Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 22 december 2010 (België)

Publicatie datum :
22-12-2010
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
11 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20101222-6
Rolnummer :
154/2010

Samenvatting

Het Hof verwerpt het beroep.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter M. Melchior, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van emeritus voorzitter M. Melchior,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 17 februari 2010 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 18 februari 2010, is beroep tot vernietiging ingesteld van de wet van 31 juli 2009 « tot wijziging van artikel 119 van het Gerechtelijk Wetboek en van artikel 57bis van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade » en van artikel 119, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals dat artikel werd vervangen bij artikel 209 van de wet van 21 december 2009 tot hervorming van het hof van assisen (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 18 augustus 2009 en 11 januari 2010) door de vzw « Défense des Enfants-International-Belgique-Branche francophone (D.E.I. Belgique) », met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Kiekenmarkt 30, en de vzw « Ligue des Droits de l'Homme », met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Kogelstraat 22.

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van de bestreden bepalingen

B.1.1. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van de wet van 31 juli 2009 « tot wijziging van artikel 119 van het Gerechtelijk Wetboek en van artikel 57bis van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade » en de vernietiging van artikel 119, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals het werd gewijzigd bij artikel 209 van de wet van 21 december 2009 tot hervorming van het hof van assisen.

B.1.2. De artikelen 2 en 3 van de voormelde wet van 31 juli 2009 bepalen :

« Art. 2. Artikel 119 van het Gerechtelijk Wetboek wordt aangevuld met een lid, luidende :

' Indien vervolging wordt ingesteld tegen tenminste één persoon ten aanzien van wie, met toepassing van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, een beslissing tot uithandengeving is genomen in het kader van een niet-correctionaliseerbare misdaad, moet het Hof van Assisen, om rechtsgeldig samengesteld te zijn, twee magistraten tellen die de opleiding hebben genoten die georganiseerd wordt in het kader van de in artikel 259sexies, § 1, 1°, derde lid, bedoelde voortgezette opleiding van de magistraten, die vereist is voor de uitoefening van het ambt van rechter in de jeugdrechtbank. ' ».

« Art. 3. In artikel 57bis, § 1, eerste lid, van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, ingevoegd bij de wet van 13 juni 2006 en gedeeltelijk vernietigd bij arrest nr. 49/2008 van het Grondwettelijk Hof, worden de woorden ' ofwel, indien de betrokkene ervan wordt verdacht een niet-correctionaliseerbare misdaad te hebben gepleegd, het gerecht dat krachtens het gemeen recht bevoegd is, als daartoe grond bestaat ' vervangen door de woorden ' ofwel, indien de betrokkene ervan wordt verdacht een niet-correctionaliseerbare misdaad te hebben gepleegd, een hof van assisen dat samengesteld is overeenkomstig de bepalingen van artikel 119, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, als daartoe grond bestaat ' ».

B.1.3. Zoals het werd vervangen bij artikel 209 van de voormelde wet van 21 december 2009, bepaalt artikel 119 van het Gerechtelijk Wetboek :

« § 1. Het hof van assisen bestaat uit een voorzitter en twee assessoren. Het hof houdt zitting bijgestaan door een jury. Voor de behandeling en de berechting van burgerlijke rechtsvorderingen houdt het zitting zonder jury.

§ 2. Indien vervolging wordt ingesteld tegen ten minste één persoon ten aanzien van wie, met toepassing van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, een beslissing tot uithandengeving is genomen in het kader van een niet-correctionaliseerbare misdaad, moet het hof van assisen, om rechtsgeldig samengesteld te zijn, bestaan uit minstens twee magistraten die de voortgezette opleiding hebben gevolgd als bedoeld in artikel 259sexies, § 1, 1°, derde lid, of artikel 259sexies, § 1, 2°, tweede lid ».

B.1.4. Artikel 209 van de wet van 21 december 2009 heeft dus impliciet, vanaf de inwerkingtreding ervan - zijnde 21 januari 2010 -, artikel 2 van de wet van 31 juli 2009 opgeheven.

B.1.5. Met de wijzigingen die hij heeft aangebracht in artikel 119 van het Gerechtelijk Wetboek en in artikel 57bis van de wet van 8 april 1965, wil de wetgever gevolg geven aan het arrest nr. 49/2008 van 13 maart 2008, waarbij het Hof artikel 57bis, § 1, van de wet van 8 april 1965, zoals het was ingevoegd bij artikel 21 van de wet van 13 juni 2006 « tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd », gedeeltelijk had vernietigd (zie, in dat verband, Parl. St., Kamer, 2007-2008, DOC 52-1149/001, p. 5).

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep

B.2.1. De verzoekende partijen beschikken over het belang om tegen de bestreden bepalingen beroep in te stellen. In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad beweert, zijn die bepalingen immers niet noodzakelijk voordeliger, wat betreft de collectieve belangen die de verzoekende partijen verdedigen, dan de vroegere wetgeving, zoals die eruit zag na de gedeeltelijke vernietiging uitgesproken bij het voormelde arrest nr. 49/2008.

Bovendien zou het opnieuw in werking stellen van de vroegere bepalingen, dat het gevolg zou zijn van de vernietiging van de bestreden bepalingen, de verzoekende partijen niet hun belang ontnemen bij de vernietiging van die bepalingen. In geval van vernietiging zou immers voor de verzoekende partijen opnieuw een kans bestaan dat de wetgever een nieuwe bepaling aanneemt die voor hen gunstig zou zijn.

Die vaststelling wordt geenszins tenietgedaan door het feit dat de nieuwe wetgeving ertoe strekt gevolg te geven aan een door het Hof uitgesproken vernietigingsarrest.

B.2.2. De exceptie wordt verworpen.

Ten gronde

B.3.1. Het eerste middel is afgeleid uit de schending, door de bestreden bepalingen, van artikel 22bis van de Grondwet en van de artikelen 10 en 11 ervan, in samenhang gelezen met de artikelen 6.1, 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 14, lid 4 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met de artikelen 3 en 40 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind en met een « algemeen rechtsbeginsel dat de absolute inachtneming van het hoger belang van het kind vastlegt ».

B.3.2. Het tweede middel is, in ondergeschikte orde, afgeleid uit de schending, door de bestreden bepalingen, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de wetgever, enerzijds, een onverantwoord verschil in behandeling zou handhaven onder de uit handen gegeven minderjarigen naargelang zij worden verwezen naar de bijzondere kamer van de jeugdrechtbank of naar het hof van assisen en, anderzijds, een discriminerende gelijkwaardige behandeling van de personen die naar een hof van assisen worden verwezen, zonder dat rekening wordt gehouden met hun statuut van minderjarige of meerderjarige.

B.4.1. Artikel 22bis van de Grondwet bepaalt :

« Elk kind heeft recht op eerbiediging van zijn morele, lichamelijke, geestelijke en seksuele integriteit.

Elk kind heeft het recht zijn mening te uiten in alle aangelegenheden die het aangaan; met die mening wordt rekening gehouden in overeenstemming met zijn leeftijd en zijn onderscheidingsvermogen.

Elk kind heeft recht op maatregelen en diensten die zijn ontwikkeling bevorderen.

Het belang van het kind is de eerste overweging bij elke beslissing die het kind aangaat.

De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen deze rechten van het kind ».

B.4.2. Artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :

« Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld. Het vonnis moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd gedurende het gehele proces of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of 's lands veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van partijen bij het proces dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bepaalde omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer openbaarmaking de belangen van de rechtspraak zou schaden ».

B.4.3. Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :

« 1. Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ».

B.4.4. Artikel 14, lid 4 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten bepaalt :

« Wanneer het jeugdige personen betreft, dient rekening te worden gehouden met hun leeftijd en de wenselijkheid hun reclassering te bevorderen ».

Die bepaling stemt in ruime mate overeen met de waarborgen van een eerlijk proces die, krachtens artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, van toepassing zijn op een gerechtelijke procedure waarin een minderjarige is betrokken (EHRM, 11 december 2008, Panovits t. Cyprus, § 41).

B.4.5. Artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind bepaalt :

« 1. Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging.

2. De Staten die partij zijn, verbinden zich ertoe het kind te verzekeren van de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn of haar welzijn, rekening houdend met de rechten en plichten van zijn of haar ouders, wettige voogden of anderen die wettelijk verantwoordelijk voor het kind zijn, en nemen hiertoe alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen.

3. De Staten die partij zijn, waarborgen dat de instellingen, diensten en voorzieningen die verantwoordelijk zijn voor de zorg voor of de bescherming van kinderen voldoen aan de door de bevoegde autoriteiten vastgestelde normen, met name ten aanzien van de veiligheid de gezondheid, het aantal personeelsleden en hun geschiktheid, alsmede bevoegd toezicht ».

B.4.6. Artikel 40 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind bepaalt :

« 1. De Staten die partij zijn, erkennen het recht van ieder kind dat wordt verdacht van, vervolgd wegens of veroordeeld terzake van het begaan van een strafbaar feit, op een wijze van behandeling die geen afbreuk doet aan het gevoel van waardigheid en eigenwaarde van het kind, die de eerbied van het kind voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van anderen vergroot, en waarbij rekening wordt gehouden met de leeftijd van het kind en met de wenselijkheid van het bevorderen van de herintegratie van het kind en van de aanvaarding door het kind van een opbouwende rol in de samenleving.

2. Hiertoe, en met inachtname van de desbetreffende bepalingen van internationale akten, waarborgen de Staten die partij zijn met name dat :

a) geen enkel kind wordt verdacht van, vervolgd wegens of veroordeeld terzake van het begaan van een strafbaar feit op grond van enig handelen of nalaten dat niet volgens het nationale of internationale recht verboden was op het tijdstip van het handelen of nalaten;

b) ieder kind dat wordt verdacht van of vervolgd wegens het begaan van een strafbaar feit, ten minste de volgende garanties heeft :

(i) dat het voor onschuldig wordt gehouden tot zijn of haar schuld volgens de wet is bewezen;

(ii) dat het onverwijld en rechtstreeks in kennis wordt gesteld van de tegen hem of haar ingebrachte beschuldigingen, indien van toepassing door tussenkomst van zijn of haar ouders of wettige voogd, en dat het juridische of andere passende bijstand krijgt in de voorbereiding en het voeren van zijn of haar verdediging;

(iii) dat de aangelegenheid zonder vertraging wordt beslist door een bevoegde, onafhankelijke en onpartijdige autoriteit of rechterlijke instantie in een eerlijke behandeling overeenkomstig de wet, in aanwezigheid van een rechtskundige of anderszins deskundige raadsman of -vrouw, en, tenzij dit wordt geacht niet in het belang van het kind te zijn, met name gezien zijn of haar leeftijd of omstandigheden, in aanwezigheid van zijn of haar ouders of wettige voogden;

(iv) dat het er niet toe wordt gedwongen een getuigenis af te leggen of schuld te bekennen; dat het getuigen à charge kan ondervragen of doen ondervragen en dat het de deelneming en ondervraging van getuigen à décharge op gelijke voorwaarden kan doen geschieden;

(v) indien het schuldig wordt geacht aan het begaan van een strafbaar feit, dat dit oordeel en iedere maatregel die dientengevolge wordt opgelegd, opnieuw wordt beoordeeld door een hogere bevoegde, onafhankelijke en onpartijdige autoriteit of rechterlijke instantie overeenkomstig de wet;

(vi) dat het kind kosteloze bijstand krijgt van een tolk indien het de gebruikte taal niet verstaat of spreekt;

(vii) dat zijn of haar privéleven volledig wordt geëerbiedigd tijdens alle stadia van het proces.

3. De Staten die partij zijn, streven ernaar de totstandkoming te bevorderen van wetten, procedures, autoriteiten en instellingen die in het bijzonder bedoeld zijn voor kinderen die worden verdacht van, vervolgd wegens of veroordeeld terzake van het begaan van een strafbaar feit, en, in het bijzonder :

a) de vaststelling van een minimumleeftijd onder welke kinderen niet in staat worden geacht een strafbaar feit te begaan;

b) de invoering, wanneer passend en wenselijk, van maatregelen voor de handelwijze van deze kinderen zonder dat men zijn toevlucht neemt tot gerechtelijke stappen, mits de rechten van de mens en de wettelijke garanties volledig worden geëerbiedigd.

4. Een verscheidenheid van regelingen, zoals rechterlijke bevelen voor zorg, begeleiding en toezicht; adviezen; jeugdreclassering; pleegzorg; programma's voor onderwijs en beroepsopleiding en andere alternatieven voor institutionele zorg dient beschikbaar te zijn om te verzekeren dat de handelwijze ten aanzien van kinderen hun welzijn niet schaadt en in de juiste verhouding staat zowel tot hun omstandigheden als tot het strafbare feit ».

B.5. De verzoekende partijen verwijten de wetgever in hoofdzaak dat hij geen rekening heeft gehouden met het hoger belang van het kind (eerste onderdeel van het eerste middel), dat hij het recht op eerbiediging van het privéleven van de minderjarige, alsook diens recht op een eerlijk proces schendt (tweede onderdeel van het eerste middel), en dat hij heeft nagelaten een gespecialiseerd rechtssysteem voor delinquente minderjarigen in te voeren, bestaande uit magistraten die een voldoende en aangepaste opleiding hebben gevolgd (derde onderdeel van het eerste middel, en eerste tot vijfde onderdeel van het tweede middel).

Zij bekritiseren de bestreden bepalingen eveneens in die zin dat zij de naar het hof van assisen verwezen minderjarige het recht op een dubbele aanleg ontzeggen (zesde onderdeel van het tweede middel), hem zware straffen laten opleggen (zevende onderdeel van het tweede middel), zich ertegen verzetten dat zijn zaak zonder vertraging wordt behandeld (achtste onderdeel van het tweede middel) en zijn ouders verhinderen aan de procedure voor het Hof van Assisen deel te nemen (negende onderdeel van het tweede middel).

B.6.1. De Ministerraad wijst in de eerste plaats erop dat in een aantal onderdelen een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet wordt aangevoerd zonder dat de verzoekende partijen preciseren welke categorieën van personen moeten worden vergeleken, of in welk opzicht de bestreden bepalingen een verschil in behandeling met zich zouden meebrengen.

B.6.2. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden.

Wanneer een schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie wordt aangevoerd, moet in de regel worden gepreciseerd welke categorieën van personen met elkaar moeten worden vergeleken en in welk opzicht de bestreden bepaling een verschil in behandeling teweegbrengt dat discriminerend zou zijn.

Wanneer echter een schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in samenhang gelezen met een ander grondrecht, wordt aangevoerd, volstaat het te preciseren in welk opzicht dat grondrecht is geschonden. De categorie van personen van wie dat grondrecht zou zijn geschonden, moet immers worden vergeleken met de categorie van personen voor wie dat grondrecht is gewaarborgd.

B.6.3. Het Hof zal de middelen onderzoeken voor zover zij aan de voormelde vereisten voldoen.

B.7.1. De Ministerraad betwist nog de ontvankelijkheid van de meeste onderdelen van het tweede middel doordat de verzoekende partijen daarin andere wettelijke bepalingen zouden bekritiseren dan die welke het voorwerp vormen van onderhavig beroep. Dat zou gelden voor de kritiek betreffende de ontoereikende opleiding van de juryleden (eerste onderdeel), van het openbaar ministerie dat belast is met de uitspraak over de opportuniteit van een vervolging (tweede onderdeel), van de kamer van inbeschuldigingstelling (derde onderdeel) en van de procureur-generaal (vierde onderdeel), en voor de grieven betreffende het ontbreken van een dubbele aanleg (zesde onderdeel), de zwaarte van de sancties die door het hof van assisen kunnen worden uitgesproken (zevende onderdeel), de inachtneming van het beginsel van de redelijke termijn (achtste onderdeel) en de plaats die aan de ouders van de minderjarige wordt toegekend in de procedure voor het hof van assisen (negende onderdeel).

B.7.2. De verzoekende partijen stellen onder meer het beginsel zelf van uithandengeving door de jeugdrechtbank aan, in voorkomend geval, het hof van assisen, ter discussie. Die grief heeft echter niets te maken met de wijziging die door de bestreden bepalingen is aangebracht in artikel 57bis van de wet van 8 april 1965 en artikel 119 van het Gerechtelijk Wetboek. Hij heeft in werkelijkheid enkel betrekking op de regel vervat in artikel 21 van de wet van 13 juni 2006 dat, wat dat aspect betreft, door het Hof niet ongeldig is verklaard in zijn arrest nr. 49/2008.

Zo maakt artikel 3 van de wet van 31 juli 2009 geen enkele allusie op de regel van uithandengeving die bij artikel 21 van de wet van 13 juni 2006 is ingevoerd. Overigens beperkt artikel 209 van de wet van 21 december 2009 - en voordien artikel 2 van de wet van 31 juli 2009 - zich tot een verwijzing naar de procedure van uithandengeving door de jeugdrechtbank, die is vastgesteld bij artikel 21 van de wet van 13 juni 2006. Die louter technische verwijzing is niet de uiting van de wil van de wetgever om over die kwestie opnieuw te legifereren of, wat dat aspect betreft, de betekenis te veranderen van artikel 57bis van de wet van 8 april 1965, zoals het werd ingevoegd bij artikel 21 van de wet van 13 juni 2006.

B.7.3. Daaruit volgt dat beide middelen, in zoverre zij betrekking hebben op het beginsel zelf van uithandengeving en van een eventuele verwijzing van een minderjarige naar het hof van assisen, alsook op de gevolgen van zulk een verwijzing, onontvankelijk zijn.

Het Hof beperkt zijn onderzoek tot, enerzijds, het derde onderdeel van het eerste middel en, anderzijds, het vijfde onderdeel van het tweede middel.

B.8.1. De middelen zijn afgeleid uit de schending, door de bestreden bepalingen, van artikel 22bis van de Grondwet en van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6.1, 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 14, lid 4 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met de artikelen 3 en 40 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind en met het algemeen rechtsbeginsel van de absolute inachtneming van het hoger belang van het kind.

B.8.2. In het derde onderdeel van het eerste middel zijn de verzoekende partijen van mening dat de wetgever heeft nagelaten een speciaal systeem voor kinderen te creëren in geval van verschijning voor het hof van assisen. De verzoekende partijen menen dat de vereiste, dat voortaan twee van de drie zittende magistraten waaruit een hof van assisen is samengesteld dat belast is met het berechten van een minderjarige, een bijzondere opleiding in jeugdzaken moeten hebben gevolgd, van dat hof geen rechtscollege maakt dat voldoet aan de vereisten gesteld door de voormelde grondwetsbepalingen en bepalingen van internationaal recht. In het vijfde onderdeel van het tweede middel verwijten de verzoekende partijen de bestreden bepalingen dat zij de voorzitter van het hof van assisen dat een minderjarige moet berechten, niet verplichten om de gespecialiseerde opleiding in jeugdzaken te hebben gevolgd.

B.9. Op grond van artikel 57bis van de wet van 8 april 1965 kan slechts tot de uithandengeving van een minderjarige worden beslist indien de minderjarige die wegens een als misdrijf omschreven feit voor de jeugdrechtbank is gebracht, op het tijdstip van het feit zestien jaar of ouder was en de jeugdrechtbank een maatregel van bewaring, behoeding of opvoeding niet geschikt acht. De uithandengeving zal enkel kunnen indien de jeugdrechtbank aan de minderjarige in het verleden al één of meerdere maatregelen heeft opgelegd of wanneer de minderjarige wordt vervolgd wegens de zwaarwichtige misdrijven opgesomd in artikel 57bis, § 2, van de wet van 8 april 1965 en nadat in beginsel een maatschappelijk en medisch-psychologisch onderzoek werd verricht waarbij rekening wordt gehouden met de persoonlijkheid, de maturiteitsgraad en de omgeving van de minderjarige. De beslissing om een minderjarige voor het Hof van Assisen te brengen kan derhalve slechts worden genomen door een rechtscollege gespecialiseerd in jeugdzaken, bij een met redenen omklede beslissing en mits aan een aantal strikte voorwaarden is voldaan. Tegen deze beslissing kan daarenboven beroep worden aangetekend.

B.10.1. Zowel artikel 22bis, vierde lid, van de Grondwet, als artikel 3, lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind verplichten de rechtscolleges om in de eerste plaats het belang van de minderjarige in aanmerking te nemen. Die verplichting geldt op dezelfde wijze voor het hof van assisen als voor eender welk ander rechtscollege dat belast is met de beslechting van een geschil waarin een minderjarige is betrokken.

B.10.2. Wanneer de wetgever minderjarigen wil laten berechten volgens de gemeenrechtelijke regels, is hij verplicht een procedure in te stellen die rekening houdt met hun bijzondere situatie. Die vereiste volgt niet alleen uit artikel 14, lid 4 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, maar maakt eveneens deel uit van het recht op een eerlijk proces, zoals dat wordt gewaarborgd bij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Wegens de specifieke aard van de kwesties die in het kader van de rechtsbedeling ten aanzien van minderjarigen moeten worden behandeld, moet die rechtsbedeling zich immers onderscheiden van het systeem van strafrechtspleging dat van toepassing is op volwassenen (zie EHRM, 2 maart 2010, Adamkiewicz t. Polen, § 106).

B.11.1. De bestreden bepalingen strekken ertoe gevolg te geven aan het arrest nr. 49/2008 van 13 maart 2008 waarin het Hof uitspraak heeft gedaan over een beroep tot vernietiging van de wet van 13 juni 2006. Onder de gelding van die wet was het hof van assisen dat een minderjarige moest berechten, op dezelfde manier samengesteld als een Hof van Assisen dat een volwassene moest berechten. Wanneer daarentegen een uit handen gegeven minderjarige werd verwezen naar de bijzondere kamer van de jeugdrechtbank, werd hij berecht door een kamer met drie rechters, van wie minstens twee werden gekozen uit de magistraten die een erkende opleiding of ervaring inzake jeugdrecht en strafrecht hadden.

In zijn arrest nr. 49/2008 heeft het Hof geoordeeld :

« B.30.3. De wetgever vermocht redelijkerwijs ervan uit te gaan dat de bijzondere kamer, vanwege haar samenstelling, ' intensief de kaart van de maatschappelijke reclassering zal trekken ' en dat ' het strafrecht voldoende nuances en alternatieven mogelijk maakt om te kunnen worden aangepast aan de specifieke situatie van elke uit handen gegeven jongere ' (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1467/012, p. 55).

B.30.4. Er is daarentegen geen enkele gelijkwaardige maatregel genomen wanneer de jeugdrechtbank een niet-correctionaliseerbare misdaad uit handen heeft gegeven, waardoor de minderjarige voor het Hof van Assisen zal moeten verschijnen. Indien het, zoals in verband met dat laatste is verklaard, ' gelet op de specifieke samenstelling van dit Hof [...] niet mogelijk [is] om daar een gespecialiseerde kamer bij in te stellen ', vermocht de wetgever bijzondere maatregelen te nemen inzake de berechting van de minderjarigen.

B.30.5. Hoewel, op grond van artikel 150 van de Grondwet, ' de jury wordt ingesteld voor alle criminele zaken ', vermag de wetgever de samenstelling van het Hof van Assisen te regelen die thans het voorwerp uitmaakt van de artikelen 119 tot 122 van het Gerechtelijk Wetboek ten aanzien van de zetel en van artikel 149 van hetzelfde Wetboek ten aanzien van het openbaar ministerie. De wetgever kon in die artikelen bepalingen invoegen die waarborgen dat de minderjarige zal worden berecht door een rechtscollege met magistraten die worden gekozen onder personen met dezelfde opleiding of dezelfde ervaring als diegenen die zitting hebben in de bijzondere kamer waarin artikel 57bis, § 1, van de wet voorziet.

B.30.6. Doordat hij geen dergelijke bepalingen heeft aangenomen, voert de wetgever een verschil in behandeling in onder de minderjarigen die het voorwerp van een uithandengeving hebben uitgemaakt, naargelang zij ervan worden verdacht een wanbedrijf of een correctionaliseerbare misdaad, dan wel een niet-correctionaliseerbare misdaad, te hebben gepleegd. Hoewel dat verschil in behandeling steunt op een objectief criterium in zoverre de strafbare feiten van de tweede categorie ernstiger zijn dan die van de eerste, is dat criterium, ten aanzien van de minderjarigen, niet van dien aard dat het dat verschil in behandeling kan verantwoorden ».

B.11.2. Doordat de wetgever voortaan twee van de drie magistraten van het hof van assisen dat een minderjarige moet berechten verplicht eenzelfde opleiding te hebben gevolgd als die welke wordt beoogd in de artikelen 78, tweede lid, of 101, zesde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, heeft hij de discriminatie weggewerkt die door het Hof was vastgesteld in zijn voormelde arrest nr. 49/2008.

B.12.1. De bestreden bepalingen sluiten niet uit dat de voorzitter van het hof van assisen één van de twee magistraten is die de voortgezette opleiding hebben gevolgd als bedoeld in artikel 259sexies, § 1, 1°, derde lid, of in artikel 259sexies, § 1, 2°, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, maar ze bevatten daartoe geen verplichting.

B.12.2. Er kan worden aangenomen dat, gelet op het feit dat een meerderheid van zijn leden over een specifieke opleiding in jeugdzaken beschikt, het hof van assisen een gespecialiseerd rechtscollege vormt om zaken te behandelen waarin minderjarigen zijn betrokken. Dankzij die bijzondere samenstelling kan dat hof in de beste omstandigheden de verplichting waarmaken die het krachtens artikel 22bis, vierde lid, van de Grondwet, heeft, namelijk in eerste instantie het belang van het kind in overweging nemen.

B.12.3. Hoewel de voorzitter van het hof van assisen beschikt over een aantal bevoegdheden die hij persoonlijk uitoefent, zijn die bevoegdheden niet van die aard dat afbreuk zou worden gedaan aan de rechten van de minderjarige, doordat de voorzitter niet de in B.12.1 gevolgde opleiding zou hebben gevolgd. Krachtens artikel 120, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 210 van de voormelde wet van 21 december 2009, zal, behoudens in de door de Koning vastgestelde gevallen van vrijstelling, de voorzitter van het hof van assisen worden verplicht een gespecialiseerde opleiding te volgen, georganiseerd door het Instituut voor gerechtelijke opleiding. Krachtens artikel 2 van het koninklijk besluit van 12 oktober 2010 (Belgisch Staatsblad van 29 oktober 2010) gaat die verplichting in op 1 januari 2011. Rekening houdend met het feit dat het hof van assisen voortaan ook minderjarigen kan berechten, mag redelijkerwijze worden verwacht dat in die opleiding met dat gegeven wordt rekening gehouden.

B.13. Het derde onderdeel van het eerste middel en het vijfde onderdeel van het tweede middel zijn niet gegrond.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt het beroep.

Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 22 december 2010.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Melchior.