Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 27 mei 2010 (België)

Publicatie datum :
27-05-2010
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
2 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20100527-7
Rolnummer :
63/2010

Samenvatting

Het Hof zegt voor recht : De artikelen 68 en 69 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, de rechters R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter P. Martens, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest nr. 196.639 van 5 oktober 2009 in zake (I. en II.) de cvba « Maatschappij voor coördinatie van produktie en transport van elektrische energie », rechtsgeding hervat door de nv « Elia », thans de nv « Elia Asset », en (III.) de nv « Elia Asset » tegen (I., II. en III.) het Vlaamse Gewest, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 13 oktober 2009, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schenden de artikelen 68 en 69 van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet indien zij aldus worden geïnterpreteerd dat zij aan de Vlaamse Regering een onbeperkte delegatiemogelijkheid zouden toekennen voor alle bevoegdheden die aan voormelde regering door de wet werden toegewezen, zonder de nodige waarborgen voor de aan die regeling onderworpen rechtsonderhorigen, terwijl de federale uitvoerende macht niet over zulke onbeperkte mogelijkheid beschikt voor de aan haar toegewezen bevoegdheden en terwijl de rechtsonderhorigen die aan de regels van de Vlaamse Regering onderworpen zijn in tegenstelling met de rechtsonderhorigen die aan de federale overheid onderworpen zijn aldus niet over de waarborgen beschikken die hen tegen willekeur beschermen ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. De in het geding zijnde artikelen van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bepalen :

« Art. 68. Onverminderd de bepalingen van deze wet, regelt elke Regering haar werkwijze.

De Regering bepaalt het statuut van haar leden.

Art. 69. Onverminderd de door haar toegestane delegaties, beraadslaagt elke Regering collegiaal, volgens de in Ministerraad toegepaste procedure van de consensus, over alle zaken die tot haar bevoegdheid behoren ».

B.2. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre de in het geding zijnde bepalingen, in de gegeven interpretatie, « aan de Vlaamse regering een onbeperkte delegatiemogelijkheid zouden toekennen [...], terwijl de federale uitvoerende macht niet over zulke onbeperkte mogelijkheid beschikt ». De rechtsonderhorigen die aan de Vlaamse Regering zijn onderworpen, zouden derhalve niet over dezelfde waarborgen tegen willekeur beschikken.

B.3. Een verschil in behandeling in de modaliteiten, bepaald door de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, volgens welke een gemeenschap of een gewest haar of zijn bevoegdheden uitoefent, ten opzichte van de grondwetsbepalingen, volgens welke de federale overheid de hare uitoefent, is het gevolg van de autonomie die de gemeenschappen en de gewesten door of krachtens de Grondwet is toegekend.

B.4. Bijgevolg zijn de in de prejudiciële vraag vermelde categorieën van personen niet vergelijkbaar.

B.5. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

De artikelen 68 en 69 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 27 mei 2010.

De griffier, De voorzitter,

P.-Y. Dutilleux. M. Bossuyt.