Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 24 november 2016 (België)

Publicatie datum :
24-11-2016
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
4 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20161124-2
Rolnummer :
149/2016

Samenvatting

Het Hof vernietigt artikel 46, § 1, eerste lid, 7°, d), van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, zoals het van toepassing was vóór de opheffing ervan bij de wet van 16 mei 2016 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters E. De Groot en J. Spreutels, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Moerman, F. Daoût en T. Giet, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter E. De Groot,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 6 januari 2016 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 7 januari 2016, is, ingevolge het arrest van het Hof nr. 62/2015 van 21 mei 2015 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 8 juli 2015), beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 46, § 1, eerste lid, 7°, d), van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 door Alain Van Laere en Dariusz Golebiowski, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. A. Verhaegen, advocaat bij de balie te Mechelen.

Op 26 januari 2016 hebben de rechters-verslaggevers E. De Groot en J.-P. Moerman, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen het onderzoek van de zaak af te doen met een arrest gewezen op voorafgaande rechtspleging.

(...)

II. In rechte

(...)

B.1. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van artikel 46, § 1, eerste lid, 7°, d), van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, ingevoegd bij artikel 97 van de wet van 24 december 1999 houdende sociale en diverse bepalingen.

B.2.1. Het beroep tot vernietiging is ingesteld op grond van artikel 4, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, dat bepaalt dat een nieuwe termijn van zes maanden openstaat voor het instellen, door onder meer iedere natuurlijke of rechtspersoon die doet blijken van een belang, van een beroep tot vernietiging van een wet wanneer het Hof, uitspraak doende op een prejudiciële vraag, heeft verklaard dat die wet met name het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie schendt.

B.2.2. De verzoekende partijen waren in 2012 het slachtoffer van een arbeidsongeval bij een werkgever die in 2007 door de sociaal inspecteur in gebreke was gesteld voor zwaarwichtige inbreuken op de wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.

Hun burgerlijke partijstelling tegen hun werkgever werd bij vonnis van 20 april 2015 van de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, onontvankelijk verklaard om de enkele reden dat de sociaal inspecteur in zijn ingebrekestelling niet had vermeld dat de werkgever aansprakelijk kon worden gesteld voor de schade die zou voortvloeien uit een arbeidsongeval indien hij zou nalaten de passende maatregelen te nemen.

B.2.3. Bijgevolg doen de verzoekende partijen blijken van het rechtens vereiste belang om de vernietiging van de bestreden bepaling te vorderen.

B.3. Bij zijn arrest nr. 62/2015 van 21 mei 2015 heeft het Hof voor recht gezegd :

« Artikel 46, § 1, 7°, d), van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ».

B.4.1. Vóór de wijziging ervan bij de wet van 16 mei 2016 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken, bepaalde artikel 46, § 1, eerste lid, 7°, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, ingevoegd bij artikel 97 van de wet van 24 december 1999 houdende sociale en diverse bepalingen :

« Ongeacht de uit deze wet voortvloeiende rechten blijft de rechtsvordering inzake burgerlijke aansprakelijkheid mogelijk voor de getroffene of zijn rechthebbenden :

[...]

7° tegen de werkgever die de wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk zwaarwichtig heeft overtreden en die daardoor de werknemers aan het risico van arbeidsongevallen heeft blootgesteld, terwijl de ambtenaren die zijn aangewezen om toezicht te houden op de naleving van die bepalingen, in toepassing van artikelen 43 tot 49 van het Sociaal Strafwetboek hem schriftelijk :

a) hebben gewezen op het gevaar waaraan hij deze werknemers blootstelt;

b) hebben medegedeeld welke overtredingen werden vastgesteld;

c) passende maatregelen hebben voorgeschreven;

d) hebben meegedeeld, dat indien hij nalaat de onder c) bedoelde maatregelen te treffen, de getroffene of diens rechthebbende, bij gebeurlijk ongeval, over de mogelijkheid beschikt een burgerlijke aansprakelijkheidsvordering in te stellen ».

B.4.2. Bij artikel 7 van de voormelde wet van 16 mei 2016 werd artikel 46, § 1, eerste lid, 7°, d), van de arbeidsongevallenwet opgeheven. Die opheffing ontslaat het Hof evenwel niet van zijn onderzoek van het onderhavige beroep, aangezien die opheffing slechts voor de toekomst geldt en geen invloed heeft op de in B.2.2 vermelde afwijzing van de burgerlijke partijstelling van de verzoekende partijen.

B.5. Bij zijn arrest nr. 62/2015 van 21 mei 2015 heeft het Hof geoordeeld :

« B.5.3. Uit de tekst van artikel 46, § 1, 7°, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 en de parlementaire voorbereiding ervan blijkt dat de wetgever heeft gewild dat de immuniteit van de werkgever wat de burgerlijke aansprakelijkheid voor arbeidsongevallen betreft, kon worden opgeheven als de werkgever de regelgeving betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk zwaarwichtig heeft overtreden en daardoor zijn werknemer of werknemers aan het risico van arbeidsongevallen heeft blootgesteld.

De wetgever heeft evenwel geoordeeld dat die immuniteit slechts kon worden opgeheven nadat de toezichthoudende ambtenaren de werkgever schriftelijk in gebreke hebben gesteld en hem daarbij hebben gewezen op het gevaar waaraan hij zijn werknemers blootstelt, en voor zover die ambtenaren in de ingebrekestelling hebben meegedeeld welke overtredingen werden vastgesteld en welke maatregelen moeten worden genomen.

Toen het oorspronkelijke artikel 46, § 1, 7°, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 werd toegevoegd bij de wet van 24 december 1999 houdende sociale en diverse bepalingen, was de wetgever, zoals blijkt uit de in B.5.1 geciteerde parlementaire voorbereiding, reeds van oordeel dat de immuniteit van de werkgever slechts kon worden opgeheven indien in de ingebrekestelling van de werkgever erop was gewezen dat hij bij niet-uitvoering van de voorgestelde preventiemaatregelen binnen de gestelde termijn zou kunnen worden aangesproken op basis van het burgerlijk aansprakelijkheidsrecht bij een eventueel arbeidsongeval.

Die wil van de wetgever is in de in het geding zijnde bepaling, zoals gewijzigd bij de wet van 27 december 2004, expliciet tot uiting gebracht door de toevoeging van artikel 46, § 1, 7°, littera d), van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.

De wetgever heeft derhalve steeds gewild dat de immuniteit van de werkgever maar kon worden opgeheven nadat hem door de toezichthoudende administratie bij de ingebrekestelling uitdrukkelijk erop was gewezen dat het niet tijdig uitvoeren van de opgelegde maatregelen zijn burgerlijke aansprakelijkheid voor eventuele arbeidsongevallen kon teweegbrengen.

B.6.1. De wetgever vermocht, rekening houdend met het brede gamma aan mogelijke arbeidsongevallen en aan inbreuken op de regelgeving betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van het werk, aan de toezichthoudende administratie de zorg over te laten om de aard van die inbreuken vast te stellen en geval per geval te bepalen of er aanleiding is om de werkgever in gebreke te stellen voor zwaarwichtige inbreuken die het risico van arbeidsongevallen inhouden.

Hij vermocht het daarbij eveneens aan de toezichthoudende overheid over te laten om te bepalen in welke gevallen die inbreuken, indien niet tijdig gevolg werd gegeven aan de in de ingebrekestelling opgelegde maatregelen, aanleiding konden geven tot een gemeenrechtelijke aansprakelijkheidsvordering wanneer zich een arbeidsongeval zou voordoen.

B.6.2. In artikel 46, § 1, 1°, 2°, 5°, 6° en 7°, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 worden de hypothesen opgesomd waarin de immuniteit van de werkgever kan worden opgeheven, zoals bij opzet of wanneer het arbeidsongeval schade aan goederen van de werknemer heeft veroorzaakt, of wanneer het een ongeval van en naar het werk of een verkeersongeval betreft.

In al die gevallen, behalve in de laatste hypothese van voormeld artikel 46, § 1, 7°, littera d), dient de werkgever zich op basis van de wettekst zelf ervan bewust te zijn dat hij het risico loopt alsnog burgerlijk aansprakelijk te worden gesteld voor de schade die uit het arbeidsongeval zou voortvloeien.

Zoals in B.6.1 is uiteengezet, kan het worden verantwoord dat de wetgever het aan de administratie overlaat om te bepalen in welke gevallen de werkgever in gebreke moet worden gesteld, maar het volstaat dat in de ingebrekestelling aan de werkgever wordt meegedeeld welke wettelijke en reglementaire bepalingen inzake arbeidsveiligheid en -hygiëne hij zwaarwichtig heeft overtreden en welke de maatregelen zijn die hij binnen een bepaalde termijn dient te nemen. Dat belet niet dat ook voor minder ernstige overtredingen opmerkingen kunnen worden meegedeeld aan de werkgever.

Evenwel getuigt het niet alleen van een vergaand formalisme indien bovendien wordt vereist dat in de ingebrekestelling expliciet zou moeten worden vermeld dat de niet-uitvoering van de in de ingebrekestelling opgelegde maatregelen zou kunnen leiden tot de opheffing van de principiële immuniteit van de werkgever, maar bovendien brengt dat bijkomende voorschrift het risico mee de gemeenrechtelijke aansprakelijkheidsvordering van het slachtoffer van een arbeidsongeval afhankelijk te maken van de beslissing of zelfs de vergetelheid van de toezichthoudende ambtenaar om in de ingebrekestelling expliciet die vermelding op te nemen.

Het is derhalve niet redelijkerwijze verantwoord dat slachtoffers van een arbeidsongeval, tegen hun werkgever die zwaarwichtig is tekortgekomen en die daarvoor in gebreke is gesteld, geen gemeenrechtelijke vordering tot schadevergoeding kunnen instellen om de enkele reden dat de administratie niet uitdrukkelijk in de ingebrekestelling aan de werkgever heeft vermeld dat hij zijn immuniteit zou kunnen verliezen indien hij geen gevolg geeft aan de opgelegde passende maatregelen ».

B.6.1. Om redenen die identiek zijn aan die in het voormelde arrest nr. 62/2015, is het eerste middel gegrond.

Artikel 46, § 1, eerste lid, 7°, d), van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 dient te worden vernietigd.

B.6.2. Aangezien het tweede middel niet tot een ruimere vernietiging kan leiden, dient het niet te worden onderzocht.

B.7. De Ministerraad voert aan dat de nieuwe beoordeling van alle arbeidsongevallen die nog niet zijn verjaard, de sociale vrede op het spel zou zetten.

De onderhavige vernietiging heeft slechts tot gevolg dat, met terugwerkende kracht, voor een specifieke categorie van arbeidsongevallen de uitzondering op het beginsel van de immuniteit van de werkgever voor arbeidsongevallen wordt uitgebreid. Het gaat om de gevallen waarin de werkgever door de in de bestreden bepaling bedoelde ambtenaren is gewezen op het risico op arbeidsongevallen waaraan hij zijn werknemers blootstelt door zijn zwaarwichtig overtreden van de wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, maar de door hen voorgeschreven passende maatregelen niet heeft uitgevoerd, terwijl die ambtenaren niet hebben meegedeeld dat hij, indien hij die maatregelen niet neemt, door de getroffene en diens rechthebbende kan worden aangesproken met een burgerlijke aansprakelijkheidsvordering. Bovendien gaat het slechts om die aansprakelijkheidsvorderingen die nog niet zijn verjaard en waarover de geadieerde rechter nog geen in kracht van gewijsde gegane beslissing heeft genomen.

Een rechterlijke beoordeling ten gronde van de voormelde elementen in een beperkt aantal gevallen is derhalve niet van dien aard dat zij de sociale vrede in gevaar kan brengen.

Het verzoek om de gevolgen van de vernietigde bepaling te handhaven, wordt verworpen.

Om die redenen,

het Hof

vernietigt artikel 46, § 1, eerste lid, 7°, d), van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, zoals het van toepassing was vóór de opheffing ervan bij de wet van 16 mei 2016 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken.

Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 24 november 2016.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

E. De Groot