Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 25 juni 2015 (België)

Publicatie datum :
25-06-2015
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
5 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20150625-3
Rolnummer :
95/2015

Samenvatting

Het Hof verwerpt de vordering.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en A. Alen, en de rechters E. De Groot, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût en T. Giet, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de vordering en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 19 mei 2014 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 21 mei 2014 is een vordering tot uitlegging van het arrest van het Hof nr. 134/2012 van 30 oktober 2012 ingesteld door de vennootschap naar Duits recht « European Air Transport Leipzig GmbH », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Malherbe en Mr. T. Leidgens, advocaten bij de balie te Brussel.

Op 18 juni 2014 hebben de rechters-verslaggevers F. Daoût en T. Merckx-Van Goey, met toepassing van artikel 71, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, de voorzitter ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof, zitting houdende in beperkte kamer, voor te stellen een arrest te wijzen waarbij wordt vastgesteld dat het Hof klaarblijkelijk niet bevoegd is.

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van het onderwerp van het verzoekschrift

B.1. De vennootschap naar Duits recht « European Air Transport Leipzig GmbH » (EAT) heeft, op grond van artikel 118 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, een verzoekschrift ingediend tot uitlegging van het dictum van het arrest nr. 134/2012 van 30 oktober 2012.

B.2. Bij dat arrest heeft het Hof uitspraak gedaan over het beroep tot vernietiging van de artikelen 33, 7°, b), 35, 37, 38, 39bis en 41 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 25 maart 1999 betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu (hierna : de ordonnantie van 25 maart 1999), ingesteld door de om uitlegging verzoekende partij en de vzw « Belgian Air Transport Association » (BATA).

In het dictum ervan heeft het Hof artikel 33, 7°, b), van de ordonnantie van 25 maart 1999 vernietigd, « in zoverre het, tot 7 december 2011, niet toeliet rekening te houden met de verzachtende omstandigheden die het mogelijk maken een geldboete op te leggen waarvan het bedrag lager ligt dan het daarin vastgestelde minimum van de geldboete » en heeft het de gevolgen van de vernietigde bepaling gehandhaafd « ten aanzien van de geldboeten die definitief zijn uitgesproken tot 3 juni 2011 ».

B.3.1. Met haar verzoekschrift tot uitlegging vraagt EAT het Hof allereerst voor recht te zeggen dat dat dictum in die zin moet worden uitgelegd dat het voormelde artikel 33, 7°, b), daarin wordt vernietigd in de versie ervan vóór 7 december 2011, datum waarop de ordonnantie van 24 november 2011 tot wijziging van de ordonnantie van 25 maart 1999 in werking is getreden. Zij verzoekt het Hof eveneens voor recht te zeggen dat de ordonnantie van 24 november 2011 de reden die die vernietiging verantwoordt, ongedaan heeft gemaakt door de administratie ertoe te machtigen rekening te houden met de verzachtende omstandigheden die het mogelijk maken een geldboete op te leggen waarvan het bedrag lager ligt dan het daarin vastgestelde minimum van de geldboete.

B.3.2. In een tweede deel van haar verzoekschrift tot uitlegging vraagt EAT het Hof eveneens voor recht te zeggen dat de woorden « die het mogelijk maken een geldboete op te leggen waarvan het bedrag lager ligt dan het daarin vastgestelde minimum van de geldboete » in het dictum van het arrest nr. 134/2012 van 30 oktober 2012 betrekking hebben op het feit dat de administratie, in geval van verzachtende omstandigheden, de mogelijkheid moet hebben om de straf te individualiseren en om de geldboete tot onder het wettelijke minimum te verminderen. EAT vraagt eveneens voor recht te zeggen dat dezelfde bewoordingen niet inhouden dat de geldboete, in geval van verzachtende omstandigheden, noodzakelijkerwijs zou moeten worden vastgesteld op een bedrag dat lager ligt dan het wettelijke minimum.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoekschrift

B.4.1. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering voert aan dat de eerste vordering tot uitlegging zonder voorwerp is aangezien het dictum van het arrest nr. 134/2012 geen aanleiding zou geven tot enige uitlegging. Zij zou bovendien het kader van een verzoekschrift tot uitlegging te buiten gaan door betrekking te hebben op de ordonnantie van 7 december 2011, die een norm is waarover het Hof zich nooit heeft moeten uitspreken.

B.4.2. Wat de tweede vordering betreft, voert de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aan dat die in werkelijkheid ertoe strekt de rechtspraak van de Raad van State af te keuren door te proberen een arrest te verkrijgen dat de conclusies zou tenietdoen die hij heeft afgeleid uit het arrest van het Hof waarvan de uitlegging wordt gevorderd.

B.5. Artikel 118 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof bepaalt :

« Op vordering van de partijen bij het beroep tot vernietiging of van het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld, geeft het Hof een uitlegging van het arrest. De vordering tot uitlegging wordt ingesteld overeenkomstig artikel 5 of artikel 27, naar gelang van het geval. Zij wordt medegedeeld aan alle partijen in het geding.

Voor het overige is de voor het verzoekschrift tot vernietiging of voor de prejudiciële vraag voorgeschreven rechtspleging toepasselijk.

De minuut van het uitleggend arrest wordt aan de minuut van het uitgelegde arrest gehecht. Van het uitleggend arrest wordt melding gemaakt op de kant van het uitgelegde arrest ».

B.6.1. Bij zijn arrest nr. 44/2011 van 30 maart 2011, gewezen op prejudiciële vragen van de Raad van State, heeft het Hof voor recht gezegd dat artikel 33, 7°, b), van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 25 maart 1999 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schond, in zoverre het niet toeliet rekening te houden met verzachtende omstandigheden die het mogelijk maken een geldboete op te leggen die lager is dan het daarin vastgelegde minimumbedrag van de geldboete.

Het arrest van het Hof steunde met name op de volgende motieven :

« B.32.1. De ordonnantiegever vermocht op rechtmatige wijze van mening te zijn dat, teneinde de werkoverlast van de parketten en de strafrechtbanken te verlichten, alsook de doeltreffendheid te verzekeren van de vervolgingen met betrekking tot de vastgestelde milieumisdrijven, een regeling van administratieve sancties diende te worden ingesteld.

B.32.2. Het is evenwel niet redelijkerwijs verantwoord om de persoon aan wie een dergelijke sanctie wordt opgelegd, de maatregel te ontzeggen die het bestuur in staat zou stellen rekening te houden met de verzachtende omstandigheden, waardoor het bedrag van de geldboete kan worden verminderd tot onder het bij de ordonnantie vastgestelde minimumbedrag, terwijl die persoon de toepassing van artikel 85 van het Strafwetboek zou kunnen genieten indien hij voor hetzelfde misdrijf voor de correctionele rechtbank zou verschijnen ».

B.6.2. In het kader van een beroep tot vernietiging van artikel 33, 7°, b), van de voormelde ordonnantie, ingesteld met toepassing van artikel 4, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, heeft het Hof, bij zijn arrest nr. 134/2012 van 30 oktober 2012, het voormelde artikel 33, 7°, b), vernietigd, « in zoverre het, tot 7 december 2011, niet toeliet rekening te houden met de verzachtende omstandigheden die het mogelijk maken een geldboete op te leggen waarvan het bedrag lager ligt dan het daarin vastgestelde minimum van de geldboete ». Bij dat arrest heeft het Hof evenwel de gevolgen van de vernietigde bepaling gehandhaafd ten aanzien van de geldboeten die definitief zijn uitgesproken tot 3 juni 2011.

Het Hof heeft in B.8 van het arrest nr. 134/2012 vastgesteld dat artikel 2 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 24 november 2011 een nieuw artikel 40bis in de ordonnantie van 25 maart 1999 had ingevoegd teneinde het de in artikel 35, tweede lid, van de ordonnantie bedoelde ambtenaren, die een administratieve geldboete opleggen, mogelijk te maken de straf tot onder het wettelijke minimum te verminderen in geval van verzachtende omstandigheden.

Het Hof heeft eveneens vastgesteld dat die bepaling op 7 december 2011 zonder terugwerkende kracht in werking trad en heeft geoordeeld dat artikel 33, 7°, b), van de ordonnantie van 25 maart 1999 moest worden vernietigd in zoverre het, tot die datum, niet toeliet rekening te houden met de verzachtende omstandigheden die het mogelijk maken een geldboete op te leggen waarvan het bedrag lager ligt dan het daarin vastgestelde minimum van de geldboete.

Teneinde rekening te houden met de administratieve moeilijkheden en met het administratieve contentieux die uit het vernietigingsarrest konden voortvloeien, heeft het Hof de gevolgen van het vernietigde artikel 33, 7°, b), gehandhaafd ten aanzien van de geldboeten die definitief zijn uitgesproken tot 3 juni 2011, datum waarop het arrest nr. 44/2011 in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.

B.6.3. Het Hof, waarbij door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering een vordering tot uitlegging van de handhaving van de gevolgen van de aldus bij het arrest nr. 134/2012 vernietigde bepaling is ingesteld, heeft, bij zijn arrest nr. 5/2014 van 16 januari 2014, aangegeven wat onder de woorden « geldboeten die definitief zijn uitgesproken tot 3 juni 2011 » moest worden verstaan. Het Hof heeft aldus voor recht gezegd dat die woorden « de uitgesproken geldboeten die op 3 juni 2011 niet meer vatbaar zijn om nog het voorwerp uit te maken van een beroep tot nietigverklaring voor de Raad van State alsook de uitgesproken geldboeten die het voorwerp hebben uitgemaakt van een beroep tot nietigverklaring dat uiterlijk op 3 juni 2011 door de Raad van State is verworpen » beoogden.

B.7.1. Met betrekking tot het in B.3.1 beschreven eerste deel van de vordering blijkt zowel uit het verzoekschrift zelf als uit de memorie met verantwoording en uit de memorie van antwoord die door de verzoekende partij zijn ingediend, dat het werkelijke doel van haar vordering geen betrekking heeft op een uitlegging van het dictum van het door het Hof gewezen arrest. De ingestelde vordering strekt immers ertoe het Hof te verzoeken te herformuleren wat het in B.8 en in het dictum van het arrest nr. 134/2012 heeft vermeld door een gehele vernietiging van artikel 33, 7°, b), van de ordonnantie van 25 maart 1999 uit te spreken, zodat dat niet langer de wettelijke basis kan vormen van geldboeten die eventueel zouden worden opgelegd, door geen rekening te houden met de mate waarin de bestreden bepaling is vernietigd.

Die vordering is vreemd aan de uitlegging van het arrest nr. 134/2012 en is bijgevolg onontvankelijk.

B.7.2. De vordering die ertoe strekt dat het Hof voor recht zou zeggen dat de ordonnantie van 24 november 2011 de reden die de door het Hof bij zijn arrest nr. 134/2012 uitgesproken vernietiging verantwoordt, ongedaan heeft gemaakt, betreft een norm die vreemd is aan die waarop dat arrest betrekking heeft. Die vordering is eveneens onontvankelijk.

B.7.3. Het in B.3.2 beschreven tweede deel van de vordering tot uitlegging heeft geen betrekking op de uitlegging van het dictum van het arrest nr. 134/2012 maar op de bevoegdheid van de administratie om een geldboete op te leggen die is gesitueerd tussen de minimumdrempel en de maximumdrempel vastgesteld door de ordonnantie, en op de mogelijkheid die de administratie die een dergelijke geldboete dient op te leggen, zou hebben om al dan niet onder het wettelijke minimum te gaan, wanneer het bestaan van verzachtende omstandigheden is vastgesteld.

B.7.4. Een dergelijke vordering heeft betrekking op de toepassing van de wet door de administratie, onder het eventuele toezicht van een rechtscollege. Zij behoort niet tot de bevoegdheid van het Hof en zij is bijgevolg onontvankelijk.

B.8. Rekening houdend met het feit dat zij vreemd is aan de uitlegging van het dictum van het arrest nr. 134/2012 en dat zij niet tot de bevoegdheid van het Hof behoort, is de vordering onontvankelijk.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt de vordering.

Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 25 juni 2015.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

J. Spreutels