Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 26 november 2015 (België)

Publicatie datum :
26-11-2015
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
6 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20151126-3
Rolnummer :
168/2015

Samenvatting

Het Hof zegt voor recht : Artikel 330, § 1, eerste lid, tweede zin, van het Burgerlijk Wetboek schendt artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre de door het kind ingestelde vordering tot betwisting van de erkenning van het vaderschap niet ontvankelijk is wanneer het kind bezit van staat heeft ten aanzien van degene die het heeft erkend.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters A. Alen en J. Spreutels, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Moerman, E. Derycke en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 6 november 2014 in zake Mr. Manuël Huygaerts in zijn hoedanigheid van voogd ad hoc over de minderjarige E.W. tegen M.D. en M.W., met B.F. als vrijwillig tussenkomende partij, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 13 november 2014, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Turnhout, de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 330, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek artikel 22 van de Grondwet, eventueel samengelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in zoverre de vordering tot betwisting van erkenning uitgaande van het kind zelf niet ontvankelijk is als het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de erkenner ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. Op het ogenblik van de verwijzingsbeslissing, bepaalde artikel 330, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek :

« Tenzij het kind bezit van staat heeft ten aanzien van degene die het heeft erkend, kan de erkenning van het moederschap worden betwist voor de familierechtbank door de vader, het kind, de vrouw die het kind heeft erkend en de vrouw die het moederschap van het kind opeist. Tenzij het kind bezit van staat heeft ten aanzien van degene die het heeft erkend, kan de erkenning van het vaderschap worden betwist voor de familierechtbank door de moeder, het kind, de man die het kind heeft erkend en de man die het vaderschap van het kind opeist ».

B.1.2. Met betrekking tot het bezit van staat bepaalde artikel 331nonies van het Burgerlijk Wetboek :

« Het bezit van staat moet voortdurend zijn.

Het wordt bewezen door feiten die te samen of afzonderlijk de betrekking van afstamming aantonen.

Die feiten zijn onder meer :

- dat het kind altijd de naam heeft gedragen van degene van wie wordt gezegd dat het afstamt;

- dat laatstgenoemde het als zijn kind heeft behandeld;

- dat die persoon als vader of moeder in zijn onderhoud en opvoeding heeft voorzien;

- dat het kind die persoon heeft behandeld als zijn vader of moeder;

- dat het als zijn kind wordt erkend door de familie en in de maatschappij;

- dat de openbare overheid het als zodanig beschouwt ».

B.2.1. De verwijzende rechter vraagt of artikel 330, § 1, eerste lid, tweede zin, van het Burgerlijk Wetboek bestaanbaar is met artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre de vordering tot betwisting van de erkenning van het vaderschap, uitgaande van het kind zelf, niet ontvankelijk is wanneer het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de erkenner.

B.2.2. Uit de gegevens van de zaak en uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het bodemgeschil betrekking heeft op een vordering, ingesteld namens een minderjarig kind dat de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, tot betwisting van het vaderschap van de man die het kind in het verleden heeft erkend, maar die niet de biologische vader zou zijn van het kind en met wie het kind geen affectieve band meer zou hebben, en strekkende tot het doen oproepen van het kind teneinde akte te kunnen nemen van zijn toestemming met het verzoek tot erkenning, uitgaande van een man die, ofschoon hij niet de biologische vader is van het kind, wel de echtgenoot van zijn moeder is en met wie het kind een innige affectieve band zou hebben.

B.3. Artikel 330 van het Burgerlijk Wetboek regelt de betwisting van de moederlijke en de vaderlijke erkenning. Het bepaalt welke de vorderingsgerechtigden zijn en welke termijnen op hen van toepassing zullen zijn. De betwisting van de vaderlijke erkenning kan uitgaan van de moeder, het kind, de man die het kind heeft erkend en de man die het vaderschap van het kind opeist. Voor alle vorderingsgerechtigden geldt dat de vordering niet ontvankelijk is wanneer het kind bezit van staat heeft ten aanzien van diegene die het heeft erkend.

B.4.1. Het bezit van staat werd bij de wet van 31 maart 1987 tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende de afstamming ingevoerd als grond van niet-ontvankelijkheid van de vordering tot betwisting van de erkenning van het vaderschap.

Artikel 330, § 2, van het Burgerlijk Wetboek bepaalde :

« De erkenning wordt tenietgedaan indien door alle wettelijke middelen wordt bewezen dat de erkenner niet de vader of de moeder is.

Het verzoek moet evenwel worden afgewezen, indien het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de erkenner ».

In de parlementaire voorbereiding van artikel 330 (oud) van het Burgerlijk Wetboek wordt daaromtrent vermeld :

« Meerdere leden hadden ernstig bezwaar tegen het feit dat het betwistingsrecht op een absolute wijze zou worden toegestaan. Het principe van de zogenaamde biologische waarheid kan in bepaalde gevallen immers storend zijn voor het kind en indruisen tegen diens belangen.

Deze leden waren dan ook van mening dat het bezit van staat moet worden ingeschakeld in de appreciatie van de rechtbank die zich over de betwisting van een erkenning uitspreekt. Er werd zelfs gepleit om de verwijzing naar het bezit van staat uitdrukkelijk in de tekst op te nemen. Zo er bezit van staat is, moet de betwisting van de erkenning worden uitgesloten, zo niet kunnen de belangen van het kind ernstig worden geschaad.

Andere leden waarschuwden nochtans voor een te grote waarde die aan het bezit van staat wordt gehecht; dit zou immers tot gevolg hebben dat het eenvoudig samenwonen op dezelfde voet zou worden behandeld als het huwelijk.

Deze leden meenden dan ook dat het bezit van staat slechts een rol kan spelen wanneer het beantwoordt aan de biologische realiteit.

Hierop werd gerepliceerd dat er ten aanzien van het kind aan het bezit van staat een zelfde waarde dient te worden toegekend zonder dat daarbij wordt rekening gehouden met het feit of het kind binnen of buiten het huwelijk is geboren » (Parl. St., Senaat, 1984-1985, 904, nr. 2, p. 100).

B.4.2. Artikel 330 van het Burgerlijk Wetboek werd gewijzigd bij artikel 16 van de wet van 1 juli 2006 tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan.

De erkenning van het vaderschap kan enkel nog worden betwist door de moeder, het kind, de man die het kind heeft erkend en de man die het vaderschap van het kind opeist. Het bezit van staat als grond van niet-ontvankelijkheid van de vordering tot betwisting van de erkenning van het vaderschap bleef behouden.

Artikel 16 van de wet van 1 juli 2006 vindt zijn oorsprong in een amendement dat in de Kamer werd ingediend.

Dat amendement werd als volgt verantwoord :

« Het voorgestelde artikel 330 zorgt zowel voor de vordering tot betwisting van de erkenning als voor de vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap voor een soortgelijke procedure.

Ten eerste beoogt het voorgestelde amendement degenen die een vordering mogen instellen te beperken tot de personen die daadwerkelijk belanghebbenden zijn, namelijk de echtgenoot, de moeder, het kind en de persoon die het vaderschap of het moederschap van het kind opeist.

Vervolgens lijkt het ons nodig de gezinscel van het kind zoveel mogelijk te beschermen door eensdeels het bezit van staat te behouden die overeenstemt met de situatie van een kind dat door iedereen werkelijk als het kind van zijn ouders wordt beschouwd, ook al strookt dat niet met de biologische afstamming, en anderdeels door termijnen te bepalen voor het instellen van de vordering.

Om een leemte te voorkomen tussen de vordering tot betwisting en de erkenning, zoals thans het geval is, wordt ten slotte bepaald dat de beslissing die gevolg geeft aan een vordering tot betwisting die werd ingesteld door een persoon die beweert de biologische vader of moeder van het kind te zijn, van rechtswege de vaststelling van de afstammingsband van de verzoeker met zich brengt » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-0597/026, p. 6).

Aan het einde van de bespreking in de Commissie voor de Justitie van de Senaat heeft de minister van Justitie het belang van het begrip « bezit van staat » bevestigd door het volgende te verklaren :

« Het ontwerp wijzigt reeds een groot aantal regels, en ook al rijzen er bij de toepassing van het begrip soms problemen, toch hoeft dit niet te worden aangepast. De wetgever heeft er in 1987 voor gekozen het begrip te behouden om ervoor te zorgen dat de biologische waarheid het niet altijd wint van de sociaal-affectieve realiteit. Deze keuze moet behouden blijven en het bezit van staat hoeft dus niet te worden aangepast » (Parl. St., Senaat, 2005-2006, nr. 3-1402/7, p. 9).

B.5. Het Hof dient artikel 330, § 1, eerste lid, tweede zin, van het Burgerlijk Wetboek te toetsen aan artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Artikel 22 van de Grondwet bepaalt :

« Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald.

De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht ».

Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :

« 1. Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ».

Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 22 van de Grondwet blijkt dat de Grondwetgever een zo groot mogelijke concordantie heeft willen nastreven met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 997/5, p. 2).

B.6. Het recht op de eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven, zoals het door de voormelde bepalingen wordt gewaarborgd, beoogt in wezen de personen te beschermen tegen inmengingen in hun privéleven en hun gezinsleven.

Artikel 22, eerste lid, van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens sluiten een overheidsinmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven niet uit, maar vereisen dat zij wordt toegestaan door een voldoende precieze wettelijke bepaling, dat zij beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte en dat zij evenredig is met de daarmee nagestreefde wettige doelstelling. Die bepalingen houden voor de overheid bovendien de positieve verplichting in om maatregelen te nemen die een daadwerkelijke eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven verzekeren, zelfs in de sfeer van de onderlinge verhoudingen tussen individuen (EHRM, 27 oktober 1994, Kroon e.a. t. Nederland, § 31; grote kamer, 12 oktober 2013, Söderman t. Zweden, § 78).

B.7. De procedures met betrekking tot het vaststellen of betwisten van de vaderlijke afstamming, raken het privéleven van de verzoeker, omdat de materie van de afstamming belangrijke aspecten van iemands persoonlijke identiteit omvat (EHRM, 28 november 1984, Rasmussen t. Denemarken, § 33; 24 november 2005, Shofman t. Rusland, § 30; 12 januari 2006, Mizzi t. Malta, § 102; 16 juni 2011, Pascaud t. Frankrijk, §§ 48-49; 21 juni 2011, Kruskovic t. Kroatië, § 20; 22 maart 2012, Ahrens t. Duitsland, § 60; 12 februari 2013, Krisztissn Barnabsss Tóth t. Hongarije, § 28).

De in het geding zijnde regeling voor de betwisting van de erkenning van het vaderschap valt derhalve onder de toepassing van artikel 22 van de Grondwet en van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.8. De wetgever beschikt bij de uitwerking van een regeling die een overheidsinmenging in het privéleven inhoudt, over een appreciatiemarge om rekening te houden met een billijk evenwicht tussen de tegenstrijdige belangen van het individu en de samenleving in haar geheel (EHRM, 26 mei 1994, Keegan t. Ierland, § 49; 27 oktober 1994, Kroon e.a. t. Nederland, § 31; 2 juni 2005, Znamenskaya t. Rusland, § 28; 24 november 2005, Shofman t. Rusland, § 34; 20 december 2007, Phinikaridou t. Cyprus, §§ 51 tot 53; 25 februari 2014, Ostace t. Roemenië, § 33).

Die appreciatiemarge van de wetgever is evenwel niet onbegrensd : om te oordelen of een wettelijke regeling verenigbaar is met het recht op de eerbiediging van het privéleven, moet worden nagegaan of de wetgever een billijk evenwicht heeft gevonden tussen alle rechten en belangen die in het geding zijn. Zulks vereist dat de wetgever niet alleen een afweging maakt tussen de belangen van het individu tegenover die van de samenleving in haar geheel, maar tevens tussen de tegenstrijdige belangen van de betrokken personen (EHRM, 6 juli 2010, Backlund t. Finland, § 46; 15 januari 2013, Laakso t. Finland, § 46; 29 januari 2013, Röman t. Finland, § 51). Dit is noodzakelijk opdat er sprake kan zijn van een maatregel die evenredig is met de nagestreefde wettelijke doelstellingen.

B.9. De rust der families en de rechtszekerheid van de familiale banden, enerzijds, en het belang van het kind, anderzijds, zijn legitieme doelstellingen waarvan de wetgever kan uitgaan om een onbeperkte mogelijkheid tot betwisting van de erkenning van het vaderschap te verhinderen. In dat opzicht is het pertinent om de biologische werkelijkheid niet a priori te laten prevaleren op de socioaffectieve werkelijkheid van het vaderschap.

B.10. Door het bezit van staat als absolute grond van niet-ontvankelijkheid van de vordering tot betwisting van de erkenning van het vaderschap in te stellen, heeft de wetgever de sociale werkelijkheid van het vaderschap evenwel steeds laten prevaleren op andere belangen die in het geding kunnen zijn, waaronder het belang van het minderjarige kind.

Door die absolute grond van niet-ontvankelijkheid wordt het kind op absolute wijze uitgesloten van de mogelijkheid om de erkenning van het vaderschap te betwisten.

Aldus bestaat voor de rechter geen enkele mogelijkheid om ten gronde rekening te houden met de belangen van alle betrokken partijen.

Een dergelijke maatregel is onevenredig met de door de wetgever nagestreefde, legitieme doelstellingen. De in het geding zijnde bepaling is derhalve niet bestaanbaar met artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.11. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 330, § 1, eerste lid, tweede zin, van het Burgerlijk Wetboek schendt artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre de door het kind ingestelde vordering tot betwisting van de erkenning van het vaderschap niet ontvankelijk is wanneer het kind bezit van staat heeft ten aanzien van degene die het heeft erkend.

Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 26 november 2015.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

A. Alen