Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 27 november 2014 (België)

Publicatie datum :
27-11-2014
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
4 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20141127-4
Rolnummer :
172/2014

Samenvatting

Het Hof zegt voor recht : Artikel 2 van de wet van 21 december 2007 betreffende de uitvoering van het interprofessioneel akkoord 2007-2008 en artikel 158 van de wet van 24 juli 2008 houdende diverse bepalingen (I) schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters A. Alen en J. Spreutels, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 12 november 2013 in zake de Antwerpse Waterwerken tegen de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten (RSZPPO), met als vrijwillig tussenkomende partijen : het ABVV (ACOD) Antwerpen, de Algemene Centrale der Liberale Vakbonden van België (VSOA) en het ACV - Openbare Diensten, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 9 december 2013, heeft de Arbeidsrechtbank te Antwerpen de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schenden artikel 2 van de wet van 21 december 2007 betreffende de uitvoering van het interprofessioneel akkoord 2007-2008 en artikel 158 van de wet van 24 juli 2008 houdende diverse bepalingen (I) de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre, in tegenstelling tot de werkgevers die vallen onder het toepassingsgebied van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités en in tegenstelling tot de autonome overheidsbedrijven in artikel 1, § 4 van de wet van 4 [lees : 21] maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, aan een intergemeentelijk samenwerkingsverband dat zich in dezelfde economische situatie bevindt, niet toelaat om gebruik te maken van het stelsel van niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. De verwijzende rechter vraagt of artikel 2 van de wet van 21 december 2007 betreffende de uitvoering van het interprofessioneel akkoord 2007-2008 (hierna : wet van 21 december 2007) en artikel 158 van de wet van 24 juli 2008 houdende diverse bepalingen (I) (hierna : wet van 24 juli 2008) bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, nu het voor intergemeentelijke samenwerkingsverbanden niet mogelijk is om gebruik te maken van het stelsel van niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen, in tegenstelling tot de werkgevers die vallen onder de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités en in tegenstelling tot de autonome overheidsbedrijven bedoeld in artikel 1, § 4, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, hoewel zij zich in dezelfde economische situatie bevinden.

B.1.2. Artikel 2 van de wet van 21 december 2007 bepaalt :

« Onderhavig hoofdstuk is van toepassing op de werkgevers en de werknemers die onder het toepassingsgebied van de wet van 5 december 1986 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités ressorteren ».

B.1.3. Artikel 158 van de wet van 24 juli 2008 bepaalt :

« Dit hoofdstuk is van toepassing op de organismen ingedeeld bij de autonome overheidsbedrijven in artikel 1, § 4, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. Voor wat deze vennootschappen van publiek recht aangaat worden met werknemers in onderhavig hoofdstuk zowel de vastbenoemde als de contractuele personeelsleden bedoeld ».

B.2.1. De eisende partij voor de verwijzende rechter vraagt artikel 38, § 3novies, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers (hierna : Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid) en het artikel 38, § 1, 24°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : WIB 1992) bij het onderzoek van de prejudiciële vraag te betrekken.

B.2.2. De partijen vermogen niet de draagwijdte van de door het verwijzende rechtscollege gestelde prejudiciële vraag te wijzigen of te laten wijzigen.

Het komt aan de verwijzende rechter toe te oordelen welke prejudiciële vragen hij aan het Hof dient te stellen en daarbij de omvang van de saisine te bepalen.

B.2.3. Het voorgaande neemt niet weg dat het Hof bij zijn onderzoek van de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepalingen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, rekening kan houden met bepalingen die ermee verband houden, zoals te dezen artikel 38, § 3novies, van de Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid en artikel 38, § 1, 24°, van het WIB 1992.

B.2.4. Artikel 38, § 3novies, van de Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid bepaalt :

« De werkgever is een bijzondere bijdrage van 33 % verschuldigd op het bedrag van de niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen die worden toegekend met toepassing van hoofdstuk II van de wet van 21 december 2007 betreffende de uitvoering van het interprofessioneel akkoord 2007-2008, en van Titel XIII, Enig Hoofdstuk ' Invoering van een stelsel van niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen voor de autonome overheidsbedrijven ' van de wet van 24 juli 2008 houdende diverse bepalingen (I), en dit ten belope van een plafond van 3 100 euro per kalenderjaar, per werknemer bij elke werkgever die hem in dienst heeft.

Een solidariteitsbijdrage van 13,07 % is eveneens verschuldigd door de werknemer op het in het eerste lid bedoelde bedrag, en dit ten belope van hetzelfde plafond van 3 100 euro per kalenderjaar, per werknemer bij elke werkgever die hem in dienst heeft.

De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, genomen op unaniem en eensluidend advies van de Nationale Arbeidsraad, het in de vorige leden bedoelde bedrag van 3 100 euro aanpassen.

Het bedrag van 3 100 euro is gekoppeld aan de gezondheidsindex van de maand november 2012. Vanaf 1 januari 2013 wordt dit bedrag jaarlijks op 1 januari aangepast volgens de volgende formule : het basisbedrag wordt vermenigvuldigd met de gezondheidsindex van de maand november van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin het nieuwe bedrag van toepassing zal zijn, en gedeeld door de gezondheidsindex van de maand november 2012. Het aldus berekende bedrag wordt op de hogere euro afgerond.

De bijdragen worden door de werkgever betaald aan de instelling belast met de inning van de socialezekerheidsbijdragen, binnen dezelfde termijnen en onder dezelfde voorwaarden als de socialezekerheidsbijdragen voor de werknemers.

De opbrengst van de bijdragen wordt overgemaakt aan de RSZ-Globaal Beheer, bedoeld in artikel 5, eerste lid, 2°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.

De bepalingen van het algemene stelsel van de sociale zekerheid van werknemers, inzonderheid wat betreft de aangiften met verantwoording van de bijdragen, de termijnen inzake betaling, de toepassing van de burgerlijke sancties en van de strafbepalingen, het toezicht, de aanwijzing van de rechter bevoegd in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de Rijksdienst voor sociale zekerheid, zijn van toepassing ».

B.2.5. Artikel 38, § 1, 24°, van het WIB 1992 bepaalt :

« § 1. Vrijgesteld zijn :

[...]

24° ten belope van een maximumbedrag van 2 695 euro per kalenderjaar, de niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen betaald of toegekend met toepassing van hoofdstuk II van de wet van 21 december 2007 betreffende de uitvoering van het interprofessioneel akkoord 2007-2008, en van Titel XIII, Enig Hoofdstuk ' Invoering van een stelsel van niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen voor de autonome overheidsbedrijven ' van de wet van 24 juli 2008 houdende diverse bepalingen (I) en die daadwerkelijk onderworpen zijn aan de bijzondere bijdrage en de solidariteitsbijdrage bepaald in artikel 38, § 3novies, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers ».

B.3. Uit de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde wet van 21 december 2007 blijkt dat de sociale partners in het derde ankerpunt van het interprofessioneel akkoord 2007-2008 hebben vastgesteld dat het bestaande instrumentarium voor de toekenning van niet-recurrente voordelen aan het personeel rekening houdend met behaalde resultaten in een onderneming, nauwelijks aanleiding heeft gegeven tot effectief gebruik. Het wetsvoorstel strekte derhalve ertoe een bijkomend mechanisme in te voeren dat voldoende aantrekkelijk en gebruiksvriendelijk was voor de private ondernemingen om financiële voordelen aan hun personeelsleden toe te kennen op basis van de collectieve resultaten van de onderneming of, op basis van objectieve criteria, voor een welomschreven groep van werknemers, waarbij een bevoorrechte fiscale en parafiscale behandeling geldt (Parl. St., Kamer, 2007-2008, DOC 52-0594/001, pp. 3-4).

Artikel 2 van de wet van 21 december 2007 bepaalt dat hoofdstuk II van die wet van toepassing is op werkgevers en werknemers die ressorteren onder de werkingssfeer van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités.

B.4. De wetgever wou met de artikelen 158 en volgende van de wet van 24 juli 2008 houdende diverse bepalingen (I) de discriminaties ten opzichte van de private ondernemingen wegwerken door een stelsel van niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen in te voeren voor de autonome overheidsbedrijven (Parl. St., Kamer, 2007-2008, DOC 52-1200/001, pp. 141-142, en Parl. St., Kamer, 2007-2008, DOC 52-1200/008, pp. 3 en 6).

B.5. Op fiscaal vlak komt het de bevoegde wetgever toe te bepalen welke doelstellingen hij wil nastreven en daartoe de grondslag van de belasting, het belastingtarief, alsook de vrijstellingen of soortgelijke maatregelen te bepalen van de belastingen waarin hij voorziet. Hij beschikt ter zake over een ruime beoordelingsbevoegdheid.

B.6. De wetgever vermocht redelijkerwijze ervan uit te gaan dat een einde diende te worden gemaakt aan het verschil in behandeling dat bestond tussen de private ondernemingen en de autonome overheidsbedrijven, door een stelsel van niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen in te stellen ten gunste van de tweede categorie, zonder dat stelsel uit te breiden tot de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden.

Zoals de Ministerraad in zijn memorie doet opmerken, beantwoorden de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden als werkgever niet aan dezelfde regels van sociaal overleg als de private ondernemingen of de autonome overheidsbedrijven. Zo zijn zij niet onderworpen aan interprofessionele of sectorale collectieve arbeidsovereenkomsten, noch aan de wetgevingen die gericht zijn tot de werkgevers die onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités.

Wat de activiteiten betreft die zij uitoefenen in concurrentie met de privésector, kunnen de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, met toepassing van artikel 78 van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking, privaatrechtelijke rechtspersonen oprichten die onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, en kunnen zij het voordeel van het in het geding zijnde stelsel genieten.

Het verschil in behandeling is derhalve niet zonder redelijke verantwoording.

B.7. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 2 van de wet van 21 december 2007 betreffende de uitvoering van het interprofessioneel akkoord 2007-2008 en artikel 158 van de wet van 24 juli 2008 houdende diverse bepalingen (I) schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 27 november 2014.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

A. Alen