Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 22 mei 2014 (België)

Publicatie datum :
22-05-2014
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
10 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20140522-3
Rolnummer :
83/2014

Samenvatting

Het Hof zegt voor recht : De artikelen 16 en 17 van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers schenden niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 16 en 23 van de Grondwet, met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en A. Alen, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij vonnis van 3 oktober 2013 in zake Amélie d'Arras d'Haudrecy tegen de Rijksdienst voor Pensioenen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 8 oktober 2013, heeft de Arbeidsrechtbank te Namen de volgende prejudiciële vragen gesteld :

1. « Schenden de artikelen 16 en 17 van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol en met artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in zoverre zij de wettelijk samenwonende van wie de partner is overleden, die sedert ten minste één jaar door een verklaring van wettelijke samenwoning was verbonden op het ogenblik dat de werknemer is overleden, van het voordeel van het overlevingspensioen uitsluiten, terwijl de langstlevende echtgenoot wiens huwelijk sedert ten minste één jaar was gesloten op het ogenblik dat zijn echtgenoot is overleden, aanspraak kan maken op een overlevingspensioen ? »;

2. « Schenden de artikelen 16 en 17 van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers de artikelen 16 en 23, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol en met artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in zoverre zij voor de wettelijk samenwonende van wie de partner is overleden en die de hoedanigheid van werknemer had en als dusdanig bijdragen had betaald op het ogenblik van het overlijden, het voordeel van een overlevingspensioen niet waarborgen, terwijl het recht op sociale zekerheid, waartoe het overlevingspensioen behoort, bij het voormelde artikel 23 aan eenieder wordt gewaarborgd en terwijl dat recht een patrimoniaal belang in de zin van artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden doet ontstaan ? »;

3. « Schenden de artikelen 16 en 17 van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol en met artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in zoverre zij de wettelijk samenwonende partner die een kind heeft dat uit de samenwoning is geboren, van het voordeel van het overlevingspensioen uitsluiten en dat recht voorbehouden aan de gehuwde partner die een kind heeft dat uit het huwelijk is geboren, terwijl het beschermde risico het overleven van de partner en van de kinderen omvat en terwijl de verplichtingen ten aanzien van de kinderen identiek zijn, ongeacht de juridische aard van de verbintenis ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. De prejudiciële vragen hebben betrekking op de artikelen 16 en 17 van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers.

B.1.2. Artikel 16 van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967, zoals het is vervangen bij artikel 5 van de wet van 5 juni 1970 en gewijzigd bij artikel 106 van de wet van 15 mei 1984 en bij artikel 214 van de wet van 25 januari 1999, bepaalt :

« § 1. Onder voorbehoud van de bepaling van § 2, en voor zover de aanvraag van overlevingspensioen ingediend wordt binnen de twaalf maanden na het overlijden van de echtgenoot, gaat het overlevingspensioen in op de eerste dag van de maand tijdens welke de echtgenoot overleden is zo hij bij zijn overlijden nog geen pensioen genoot, en op de eerste dag van de maand volgend op die tijdens welke de echtgenoot overleden is, zo hij reeds een pensioen genoot bij zijn overlijden. In de overige gevallen gaat het ten vroegste in de eerste dag van de maand welke op die aanvraag volgt. De verklaring van afwezigheid overeenkomstig de bepalingen van het burgerlijk wetboek geldt als bewijs van het overlijden. De afwezige echtgenoot wordt geacht overleden te zijn op de datum van de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak van verklaring van afwezigheid.

Het gaat evenwel ten vroegste in op de eerste dag van de maand die volgt op deze tijdens welke de langstlevende echtgenoot 45 jaar wordt, tenzij deze het bewijs levert van een blijvende arbeidsongeschiktheid van ten minste 66 pct., dat hij een kind ten laste heeft of dat de overleden echtgenoot gedurende ten minste 20 jaar gewoonlijk en hoofdzakelijk als ondergronds mijnwerker tewerkgesteld is geweest. De Koning bepaalt de wijze waarop deze voorwaarden bewezen worden.

[...] ».

B.1.3. Artikel 17 van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967, zoals het is vervangen bij artikel 107 van de wet van 15 mei 1984, bepaalt :

« Het overlevingspensioen wordt slechts toegekend indien, op de datum van het overlijden, de langstlevende echtgenoot ten minste één jaar met de overleden werknemer gehuwd was. Het huwelijk dient nochtans niet een jaar te duren indien één van de volgende voorwaarden vervuld is :

- er is een kind geboren uit het huwelijk;

- op het ogenblik van het overlijden is er een kind ten laste waarvoor één van de echtgenoten kinderbijslag ontving;

- het overlijden is het gevolg van een na de datum van het huwelijk voorgekomen ongeval of werd veroorzaakt door een beroepsziekte opgedaan tijdens of naar aanleiding van de uitoefening van het beroep, van een door de Belgische Regering toevertrouwde opdracht of van in het kader van de Belgische technische bijstand verrichte prestaties, voor zover de aanvang of de verergering van deze ziekte na de datum van het huwelijk plaatsvond.

[...] ».

B.2. Uit het verwijzingsvonnis blijkt dat het hangende geschil voor de verwijzende rechter betrekking heeft op de situatie van de wettelijk samenwonende van een overleden werknemer, die op het ogenblik van het overlijden van de werknemer sedert meer dan een jaar door een verklaring van wettelijke samenwoning met hem was verbonden, zonder dat een contract van wettelijke samenwoning ten aanzien van de partners een verplichting tot hulp na een eventuele breuk invoert; tijdens de wettelijke samenwoning zijn twee kinderen uit het paar geboren.

Het Hof beperkt zijn onderzoek tot dat geval.

B.3.1. In een eerste prejudiciële vraag wordt aan het Hof gevraagd of de artikelen 16 en 17 van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 bestaanbaar zijn met de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14 van dat Verdrag, in zoverre die bepalingen de langstlevende wettelijk samenwonende, die sedert ten minste één jaar door een verklaring van wettelijke samenwoning met de overleden werknemer was verbonden, van het voordeel van het overlevingspensioen uitsluiten, terwijl de langstlevende echtgenoot wiens huwelijk sedert ten minste één jaar was gesloten op het ogenblik dat de werknemer is overleden, aanspraak kan maken op een overlevingspensioen.

In een tweede prejudiciële vraag wordt aan het Hof gevraagd of de artikelen 16 en 17 van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 bestaanbaar zijn met de artikelen 16 en 23, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14 van dat Verdrag, in zoverre de in het geding zijnde bepalingen zouden voorbijgaan aan het recht op sociale zekerheid van de langstlevende wettelijk samenwonende van een werknemer, door hem van het voordeel van een overlevingspensioen uit te sluiten.

In een derde prejudiciële vraag wordt aan het Hof gevraagd of die bepalingen bestaanbaar zijn met de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14 van dat Verdrag, in zoverre zij de wettelijk samenwonende die een kind heeft dat uit de samenwoning is geboren, van het voordeel van het overlevingspensioen uitsluiten en dat recht voorbehouden aan de echtgenoot die een kind heeft dat uit het huwelijk is geboren, « terwijl het beschermde risico het overleven van de partner en van de kinderen omvat en terwijl de verplichtingen ten aanzien van de kinderen identiek zijn, ongeacht de juridische aard van de verbintenis ».

B.3.2. Aangezien de drie prejudiciële vragen betrekking hebben op het feit dat de langstlevende wettelijk samenwonende geen overlevingspensioen kan genieten onder de toekenningsvoorwaarden waarin in de in het geding zijnde artikelen 16 en 17 is voorzien voor de langstlevende echtgenoot, onderzoekt het Hof ze samen.

B.4.1. Bij artikel 10, § 1, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers is het beginsel van het recht van de langstlevende echtgenoot op een overlevingspensioen bevestigd.

In de parlementaire voorbereiding van die bepaling wordt uitgelegd dat « de huidige minimale bescherming [moet] worden behouden en dit betekent dat ofwel een aanpassingsuitkering ofwel een overlevingspensioen moet worden toegekend » (Parl. St., Senaat, 1979-1980, nr. 508/1, p. 15); de langstlevende echtgenoot heeft recht op een overlevingspensioen « om [hem] in staat te stellen [zijn] leven te reorganiseren, nu het gezinsinkomen is weggevallen en niet van de ene op de andere dag door een ander beroepsinkomen kan worden vervangen » (ibid.) :

« De motivering van het overlevingspensioen kan worden omschreven als volgt : met het huwelijk gaat traditioneel de vermoedelijke wil gepaard de overlevende partner ook in de toekomst op dezelfde wijze in het inkomen te laten delen als vóór het overlijden » (ibid.).

In de parlementaire voorbereiding van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, die het voordeel van het overlevingspensioen dat oorspronkelijk was voorbehouden aan weduwes, heeft uitgebreid tot weduwnaars, werd de motivering van die maatregel eveneens uitgelegd door de bekommernis om het de langstlevende echtgenoot « binnen de aanvaardbare grenzen van solidariteit » mogelijk te maken « gezinsinkomsten [te] bekomen welke in verhouding staan met deze van het gezin vóór het overlijden » (Parl. St., Senaat, 1982-1983, nr. 557/1, p. 6).

B.4.2. Het overlevingspensioen wordt dus geconcipieerd als een minimale bescherming van de langstlevende echtgenoot, die ertoe strekt hem in staat te stellen verder in zijn levensonderhoud te voorzien, na de ontbinding van het huwelijk door het overlijden van zijn echtgenoot.

Toegekend wegens de arbeidsprestaties van de overledene, vormt het een afgeleid recht dat aan de langstlevende echtgenoot wordt toegekend wegens zijn band met de overleden werknemer.

B.5. Het verschil in behandeling steunt op het objectieve gegeven dat de juridische toestand van partners verschilt naar gelang, onder overigens gelijke omstandigheden, de enen gehuwd waren op een tijdstip waarop de anderen wettelijk samenwonenden waren. Die situatie verschilt zowel wat de verplichtingen jegens elkaar betreft als wat de vermogensrechtelijke toestand van de betrokkenen betreft.

B.6. Echtgenoten zijn elkaar hulp en bijstand verschuldigd (artikel 213 van het Burgerlijk Wetboek), zij genieten de bescherming van de gezinswoonst en de huisraad (artikel 215 van het Burgerlijk Wetboek); de echtgenoten moeten hun inkomsten bij voorrang besteden aan hun bijdrage in de lasten van het huwelijk (artikel 217 van het Burgerlijk Wetboek), waarin zij moeten bijdragen naar vermogen (artikel 221 van het Burgerlijk Wetboek). Schulden die door een der echtgenoten worden aangegaan ten behoeve van de huishouding en de opvoeding van de kinderen verbinden de andere echtgenoot hoofdelijk, behoudens wanneer zij, gelet op de bestaansmiddelen van het gezin, buitensporig zijn (artikel 222 van het Burgerlijk Wetboek).

B.7. Onder wettelijke samenwoning wordt verstaan de toestand van samenleven van twee personen die een schriftelijke verklaring van wettelijke samenwoning hebben afgelegd (artikel 1475 van het Burgerlijk Wetboek).

De verklaring wordt overhandigd aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeenschappelijke woonplaats, die nagaat of beide partijen niet verbonden zijn door een huwelijk of door een andere wettelijke samenwoning en bekwaam zijn om contracten aan te gaan overeenkomstig de artikelen 1123 en 1124 van het Burgerlijk Wetboek. De verklaring wordt vermeld in het bevolkingsregister.

De wettelijke samenwoning houdt op wanneer een van de partijen in het huwelijk treedt of overlijdt. Zij kan tevens door de samenwonenden worden beëindigd, in onderlinge overeenstemming of eenzijdig, door middel van een schriftelijke verklaring bij de ambtenaar van de burgerlijke stand, die daarvan melding maakt in het bevolkingsregister (artikel 1476 van het Burgerlijk Wetboek).

B.8. Op de wettelijke samenwoning zijn de volgende bepalingen toepasselijk : de wettelijke bescherming van de gezinswoning (artikelen 215, 220, § 1, en 224, § 1, 1, van het Burgerlijk Wetboek) wordt van overeenkomstige toepassing verklaard op de wettelijke samenwoning; de wettelijk samenwonenden dragen bij in de lasten van het samenleven naar evenredigheid van hun mogelijkheden en iedere niet-buitensporige schuld die door een der wettelijk samenwonenden wordt aangegaan ten behoeve van het samenleven en van de kinderen die door hen worden opgevoed, verbindt de andere partner hoofdelijk (artikel 1477 van het Burgerlijk Wetboek).

Voor het overige is voorzien in een regeling van de goederen van de samenwonenden en in de mogelijkheid om de wettelijke samenwoning door middel van een overeenkomst te regelen, voor zover die geen beding bevat dat strijdig is met artikel 1477 van het Burgerlijk Wetboek, met de openbare orde of de goede zeden, noch met de regels betreffende het ouderlijk gezag en de voogdij, noch met de regels die de wettelijke orde van de erfopvolging bepalen. Die overeenkomst wordt in authentieke vorm verleden voor de notaris en wordt in het bevolkingsregister vermeld (artikel 1478 van het Burgerlijk Wetboek).

B.9. Wanneer de verstandhouding tussen de wettelijk samenwonenden ernstig is verstoord, kan elk van beide partners de vrederechter vragen om dringende en voorlopige maatregelen te bevelen betreffende het betrekken van de gemeenschappelijke verblijfplaats, betreffende de persoon en de goederen van de samenwonenden en van de kinderen alsmede betreffende de wettelijke en contractuele verplichtingen van beide samenwonenden. Ook na de beëindiging van de wettelijke samenwoning en voor zover de vordering binnen drie maanden na de beëindiging is ingesteld, kan de vrederechter de dringende en voorlopige maatregelen gelasten die ingevolge de beëindiging gerechtvaardigd zijn (artikel 1479 van het Burgerlijk Wetboek).

B.10. Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek die gelden ten aanzien van wettelijk samenwonenden een beperkte vermogensrechtelijke bescherming creëren die gedeeltelijk is geïnspireerd door bepalingen die gelden ten aanzien van echtgenoten. Een dergelijke bescherming betekent niet dat de wetgever ertoe is gehouden om de wettelijk samenwonenden zoals de echtgenoten te behandelen wat de overlevingspensioenen betreft.

B.11. De eisende partij voor de verwijzende rechter merkt echter op dat de wettelijk samenwonenden ten gevolge van de wijziging van artikel 12 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 door artikel 10 van de wet van 11 mei 2007 « houdende wijziging van diverse bepalingen betreffende arbeidsongevallen, beroepsziekten en het asbestfonds met betrekking tot wettelijk samenwonenden » voortaan de voordelen genieten die bij die bepaling aan de echtgenoten zijn toegekend.

B.12. Die wet maakt het voordeel dat ze toekent afhankelijk van het opstellen, door beide partners en overeenkomstig artikel 1478 van het Burgerlijk Wetboek, van een overeenkomst waarin voor de partijen is voorzien in een verplichting tot hulp die, zelfs na een eventuele breuk, financiële gevolgen kan hebben (artikel 5, tweede lid, van de wet van 10 april 1971, ingevoegd bij artikel 9 van de voormelde wet van 11 mei 2007). Daaruit volgt dat het in die wet bedoelde voordeel niet aan alle wettelijk samenwonenden wordt toegekend; die beperking werd als volgt becommentarieerd in de parlementaire voorbereiding :

« [De minister van Werk] onderschrijft het principe dat de wettelijk samenwonenden in de arbeidsongevallenverzekering dezelfde rechten moeten hebben als gehuwden, indien de juridische toestand van wettelijk samenwonenden en gehuwden gelijk is. Hoewel hun toestand vergelijkbaar is, is hij echter niet gelijk.

Het toekennen van een lijfrente aan de achterblijvende echtgenoot na een dodelijk arbeidsongeval vindt zijn oorsprong in artikel 213 van het Burgerlijk Wetboek dat de echtgenoten tot wederzijdse hulp en bijstand verplicht. Deze hulp en bijstand overstijgt de duurtijd van het huwelijk. Uit artikel 213 leidt men immers af dat onderhoudsgeld kan worden toegekend bij echtscheiding of scheiding van tafel en bed.

Ook voor de wettelijk samenwonenden gelden een aantal wederzijdse verplichtingen, maar deze zijn veel minder verregaand.

Tussen wettelijk samenwonenden bestaat de wederzijdse plicht tot hulp en bijstand niet, zodat bij gebeurlijke beëindiging van de wettelijke samenwoning, wat onder meer kan via een eenzijdige verklaring van beëindiging door één van de partners, er ook geen grond bestaat voor de toekenning van een onderhoudsgeld.

Artikel 1478 van het Burgerlijk Wetboek verleent nochtans de wettelijk samenwonende partners de mogelijkheid hun wettelijke samenwoning naar goeddunken te regelen door middel van een overeenkomst die in authentieke vorm wordt verleden door de notaris en wordt vermeld in het bevolkingsregister. Aldus kunnen zij overeenkomen hetzij tot een eenzijdige, hetzij tot een wederzijdse onderhoudsverplichting. In principe vervalt die onderhoudsverplichting bij de beëindiging van de wettelijke samenwoning. Artikel 1478 van het Burgerlijk Wetboek sluit echter niet uit dat de partners in hun overeenkomst bedingen dat ze elkaar (of een van hen) onderhoudsplichtig blijven na de beëindiging van de wettelijke samenwoning.

Indien zulke overeenkomst afgesloten is, kan men stellen dat de situatie van wettelijk samenwonenden vrijwel gelijk is met die van echtgenoten, althans wat de wederzijdse hulp en bijstand betreft, aldus de minister.

De wetgever heeft trouwens uitdrukkelijk de band tussen het recht op de levenslange rente en het bestaan van een onderhoudsverplichting willen maken door in het laatste lid van artikel 12 van de AOW te bepalen dat, in geval van scheiding van de echtgenoten, voordat het ongeval zich heeft voorgedaan, er slechts een recht op rente is, indien de overlevende ex-echtgenoot onderhoudsgeld genoot.

De basis van onze sociale zekerheid is onderlinge solidariteit. Het zou dan ook vreemd zijn dat de sociale zekerheid zou moeten voorzien in solidariteit met de achterblijvende partner van een wettelijk samenwonend koppel indien deze personen niet eens onderling, voor elkaar, willen voorzien in sociale ondersteuning » (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-916/5, pp. 7 en 8; in dezelfde zin, p. 4 en Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2984/003, p. 5).

B.13. Het Hof stelt vast dat in de wetgeving inzake arbeidsongevallen en beroepsziekten niet enkel aan de echtgenoot van de getroffene, maar ook aan de persoon die met de getroffene wettelijk samenwoonde een uitkering toekomt, wanneer de partners overeenkomstig artikel 1478 van het Burgerlijk Wetboek een overeenkomst hebben opgesteld waarin voor de partijen is voorzien in een verplichting tot hulp die, zelfs na een eventuele breuk, financiële gevolgen kan hebben. Het komt de wetgever toe te oordelen of diezelfde situatie eveneens in aanmerking moet worden genomen bij het bepalen van de voorwaarden waaronder personen recht hebben op een overlevingspensioen.

In het geval waarin, zoals te dezen, de wettelijk samenwonenden geen overeenkomst hebben opgesteld die voor hen voorziet in een verplichting tot hulp bij een eventuele breuk, kan de situatie van de langstlevende wettelijk samenwonende met betrekking tot het voordeel van een overlevingspensioen niet op nuttige wijze worden vergeleken met die van de langstlevende wettelijk samenwonende die de toepassing van de voormelde wet van 11 mei 2007 zou genieten.

B.14. De in het geding zijnde bepalingen hebben geen onevenredige gevolgen, aangezien kan worden aangenomen dat de partners die ervoor kiezen door de wettelijke samenwoning en niet door het huwelijk te worden verbonden, de voor- en nadelen van de ene en de andere samenlevingsvorm kennen en de juridische gevolgen van hun keuze aanvaarden.

B.15.1. De derde prejudiciële vraag noopt tot het in aanmerking nemen van het bestaan van kinderen die uit de wettelijke samenwoning zijn geboren.

B.15.2. Krachtens het in het geding zijnde artikel 17 maakt de geboorte van een kind uit het huwelijk het mogelijk het risico van misbruik, zoals het huwelijk in extremis, waarvan de enige bedoeling is het de langstlevende echtgenoot mogelijk te maken het overlevingspensioen te genieten, als onbestaande te beschouwen.

Hoewel het bestaan van een kind dat uit het huwelijk is geboren, het mogelijk maakt af te wijken van de voorwaarde met betrekking tot de minimumduur van één jaar huwelijk vóór het overlijden, biedt het evenwel niet de mogelijkheid af te wijken van de voorwaarde van een huwelijk. Zoals in B.14 is vastgesteld, worden de partners die ervoor kiezen door de wettelijke samenwoning en niet door het huwelijk te worden verbonden, geacht de voor- en nadelen van de ene en de andere samenlevingsvorm te kennen en de juridische gevolgen van hun keuze, ook ten aanzien van hun kinderen, te aanvaarden. Zulks geldt in het bijzonder ten aanzien van de wettelijk samenwonenden die een vermogensrechtelijke solidariteit bij een eventuele breuk niet bij overeenkomst hebben geregeld.

B.16. De kinderen die uit de wettelijke samenwoning zijn geboren, genieten daarenboven, onder de voorwaarden bedoeld in artikel 56bis van de bij koninklijk besluit van 19 december 1939 samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, een recht op kinderbijslag tegen het verhoogde tarief voor wezen, bedoeld in artikel 50bis van dezelfde wetten; die bijslag strekt ertoe het verlies dat het overlijden van die ouder inhoudt, op materieel vlak te compenseren en het het rechtgevende kind mogelijk te maken ondanks dat overlijden in zijn bestaansbehoeften te blijven voorzien.

B.17. Rekening houdend met wat voorafgaat, is het verschil in behandeling, met betrekking tot het voordeel van het overlevingspensioen, tussen de langstlevende echtgenoot die een overlevingspensioen kan genieten onder de in de in het geding zijnde artikelen 16 en 17 bedoelde voorwaarden, en de langstlevende wettelijk samenwonende die sedert ten minste één jaar door een verklaring van wettelijke samenwoning met de overleden werknemer was verbonden en kinderen heeft die uit de wettelijke samenwoning zijn geboren, niet zonder redelijke verantwoording.

B.18.1. In de tweede prejudiciële vraag wordt het Hof eveneens verzocht aan artikel 23 van de Grondwet te toetsen.

B.18.2. Artikel 23 van de Grondwet waarborgt het recht een menswaardig leven te leiden. In het derde lid, 2°, ervan wordt aan de bevoegde wetgevers de verplichting opgelegd om « het recht op sociale zekerheid, bescherming van de gezondheid en sociale, geneeskundige en juridische bijstand » te waarborgen en worden zij in staat gesteld de voorwaarden te bepalen voor de uitoefening van dat recht. Dat artikel houdt niet in dat de beoogde rechten door de wetgever op dezelfde wijze moeten worden gewaarborgd voor elk individu, en verplicht de wetgever dus niet een overlevingspensioen te waarborgen aan de langstlevende wettelijk samenwonende van een overleden werknemer.

B.18.3. In dat verband werd in de algemene beleidsnota « Pensioenen » van 20 december 2011 overwogen om het voordeel van het overlevingspensioen uit te breiden tot bepaalde wettelijk samenwonenden :

« De mensen die hun partner verliezen zullen een ' overgangsuitkering ' ontvangen waarvan de duur zal afhangen van de leeftijd, het aantal kinderen en het aantal jaren van wettelijk samenwonen of huwelijk » (Parl. St., Kamer, 2011-2012, DOC 53-1964/003, p. 7).

In (de Franse) voetnoot werd de term « partner » in die zin gepreciseerd : « Gehuwde echtgenoten of wettelijk samenwonenden die gehuwd zouden kunnen zijn » (ibid.).

B.18.4. In de algemene beleidsnota « Pensioenen » van 7 november 2013 wordt evenwel teruggekomen op dat doel, door te oordelen :

« Het systeem van de overgangsuitkering zal, net als het huidige systeem van het overlevingspensioen, beperkt worden tot echtelieden. In afwijking van het regeerakkoord zal het niet uitgebreid worden naar wettelijk samenwonenden. Een beleidsvoorbereidende, juridische studie heeft immers op overtuigende wijze aangetoond dat als het systeem van de overgangsuitkering opengesteld zou worden voor wettelijk samenwonenden, het risico zeer groot is dat alle andere elementen van de pensioenwetgeving die pensioenvoordelen toekennen op basis van huwelijk, ook opengesteld zouden moeten worden voor wettelijk samenwonenden. Rekening houdend met de flexibiliteit in de afsluiting en ontbinding van wettelijke samenwoning, zijn de financiële gevolgen hiervan moeilijk precies in te schatten, maar in elk geval zeer omvangrijk. De Commissie Pensioenhervorming 2020-2040 buigt zich momenteel echter over de problematiek van de afgeleide rechten en de verschillende vormen van samenleving waarmee een op de toekomst gericht pensioenstelsel al dan niet rekening zou moeten houden » (Parl. St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-3096/019, pp. 11-12).

B.19. Het staat aan de wetgever te beoordelen of, en in hoeverre, het voordeel van een overlevingspensioen moet worden uitgebreid tot de langstlevende wettelijk samenwonenden, eventueel in het kader van een meer algemene hervorming waarbij rekening zou worden gehouden met de samenlevingsvormen.

B.20. Een onderzoek ten aanzien van de andere in de prejudiciële vragen aangevoerde bepalingen leidt niet tot een andere conclusie.

B.21. De prejudiciële vragen dienen ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

De artikelen 16 en 17 van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers schenden niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 16 en 23 van de Grondwet, met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag.

Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 22 mei 2014.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

J. Spreutels