Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 25 september 2014 (België)

Publicatie datum :
25-09-2014
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
5 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20140925-10
Rolnummer :
141/2014

Samenvatting

Het Hof zegt voor recht : - Artikel 103, § 1, 1°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met clausule 4 van de kaderovereenkomst inzake deeltijdarbeid die het voorwerp uitmaakt van de richtlijn 97/81/EG van de Raad van 15 december 1997, indien het zo wordt geïnterpreteerd dat het de volledige schorsing met zich meebrengt van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die zijn berekend volgens een voltijdse betrekking, terwijl de compenserende opzeggingsvergoeding die de uitkeringen in de weg staat, is berekend op basis van een deeltijds loon. - Dezelfde bepaling schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met clausule 4 van de kaderovereenkomst inzake deeltijdarbeid die het voorwerp uitmaakt van de richtlijn 97/81/EG van de Raad van 15 december 1997, niet indien zij zo wordt geïnterpreteerd dat zij de schorsing met zich meebrengt van het deel van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen dat overeenstemt met de betrekking die is beëindigd met betaling van een compenserende opzeggingsvergoeding, en niet van alle arbeidsongeschiktheidsuitkeringen.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en A. Alen, en de rechters J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, P. Nihoul en R. Leysen, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest van 27 november 2013 in zake Valérie Lannoy tegen de Landsbond van de Onafhankelijke Ziekenfondsen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 3 december 2013, heeft het Arbeidshof te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 103, § 1, 1°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 4 van de raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid die het voorwerp van de richtlijn 97/81/EG van de Raad van 15 december 1997 uitmaakt, in de interpretatie volgens welke het de volledige opschorting van de op grond van een voltijdse tewerkstelling berekende uitkeringen voor arbeidsongeschiktheid met zich meebrengt, zonder een onderscheid te maken naargelang de compenserende opzeggingsvergoeding die de schadeloosstelling in de weg staat, op grond van een voltijds of een deeltijds loon is berekend, waardoor werknemers die zich in verschillende situaties bevinden, aldus op dezelfde wijze worden behandeld ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 103, § 1, 1°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (hierna : de wet van 14 juli 1994), dat bepaalt :

« Geen aanspraak op uitkeringen heeft de werknemer :

1° voor de periode waarvoor hij recht heeft op loon. Het begrip loon wordt bepaald bij artikel 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers.

Evenwel kan de Koning het aldus bepaalde begrip uitbreiden of beperken ».

B.1.2. Krachtens artikel 2 van de voormelde wet van 12 april 1965 moet de compenserende opzeggingsvergoeding worden beschouwd als loon, zodat de toekenning ervan de schorsing van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen bedoeld in de wet van 14 juli 1994 met zich meebrengt.

B.2.1. Het Hof wordt verzocht na te gaan of artikel 103, § 1, 1°, van de wet van 14 juli 1994 bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met clausule 4 van de kaderovereenkomst inzake deeltijdarbeid die het voorwerp uitmaakt van de richtlijn 97/81/EG van de Raad van 15 december 1997. Het verwijzende rechtscollege interpreteert de in het geding zijnde bepaling in die zin dat de betaling van een compenserende opzeggingsvergoeding met betrekking tot een deeltijdse arbeidsovereenkomst die berekend is op basis van het loon dat in het kader van die deeltijdse arbeidsovereenkomst verschuldigd is, de toekenning in de weg staat van alle arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die een werknemer geniet die in het kader van verschillende deeltijdse arbeidsovereenkomsten was tewerkgesteld.

B.2.2. De Ministerraad is van mening dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft, omdat die zou uitgaan van een verkeerde interpretatie van de in het geding zijnde bepaling.

De door de verwijzende rechter in aanmerking genomen interpretatie van de bepalingen die hij ter toetsing aan het Hof voorlegt, wordt in de regel door het Hof in aanmerking genomen, tenzij zij kennelijk onjuist blijkt te zijn, hetgeen te dezen niet het geval is.

B.3. In die interpretatie van de in het geding zijnde bepaling worden alle werknemers, ongeacht of zij een voltijdse betrekking hebben dan wel verschillende deeltijdse betrekkingen die gelijkwaardig zijn aan een voltijdse betrekking, op identieke wijze behandeld, aangezien zij allen het voordeel verliezen van de totaalsom van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen in geval van ontslag met betaling van een compenserende opzeggingsvergoeding voor de door die opzegging gedekte periode.

B.4.1. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dat beginsel verzet zich overigens ertegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de in geding zijnde maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat.

Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.

B.4.2. Clausule 4 van de kaderovereenkomst inzake deeltijdarbeid gesloten door de Unie van industrie- en werkgeversfederaties in Europa (Unice), Europees Centrum van gemeenschapsbedrijven (CEEP) en Europees Verbond van vakverenigingen (EVV), uitgevoerd bij de richtlijn 97/81/EG van de Raad van 15 december 1997, beoogd in de prejudiciële vraag, vestigt een beginsel van niet-discriminatie tussen deeltijdse werknemers en voltijdse werknemers, en beveelt, wanneer zulks passend is, de toepassing van het « pro rata temporis »-beginsel aan.

B.5. Zoals het verwijzende rechtscollege opmerkt, bevinden de werknemers die verschillende deeltijdse betrekkingen hebben en in het kader van een van hun arbeidsovereenkomsten worden ontslagen, zich, ten aanzien van het bedrag van de compenserende opzeggingsvergoeding waarop zij recht hebben, in een situatie die wezenlijk verschilt van die van de werknemers die zijn gebonden door een voltijdse arbeidsovereenkomst die wordt beëindigd. De eerstgenoemden ontvangen immers een compenserende opzeggingsvergoeding voor een deeltijdse betrekking die dus overeenstemt met slechts een deel van hun volledig loon, terwijl de laatstgenoemden een compenserende opzeggingsvergoeding ontvangen die overeenstemt met hun voltijdse betrekking, dus met het volledige bedrag van hun loon.

B.6. Door de cumulatie van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en een loon te verbieden, strekt de in het geding zijnde bepaling ertoe te voorkomen dat een werknemer tegelijkertijd een loon (of een compenserende opzeggingsvergoeding) en een met dat loon overeenstemmend vervangingsinkomen ontvangt. Het doel dat erin bestaat de cumulatie van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en een loon te beletten, verantwoordt dat, wanneer de werknemer die arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ontvangt, wordt ontslagen, de toekenning van de compenserende opzeggingsvergoeding het ontvangen van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen voor dezelfde periode in de weg staat.

B.7.1. Het is evenwel niet verantwoord dat de betaling van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die zijn toegekend aan de werknemer die twee of meer deeltijdse lonen ontving, wordt geschorst voor de totaalsom ervan wanneer de werknemer een compenserende opzeggingsvergoeding voor een van zijn overeenkomsten geniet, vergoeding die bijgevolg wordt berekend op basis van slechts een deel van zijn volledige loon. De werknemer die in die situatie verkeert, verliest immers, voor de door de compenserende opzeggingsvergoeding gedekte periode, het deel van het vervangingsinkomen dat overeenstemt met het loon dat verschuldigd is krachtens de arbeidsovereenkomst die niet is beëindigd met betaling van een compenserende opzeggingsvergoeding.

B.7.2. De in het geding zijnde bepaling vindt haar oorsprong in artikel 57 van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, zoals vervangen bij artikel 21 van de wet van 27 juni 1969 tot wijziging van de voormelde wet van 9 augustus 1963. Toen de voormelde wetten van 9 augustus 1963 en van 27 juni 1969 in werking traden, was nagenoeg alle arbeid die in loondienst werd verricht, voltijdse arbeid. Als gevolg van een aantal sociaal-economische ontwikkelingen, in het bijzonder de steeds toenemende flexibiliteit van de arbeidsmarkt, is de deeltijdse tewerkstelling de laatste decennia in aanzienlijke mate toegenomen. Deeltijds werken schept niet alleen mogelijkheden in de combinatie van werk en gezin, maar maakt het ook mogelijk om twee of meer verschillende functies uit te oefenen.

B.8. Daar de in het geding zijnde bepaling geen rekening houdt met het wezenlijke verschil in situaties tussen de werknemers die zijn tewerkgesteld in het kader van een enkele arbeidsovereenkomst en de werknemers die zijn tewerkgesteld in het kader van meerdere deeltijdse arbeidsovereenkomsten, brengt zij, indien zij wordt geïnterpreteerd zoals in B.2.1 wordt aangegeven, een identieke behandeling tot stand die niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met clausule 4 van de kaderovereenkomst inzake deeltijdarbeid die het voorwerp uitmaakt van de richtlijn 97/81/EG van de Raad van 15 december 1997.

B.9. Zoals de Ministerraad aanvoert, kan de in het geding zijnde bepaling evenwel anders worden geïnterpreteerd.

B.10.1. Artikel 103, § 3, van de wet van 14 juli 1994 bepaalt :

« In afwijking van het in § 1 bepaalde kan de Koning, onder de voorwaarden die Hij vaststelt, toelaten dat de werknemer uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid geniet, wanneer hij recht heeft op één van de in § 1 opgesomde voordelen of in afwachting dat hij één van die voordelen ontvangt.

Voor de terugvordering van de uitkeringen die de verzekeringsinstelling in toepassing van onderhavige bepaling heeft betaald, treedt zij in de plaats van de rechthebbende ».

Artikel 242, § 1, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, bepaalt :

« De gerechtigde die door meer dan één werkgever is tewerkgesteld en die, uit hoofde van één of meer, maar niet van alle tewerkstellingen, zich in één van de in artikel 103, § 1, van de gecoördineerde wet bedoelde tijdvakken bevindt, kan slechts aanspraak maken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering uit hoofde van één tewerkstelling die geen aanleiding geeft tot het toekennen van een loon of een geldelijk voordeel, als bedoeld in hetzelfde artikel 103, § 1, van de gecoördineerde wet.

Voor de toepassing van deze paragraaf dient het in artikel 86, § 1, 1°, a), van de gecoördineerde wet, bedoelde tijdvak voor hetwelk de gerechtigde aanspraak heeft op een vergoeding verschuldigd wegens beëindiging van de arbeidsovereenkomst, met een periode van tewerkstelling te worden gelijkgesteld ».

B.10.2. In de memorie van toelichting van de voormelde wet van 27 juni 1969 wordt overigens bepaald :

« Vermits de toepassing van de hier bedoelde bepalingen houdende weigering der verstrekkingen, in bepaalde gevallen te streng zou kunnen voorkomen, ondermeer ten aanzien van de werknemers die bij verschillende werkgevers zijn tewerkgesteld en die een loon of een vergoeding ontvangen uit hoofde van één of meer, maar niet van al hun beroepsactiviteiten, wordt aan de Koning de bevoegdheid verleend om in zulke gevallen afwijkingen toe te laten, die het verlenen van uitkeringen inhouden, onder de door hem gestelde voorwaarden » (Parl. St., Senaat, 1968-1969, nr. 73, p. 16).

B.11. Hieruit vloeit voort dat het in het geding zijnde artikel 103, § 1, 1°, in die zin kan worden geïnterpreteerd dat het de toepassing mogelijk maakt van het « pro rata temporis »-beginsel in het geval van een werknemer die onder verschillende deeltijdse arbeidsovereenkomsten is tewerkgesteld. In die interpretatie staat de in het geding zijnde bepaling alleen de toekenning in de weg van het deel van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen dat overeenstemt met de overeenkomst die is beëindigd met betaling van een compenserende opzeggingsvergoeding, waarbij het deel van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen dat overeenstemt met de andere overeenkomst(en) niet wordt aangetast door de toekenning van die compenserende opzeggingsvergoeding.

B.12. In die interpretatie is de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met clausule 4 van de kaderovereenkomst inzake deeltijdarbeid die het voorwerp uitmaakt van de richtlijn 97/81/EG van de Raad van 15 december 1997.

Om die redenen,

Het Hof

zegt voor recht :

- Artikel 103, § 1, 1°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met clausule 4 van de kaderovereenkomst inzake deeltijdarbeid die het voorwerp uitmaakt van de richtlijn 97/81/EG van de Raad van 15 december 1997, indien het zo wordt geïnterpreteerd dat het de volledige schorsing met zich meebrengt van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die zijn berekend volgens een voltijdse betrekking, terwijl de compenserende opzeggingsvergoeding die de uitkeringen in de weg staat, is berekend op basis van een deeltijds loon.

- Dezelfde bepaling schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met clausule 4 van de kaderovereenkomst inzake deeltijdarbeid die het voorwerp uitmaakt van de richtlijn 97/81/EG van de Raad van 15 december 1997, niet indien zij zo wordt geïnterpreteerd dat zij de schorsing met zich meebrengt van het deel van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen dat overeenstemt met de betrekking die is beëindigd met betaling van een compenserende opzeggingsvergoeding, en niet van alle arbeidsongeschiktheidsuitkeringen.

Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 25 september 2014.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

J. Spreutels