Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 22 september 2016 (België)

Publicatie datum :
22-09-2016
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
10 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20160922-13
Rolnummer :
123/2016

Samenvatting

Het Hof - vernietigt artikel 22 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 18 december 2015 houdende het eerste deel van de fiscale hervorming; - verwerpt het beroep voor het overige.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters E. De Groot en J. Spreutels, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter E. De Groot,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 24 maart 2016 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 25 maart 2016, hebben de vzw « Federatie van Bedrijven voor Milieubeheer » (« FEBEM »), de nv « Vanheede Environment Group », de ebvba « M.C.A. », de nv « Suez R&R Belgium », de nv « Van Gansewinkel » en de nv « Shanks Brussels-Brabant », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Martens en Mr. A. Delfosse, advocaten bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 20 tot 22 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 18 december 2015 houdende het eerste deel van de fiscale hervorming (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 december 2015, tweede editie).

Bij hetzelfde verzoekschrift vorderden de verzoekende partijen eveneens de schorsing van dezelfde bepalingen van de voormelde ordonnantie. Bij het arrest nr. 105/2016 van 30 juni 2016, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 5 juli 2016, heeft het Hof artikel 22 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 18 december 2015 houdende het eerste deel van de fiscale hervorming geschorst.

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van de bestreden bepalingen

B.1.1. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van de artikelen 20 tot 22 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 18 december 2015 houdende het eerste deel van de fiscale hervorming (hierna : de ordonnantie van 18 december 2015), die bepalen :

« HOOFDSTUK 8. - Forfaitaire bijdrage voor het ophalen van niet huishoudelijk afval

Art. 20. In de ordonnantie van 19 juli 1990 houdende de oprichting van het Gewestelijk Agentschap voor Netheid, wordt een artikel 4/1 ingevoegd, luidend als volgt :

' Art. 4/1. Het Gewestelijk Agentschap voor Netheid is belast met de inzameling en verwerking van het afval van houders van afval ander dan huishoudelijk afval die zelf niet overgaan tot de verwerking van hun afval en het evenmin laten verwerken door een handelaar, een installatie of een onderneming die afval verwerken of [door] een afvalinzamelaar, zoals voorgeschreven door artikel 23 van de ordonnantie van 14 juni 2012 betreffende afvalstoffen dat een materiële verantwoordelijkheid invoert voor het afvalbeheer.

Onverminderd de aangenomen bepalingen door de Brusselse Agglomeratie kan de Regering de grenzen bepalen inzake de types en de hoeveelheid afval die worden ingezameld door het gewestelijk Agentschap voor Netheid. '.

Art. 21. In artikel 23 van de ordonnantie van 14 juni 2012 betreffende afvalstoffen, worden :

1° paragraaf 4, tweede lid, 3° als volgt vervangen :

' 3° indien hij het afval toevertrouwt aan een handelaar of een afvalinzamelaar, dient hij dat aan te tonen middels een schriftelijk contract of een geschreven document, afgeleverd door de afvalinzamelaar of de handelaar, dat bevestigt dat het afval regelmatig en systematisch wordt opgehaald, ongeacht de hoeveelheid op te halen afval. Geen enkel contract dient te worden gesloten met het Gewestelijk Agentschap voor Netheid voor het afval van de producenten of houders van afval ander dan huishoudelijk afval dat wordt ingezameld door deze in het kader van de types afval en de volumes die gedekt zijn door de kosten waarvan sprake in artikel 24/1, § 1. ';

2° paragraaf 4, laatste lid, wordt opgeheven.

Art. 22. In dezelfde ordonnantie, wordt een artikel 24/1 ingevoegd, luidend als volgt :

' Art. 24/1. § 1. Alle houders van ander dan huishoudelijk afval betalen aan het Gewestelijk Agentschap voor Netheid een jaarlijks [e] forfaitair [e] bijdrage van 243,24 euro, btw niet inbegrepen, tenzij ze aantonen dat :

1° ze zelf overgaan tot de verwerking of het overlaten aan een handelaar, een installatie of een onderneming die het afval verwerkt of [aan] een afvalinzamelaar, op basis van de bewijsstukken bedoeld in artikel 23, § 4;

2° ze deel uitmaken van de houders die vrijgesteld zijn in toepassing van artikel 10 van het besluit van de Regering van 22 december 2011 tot vaststelling van de tarificatie van de prestaties van het Agentschap Net Brussel, Gewestelijk Agentschap voor Netheid.

Op 1 januari van elk jaar, vanaf 2017, wordt het bedrag van de jaarlijkse forfaitaire bijdrage, zoals bepaald in het eerste lid, aangepast op grond van de evolutie van de index van de consumptieprijzen. De basisindex is deze van de maand waarin deze ordonnantie in werking treedt. Het bedrag van de bijdrage wordt afgerond, na indexering, naar beneden.

De bijdrage dekt de kosten van de inzameling huis-aan-huis en de verwerking van een maximum volume van :

1. 50 liter per week voor de fractie PMD-afval;

2. 30 liter per week voor de fractie papier en droog en schoon karton;

3. 80 liter per week voor de fractie restafval vergelijkbaar met huishoudelijk afval.

Wanneer de houders van afval ander dan huishoudelijk afval die gehouden zijn een bijdrage te betalen bedoeld in het eerste lid, andere types afval produceren of volumes die groter zijn dan deze bepaald in het derde lid, dient de inzameling en de verwerking van deze grotere volumes verzekerd te worden overeenkomstig artikel 23.

§ 2. Het Gewestelijk Agentschap voor Netheid stuurt tijdens het eerste semester van ieder jaar en voor de eerste keer vanaf 2016, een uitnodiging tot betaling van de bijdrage waarvan sprake in § 1 naar de producenten of houders van niet-huishoudelijk afval die geen inzamelings- en verwerkingscontract met hem hebben gesloten. Tenzij hij aantoont dat hij is vrijgesteld van de bijdrage, betaalt de houder of producent van niet-huishoudelijk afval zijn bijdrage aan het Gewestelijk Agentschap voor Netheid binnen de 30 dagen na de uitnodiging tot betaling. Het Gewestelijk Agentschap voor Netheid zorgt voor de inning van de niet betaalde bijdragen met alle rechtsmiddelen. Bij het ontvangen van de bijdragen, geeft het Gewestelijk Agentschap voor Netheid aan de houder van niet-huishoudelijk afval 20 fuchsia vuilniszakken van 80 liter bestemd voor de inzameling van de fractie restafval vergelijkbaar met huishoudelijk afval.

Het geheel van de bijdragen wordt ingeschreven in de begroting van het Gewestelijk Agentschap voor Netheid. ' ».

B.1.2. Overeenkomstig artikel 28 van de ordonnantie van 18 december 2015 treden die bepalingen in werking op 1 januari 2016.

B.2. De bestreden bepalingen belasten het Gewestelijk Agentschap voor Netheid met een nieuwe opdracht bij de inzameling en verwerking van niet-huishoudelijk afval in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Met betrekking tot de doelstelling die wordt beoogd, vermeldt de parlementaire voorbereiding :

« Het huidige systeem verplicht de genoemde producenten en houders ertoe te bewijzen dat ze hun verplichtingen nakomen, mits het voorleggen van geschreven documenten, meer bepaald contracten gesloten met inzamelaars. Artikel 23, § 4, laatste lid, van de ordonnantie van 14 juni 2012 laat echter toe een vrijstelling van contract te verlenen in omstandigheden bepaald door de Regering. In de huidige toestand werd een vrijstelling van contract toegekend door de Regering aan alle producenten en houders van ander dan huishoudelijk afval dat een bepaald volume niet overschrijdt. Er wordt echter vastgesteld dat velen onder hen misbruik maken van deze bepaling door de inzamelingen van huishoudelijk afval te gebruiken om de hoeveelheid afval dat het vrijgestelde volume overschrijdt te dumpen. Daarmee miskennen ze de verplichtingen die voortvloeien uit zowel de materiële verantwoordelijkheid als uit de financiële verantwoordelijkheid opgelegd door de ordonnantie van 14 juni 2012.

Dit betekent de facto een overlast voor de opdrachten van de openbare diensten die ten laste zijn van de gezinnen en de producenten van afval ander dan huishoudelijk afval die in regel zijn met hun contract. Om een einde te stellen aan dit onevenwicht en de houders van niet huishoudelijk afval te laten deelnemen aan de inzameling zoals het hoort, stelt de huidige bepaling voor de genoemde vrijstelling van contract te schrappen en een minimum bijdrage in te voeren voor alle producenten en houders van afval ander dan huishoudelijk afval die niet bewijzen dat ze hun verplichtingen voor de verwerking van afval nakomen.

De afschaffing van deze vrijstelling is overeenkomstig het principe vervuiler/betaler » (Parl. St., 2015-2016, Brussels Hoofdstedelijk Parlement, nr. A-272/1, pp. 7-8).

Ten aanzien van het belang van de verzoekende partijen en de omvang van het beroep

B.3.1. De eerste verzoekende partij, de vzw « Federatie van Bedrijven voor Milieubeheer », behartigt de gemeenschappelijke belangen van bedrijven die afvalstoffen inzamelen, sorteren, behandelen, recycleren of verwerken en van de grondreinigingscentra. De overige verzoekende partijen, die allen leden zijn van de eerste verzoekende partij, zijn particuliere ondernemingen die een commerciële activiteit uitoefenen in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, in de sector van de inzameling en de verwerking van niet-huishoudelijk afval.

B.3.2. Volgens de Brusselse Hoofdstedelijke Regering zouden de verzoekende partijen niet doen blijken van het rechtens vereiste belang bij de vernietiging van de artikelen 20 en 21 van de ordonnantie van 18 december 2015, aangezien zij geen kritiek ten aanzien van die bepalingen formuleren.

B.3.3. Artikel 20 van de ordonnantie van 18 december 2015 voegt in de ordonnantie van 19 juli 1990 houdende oprichting van het Gewestelijk Agentschap voor Netheid (hierna : de ordonnantie van 19 juli 1990) een nieuw artikel 4/1 in. De bestreden bepaling belast het Gewestelijk Agentschap voor Netheid (hierna : het Agentschap) met een bijkomende opdracht, namelijk de inzameling en de verwerking van niet-huishoudelijk afval van de houders van afval die zelf niet overgaan tot de verwerking ervan en het evenmin laten verwerken door een handelaar, een installatie of een onderneming die afval verwerken of door een afvalinzamelaar, zoals voorgeschreven bij artikel 23 van de ordonnantie van 14 juni 2012 betreffende afvalstoffen. De Regering kan de grenzen bepalen van de types en de hoeveelheid afval die door het Agentschap worden ingezameld.

Volgens artikel 3 van de ordonnantie van 19 juli 1990 houdende oprichting van het Gewestelijk Agentschap voor Netheid is het Agentschap een instelling van openbaar nut met rechtspersoonlijkheid.

Het bestreden artikel 21 wijzigt artikel 23, § 4, van de ordonnantie van 14 juni 2012 betreffende afvalstoffen (hierna : de ordonnantie van 14 juni 2012), door de bewijsmodaliteiten te preciseren die van de afvalhouders werden geëist : de houders van afval die hun afval toevertrouwen aan een handelaar of aan een afvalinzamelaar, moeten met een schriftelijk contract of een ander geschreven document kunnen aantonen dat het afval regelmatig en systematisch wordt opgehaald. Voorheen was die bewijsverplichting via een schriftelijk contract of een ander geschreven document reeds vereist, maar de afvalhouders konden voor kleinere hoeveelheden niet-huishoudelijk afval worden vrijgesteld van die bewijsplicht; die vrijstellingsmogelijkheid is voortaan afgeschaft. De houders van niet-huishoudelijk afval dat wordt ingezameld door het Agentschap in het kader van de bijdrage bedoeld in artikel 24/1 van de ordonnantie van 14 juni 2012, worden daarentegen vrijgesteld van de verplichting om een contract te sluiten en dit te bewijzen.

Het bestreden artikel 22 voegt in de ordonnantie van 14 juni 2012 een artikel 24/1 in dat de houder van niet-huishoudelijk afval voortaan verplicht een jaarlijkse forfaitaire bijdrage te betalen aan het Agentschap, tenzij hij aantoont dat hij zijn afval zelf verwerkt of laat verwerken door een handelaar, een installatie of een onderneming die het afval verwerkt of door een afvalinzamelaar, « op basis van de bewijsstukken bedoeld in artikel 23, § 4 » of dat hij daarvan is vrijgesteld met toepassing van artikel 10 van het besluit van de Regering van 22 december 2011 « tot vaststelling van de tarifering van de prestaties van Net Brussel, het Gewestelijk Agentschap voor Netheid ». Dat Agentschap int de jaarlijkse forfaitaire bijdrage binnen de 30 dagen na het versturen van de uitnodiging tot betaling, tenzij de producent of houder van niet-huishoudelijk afval aantoont dat hij ervan is vrijgesteld.

B.3.4. Uit de uiteenzetting van de middelen blijkt dat de grieven van de verzoekende partijen alle betrekking hebben op de identiteit van de instantie waaraan het schriftelijk contract of het geschreven document, die een voorwaarde zijn voor het verkrijgen van een vrijstelling van de bestreden jaarlijkse forfaitaire bijdrage, wordt bezorgd.

De verzoekende partijen bekritiseren als dusdanig niet de nieuwe opdracht die bij het bestreden artikel 20 aan het Agentschap is toegekend met betrekking tot de inzameling van niet-huishoudelijk afval, noch de modaliteiten inzake schriftelijk bewijs die worden gepreciseerd in artikel 23, § 4, van de ordonnantie van 14 juni 2012, zoals gewijzigd bij het bestreden artikel 21. Hun kritiek slaat enkel op het feit dat het bij artikel 23, § 4, van de ordonnantie van 14 juni 2012 vereiste schriftelijke bewijs, krachtens artikel 24/1 van de ordonnantie van 14 juni 2012, zoals gewijzigd bij het bestreden artikel 22, aan het Gewestelijk Agentschap voor Netheid zou moeten worden geleverd.

Hoewel de bestreden bepalingen een onderlinge samenhang vertonen, blijkt uit de formulering van het verzoekschrift dat de kritiek van de verzoekende partijen uitsluitend is gericht tegen artikel 22 van de ordonnantie van 18 december 2015, zodat het Hof zijn onderzoek daartoe beperkt.

Ten gronde

B.4.1. Volgens artikel 24/1, § 1, van de ordonnantie van 14 juni 2012, zoals gewijzigd bij het bestreden artikel 22, is elke houder van niet-huishoudelijk afval voortaan verplicht een jaarlijkse forfaitaire bijdrage te betalen aan het Agentschap, tenzij hij aantoont dat hij zijn afval zelf verwerkt of laat verwerken door een handelaar, een installatie of een onderneming die het afval verwerkt of door een afvalinzamelaar, op basis van een schriftelijk contract of een geschreven document zoals bedoeld in artikel 23, § 4.

B.4.2. Volgens artikel 24/1, § 2, van dezelfde ordonnantie stuurt het Agentschap tijdens het eerste semester van ieder jaar een uitnodiging tot betaling naar de producenten of houders van niet-huishoudelijk afval die geen inzamelings- en verwerkingscontract met het Agentschap hebben gesloten. De houder of producent van niet-huishoudelijk afval betaalt zijn bijdrage aan het Agentschap binnen dertig dagen na de uitnodiging tot betaling, tenzij hij aan de hand van de vereiste bewijsstukken aantoont dat hij is vrijgesteld.

B.4.3. In de lezing die de verzoekende partijen geven aan de bestreden bepaling leidt deze ertoe dat de houders van niet-huishoudelijk afval die in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest een beroep doen op een handelaar of afvalinzamelaar ertoe verplicht zijn dit aan te tonen door aan het Agentschap een schriftelijk contract met die particuliere onderneming of een ander schriftelijk document voor te leggen waaruit blijkt dat het afval regelmatig en systematisch wordt opgehaald. Aldus zou het Agentschap, dat zelf economisch actief is in de sector van afvalinzameling en -verwerking en dus een potentiële concurrent is, inzage krijgen in de vertrouwelijke bedrijfsinformatie van de particuliere afvalinzamelaars terwijl die laatsten niet over dergelijke informatie kunnen beschikken.

B.5.1. In het eerste middel voeren de verzoekende partijen aan dat die ongelijke behandeling van de publieke en particuliere marktdeelnemers strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet (eerste onderdeel) en dat ze marktverstorend werkt, waardoor eveneens artikel 23, derde lid, 1°, van de Grondwet, gelezen in samenhang met de artikelen 102 en 106 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, wordt geschonden (tweede onderdeel).

B.5.2. In het tweede middel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden, al dan niet in samenhang gelezen met het onafhankelijkheidsbeginsel en het onpartijdigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur en met het artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, doordat een overheidsinstelling de bevoegdheid heeft om toezicht te houden op een sector waarbinnen zij zelf economisch actief is.

B.5.3. In het derde middel voeren de verzoekende partijen een schending aan van het respect voor het zakengeheim van een rechtspersoon, zoals gewaarborgd bij artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 339 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met de artikelen 4 en 41, lid 2, b), van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, doordat de bestreden bepalingen het Agentschap, dat een potentiële concurrent is, de bevoegdheid geven om kennis te nemen van vertrouwelijke informatie van de particuliere ondernemingen.

B.6.1. Volgens de Brusselse Hoofdstedelijke Regering zouden de particuliere ondernemingen die werkzaam zijn in de sector van de inzameling van niet-huishoudelijk afval en het Agentschap geen vergelijkbare categorieën zijn, doordat het Agentschap op grond van de bestreden bepalingen een taak van algemeen belang vervult en niet als een concurrent van de particuliere ondernemingen kan worden beschouwd.

B.6.2. Artikel 3 van de ordonnantie van 19 juli 1990 houdende oprichting van het Gewestelijk Agentschap voor Netheid bepaalt :

« § 1. Er wordt een instelling van openbaar nut opgericht onder de benaming ' Net Brussel, Gewestelijk Agentschap voor Netheid ', hierna genoemd het Agentschap.

Het Agentschap bezit rechtspersoonlijkheid.

§ 2. In artikel 1, A, van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, wordt in alfabetische volgorde volgende vermelding ingevoegd : ' Net Brussel, Gewestelijk Agentschap voor Netheid ' ».

B.6.3. Artikel 7 van dezelfde ordonnantie bepaalt :

« § 1. Het Agentschap kan handelsactiviteiten uitoefenen die verenigbaar zijn met de opdrachten die eraan worden toevertrouwd.

De Executieve kan een boekhoudkundig plan volgens handelsmethodes opleggen.

§ 2. Met het oog op het vervullen van zijn opdrachten kan het Agentschap overeenkomsten sluiten, deelnemen in het kapitaal en aan het beheer van ondernemingen, en bedrijfsinstallaties exploiteren of laten exploiteren.

Voor deelneming in het kapitaal van ondernemingen moet de Executieve toestemming verlenen. De Executieve stelt eveneens het bedrag van de deelneming van het Agentschap vast.

[...] ».

B.7. Inzake het beheer van afval in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest moet een onderscheid worden gemaakt tussen de afvalstoffen van de gezinnen en die van de ondernemingen. Terwijl de inzameling van het afval van de eerste categorie van afvalhouders uitsluitend werd toevertrouwd aan het Agentschap, zijn de ondernemingen op grond van de ordonnantie van 14 juni 2012 zelf verantwoordelijk voor de verwerking en inzameling van hun afval en dit op grond van het principe dat de vervuiler betaalt.

Het bestreden artikel 24/1 van de ordonnantie van 14 juni 2012 kent aan het Agentschap geen uitsluitende rechten toe om binnen het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest niet-huishoudelijk afval in te zamelen en te verwerken. Slechts in zoverre de houders van dergelijk afval het niet zelf verwerken of laten inzamelen en verwerken door een handelaar, een installatie of een onderneming die het afval verwerkt of door een afvalinzamelaar, neemt het Agentschap die taak waar en dient de forfaitaire bijdrage te worden betaald. Bijgevolg kunnen de houders van afval een beroep doen op een onderneming van hun keuze.

Voorts dekt de forfaitaire bijdrage bedoeld in de bestreden bepaling enkel de inzameling en verwerking van een beperkt volume van niet-huishoudelijk afval. Volgens artikel 7 van de ordonnantie van 19 juli 1990 kan het Agentschap handelsactiviteiten uitoefenen en volgens artikel 4, § 2, 1°, van die ordonnantie kan het op vraag van een onderneming afval verwijderen op kosten van deze laatste. Het gegeven dat het Agentschap belast is met het beheer van een dienst van algemeen belang sluit dus niet uit dat het ook zuivere handelsactiviteiten ontplooit op het vlak van de inzameling en verwerking van niet-huishoudelijk afval en in concurrentie treedt met de particuliere ondernemingen.

Op het vlak van de inzameling en verwerking van niet-huishoudelijk afval zijn het Agentschap en de particuliere ondernemingen vergelijkbare categorieën.

B.8.1. Reeds vóór de totstandkoming van de bestreden bepalingen moest elke houder van niet-huishoudelijk afval die een beroep doet op een commerciële handelaar of afvalinzamelaar, op grond van artikel 23, § 4, van de ordonnantie van 14 juni 2012 kunnen aantonen, middels een schriftelijk contract of een geschreven document afgegeven door de afvalinzamelaar, dat het afval regelmatig en systematisch wordt opgehaald, tenzij hij daarvan was vrijgesteld voor kleine volumes van niet-huishoudelijk afval.

B.8.2. Volgens artikel 23, § 4, derde lid, van de ordonnantie van 14 juni 2012, dat niet werd gewijzigd bij de ordonnantie van 18 december 2015, kan de Regering de vorm en de inhoud van het contract of het bewijsdocument bepalen en de controleregels vaststellen, wat is gebeurd met het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 juni 2012 tot bepaling van de voorschriften voor de tenuitvoerlegging van de sorteerplicht voor producenten of houders van afvalstoffen andere dan huishoudelijke.

B.8.3. De artikelen 5 en 6 van dat besluit bepalen de voorschriften waaraan de bedoelde bewijsstukken moeten voldoen. Volgens artikel 5 moeten op het contract of de andere schriftelijke documenten ten minste de volgende informatie worden vermeld : de identiteit van de contractpartijen, de aard van het afval en de capaciteit van de opgehaalde containers, de frequentie en de plaatsen van inzameling. Volgens artikel 7 van het besluit, in samenhang gelezen met de artikelen 2 en 5, § 1, van het « Wetboek van 25 maart 1999 van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid » moeten de bewijsstukken worden voorgelegd aan de ambtenaren van het Brussels Instituut voor Milieubeheer (hierna : het Instituut).

B.8.4. Uit de artikelen 5 tot 7 van het vermelde besluit blijkt niet dat de producenten of houders van afval verplicht zijn om op eigen initiatief de bedoelde contracten of bewijzen systematisch over te zenden aan de ambtenaren van het Brussels Instituut voor Milieubeheer. Wel moeten zij bij controle « in staat zijn een bewijs te leveren » van het bestaan van een dergelijk contract en moet het bewijs tot twee jaar na het beëindigen van het contract worden bewaard.

B.9.1. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering voert aan dat het niet de bedoeling zou zijn van de gewestwetgever dat het Agentschap inzage kan krijgen in de bedrijfsinformatie van de private ondernemingen. De bewijsstukken zouden worden ingezameld door het Brussels Instituut voor Milieubeheer, dat een onafhankelijk controleorgaan is. De uitwisseling van gegevens tussen het Instituut en het Agentschap zou in uitvoeringsbesluiten worden geregeld.

B.9.2. Het standpunt van de Regering vindt geen steun in de bestreden bepalingen. Het blijkt niet dat de ordonnantiegever het Instituut de opdracht heeft gegeven om de contracten die de houders van afval sluiten met de private ondernemingen of de andere schriftelijke bewijsstukken systematisch op te vragen. Evenmin regelen de bestreden bepalingen enige vorm van samenwerking of informatie-uitwisseling tussen het Instituut en het Agentschap bij de inning van de forfaitaire bijdrage.

B.9.3. Artikel 24/1, § 1, van de ordonnantie van 14 juni 2012, zoals ingevoegd bij het bestreden artikel 22, verplicht daarentegen alle houders van niet-huishoudelijk afval ertoe aan het Agentschap een jaarlijkse forfaitaire bijdrage te betalen, tenzij ze aantonen dat ze zelf overgaan tot de verwerking of dit overlaten aan een handelaar, een installatie of een onderneming die het afval verwerkt of aan een afvalinzamelaar, « op basis van de bewijsstukken bedoeld in artikel 23, § 4 ».

Zoals de bestreden bepaling is geformuleerd, lijkt de bedoelde informatie te moeten worden bezorgd aan het Agentschap. Het is immers het Agentschap dat de uitnodiging tot betaling verstuurt naar de houders van niet-huishoudelijk afval die geen inzamelings- en verwerkingscontract « met hem » hebben gesloten, wat impliceert dat wie een beroep doet op een private onderneming eveneens een uitnodiging tot betaling ontvangt, en een contract of een ander schriftelijk bewijs moet voorleggen om vrijstelling van de heffing te verkrijgen.

Tenzij hij aantoont dat hij is vrijgesteld van de bijdrage, betaalt de houder van niet-huishoudelijk afval zijn bijdrage aan het Gewestelijk Agentschap voor Netheid binnen 30 dagen na de uitnodiging tot betaling. Uit de bestreden bepaling blijkt op geen enkele wijze op welk ogenblik het Instituut in die procedure zou optreden teneinde te vermijden dat de houders van afval ertoe worden gebracht belangrijke bedrijfsinformatie van de particuliere ondernemingen die diensten aanbieden voor de inzameling en verwerking van niet-huishoudelijk afval in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, aan het Agentschap te bezorgen.

B.9.4. Het Hof kan bij de toetsing van de bestreden bepalingen aan de door de verzoekende partijen aangevoerde referentienormen niet ervan uitgaan dat bepaalde tekortkomingen in de ordonnantie van 18 december 2015 zullen worden opgevangen in uitvoeringsbesluiten.

B.10. De legitieme doelstelling om misbruiken te verhelpen bij het ophalen van niet-huishoudelijk afval kan niet verantwoorden dat een overheidsinstantie zoals het Agentschap de bekritiseerde taak van toezicht en controle krijgt teneinde een bijdrage te innen in een sector waarbinnen het zelf economisch actief is. De combinatie van deelname aan de markt, enerzijds, en de behartiging van het toezicht op die markt, anderzijds, houdt het risico in van misbruik door de toezichthoudende overheid en kan de andere marktdeelnemers benadelen (zie ook : advies nr. 49.071/3 van de afdeling wetgeving van de Raad van State, Parl. St., 2011-2012, Brussels Hoofdstedelijk Parlement, nr. A-227/1, pp. 19-20).

Indien het Agentschap bij het waarnemen van zijn taak van algemeen belang inzage kan krijgen in de bewijsstukken bedoeld in artikel 23, § 4, van de ordonnantie van 14 juni 2012 betreffende afvalstoffen, kan het immers niet met succes worden gedwongen om met die inlichtingen geen rekening te houden bij het bepalen van zijn commerciële beleid (zie in dezelfde zin : HvJ, 19 mei 1994, C-36/92 P, SEP t. Commissie, punt 30). Ingevolge die inlichtingen zou het dat beleid kunnen aanpassen om op een meer effectieve manier te concurreren met de andere handelaars en afvalinzamelaars. Derhalve lijkt de bestreden bepaling te leiden tot een niet redelijk verantwoord verschil in behandeling tussen het Agentschap en de particuliere marktdeelnemers, nu deze laatsten niet over dezelfde informatie kunnen beschikken.

B.11. Het eerste onderdeel van het eerste middel, dat is afgeleid uit een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, is gegrond.

B.12. Vermits de overige middelen niet tot een ruimere vernietiging kunnen leiden, dienen ze niet te worden onderzocht.

Om die redenen,

het Hof

- vernietigt artikel 22 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 18 december 2015 houdende het eerste deel van de fiscale hervorming;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 22 september 2016.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

E. De Groot