Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 22 september 2016 (België)

Publicatie datum :
22-09-2016
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
4 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20160922-12
Rolnummer :
122/2016

Samenvatting

Het Hof zegt voor recht : Artikel 64, § 1, eerste lid, en § 2, van de wet van 22 juli 1953 houdende oprichting van een Instituut van de Bedrijfsrevisoren en organisatie van het publiek toezicht op het beroep van bedrijfsrevisor, gecoördineerd op 30 april 2007, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters E. De Groot en J. Spreutels, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Moerman, F. Daoût en T. Giet, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter E. De Groot,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij beslissing van 18 december 2015 in zake de Raad van het Instituut van de Bedrijfsrevisoren tegen Frans Van Vlaenderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 24 december 2015, heeft de Nederlandstalige kamer van de Commissie van Beroep van het Instituut van de Bedrijfsrevisoren de volgende prejudiciële vragen gesteld :

« 1. Schendt artikel 64, § 1, eerste lid en § 2, eerste lid van de wet van 22 juli 1953 houdende oprichting van een Instituut van de bedrijfsrevisoren en organisatie van het publiek toezicht op het beroep van bedrijfsrevisor de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 14.1 van het internationaal verdrag in zake burgerrechten en politieke rechten, doordat ze de termijn binnen de welke hoger beroep moet worden ingesteld enerzijds vaststelt op 30 dagen voor de bedrijfsrevisor en anderzijds op 40 dagen voor de Raad van het Instituut en de Procureur-generaal ?

2. Schendt artikel 64, § 2, tweede lid van de wet van 22 juli 1953 houdende oprichting van een Instituut van de bedrijfsrevisoren en organisatie van het publiek toezicht op het beroep van bedrijfsrevisor de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 14.1 van het internationaal verdrag in zake burgerrechten en politieke rechten, doordat het na de betekening van het door de Raad of de Procureur-generaal ingestelde hoger beroep op een ogenblik waarop de termijn om hoger beroep in te stellen voor de bedrijfsrevisor al is vervallen, niet het recht opent voor de bedrijfsrevisor om alsnog navolgend hoger beroep in te stellen ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Artikel 64 van de wet van 22 juli 1953 houdende oprichting van een Instituut van de Bedrijfsrevisoren en organisatie van het publiek toezicht op het beroep van bedrijfsrevisor, gecoördineerd op 30 april 2007 (hierna : IBR-Wet), bepaalt :

« § 1. De betrokken bedrijfsrevisor kan beroep aantekenen per aangetekend schrijven gericht aan de Commissie van Beroep binnen een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de betekening.

De Commissie van Beroep betekent de akte van beroep per aangetekend schrijven verzonden binnen de twee werkdagen volgende op de ontvangst van de akte, aan de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep, aan de Raad en, in voorkomend geval, aan de speciaal daartoe, overeenkomstig artikel 49, § 2 van de wet, aangeduide expert, alsook aan de Kamer van verwijzing en instaatstelling.

§ 2. De Procureur-generaal bij het Hof van Beroep en de Raad en, in voorkomend geval, de speciaal daartoe, overeenkomstig artikel 49, § 2 van de wet, aangeduide expert, kunnen binnen een termijn van veertig dagen te rekenen vanaf de betekening, beroep aantekenen per aangetekend schrijven gericht aan de Commissie van Beroep.

De Commissie van Beroep betekent de akte van hoger beroep per aangetekende brief binnen de twee werkdagen na ontvangst van de akte aan de betrokken revisor, aan de Raad van het Instituut, in voorkomend geval aan de speciaal daartoe, overeenkomstig artikel 49, § 2 van de wet, aangeduide expert, en aan de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep ».

B.2. Het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 21 april 2007 « tot omzetting van bepalingen van de Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen, tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad, en houdende intrekking van Richtlijn 84/253/EEG van de Raad » (Belgisch Staatsblad, 27 april 2007) licht artikel 78, dat artikel 21, §§ 2 en 4, van de IBR-Wet, zoals gewijzigd bij de wet van 21 februari 1985 tot hervorming van het bedrijfsrevisoraat, wijzigt en tot artikel 64 hernummert, als volgt toe :

« Wijziging van artikel 21, §§ 2 en 4 van de wet van 22 juli 1953 dat wordt hernummerd in artikel 64 van die wet.

De tekst in het Nederlands van het artikel 78 van onderhavig besluit werd aangepast aan de formele opmerking van de Raad van State.

De paragrafen 1 en 2 van artikel 64 worden herschreven en houden een uitsplitsing in van de procedure inzake hoger beroep al naargelang het door de betrokken revisor, de Procureur-generaal of de Raad van het Instituut werd ingesteld.

Wat de termijn voor het aantekenen van hoger beroep aangaat tegen een beslissing van de Tuchtcommissie, wordt voorgesteld dat de Raad van het Instituut en de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep over een termijn van 40 dagen - 30 dagen voorheen - beschikken om tegen de beslissing van de Tuchtcommissie beroep in te stellen bij de Commissie van Beroep.

De Kamer van verwijzing en instaatstelling kan de Raad of, in voorkomend geval, de speciaal overeenkomstig artikel 49, § 2 aangeduide expert gelasten om beroep aan te tekenen ».

B.3. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de vragen uitsluitend betrekking hebben op de situatie waarbij de Raad van het Instituut van de Bedrijfsrevisoren (hierna : de Raad) na het verstrijken van de wettelijke beroepstermijn die voor de betrokken bedrijfsrevisor dertig dagen vanaf de betekening van de beslissing van de Tuchtcommissie bedraagt, alsnog binnen een wettelijke beroepstermijn van veertig dagen vanaf de betekening van de voormelde beslissing een beperkt principaal hoger beroep kan instellen.

B.4.1. Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens waarborgt niet het recht op een dubbele aanleg. Behalve in strafzaken bestaat er bovendien geen algemeen beginsel dat een dergelijke waarborg inhoudt.

B.4.2. Wanneer de wetgever evenwel in het rechtsmiddel van hoger beroep voorziet, moet hij daarbij een eerlijk verloop van de procedure waarborgen.

Het recht op toegang tot de rechter, dat een onderdeel is van het recht op een eerlijk proces, kan worden onderworpen aan ontvankelijkheidsvoorwaarden, met name wat betreft het instellen van een rechtsmiddel. Die voorwaarden mogen echter niet ertoe leiden dat het recht op zodanige wijze wordt beperkt dat de kern ervan wordt aangetast. Dit zou het geval zijn wanneer de beperkingen geen wettig doel nastreven of indien er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel.

Het beginsel van de wapengelijkheid, dat eveneens een onderdeel is van het recht op een eerlijk proces, houdt de verplichting in om aan elke partij de mogelijkheid te bieden haar argumenten te doen gelden in omstandigheden die haar niet kennelijk benadelen ten aanzien van de tegenpartij.

B.5.1. Uit de combinatie van de paragrafen 1 en 2 van artikel 64 van de IBR-Wet volgt dat de betrokken bedrijfsrevisor na het verstrijken van de beroepstermijn van dertig dagen, gelet op de beroepstermijn van veertig dagen voor de Raad, zonder de mogelijkheid om een navolgend incidenteel hoger beroep in te stellen, kan worden geconfronteerd met een beperkt hoger beroep van de Raad.

B.5.2. Gelet op de nauwe samenhang tussen, enerzijds, de in de eerste prejudiciële vraag voorgelegde problematiek van de onderscheiden wettelijke beroepstermijnen, en anderzijds, de in de tweede prejudiciële vraag voorgelegde onmogelijkheid om een navolgend incidenteel hoger beroep in te stellen, worden de beide vragen samen onderzocht.

B.6. Het criterium van onderscheid met betrekking tot de termijnen om een principaal hoger beroep in te stellen, berust op diegene die het hoger beroep instelt.

Tussen de betrokken bedrijfsrevisor en de Raad bestaat een fundamenteel verschil dat op een objectief criterium steunt : de tuchtrechtelijk vervolgde bedrijfsrevisor verdedigt enkel zijn persoonlijk belang, terwijl de Raad krachtens de artikelen 3, 22, 46 tot 53 en 59, § 1, van de IBR-Wet, in het algemeen belang de eerbiediging van de beroepsplichten vermeld in artikel 72, § 1, van dezelfde wet nastreeft en de tuchtvervolging vordert.

B.7.1. Aangezien de saisine van de Commissie van Beroep, gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep, wordt beperkt tot de bestreden beschikkingen van de beslissing van de Tuchtcommissie en het hoger beroep van de betrokken bedrijfsrevisor in beginsel enkel op diens eigen belangen betrekking kan hebben en hem geen nadeel kan berokkenen, is het aangewezen dat de Raad, die het algemeen belang behartigt, in voorkomend geval eerst kennis zou kunnen nemen van de omvang van het hoger beroep van de betrokken bedrijfsrevisor die de draagwijdte ervan kan beperken, om alsdan te kunnen oordelen of er aanleiding bestaat om de gehele tuchtvordering opnieuw aan het oordeel van de Commissie van Beroep te onderwerpen.

B.7.2. De termijn van veertig dagen voor de Raad om een principaal hoger beroep in te stellen tegen de beslissing van de Tuchtcommissie beperkt de rechten van de betrokken bedrijfsrevisor echter op een onevenredige wijze, daar die termijn tot gevolg heeft dat de Raad de saisine van het hoger beroep zo kan beperken dat, rekening houdend met de onmogelijkheid om een navolgend incidenteel hoger beroep in te stellen, de tuchtbeslissing ten aanzien van de betrokken bedrijfsrevisor louter in zijn nadeel kan worden hervormd zonder dat de betrokken bedrijfsrevisor alle feitelijke en juridische argumenten met het oog op een beslissing in zijn voordeel kan aanbrengen.

Evenzo beperkt de onmogelijkheid voor de betrokken bedrijfsrevisor om een navolgend incidenteel hoger beroep in te stellen, op onevenredige wijze de rechten van de betrokken bedrijfsrevisor daar deze, gelet op de ruimere beroepstermijn voor de Raad, na het verstrijken van zijn eigen termijn om een principaal hoger beroep in te stellen, kan worden geconfronteerd met een beperkt hoger beroep.

Aldus wordt de wapengelijkheid geschonden.

B.8. De prejudiciële vragen dienen bevestigend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 64, § 1, eerste lid, en § 2, van de wet van 22 juli 1953 houdende oprichting van een Instituut van de Bedrijfsrevisoren en organisatie van het publiek toezicht op het beroep van bedrijfsrevisor, gecoördineerd op 30 april 2007, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.

Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 22 september 2016.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

E. De Groot