Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 22 september 2016 (België)

Publicatie datum :
22-09-2016
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
8 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20160922-9
Rolnummer :
119/2016

Samenvatting

Het Hof zegt voor recht : - Artikel 464/1, § 8, vijfde lid, van het Wetboek van strafvordering schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het vertrouwensbeginsel. - Artikel 1675/13, § 3, eerste streepje, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 10 van de wet van 12 mei 2014 « houdende wijziging van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën en tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek, met het oog op een effectieve invordering van onderhoudsschulden », schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het vertrouwensbeginsel.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters E. De Groot en J. Spreutels, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter E. De Groot,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij arrest van 27 mei 2015 in zake K.B. tegen Mr. Pieter Van Der Herten en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 18 juni 2015, heeft het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, de volgende prejudiciële vragen gesteld :

« 1. Schendt artikel 464/1, § 8 Sv. de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het vertrouwensbeginsel op buitensporige wijze wordt geschonden en er mogelijk geen redelijke verantwoording wordt gegeven voor het verschil in behandeling, voor zover er bij de invoering van dit artikel door artikel 4 van de wet van 11 februari 2014 houdende diverse maatregelen ter verbetering van de invordering van de vermogensstraffen en de gerechtskosten in strafzaken (I) waardoor penale boetes niet langer konden kwijtgescholden worden geen overgangsregeling werd voorzien voor die personen die in collectieve schuldenregeling zaten en penale boetes hadden opgelopen voor de inwerkingtreding van voormelde wet op 12 april 2014 en die toen dan nog eventueel konden kwijtgescholden worden maar waarvan de collectieve schuldenregeling nog niet beëindigd was, terwijl personen wiens collectieve schuldenregeling kon beëindigd worden voor 12 april 2014 wel konden genieten van een kwijtschelding van penale boetes ?

2. Schendt artikel 1675/13, § 1 Ger. W. de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het vertrouwensbeginsel op buitensporige wijze wordt geschonden en er mogelijk geen redelijke verantwoording wordt gegeven voor het verschil in behandeling, voor zover er bij de wijziging van dit artikel door artikel 10 van de wet van 12 mei 2014 houdende wijziging van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën en tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek, met het oog op een effectieve invordering van onderhoudsschulden waardoor geen enkele onderhoudsschuld nog kon kwijtgescholden worden, geen overgangsregeling werd voorzien voor die personen die in collectieve schuldenregeling zaten en vervallen onderhoudsschulden hadden die dateren van voor het opleggen van een gerechtelijke aanzuiveringsregeling maar waarover nog niet definitief beslist was voor 1 augustus 2014, terwijl personen wiens collectieve schuldenregeling kon beëindigd worden voor 1 augustus 2014 wel konden genieten van een kwijtschelding van alle onderhoudsschulden ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen

B.1.1. Met de eerste prejudiciële vraag wordt het Hof ondervraagd over artikel 464/1, § 8, vijfde lid, van het Wetboek van strafvordering, zoals ingevoegd bij artikel 4 van de wet van 11 februari 2014 houdende diverse maatregelen ter verbetering van de invordering van de vermogensstraffen en de gerechtskosten in strafzaken (I) (hierna : de wet van 11 februari 2014 (I)), dat bepaalt :

« De kwijtschelding of vermindering van de straffen in het raam van een collectieve insolventieprocedure of burgerlijke beslagprocedure kan enkel worden toegestaan met toepassing van de artikelen 110 en 111 van de Grondwet ».

B.1.2. Artikel 4 van de wet van 11 februari 2014 (I) is in werking getreden op 18 april 2014, zijnde tien dagen na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.

B.2.1. Met de tweede prejudiciële vraag wordt het Hof ondervraagd over artikel 1675/13, § 3, eerste streepje, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 10 van de wet van 12 mei 2014 « houdende wijziging van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën en tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek, met het oog op een effectieve invordering van onderhoudsschulden » (hierna : de wet van 12 mei 2014), waarbij in de eerstvermelde bepaling de woorden « die niet vervallen zijn op de dag van de uitspraak houdende vaststelling van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling » worden opgeheven.

B.2.2. Artikel 1675/13, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd door artikel 10 van de wet van 12 mei 2014, bepaalt :

« De rechter kan geen kwijtschelding verlenen voor volgende schulden :

- de onderhoudsgelden;

- de schulden die een schadevergoeding inhouden, toegestaan voor het herstel van een lichamelijke schade veroorzaakt door een misdrijf;

- de schulden van een gefailleerde die overblijven na het sluiten van het faillissement ».

B.2.3. Artikel 10 van de wet van 12 mei 2014 is, overeenkomstig artikel 13 van die wet, op 1 augustus 2014 in werking getreden.

B.2.4. De in het geding zijnde bepalingen hebben betrekking op de kwijtschelding van schulden in het kader van een collectieve schuldenregeling, zoals geregeld door de artikelen 1675/2 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek.

Geen van beide bepalingen bevat een overgangsregeling zodat zij overeenkomstig de algemene principes die de werking van rechtsnormen in de tijd beheersen, van onmiddellijke toepassing zijn wanneer de rechter over de kwijtschelding van schulden een beslissing dient te nemen in reeds lopende procedures.

B.3.1. De procedure van collectieve schuldenregeling kan in verschillende fasen verlopen. In eerste instantie zal de schuldbemiddelaar, met instemming van de schuldeisers, trachten een minnelijke collectieve aanzuiveringsregeling te treffen, onder toezicht van de rechter; die kan een gerechtelijke aanzuiveringsregeling opleggen indien geen akkoord wordt bereikt (artikel 1675/3). Die ontstentenis van akkoord wordt vastgesteld door de bemiddelaar (artikel 1675/11). De gerechtelijke aanzuiveringsregeling kan een aantal maatregelen bevatten, zoals het uitstel of de herschikking van betaling van de schulden of de gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de moratoire intresten, vergoedingen en kosten (artikel 1675/12) en, indien die maatregelen het niet mogelijk maken de financiële situatie van de schuldenaar te herstellen, elke andere gedeeltelijke kwijtschelding van schulden, zelfs van kapitaal, op voorwaarde dat de in artikel 1675/13 vastgestelde voorwaarden in acht worden genomen.

B.3.2. Indien geen enkele minnelijke of gerechtelijke regeling mogelijk is omdat de verzoeker over onvoldoende middelen beschikt, machtigt artikel 1675/13bis, ingevoegd bij de wet van 13 december 2005 houdende bepalingen betreffende de termijnen, het verzoekschrift op tegenspraak en de procedure van collectieve schuldregeling, de rechter ertoe de volledige kwijtschelding van de schulden, met uitzondering van de in artikel 1675/13, § 3, opgesomde schulden, toe te kennen.

B.4.1. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat voor de verwijzende rechter beroep werd ingesteld tegen een beslissing van de Arbeidsrechtbank, waarbij die laatste, na de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen, heeft beslist over een verzoek tot totale kwijtschelding van de schulden op grond van artikel 1675/13bis van het Gerechtelijk Wetboek, nadat de schuldbemiddelaar om een herziening van de initiële aanzuiveringsregeling had verzocht wegens nieuwe feiten en moeilijkheden. De Arbeidsrechtbank heeft het verzoek ingewilligd, doch ingevolge de inwerkingtreding van de in het geding zijnde bepalingen werd geen kwijtschelding verleend van de penale boeten en de onderhoudsschulden. Het Hof beperkt zijn onderzoek bijgevolg tot die hypothese.

B.4.2. Artikel 1675/13bis van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt :

« § 1. Als blijkt dat geen enkele minnelijke of gerechtelijke aanzuiveringsregeling mogelijk is omdat de verzoeker over onvoldoende middelen beschikt, neemt de bemiddelaar deze vaststelling op in het in artikel 1675/11, § 1, bedoelde proces-verbaal, met een met redenen omkleed voorstel dat de toekenning van een totale kwijtschelding van de schulden en de eventuele maatregelen die er naar zijn mening mee gepaard moeten gaan, rechtvaardigt.

§ 2. De rechter kan in dergelijk geval de totale kwijtschelding van de schulden toestaan zonder aanzuiveringsregeling en onverminderd de toepassing van artikel 1675/13, § 1, eerste lid, eerste streepje, 3 en 4.

§ 3. Deze beslissing kan gepaard gaan met begeleidingsmaatregelen, waarvan de duur vijf jaar niet mag overschrijden.

Artikel 51 is niet van toepassing.

§ 4. De kwijtschelding van de schulden is verworven, behoudens terugkeer tot beter fortuin binnen vijf jaar die volgen op de beslissing.

§ 5. De beslissing kan gedurende vijf jaar herroepen worden onder de in artikel 1675/15 bedoelde voorwaarden ».

B.4.3. Uit de combinatie van die bepaling met artikel 1675/13, § 3, van hetzelfde Wetboek en met artikel 464/1, § 8, vijfde lid, van het Wetboek van strafvordering volgt dat de totale kwijtschelding van de schulden, sinds de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen, geen betrekking kan hebben op onderhoudsschulden en penale boeten.

Ten gronde

B.5.1. Met de beide prejudiciële vragen wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 464/1, § 8, vijfde lid, van het Wetboek van strafvordering (eerste vraag) en artikel 1675/13, § 3, eerste streepje, van het Gerechtelijk Wetboek (tweede vraag), bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het vertrouwensbeginsel, doordat personen die zich op de datum van inwerkingtreding van die bepalingen bevonden in een procedure van collectieve schuldenregeling, sinds die datum geen kwijtschelding meer zouden kunnen verkrijgen van penale boeten en van onderhoudsschulden, terwijl dat voor personen ten aanzien van wie de procedure vóór die datum reeds was beëindigd wel mogelijk zou zijn geweest.

B.5.2. Zoals is vermeld in B.4.1, beperkt het Hof zijn onderzoek tot de beslissingen tot totale kwijtschelding van schulden. Volgens artikel 1675/13bis, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek is de kwijtschelding van de schulden verworven, « behoudens terugkeer tot beter fortuin binnen vijf jaar die volgen op de beslissing ». Aldus is de kwijtschelding van schulden verworven voor de rechterlijke beslissingen die aan de datum van inwerkingtreding van de in het geding zijnde bepalingen voorafgaan, en zijn de nieuwe bepalingen enkel van toepassing op de beslissingen die met ingang van die datum worden genomen.

B.6.1. De in het geding zijnde bepalingen voeren, gelet op het tijdstip waarop zij uitwerking hebben, een onderscheid in tussen personen die betrokken zijn bij rechtstoestanden die onder het toepassingsgebied van de vroegere regeling vielen en personen die betrokken zijn bij rechtstoestanden die onder het toepassingsgebied van de nieuwe regeling vallen. Elke wetswijziging zou onmogelijk worden indien zou worden aangenomen dat een nieuwe bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zou schenden om de enkele reden dat zij de toepassingsvoorwaarden van de vroegere wetgeving wijzigt, om de enkele reden dat zij de berekeningen in de war zou sturen van diegenen die op de vroegere situatie zijn voortgegaan of om de enkele reden dat zij de verwachtingen van een partij in een rechtsgeding zou dwarsbomen.

B.6.2. Indien de wetgever een beleidswijziging noodzakelijk acht, vermag hij te oordelen dat die beleidswijziging met onmiddellijke ingang moet worden doorgevoerd en is hij in beginsel niet ertoe gehouden in een overgangsregeling te voorzien. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet zijn slechts geschonden indien de overgangsregeling of de afwezigheid daarvan tot een verschil in behandeling leidt waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat of indien aan het vertrouwensbeginsel op buitensporige wijze afbreuk wordt gedaan. Dat laatste is het geval wanneer de rechtmatige verwachtingen van een bepaalde categorie van rechtsonderhorigen worden miskend zonder dat een dwingende reden van algemeen belang voorhanden is die het ontbreken van een overgangsregeling kan verantwoorden.

Wat de kwijtschelding van penale boeten betreft

B.7. De verwijzende rechter wenst met de eerste prejudiciële vraag te vernemen of artikel 464/1, § 8, vijfde lid, van het Wetboek van strafvordering, zoals ingevoegd bij artikel 4 van de wet van 11 februari 2014, bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het vertrouwensbeginsel, in zoverre de afwezigheid van een overgangsregeling tot gevolg heeft dat voor personen die op 18 april 2014 nog in een procedure een collectieve schuldenregeling verwikkeld waren, geen totale kwijtschelding meer mogelijk is van de penale boeten waartoe zij vóór die datum waren veroordeeld, terwijl personen ten aanzien van wie de procedure van collectieve schuldenregeling beëindigd was vóór 18 april 2014 wel een kwijtschelding van dergelijke boeten konden verkrijgen.

B.8.1. In verband met het in het geding zijnde artikel 464/1, § 8, vijfde lid, van het Wetboek van strafvordering vermeldt de parlementaire voorbereiding :

« De kwijtschelding of vermindering van de straffen (penale geldboeten en verbeurdverklaringen) in het raam van een collectieve insolventieprocedure en een burgerlijke beslagprocedure, die al dan niet een samenloopsituatie doen ontstaan, kan enkel worden toegestaan na het verlenen van koninklijke genade (ontworpen artikel 464/1, § 8, vijfde lid, Sv.) Deze bepaling waarborgt de toepassing van artikel 110 Grondwet, dat aan de Koning de bevoegdheid verleent om straffen te verminderen of kwijt te schelden (ontworpen artikel 464/1, § 7, vijfde lid, Sv.). De wettelijke bepalingen die collectieve insolventieprocedures regelen, zoals artikel 82 Faillissementswet betreffende de verschoonbaarheid van de gefailleerde of de artikelen 1675/10, 1675/13 en 1675/13bis van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de kwijtschelding van schulden in het raam van een collectieve schuldenregeling, kunnen hieraan als lagere rechtsnorm geen afbreuk doen » (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2934/001 en DOC 53-2935/001, p. 12).

B.8.2. Reeds bij de totstandkoming van de wet van 13 december 2005 houdende bepalingen betreffende de termijnen, het verzoekschrift op tegenspraak en de procedure van collectieve schuldregeling leek de wetgever van oordeel dat penale boetes enkel konden worden kwijtgescholden op basis van de artikelen 110 en 111 van de Grondwet en niet door de rechter in het kader van een collectieve schuldenregeling. De onmogelijkheid om voor dergelijke schulden kwijtschelding te verkrijgen werd evenwel niet uitdrukkelijk vermeld in artikel 1675/13 van het Gerechtelijk Wetboek, dat een opsomming bevat van de schulden die niet voor kwijtschelding in aanmerking komen, omdat dit zou kunnen laten uitschijnen dat later een andersluidende beslissing zou kunnen worden genomen, wat volgens de wetgever strijdig zou zijn met artikel 110 van de Grondwet (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1308/012, pp. 32 en 72-73).

B.8.3. Het Hof van Cassatie heeft in een arrest van 18 november 2013 (Arr. Cass., 2013, nr. 613) geoordeeld dat uit de artikelen 1675/13 en 1675/13bis van het Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing vóór de in het geding zijnde wetswijziging, niet volgt dat de rechter van de collectieve schuldenregeling geen kwijtschelding zou kunnen verlenen voor de schulden van de schuldenaar die het gevolg zijn van een veroordeling tot een penale boete. Volgens het Hof verbieden noch artikel 110 van de Grondwet, noch het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten de rechter om aan de schuldenaar, onder de door de wet bepaalde voorwaarden, kwijtschelding te verlenen voor de schulden die het gevolg zijn van veroordelingen tot een penale boete wanneer die maatregel nodig is om de betrokkene en diens gezin een leven te laten leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid.

B.9.1. Wanneer de wetgever een categorie van personen wil beschermen om hen « opnieuw in het economisch en sociaal stelsel [op te nemen] door hen de mogelijkheid te geven een nieuwe start te nemen » (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nrs. 1073/1-1074/1, p. 45) en hij daartoe toestaat dat een gerechtelijke aanzuiveringsregeling een kwijtschelding van schulden bevat, behoort het tot zijn beoordelingsbevoegdheid de categorieën van schuldeisers aan te wijzen aan wie die kwijtschelding van schulden niet kan worden opgelegd.

B.9.2. De wetten van 11 februari 2014 « houdende diverse maatregelen ter verbetering van de invordering van de vermogensstraffen en de gerechtskosten in strafzaken » beogen straffeloosheid tegen te gaan en een effectieve strafuitvoering te waarborgen. De wetgever wil de strafuitvoering meer geloofwaardigheid geven door ervoor te zorgen dat « misdaad niet loont » en wil tevens het afschrikkend effect van strafsancties versterken (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2934/001 en DOC 53-2935/001, pp. 5-6; Parl. St., Senaat, 2013-2014, nr. 5-2405/2, p. 2).

B.9.3. De wetgever heeft daarbij uitdrukkelijk bepaald dat de kwijtschelding of vermindering van straffen in het raam van een collectieve insolventieprocedure enkel zou kunnen worden toegestaan door de Koning met toepassing van de artikelen 110 en 111 van de Grondwet (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2934/001 en DOC 53-2935/001, p. 12). Derhalve kan de rechter een dergelijke kwijtschelding niet meer verlenen op grond van de artikelen 1675/13 en 1675/13bis van het Gerechtelijk Wetboek.

B.10.1. Het doel van een collectieve schuldenregeling is aan de persoon die erom verzoekt faciliteiten te verlenen om zijn schulden aan te zuiveren, teneinde zijn recht op een menswaardig bestaan te waarborgen. De procedure beoogt niet alleen de schuldenaar te beschermen, maar ook de schuldeisers zoveel mogelijk voldoening te geven. De rechter kan slechts tot de volledige kwijtschelding van schulden op grond van artikel 1675/13bis van het Gerechtelijk Wetboek beslissen wanneer geen enkele minnelijke of gerechtelijke aanzuiveringsregeling mogelijk is en bij bijzonder ernstige toestanden van overmatige schuldenlast, waarbij hij zal rekening houden met de inspanningen waartoe de schuldenaar bereid is gebleken en met de toestand waarin de schuldenaar zich op dat ogenblik bevindt. De wetgever heeft aangegeven dat de integrale kwijtschelding van schulden als een uitzondering moet worden gezien (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-1309/001, p. 21, en DOC 51-1309/012, p. 72) en dat niet de indruk mag ontstaan dat de rechter de volledige kwijtschelding steeds uitspreekt (ibid., pp. 73-74).

Ook kunnen zich tijdens de procedure nieuwe feiten en gebeurtenissen voordoen die de rechter nopen tot een herziening of een herroeping van de initiële aanzuiveringsregeling.

B.10.2. Indien, rekening houdend met hetgeen in B.8 is vermeld, zou worden aangenomen dat, vóór de totstandkoming van de in het geding zijnde bepalingen, de kwijtschelding van penale boeten niet onmogelijk was op grond van artikel 1675/13, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek, dan was de rechter niet tot de totale kwijtschelding ervan verplicht, gelet op de beslissingsmacht waarover hij op grond van artikel 1675/13bis van het Gerechtelijk Wetboek beschikt.

B.10.3. Aldus kan niet staande worden gehouden dat de schuldenaar op grond van artikel 1675/13bis van het Gerechtelijk Wetboek een gewettigde verwachting vermocht te hebben op de totale kwijtschelding van de penale boeten waartoe hij was veroordeeld vóór de inwerkingtreding van artikel 464/1, § 8, vijfde lid, van het Wetboek van strafvordering. Derhalve is die bepaling niet onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het vertrouwensbeginsel, in zoverre bij de inwerkingtreding ervan niet werd voorzien in een overgangsregeling voor de personen die zich reeds in een procedure van collectieve schuldenregeling bevonden.

B.10.4. Overigens blijft de kwijtschelding van penale boeten mogelijk op grond van artikel 110 van de Grondwet, dat op gelijke wijze geldt voor alle rechtsonderhorigen.

B.11. De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Wat de kwijtschelding van onderhoudsschulden betreft

B.12. De verwijzende rechter wenst met de tweede prejudiciële vraag te vernemen of artikel 1675/13, § 3, eerste streepje, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 10 van de wet van 12 mei 2014, bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het vertrouwensbeginsel, in zoverre de afwezigheid van een overgangsregeling tot gevolg heeft dat de schuldenaar voor de onderhoudsschulden die vervallen waren op de dag van de uitspraak houdende vaststelling van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling, sinds 1 augustus 2014 geen totale kwijtschelding meer kan verkrijgen op grond van artikel 1675/13bis van het Gerechtelijk Wetboek, terwijl personen ten aanzien van wie de collectieve schuldenregeling beëindigd was vóór die datum dit wel konden genieten.

B.13. De in het geding zijnde bepaling past in het kader van een groter geheel van wetswijzigingen, doorgevoerd bij de wet van 12 mei 2014, die de effectieve invordering van onderhoudsschulden beogen. De wetgever achtte de wetswijziging noodzakelijk om te voorkomen dat de onderhoudsschuldeisers in de kou blijven staan in geval van een collectieve schuldenregeling (Parl. St., Senaat, 2013-2014, nr. 5-2476/1, p. 13; Parl. St., Senaat, 2013-2014, nr. 5-2476/3, p. 8).

B.14.1. Hoewel de onderhoudsschulden die vervallen waren op de dag van de uitspraak houdende vaststelling van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling, onder de vroegere regeling konden worden kwijtgescholden op grond van artikel 1675/13, § 3, eerste streepje, van het Gerechtelijk Wetboek, was dit geen verplichting voor de rechter, gelet op de beslissingsmacht waarover hij op grond van artikel 1675/13bis van datzelfde Wetboek beschikt.

B.14.2. Om dezelfde redenen als diegene die zijn vermeld in B.10.1, kon de schuldenaar vóór de totstandkoming van de in het geding zijnde bepalingen geen gewettigde verwachtingen koesteren omtrent de volledige kwijtschelding van de onderhoudsschulden die vervallen waren op de dag van de uitspraak houdende vaststelling van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling. Derhalve is artikel 1675/13, § 3, eerste streepje, van het Gerechtelijk Wetboek niet onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het vertrouwensbeginsel.

B.15. De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

- Artikel 464/1, § 8, vijfde lid, van het Wetboek van strafvordering schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het vertrouwensbeginsel.

- Artikel 1675/13, § 3, eerste streepje, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 10 van de wet van 12 mei 2014 « houdende wijziging van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën en tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek, met het oog op een effectieve invordering van onderhoudsschulden », schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het vertrouwensbeginsel.

Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 22 september 2016.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

E. De Groot