Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 25 mei 2016 (België)

Publicatie datum :
25-05-2016
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
10 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20160525-5
Rolnummer :
75/2016

Samenvatting

Het Hof verwerpt het beroep.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters E. De Groot en J. Spreutels, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter E. De Groot,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 19 maart 2015 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 20 maart 2015, heeft Ivo Evers beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 73 en 74 van het Vlaamse decreet van 19 december 2014 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2015 en van de artikelen 162, 170, 172, 174 en 175 van het Vlaamse decreet van 19 december 2014 tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 december 2014 en van 29 januari 2015, tweede editie).

De vordering tot schorsing van dezelfde decreetsbepalingen, ingesteld door dezelfde verzoekende partij, is verworpen bij het arrest nr. 72/2015 van 28 mei 2015, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 16 juli 2015.

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van de bestreden bepalingen

B.1. De verzoekende partij vordert de vernietiging van de artikelen 73 en 74 van het Vlaamse decreet van 19 december 2014 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2015 en van, in hoofdorde, artikel 175 van het Vlaamse decreet van 19 december 2014 tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013. Indien het Hof het vermelde artikel 175 niet zou vernietigen, vordert de verzoekende partij de vernietiging van artikel 172 van hetzelfde decreet. In nog meer ondergeschikte orde vordert de verzoekende partij de vernietiging van de artikelen 162, 170 en 174 van hetzelfde decreet.

B.2.1. De bestreden artikelen van het Vlaamse decreet van 19 december 2014 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2015 hebben betrekking op het fiscaal statuut van verdelingen van onroerende goederen. Zij voeren een evenredig registratierecht in dat wordt berekend op de verkoopwaarde van die goederen, hierna aangegeven als « verdeelrecht ».

Artikel 73 van dat decreet bepaalt :

« Aan artikel 109 van het Wetboek der Registratie-, Hypotheek-, en Griffierechten, vervangen bij de wet van 23 december 1958 en laatst gewijzigd bij het decreet van 13 juli 2012, worden een tweede, derde en vierde lid toegevoegd, die luiden als volgt :

' Het recht wordt op 1 t.h. gebracht als de verdeling of de afstand, vermeld in het eerste lid, 1° of 2°, plaatsvindt in een van de volgende omstandigheden :

1° bij de akte, vermeld in artikel 1287 van het Gerechtelijk Wetboek of ingevolge de wijziging, vermeld in artikel 1293 van het Gerechtelijk Wetboek;

2° bij de vereffening-verdeling na echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting, vermeld in het vierde deel, boek IV, hoofdstuk VI, van het Gerechtelijk Wetboek;

3° binnen een termijn van een jaar, die volgt op de beëindiging van de wettelijke samenwoning conform artikel 1476, § 2, van het Burgerlijk Wetboek, op voorwaarde dat de personen op de dag van de beëindiging van de wettelijke samenwoning ten minste een jaar ononderbroken met elkaar wettelijk samenwoonden.

Het verlaagd tarief, vermeld in het tweede lid, is ook van toepassing als de verdeling of de afstand wordt gedaan volgens de wetgeving van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte als de verdeling of de afstand plaatsvindt onder omstandigheden en voorwaarden die vergelijkbaar zijn met de omstandigheden en voorwaarden, vermeld in het tweede lid.

In of onderaan op het document dat aanleiding geeft tot heffing van het evenredig recht op de verdeling, moeten de verkrijgers uitdrukkelijk melden dat ze de toepassing van het verlaagde tarief vragen en moeten ze verklaren dat ze voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het tweede lid, of, in voorkomend geval, dat de verdeling of de afstand is gedaan overeenkomstig de wetgeving van een nader aan te wijzen lidstaat van de Europese Economische Ruimte onder omstandigheden en voorwaarden die vergelijkbaar zijn met de omstandigheden en de voorwaarden, vermeld in het tweede lid. ' ».

Artikel 74 van hetzelfde decreet bepaalt :

« Artikel 212quinquies van hetzelfde wetboek, ingevoegd bij het decreet van 13 juli 2012, wordt vervangen door wat volgt :

' Art. 212quinquies. Als de vermindering van het tarief, vermeld in artikel 109, tweede of derde lid, of de vermindering van de heffingsgrondslag, vermeld in artikel 111bis, niet zijn gevraagd of niet zijn verkregen naar aanleiding van de registratie van het document dat aanleiding heeft gegeven tot de heffing van het evenredig recht, vermeld in artikel 109, kunnen de te veel geheven rechten nog worden teruggegeven op een verzoek dat ingediend moet worden conform de bepalingen van artikel 2172 binnen zes maanden vanaf de datum van de registratie van dat document.

Het verzoek tot teruggave, vermeld in het eerste lid, bevat de vermeldingen en verklaringen die vereist zijn, volgens, naar gelang het geval, artikel 109, vierde lid, en artikel 111bis, derde lid. Het verzoek vermeldt in voorkomend geval ook het rekeningnummer waarop het bedrag van de terug te geven rechten kan worden gestort. ' ».

B.2.2. Die bepalingen, die in werking zijn getreden op 31 december 2014, werden evenwel opgeheven bij artikel 5.0.0.0.1, 5°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit, ingevoegd bij artikel 322 van het Vlaamse decreet van 19 december 2014 tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, dat in werking trad op 1 januari 2015, en dat bepaalt :

« Aan artikel 5.0.0.0.1 van hetzelfde decreet worden een punt 4° tot en met punt 9° toegevoegd, die luiden als volgt :

' 4° het Wetboek van Successierechten, zoals van toepassing voor wat betreft het Vlaamse Gewest, voor de belastingen, vermeld in artikel 3, 4°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, het laatst gewijzigd bij de wet van 21 december 2013, met uitzondering van artikel 1, artikel 60bis, § 1 tot en met § 9, § 10, 1° en 3°, § 11, tweede tot en met vijfde lid (als het betrekking heeft op overlijdens van voor 1 januari 2012), artikel 76, artikel 96 tot en met 99 van het federale Wetboek van Successierechten, artikel 101 tot en met 103 van het federale Wetboek van Successierechten, artikel 144, artikel 145, artikel 163 en boek II, IIbis en III;

5° het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, zoals van toepassing voor wat betreft het Vlaamse Gewest voor de belastingen, vermeld in artikel 3, 6°, 7° en 8°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, het laatst gewijzigd bij het decreet van 28 maart 2014, met uitzondering van artikel 1, artikel 2 (met uitzondering van het derde lid, de woorden " alsook de voorschriften die voor de juiste heffing van de verschuldigde rechten nodig zijn "), artikel 2bis tot en met artikel 8bis, artikel 9, eerste en tweede lid, artikel 10, tweede lid, artikel 11, tweede en derde lid, artikel 13, artikel 19, artikel 211, artikel 212, 1°, artikel 23 tot en met artikel 34, artikel 35, eerste lid (als het geen betrekking heeft op de registratiebelasting), tweede, derde en vijfde lid, artikel 36 tot en met artikel 39, artikel 41, 2° en 3°, artikel 41bis, artikel 43 (als het geen betrekking heeft op schenkbelasting, verkooprecht of verdeelrecht), artikel 75, tweede lid, tweede zin, artikel 77 tot en met artikel 84, artikel 88, artikel 94, artikel 103, artikel 115 tot en met artikel 119, artikel 121 (als het geen betrekking heeft op verkooprecht), artikel 122, artikel 123, artikel 124, artikel 128, artikel 142 tot en met artikel 145, artikel 158, artikel 159, 9° en 14°, artikel 160, artikel 161, 1°bis, 3° (als het geen betrekking heeft op verkooprecht), 4° (als het geen betrekking heeft op verkooprecht), 5°, 10°, 12° en 13°, artikel 162 tot en met artikel 165, artikel 166 (als het geen betrekking heeft op de openbare verkoping van onroerende goederen), artikel 170, tweede lid, artikel 173, 3°, 4°, 5° en 6°, artikel 176 tot en met artikel 180, artikel 184, artikel 184bis (als het geen betrekking heeft op schenkbelasting, verkooprecht of verdeelrecht), artikel 206, tweede lid, artikel 206bis, derde lid, artikel 207bis, tweede lid, artikel 209, eerste lid, 5°, artikel 210, tweede lid, artikel 226 tot en met artikel 236, artikel 237 tot en met artikel 287, artikel 290, artikel 301, artikel 302 tot en met artikel 304;

6° artikel 9 van het organiek besluit van 18 maart 1831 van het bestuur van 's lands middelen voor wat betreft de administratieve geldboetes of de belastingverhogingen opgelegd in toepassing van titel 3, hoofdstuk 18;

7° artikel 4, 5, de bijlage en de tweede bijlage van het koninklijk besluit van 11 januari 1940 betreffende de uitvoering van het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten;

8° artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 maart 2012 tot uitvoering van de artikelen 140quinquies en 140sexies van het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten en de artikelen 60/4 en 60/5 van het Wetboek der Successierechten;

9° artikel 11, 12, 13 en 14 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 1995 tot regeling van de vrijstelling inzake successierechten verbonden aan de maatschappelijke rechten in vennootschappen opgericht in het kader van de realisatie en/of financiering van investeringsprogramma's van serviceflats. ' ».

B.3.1. De bestreden artikelen van het Vlaamse decreet van 19 december 2014 tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 bepalen :

« Art. 162. Aan titel 2 van hetzelfde decreet wordt een hoofdstuk 10 toegevoegd, dat luidt als volgt :

' Hoofdstuk 10. - Verdeelrecht ' ».

« Art. 170. Aan titel 2 van hetzelfde decreet wordt aan hoofdstuk 10, toegevoegd bij artikel 162, een afdeling 3 toegevoegd, die luidt als volgt :

' Afdeling 3. - Belastbare grondslag ' ».

« Art. 172. In hetzelfde decreet wordt aan dezelfde afdeling een artikel 2.10.3.0.2 toegevoegd, dat luidt als volgt :

' Art. 2.10.3.0.2. Als de verdeling of afstand onderworpen is aan het verdeelrecht van 2,5 %, vermeld in artikel 2.10.4.0.1, wordt de totale belastbare grondslag, vermeld in artikel 2.10.3.0.1, § 2, eerste lid, verminderd met een abattement van 50.000 euro als de verdeling of afstand, vermeld in artikel 2.10.1.0.1, 1° of 2°, gebeurt bij de akte, vermeld in artikel 1287 van het Gerechtelijk Wetboek of ingevolge de wijziging, vermeld in artikel 1293 van het Gerechtelijk Wetboek, of bij de vereffening-verdeling na echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting, overeenkomstig hoofdstuk VI van boek IV van het vierde deel van het Gerechtelijk Wetboek, en ze nog geen verdeling onder elkaar zijn overeengekomen waarbij ze die vermindering van belastbare grondslag of de hierna vermelde verhoging van de vermindering hebben genoten.

De totale belastbare grondslag, vermeld in artikel 2.10.3.0.1, § 2, eerste lid, wordt ook verminderd met een abattement van 50.000 euro als de verdeling of afstand plaatsvindt binnen een termijn van een jaar na de beëindiging van de wettelijke samenwoning overeenkomstig artikel 1476, § 2, van het Burgerlijk Wetboek, op voorwaarde dat de personen op de dag van de beëindiging van de wettelijke samenwoning ten minste een jaar ononderbroken met elkaar wettelijk samenwoonden en ze nog geen verdeling onder elkaar zijn overeengekomen waarbij ze die vermindering van de belastbare grondslag of de hierna vermelde verhoging van de vermindering hebben genoten.

Als de echtgenoten, gewezen echtgenoten of gewezen wettelijk samenwonenden op de datum van de voormelde verdeling of afstand een of meer al dan niet gemeenschappelijke kinderen of door beiden of een van hen geadopteerde kinderen hebben die recht geven op kinderbijslag, wordt dat abattement verhoogd met 20.000 euro per kind.

De verkrijgers moeten voldoen aan de verplichtingen, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1, 1° en 4°, en § 2.

Met de akte, vermeld in artikel 1287 van het Gerechtelijk Wetboek, of met de vereffening-verdeling na echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting overeenkomstig hoofdstuk VI van boek IV van het vierde deel van het Gerechtelijk Wetboek wordt elke soortgelijke regeling gelijkgesteld volgens het recht van een staat van de Europese Economische Ruimte.

Met de beëindiging van de wettelijke samenwoning overeenkomstig artikel 1476, § 2, van het Burgerlijk Wetboek en het begrip wettelijk samenwonenden wordt elke soortgelijke regeling gelijkgesteld volgens het recht van een staat van de Europese Economische Ruimte. ' ».

« Art. 174. Aan titel 2 van hetzelfde decreet wordt aan hoofdstuk 10, toegevoegd bij artikel 162, een afdeling 4 toegevoegd, die luidt als volgt :

' Afdeling 4. - Tarieven ' ».

« Art. 175. In hetzelfde decreet wordt aan afdeling 4, toegevoegd bij artikel 174, een artikel 2.10.4.0.1 toegevoegd, dat luidt als volgt :

' Art. 2.10.4.0.1. Het verdeelrecht bedraagt 2,5 %.

Het recht wordt op 1 t.h. gebracht als de verdeling of de afstand, vermeld in artikel 2.10.1.0.1, 1° of 2°, plaatsvindt in een van de volgende omstandigheden :

1° bij de akte, vermeld in artikel 1287 van het Gerechtelijk Wetboek of ingevolge de wijziging, vermeld in artikel 1293 van het Gerechtelijk Wetboek;

2° bij de vereffening-verdeling na echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting, vermeld in het vierde deel, boek IV, hoofdstuk VI, van het Gerechtelijk Wetboek;

3° binnen een termijn van een jaar, die volgt op de beëindiging van de wettelijke samenwoning conform artikel 1476, § 2, van het Burgerlijk Wetboek, op voorwaarde dat de personen op de dag van de beëindiging van de wettelijke samenwoning ten minste een jaar ononderbroken met elkaar wettelijk samenwoonden.

Het verlaagde tarief, vermeld in het tweede lid, is ook van toepassing als de verdeling of de afstand wordt gedaan volgens de wetgeving van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte als de verdeling of de afstand plaatsvindt onder omstandigheden en voorwaarden die vergelijkbaar zijn met de omstandigheden en voorwaarden, vermeld in het tweede lid.

In of onderaan op het document dat aanleiding geeft tot heffing van het evenredig recht op de verdeling, moeten de verkrijgers uitdrukkelijk melden dat ze de toepassing van het verlaagde tarief vragen en moeten ze verklaren dat ze voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het tweede lid, of, in voorkomend geval, dat de verdeling of de afstand is gedaan overeenkomstig de wetgeving van een nader aan te wijzen lidstaat van de Europese Economische Ruimte onder omstandigheden en voorwaarden die vergelijkbaar zijn met de omstandigheden en de voorwaarden, vermeld in het tweede lid. ' ».

B.3.2. De artikelen 2.10.3.0.2 en 2.10.4.0.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit, ingevoegd bij de artikelen 172 en 175 van het decreet van 19 december 2014 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2015, zijn in werking getreden op 1 januari 2015. Bij de artikelen 22 en 23 van het Vlaamse decreet van 17 juli 2015 tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en bij artikel 95 van het Vlaamse decreet van 18 december 2015 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016 zijn de artikelen 2.10.3.0.2 en 2.10.4.0.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit gewijzigd. Die wijziging heeft evenwel geen invloed op het onderwerp van het onderhavige beroep.

Ten aanzien van het belang van de verzoekende partij

B.4. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden bepalingen rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt.

B.5.1. De verzoekende partij heeft op 29 april 2015 een notariële akte gesloten voor de afstand van een onroerend goed ingevolge de beëindiging van een feitelijke samenwoning. Als verkrijger is zij met toepassing van de bestreden bepalingen een verdeelrecht van 2,5 pct., ten bedrage van 10 000 euro, verschuldigd.

B.5.2. Zoals is vermeld in B.2 en zoals ook wordt opgeworpen door de Vlaamse Regering, werden de bestreden artikelen 73 en 74 van het Vlaamse decreet van 19 december 2014 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2015, bij artikel 5.0.0.0.1, 5°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit, ingevoegd bij artikel 322 van het Vlaamse decreet van 19 december 2014 tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, opgeheven met ingang van 1 januari 2015. Aangezien de bestreden bepalingen enkel uitwerking hadden op 31 december 2014 en zij niet op de verzoekende partij van toepassing zijn geweest en aangezien de vernietiging van de opheffingsbepaling niet wordt gevraagd, heeft de verzoekende partij geen belang bij de vernietiging van de artikelen 73 en 74 van het decreet van 19 december 2014.

B.5.3. Zoals de Vlaamse Regering opmerkt, heeft de verzoekende partij evenmin belang bij de vernietiging van de artikelen 162, 170 en 174 van het decreet van 19 december 2014 tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, aangezien die bepalingen enkel nieuwe onderverdelingen invoeren in de Vlaamse Codex Fiscaliteit en louter vormelijk van aard zijn.

B.5.4. Het beroep tot vernietiging is daarentegen ontvankelijk in zoverre het betrekking heeft op de overige bestreden artikelen van het decreet van 19 december 2014 tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, nu op grond van die bepalingen ten aanzien van de verzoeker een verdeelrecht van 2,5 pct. werd geheven bij de afstand van een onroerend goed.

Ten gronde

B.6.1. De verzoekende partij voert in het eerste middel aan dat artikel 175 van het Vlaamse decreet van 19 december 2014 tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 een niet redelijk verantwoord verschil in behandeling invoert tussen, enerzijds, echtgenoten en wettelijk samenwonenden en, anderzijds, feitelijk samenwonenden, in zoverre die bepaling inzake het verschuldigde verdeelrecht enkel in een verlaagd tarief van 1 pct. voorziet voor de verdeling of de afstand van onroerende goederen naar aanleiding van een echtscheiding of een beëindiging van de wettelijke samenwoning, doch niet bij de beëindiging van een feitelijke samenwoning.

B.6.2. In ondergeschikte orde voert de verzoekende partij in het tweede en derde middel aan dat artikel 172 van het Vlaamse decreet van 19 december 2014 tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 een niet redelijk verantwoord verschil in behandeling invoert tussen, enerzijds, echtgenoten en wettelijk samenwonenden en, anderzijds, feitelijk samenwonenden, in zoverre die bepaling enkel in een vermindering van de belastbare grondslag met een abattement van 50 000 euro, verhoogd met 20 000 euro per kind dat recht geeft op kinderbijslag, voorziet bij de verdeling of de afstand van onroerende goederen naar aanleiding van een echtscheiding of een beëindiging van de wettelijke samenwoning.

B.7.1. Bij het Vlaamse decreet van 13 juli 2012 houdende wijziging van het tarief op het recht op verdelingen en gelijkstaande overdrachten werd het tarief van het registratierecht op gehele of gedeeltelijke verdelingen en afstanden onder bezwarende titel, onder mede-eigenaars, van onverdeelde delen die betrekking hebben op eigendom of vruchtgebruik van in het Vlaamse Gewest gelegen onroerende goederen verhoogd van 1 pct. tot 2,5 pct.

B.7.2. Die tariefverhoging werd gemilderd voor echtgenoten en wettelijk samenwonenden door het invoeren van een abattement. De belastbare grondslag van de verdeling of afstand werd verminderd met 50 000 euro, wat neerkwam op een vermindering van de belasting met 1 250 euro, aangevuld met een bijkomend abattement van 20 000 euro per kind dat recht geeft op kinderbijslag.

B.7.3. Omdat de decreetgever van oordeel was dat dit abattement de doorgevoerde tariefverhoging niet voldoende kon verzachten, wordt in de bestreden decreten het oude tarief van 1 pct. opnieuw ingevoerd bij verdeling of afstand naar aanleiding van een echtscheiding of een stopzetting van een wettelijke samenwoning. Het abattement blijft behouden voor overeenkomsten van verdeling of afstand waar het tarief van 2,5 pct. nog wordt geheven (Parl. St., Vlaams Parlement, 2014-2015, nr. 132/1, p. 21).

B.8.1. De verkrijging van een verlaagd tarief van 1 pct. of een vermindering van de belastbare grondslag bij de verdeling of de afstand van onroerende goederen in het kader van de beëindiging van een wettelijke samenwoning is onderworpen aan bijkomende voorwaarden. Ten eerste wordt vereist dat de personen op de dag van de beëindiging van de wettelijke samenwoning ten minste één jaar ononderbroken met elkaar wettelijk samenwoonden. Ten tweede moet de verdeling of afstand plaatsvinden binnen een termijn van één jaar na de beëindiging van de wettelijke samenwoning. Die bijkomende voorwaarden zijn bedoeld om misbruik van de wettelijke samenwoning, met het oog op het gebruik van een fiscale gunstregeling, tegen te gaan (Parl. St., Vlaams Parlement, 2011-2012, nr. 1529/7, p. 3, en nr. 1529/14, p. 46).

B.8.2. Feitelijk samenwonenden kunnen niet het voordeel genieten van een verlaagd tarief van 1 pct. of een vermindering van de belastbare grondslag bij de verdeling of de afstand van onroerende goederen naar aanleiding van een beëindiging van de feitelijke samenwoning.

B.9. De verzoekende partij klaagt enkel een verschil in behandeling aan tussen, enerzijds, echtgenoten en wettelijk samenwonenden en, anderzijds, feitelijk samenwonenden. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot dat verschil in behandeling.

B.10. De bestreden maatregelen beogen de sociale noden te lenigen bij het beëindigen van een samenwoning ingevolge een relatiebreuk. De parlementaire voorbereiding van het Vlaamse decreet van 19 december 2014 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2015 vermeldt :

« De Vlaamse Regering is van oordeel dat mensen die zich in een echtscheidingssituatie bevinden of die net een stopzetting van een samenwoning achter de rug hebben, een moeilijke periode doorstaan. Niet alleen op emotioneel, maar ook op administratief en financieel vlak. De verdeling van de woning of andere onroerende goederen is dan vaak een moeilijke en delicate kwestie. Een al te zware fiscale behandeling van een dergelijke verrichting is niet wenselijk. Het dreigt de financiële kater die uit een echtscheiding of relatiebreuk kan voortvloeien alleen maar te vergroten » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2014-2015, nr. 132/1, p. 21).

Die verantwoording ligt evenzeer aan de basis van het bestreden artikel 175 van het Vlaamse decreet van 19 december 2014 tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 :

« De verlaging van het tarief van het verdelingsrecht tot 1 procent voor zover het gaat om verdelingen of afstanden naar aanleiding van een echtscheiding of stopzetting van een wettelijke (geformaliseerde) samenwoning wordt voorzien in de artikelen 98 en 99 van het ontwerp van decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2015 (Parl. St. Vl. Parl., 2014-15, nr. 132/1) en behoeft hier geen verder commentaar.

Voorliggend amendement zorgt enkel voor de integratie van deze bepaling in de VCF van 13 december 2013 » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2014-2015, nr. 114/2, p. 6).

B.11. Echtgenoten en wettelijke samenwonenden, enerzijds, en feitelijk samenwonenden, anderzijds, zijn categorieën van personen die in het licht van die doelstelling vergelijkbaar zijn.

B.12. Het verschil in behandeling tussen de vergeleken categorieën van personen steunt op het objectieve gegeven dat hun juridische toestand verschilt, zowel wat hun verplichtingen jegens elkaar, als wat hun vermogensrechtelijke toestand betreft.

Die verschillende juridische toestand kan in bepaalde gevallen, wanneer hij verband houdt met het doel van de maatregel, een verschil in behandeling verantwoorden.

B.13.1. Het verschil in behandeling tussen, enerzijds, echtgenoten en wettelijk samenwonenden en, anderzijds, feitelijk samenwonenden werd verantwoord op grond van het geformaliseerde karakter van de relaties tussen gehuwden en wettelijk samenwonenden waardoor zij wederzijdse rechten en verplichtingen hebben opgenomen.

B.13.2. In de parlementaire voorbereiding bij het Vlaamse decreet van 13 juli 2012 houdende wijziging van het tarief op het recht op verdelingen en gelijkstaande overdrachten wordt vermeld :

« Dit voorstel houdt een vermindering in van het verschuldigd verdelingsrecht voor gehuwden die in het kader van hun echtscheiding een of meerdere onroerende goederen die eigendom zijn van beiden aan een van beide partners toebedelen en voor wettelijk samenwonenden die in het kader van de formele beëindiging van hun wettelijke samenwoning een of meerdere onroerende goederen toebedelen aan een van beide partners. Aangezien beide categorieën, in tegenstelling tot feitelijk samenwonenden hun samenleving hebben geformaliseerd en daardoor wederzijdse rechten en verplichtingen hebben opgenomen, is het verantwoord hen een tegemoetkoming toe te kennen bij de formalisering van de beëindiging van hun samenleving.

[...]

Door het gebruik van de techniek van het abattement wordt een oplossing geboden om sociale en gezinsaspecten te integreren en beantwoordt men op die manier beter aan het lenigen van een sociale nood (' centen in plaats van procenten ') » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2011-2012, nr. 1529/7, pp. 2-3).

B.13.3. Door de afdeling wetgeving van de Raad van State gevraagd naar de verantwoording voor het door de verzoekende partij bekritiseerde verschil in behandeling, antwoordde de gemachtigde van de Vlaamse Regering :

« De doelgroep van de tariefverlaging is conform de memorie van toelichting volledig gealigneerd op de huidige doelgroep van het abattement. Voor een verantwoording van de afbakening van die doelgroep kan dan ook worden verwezen naar de totstandkoming van dat abattement. In dat verband kan worden verwezen naar de uitspraken van de toenmalige minister : ' De meerderheid heeft ervoor gekozen om de correctie enkel toe te staan voor duurzame samenlevingsvormen waarbij men bewust kiest voor zowel rechten als plichten die een dergelijke samenlevingsvorm met zich meebrengt. Het gaat er in die visie niet enkel om deel te nemen aan de rechtenzijde van het verhaal, zonder ook verantwoordelijkheid te willen nemen voor de plichten die men ten opzichte van elkaar heeft. Wettelijk samenwonenden genieten bijvoorbeeld ook erfrecht ten opzichte van elkaar, terwijl feitelijk samenwonenden dat niet hebben. ' (zie Plenaire vergadering nr. 51 (2011-2012) - 12 juli 2012, blz. 23) » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2014-2015, nr. 132/1, p. 93).

B.14. De keuze van de decreetgever om enkel aan echtgenoten en wettelijk samenwonenden het fiscaal voordeel van het verlaagde tarief of van het abattement toe te kennen, steunt op een pertinent criterium van onderscheid. De decreetgever heeft ervoor gekozen dat fiscaal voordeel enkel open te stellen bij de beëindiging van geformaliseerde samenlevingsvormen, die worden gekenmerkt door een aantal rechten en verplichtingen die rechtstreeks voortvloeien uit de wet. De decreetgever kan ernaar streven een vorm van gezinsleven te beschermen dat grotere kansen op stabiliteit biedt. Hij is dus niet verplicht de feitelijk samenwonenden dezelfde fiscale voordelen toe te kennen.

B.15. Er wordt niet op onevenredige wijze afbreuk gedaan aan de rechten van de betrokkenen aangezien het fiscaal voordeel dat hun al dan niet wordt geboden, het gevolg is van de keuze die zij maken voor de ene of de andere samenlevingsvorm. De decreetgever heeft redelijkerwijze kunnen oordelen dat de samenwonende partners die ervoor kiezen niet door de wettelijke samenwoning of door het huwelijk te worden verbonden, de voor- en nadelen van de ene en de andere samenlevingsvorm kennen en de juridische gevolgen van hun keuze aanvaarden.

B.16. De middelen zijn niet gegrond.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt het beroep.

Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 25 mei 2016.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

E. De Groot