de bestrijding van geluidshinder voortgebracht door het luchtverkeer (Belgisch Staatsblad , 11 augustus 1999) wordt « inzonderheid » gerefereerd aan het in het geding zijnde artikel 9 van de ordonnantie van 17 juli 1997, dat als de rechtsgrondslag voor dat besluit wordt aangemerkt.

Artikel 1 van dat besluit definieert een aantal begrippen en gebieden die verband houden met de geluidsmeting voor overvliegende vliegtuigen. Artikel 2 bepaalt de waarden in dB(A) die overdag en 's nachts in drie gebieden niet mogen worden overschreden voor de respectieve niveaus « Levt » en « Lsp vliegtuig » zoals gedefinieerd in artikel 1.

De artikelen 3 en 4 hebben betrekking op de meetapparatuur en de voorwaarden voor het gebruik ervan.

Artikel 5 bevat een tabel, uitgedrukt in dezelfde vorm als die van artikel 2, met lagere waarden, waarmee de « grenswaarden » op het einde van een door de Regering vastgestelde aanpassingperiode in overeenstemming moeten worden gebracht.

Artikel 6, ten slotte, bepaalt dat de in artikel 2 vastgestelde normen van toepassing zijn vanaf 1 januari 2000.

B.6. Zoals blijkt uit de tekst van de ordonnantie van 17 juli 1997 en uit de parlementaire voorbereiding ervan, beoogde de ordonnantiegever een globaal kader vast te stellen voor de strijd tegen de geluidshinder, met een regeling van de planning voor die aanpak en, naast « algemene preventiemaatregelen » waartoe de in het geding zijnde bepaling behoort, meer gerichte bepalingen voor de strijd tegen geluidshinder op de openbare weg en tegen buurtlawaai en betreffende de controle van de geluidshinder.

B.7. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat de ordonnantiegever op voldoende wijze het onderwerp van de machtiging heeft aangegeven.

Overigens blijkt uit de parlementaire voorbereiding dat de ordonnantiegever bij het creëren van het algemene kader voor de strijd tegen de geluidshinder tevens oog had voor de geluidshinder voortkomend van het vliegtuigverkeer (Parl. St., Brusselse Hoofdstedelijke Raad, 1996-1997, nr. A-151/2, pp. 3-5, 7, 14, 19 en 21).

De in het geding zijnde machtiging is derhalve niet strijdig met artikel 23 van de Grondwet, afzonderlijk beschouwd.

B.8. In deze zaak is het niet nodig te bepalen of een wetskrachtige norm kan worden getoetst op zijn bestaanbaarheid met artikel 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de vrijheid van handel en nijverheid, noch of die vrijheid deel uitmaakt van de economische, sociale en culturele rechten die door die grondwetsbepaling worden gewaarborgd.

Het volstaat immers vast te stellen dat de Brusselse ordonnantiegever, door enkel aan de Regering op te dragen bepaalde maatregelen inzake de strijd tegen de geluidshinder te nemen, op zich niet de vrijheid van handel en nijverheid heeft belemmerd en dat de in het geding zijnde bepaling niet kan worden begrepen als een machtiging om die vrijheid te miskennen.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 9 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 17 juli 1997 betreffende de strijd tegen geluidshinder in een stedelijke omgeving schendt noch artikel 23 van de Grondwet, noch het beginsel van de vrijheid van handel en nijverheid.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 22 december 2010.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.