Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 25 mei 2016 (België)

Publicatie datum :
25-05-2016
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
5 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20160525-4
Rolnummer :
74/2016

Samenvatting

Het Hof zegt voor recht : Artikel 1, 3°, van artikel 3 (« Overgangsbepalingen ») en artikel 47 van artikel 4 (« Opheffings- en wijzigingsbepalingen ») van de wet van 14 juli 1976 betreffende de wederzijdse rechten en verplichtingen van echtgenoten en de huwelijksvermogensstelsels schenden niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en E. De Groot, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 26 februari 2015 in zake D.O. tegen A.R., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 9 maart 2015, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Henegouwen, afdeling Doornik, de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schenden de artikelen 1, 3°, van artikel 3 (' Overgangsbepalingen ') en 47 van artikel 4 (' Opheffings- en wijzigingsbepalingen ') van de wet van 14 juli 1976 betreffende de wederzijdse rechten en verplichtingen van echtgenoten en de huwelijksvermogensstelsels de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij impliceren dat het vroegere artikel 1471 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is op de erin bedoelde categorieën van echtgenoten, in het bijzonder de echtgenoten die, vóór de inwerkingtreding van de voormelde wet, het bij huwelijkscontract vastgelegde stelsel van scheiding van goederen met gemeenschap van aanwinsten hadden aangenomen, met als gevolg dat, voor de verdeling van de gemeenschap, de uit de echt gescheiden vrouw een voorkeur geniet om haar vooruitnemingen te doen vóór die van de man, terwijl de uit de echt gescheiden man hetzelfde voorrecht niet geniet ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 1, 3°, van artikel 3 (« Overgangsbepalingen ») en op artikel 47 van artikel 4 (« Opheffings- en wijzigingsbepalingen ») van de wet van 14 juli 1976 betreffende de wederzijdse rechten en verplichtingen van echtgenoten en de huwelijksvermogensstelsels.

B.1.2. Artikel 1 van het voormelde artikel 3 bepaalt :

« Overeenkomstig de volgende regels zijn de bepalingen van deze wet van toepassing op de echtgenoten die vóór de inwerkingtreding van deze wet zijn gehuwd zonder huwelijksvoorwaarden te hebben gemaakt of na een stelsel van gemeenschap te hebben aangenomen dan wel het stelsel van scheiding van goederen of het dotaal stelsel te hebben gekozen, waarin een gemeenschap van aanwinsten is bedongen als omschreven in de artikelen 1498 en 1499 van het Burgerlijk Wetboek :

1° Gedurende een termijn van een jaar te rekenen van de inwerkingtreding van deze wet kunnen de echtgenoten ten overstaan van een notaris verklaren dat zij hun wettelijk of bedongen huwelijksvermogensstelsel ongewijzigd wensen te handhaven.

2° Indien een dergelijke verklaring niet wordt afgelegd, zullen de echtgenoten die geen huwelijksvoorwaarden hebben gemaakt of het stelsel van wettelijke gemeenschap hebben aangenomen, bij het verstrijken van die termijn onderworpen zijn aan de bepalingen van de artikelen 1398 tot 1450 betreffende het wettelijk stelsel, onverminderd hetgeen zij bij huwelijkscontract hebben bedongen betreffende de voordelen aan beide echtgenoten of aan een van hen.

Evenwel kunnen zij, zonder het verstrijken van die termijn af te wachten, ten overstaan van een notaris verklaren dat zij zich onmiddellijk wensen te onderwerpen aan de bepalingen betreffende het wettelijk stelsel.

3° Indien de verklaring bedoeld in 1° niet wordt afgelegd, zullen de echtgenoten die de gemeenschap beperkt tot de aanwinsten of de algemene gemeenschap hebben aangenomen, bij het verstrijken van die termijn onderworpen zijn aan de bepalingen van de artikelen 1415 tot 1426 voor alles wat betrekking heeft op het bestuur van de gemeenschap en van de eigen goederen, alsook aan de bepalingen van de artikelen 1408 tot 1414 betreffende de gemeenschappelijke schulden en de rechten van de schuldeisers.

Hetzelfde geldt voor de echtgenoten die de scheiding van goederen of het dotaal stelsel hebben gekozen onder beding van een gemeenschap van aanwinsten als omschreven in de artikelen 1498 en 1499 van het Burgerlijk Wetboek, doch uitsluitend wat die gemeenschap betreft.

[...] ».

Artikel 47 van het voormelde artikel 4 bepaalt :

« § 1. De artikelen 226bis tot 226septies, 300, 307, 776, eerste lid, 818, 905, 940, eerste lid, 1399 tot 1535, 1540 tot 1581, 2255 en 2256 van het Burgerlijk Wetboek, de artikelen 64 tot 72 van de Hypotheekwet van 16 december 1851, artikel 1562 van het Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 553 tot 560 van het Wetboek van koophandel en artikel 6 van het Wetboek der successierechten blijven, bij wijze van overgangsmaatregel, tot aan de vereffening van hun huwelijksvermogensstelsel, van kracht voor echtgenoten die, gehuwd vóór de inwerkingtreding van deze wet, een ander stelsel dan de gemeenschap hebben aangenomen dan wel krachtens de wet of een overeenkomst onder de regels van het gemeenschapsstelsel vallen, en overeengekomen zijn het bestaande stelsel ongewijzigd te handhaven.

§ 2. Bij wijze van overgangsmaatregel blijven eveneens van kracht, zoals zij vóór de bekendmaking van deze wet luidden, de artikelen 124, 295, derde lid, 942, 1304, tweede lid, 1990 en 2254 van het Burgerlijk Wetboek, de artikelen 47 en 90bis van de Hypotheekwet van 16 december 1851 en de artikelen 567, eerste lid, 853, 1148, 1167, 1180, 1185, 1283 en 1319 van het Gerechtelijk Wetboek.

§ 3. Indien echtgenoten, gehuwd na een gemeenschap van goederen te hebben aangenomen, krachtens de overgangsmaatregelen van deze wet, aan de bepalingen van deze wet alleen onderworpen zijn wat betreft het bestuur van de gemeenschap en van hun eigen goederen, de vaststelling van de gemeenschappelijke schulden en de rechten van de schuldeisers, blijven de artikelen opgesomd in de §§ 1 en 2 op hen toepasselijk in zoverre zij noodzakelijk zijn voor de werking en de vereffening van hun huwelijksvermogensstelsel ».

B.2. Aan het Hof wordt gevraagd of die bepalingen bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij impliceren dat het vroegere artikel 1471 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is op de echtgenoten die, vóór de inwerkingtreding van de wet van 14 juli 1976, het bij huwelijkscontract vastgelegde stelsel van scheiding van goederen met gemeenschap van aanwinsten hadden aangenomen, « met als gevolg dat, voor de verdeling van de gemeenschap, de uit de echt gescheiden vrouw een voorkeur geniet om haar vooruitnemingen te doen vóór die van de man, terwijl de uit de echt gescheiden man hetzelfde voorrecht niet geniet ».

B.3. Het vroegere artikel 1471 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde :

« De vooruitnemingen van de vrouw worden gedaan voor die van de man.

Zij worden, wat de goederen betreft die niet meer in natura aanwezig zijn, gedaan eerst uit het gereed geld, vervolgens uit de roerende goederen en ten slotte uit de onroerende goederen van de gemeenschap; in dit laatste geval behoort de keus van de onroerende goederen aan de vrouw en aan haar erfgenamen ».

B.4.1. De wet van 14 juli 1976 heeft in hoofdzaak beoogd de juridische ontvoogding van de gehuwde vrouw, tot stand gebracht door de wet van 30 april 1958 betreffende de wederzijdse rechten en plichten van de echtgenoten, te concretiseren in de wetgeving betreffende de huwelijksvermogensstelsels :

« Vanaf het ogenblik dat aan de gehuwde vrouw volle rechtsbekwaamheid wordt toegekend, [...] moet deze onafhankelijkheid haar normale tegenhanger vinden op het gebied van de huwelijksvermogensstelsels. De ene hervorming gaat niet zonder de andere. Het bekrachtigen van de handelingsbekwaamheid van de gehuwde vrouw zonder daarbij de huwelijksvermogensstelsels te wijzigen of aan te passen, zou er op neerkomen een theoretisch werk te leveren dat praktisch denkbeeldig blijft » (Parl. St., Senaat, 1964-1965, nr. 138, p. 1; Parl. St., Senaat, 1976-1977, nr. 683/2, p. 1).

De wetgever heeft de aanpassing van de wetgeving betreffende de huwelijksvermogensstelsels aan de rechtsbekwaamheid van de gehuwde vrouw willen verzoenen met de eerbied voor de wilsautonomie van de partijen.

B.4.2. De overgangsbepalingen zijn als volgt toegelicht :

« Het [Regeringsontwerp] maakt een belangrijk onderscheid al naar de echtgenoten gebonden zijn door enige huwelijksovereenkomst of geen huwelijkscontract voor een notaris hebben afgesloten en dus van rechtswege aan het stelsel van de wettelijke gemeenschap onderworpen zijn.

Uitgaande van de opvatting dat een huwelijkscontract een overeenkomst tussen echtgenoten is die tussen de overeenkomstsluitende partijen als wet geldt, wijzigt het de inhoud ervan slechts in die zin dat het in het stelsel dat zij hebben gekozen, de nieuwe beheersregels van de gemeenschap of van de eigen goederen invoegt. Zij kunnen echter een ander stelsel kiezen onder gehoudenheid de regels van de artikelen 8 tot 10 (vernummerd van 1394 tot 1396) na te leven.

Echtgenoten die zonder huwelijkscontract getrouwd zijn, kunnen volgens het ontwerp echter of het stelsel van gemeenschap handhaven of een ander stelsel kiezen; dit moet geschieden bij notariële akte binnen zesendertig maanden na de inwerkingtreding van de wet; als zij een ander stelsel kiezen, kunnen zij het vorige stelsel vereffenen, maar zij zijn niet verplicht dit te doen. Zolang de echtgenoten geen ander stelsel hebben aangenomen of indien zij verklaren de wettelijke gemeenschap te handhaven, worden hun beheersbevoegdheden vanaf de inwerkingtreding van de wet geregeld door de bepalingen van deze wet » (Parl. St., Senaat, B.Z. 1974, nr. 683/2, p. 92) ».

B.5. De toepassing van het vroegere artikel 1471 van het Burgerlijk Wetboek op de echtgenoten die vóór 28 september 1976 zijn gehuwd onder het bij huwelijkscontract vastgelegde stelsel van scheiding van goederen met een gemeenschap van aanwinsten, is pertinent ten opzichte van het door de wet van 14 juli 1976 in het algemeen en de overgangsbepalingen met betrekking tot de vereffening en de verdeling in het bijzonder nagestreefde doel.

B.6. De bevestiging van de handelingsbekwaamheid van de gehuwde vrouw was immers slechts noodzakelijk ten aanzien van het bestuur van de gemeenschap en van de eigen goederen (artikelen 1415 tot 1426 van het Burgerlijk Wetboek), alsmede de daarmee onlosmakelijk verbonden problematiek van de regeling van de gemeenschappelijke schulden en de rechten van de schuldeisers (artikelen 1408 tot 1414 van het Burgerlijk Wetboek), en vereiste derhalve niet noodzakelijk de toepassing van de regels die de vereffening en de verdeling van het huwelijksvermogensstelsel beheersen. De wetgever vermocht derhalve ervan uit te gaan dat die problematiek, op basis van het beginsel van de voorzienbaarheid voor de betrokken echtgenoten en rekening houdend met de diversiteit aan modaliteiten die een bij huwelijkscontract vastgelegd huwelijksvermogensstelsel kan karakteriseren, geregeld zou blijven door de bepalingen die van toepassing waren bij de aanneming van dat stelsel.

De bepaling van artikel 47, § 3, van artikel 4 van de wet van 14 juli 1976, dat de opheffings- en wijzigingsbepalingen bevat en de in de paragrafen 1 en 2 vermelde artikelen toepasselijk verklaart in zoverre zij noodzakelijk zijn voor de vereffening van het huwelijksvermogensstelsel, is slechts de bevestiging van de uitsluiting van de toepassing van de nieuwe bepalingen betreffende de vereffening en de verdeling ten aanzien van die categorie van echtgenoten die vóór de inwerkingtreding van die wet een bedongen huwelijksvermogensstelsel hebben aangenomen.

Overigens verhinderde niets die categorie van echtgenoten hun bij huwelijkscontract vastgelegde stelsel te wijzigen om die maatregelen te bedingen waarin de wetgever voor hen niet heeft voorzien.

De wetgever heeft het imperatieve karakter van de aanpassing van de wetgeving betreffende de huwelijksvermogensstelsels aan de rechtsbekwaamheid van de gehuwde vrouw willen verzoenen met de eerbied voor de wilsautonomie van de partijen.

Er is niet op onevenredige wijze afbreuk gedaan aan het recht van de echtgenoot, daar, zoals uit de elementen van het dossier blijkt, het vroegere artikel 1471 van het Burgerlijk Wetboek, zoals het te dezen wordt toegepast door de verwijzende rechter, hoogstens een regel van voorrang vormt voor de toekenning van een goed bij de vereffening van de gemeenschap van aanwinsten.

B.7. De in het geding zijnde bepalingen zijn derhalve niet zonder redelijke verantwoording en de prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 1, 3°, van artikel 3 (« Overgangsbepalingen ») en artikel 47 van artikel 4 (« Opheffings- en wijzigingsbepalingen ») van de wet van 14 juli 1976 betreffende de wederzijdse rechten en verplichtingen van echtgenoten en de huwelijksvermogensstelsels schenden niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 25 mei 2016.

De griffier, De voorzitter,

P.-Y. Dutilleux J. Spreutels