Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 27 november 2014 (België)

Publicatie datum :
27-11-2014
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
4 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20141127-5
Rolnummer :
173/2014

Samenvatting

Het Hof verwerpt de vordering tot schorsing.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en A. Alen, en de rechters E. De Groot, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de vordering en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 11 september 2014 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 12 september 2014, heeft het College van de Franse Gemeenschapscommissie, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Slegers en Mr. B. Fonteyn, advocaten bij de balie te Brussel, een vordering tot schorsing ingesteld van de wet van 12 mei 2014 tot oprichting van de Dienst voor de bijzondere socialezekerheidsstelsels, en minstens van artikel 2, eerste lid, 3°, dertiende streepje, partim (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 10 juni 2014).

Bij hetzelfde verzoekschrift vordert de verzoekende partij eveneens de vernietiging van dezelfde norm.

Bij beschikking van 7 oktober 2014 heeft het Hof de terechtzitting voor het debat over de vordering tot schorsing bepaald op 29 oktober 2014, na de in artikel 76, § 4, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof bedoelde overheden te hebben uitgenodigd hun eventuele schriftelijke opmerkingen, in de vorm van een memorie, uiterlijk op 27 oktober 2014 in te dienen en een afschrift ervan binnen dezelfde termijn aan de verzoekende partij over te zenden.

(...)

II. In rechte

(...)

B.1. Artikel 2, 3°, van de wet van 12 mei 2014 « tot oprichting van de Dienst voor de bijzondere socialezekerheidsstelsels » bepaalt :

« Voor de toepassing van onderhavige wet wordt verstaan onder :

[...]

3°) ' provinciale en plaatselijke besturen ' :

- de provincies;

- de openbare instellingen die van de provincies afhangen;

- de gemeenten;

- de openbare instellingen die afhangen van de gemeenten;

- de verenigingen van gemeenten;

- de O.C.M.W.'s;

- de verenigingen van O.C.M.W.'s;

- de openbare instellingen die afhangen van de O.C.M.W.'s;

- de agglomeraties en federaties van gemeenten;

- de openbare instellingen die afhangen van de agglomeraties en van de federaties van gemeenten;

- de lokale politiezones, opgericht op basis van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus;

- de prezones en de hulpverleningszones opgericht op basis van de wet van 15 mei 2007 houdende civiele veiligheid;

- de Franse Gemeenschapscommissie en de Vlaamse Gemeenschapscommissie;

- de gewestelijke economische instellingen bedoeld in de hoofdstukken II en III van de kaderwet van 15 juli 1970 houdende organisatie van de planning en economische decentralisatie, gewijzigd bij het decreet van 25 mei 1983 van de Waalse Gewestraad, de ordonnantie van 20 mei 1999 van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en het decreet van de Vlaamse Raad van 27 juni 1985;

- ' Net Brussel, Gewestelijk Agentschap voor Netheid ';

- de ' Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp ';

- de verenigingen van meerdere hierboven vermelde instellingen;

- de VZW ' Vlaamse Operastichting ' voor de personeelsleden die vast benoemd waren bij de Intercommunale ' Opera voor Vlaanderen ' en met behoud van hun statuut zijn overgenomen.

De Koning kan andere instellingen toevoegen aan de in het eerste lid, 3°) vervatte lijst van besturen. Hij kan deze lijst wijzigen teneinde rekening te houden met de wetsbepalingen die voor de in het eerste lid, 3°) genoemde instellingen van toepassing zijn ».

B.2. Uit de uiteenzetting van de middelen blijkt dat de vordering tot schorsing slechts betrekking heeft op het dertiende streepje van het eerste lid van die bepaling, in zoverre het de Franse Gemeenschapscommissie beoogt.

B.3.1. Luidens artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof kan tot de schorsing van een wetsbepaling alleen worden besloten indien ernstige middelen worden aangevoerd en indien de onmiddellijke toepassing van die bepaling een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.

B.3.2. De schorsing van een wetsbepaling door het Hof moet het immers mogelijk maken te voorkomen dat de onmiddellijke toepassing ervan de verzoeker een ernstig nadeel berokkent dat niet of slechts moeilijk zou kunnen worden hersteld wanneer die bepaling wordt vernietigd.

Uit artikel 22 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 blijkt dat, om te voldoen aan de tweede voorwaarde van artikel 20, 1°, van die wet, het verzoekschrift waarbij een vordering tot schorsing wordt ingesteld concrete en nauwkeurige feiten moet uiteenzetten die voldoende aantonen dat de onmiddellijke toepassing van de bestreden bepaling de verzoeker een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Die persoon moet met name het bestaan van het risico van een nadeel, de ernst ervan en het verband tussen dat risico en de toepassing van de bestreden bepaling aantonen.

B.4.1. In de uiteenzetting van het verzoekschrift wordt het Hof te dezen verzocht vier risico's van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te beoordelen.

B.4.2. De verzoekende partij voert in de eerste plaats aan dat de toepassing van de bestreden bepaling een onmiddellijke financiële weerslag zal hebben op de begroting van de Franse Gemeenschapscommissie.

Het loutere risico een financieel verlies te lijden, vormt in beginsel geen risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel.

De verzoekende partij maakt geen gewag van enig concreet en nauwkeurig element betreffende de omvang van het aangevoerde financiële nadeel of waaruit kan worden opgemaakt dat dat nadeel de Franse Gemeenschapscommissie zou kunnen doen terechtkomen in een situatie waarin zij niet meer in staat zou zijn haar betalingsverplichtingen na te komen.

B.4.3. De verzoekende partij verklaart vervolgens dat de onmiddellijke toepassing van het nieuwe socialezekerheidsstelsel dat als gevolg van de bestreden bepaling « mogelijk » zou worden opgelegd aan de Franse Gemeenschapscommissie, doet vrezen voor talrijke sociale conflicten binnen de administratieve diensten van die Commissie, alsook voor talrijke gerechtelijke conflicten.

Volgens de verzoekende partij is de toepassing van dat nieuwe socialezekerheidsstelsel op de Franse Gemeenschapscommissie slechts een « mogelijk » gevolg van de bestreden bepaling. Zij erkent dus dat elk uit die toepassing voortvloeiend nadeel hypothetisch blijft.

Bovendien uit het College van de Franse Gemeenschapscommissie, met zijn vordering tot schorsing van de bestreden bepaling, duidelijk zijn wil om de eventuele uitvoering van dat nieuwe stelsel te beletten, stelsel dat volgens het College voor de ambtenaren van zijn eigen administratieve diensten nadelig zou kunnen zijn. Bijgevolg blijkt niet wat het motief zou kunnen zijn voor een onenigheid tussen de verzoekende partij en die ambtenaren waardoor een « sociaal conflict » of een gerechtelijk conflict zou kunnen ontstaan.

Ten slotte maakt de verzoekende partij geen gewag van concrete en nauwkeurige feiten in verband met de precieze aard en het aantal van de eventuele onenigheden die, in geval van een eventuele uitvoering van dat nieuwe socialezekerheidsstelsel, zouden kunnen leiden tot conflicten die, voor het College van de Franse Gemeenschapscommissie, een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zouden kunnen vormen.

B.4.4. De verzoekende partij voert ook aan dat de onmiddellijke toepassing van de bestreden bepaling het vertrouwen tussen de federale overheid en de Franse Gemeenschapscommissie op duurzame wijze kan schaden, doordat, ten koste van de federale loyauteit, de eerstgenoemde heeft beslist de laatstgenoemde niet te beschouwen als een bestanddeel van de federale Staat, bovendien zonder voorafgaand overleg en zonder te wachten op de afloop van een voor het Hof hangende rechtspleging.

Het blijkt dat de aantasting van het vertrouwen waarnaar de verzoekende partij verwijst, meer voortvloeit uit de inhoud van de bestreden bepaling of zelfs de omstandigheden van de aanneming ervan, dan uit de toekomstige toepassing ervan.

Noch de schorsing, noch de vernietiging van die bepaling zouden dus kunnen tenietdoen dat die bepaling in de voormelde omstandigheden is aangenomen.

Ten slotte maakt de verzoekende partij geen gewag van concrete en nauwkeurige feiten die voldoende aantonen dat de aantasting van de vertrouwensrelatie tussen de Franse Gemeenschapscommissie en de federale overheid, veroorzaakt door de aanneming van de bestreden bepaling, door de toekomstige toepassing van die bepaling een duurzame vertrouwensbreuk tot stand zou kunnen brengen die voor het College van die Gemeenschapscommissie een moeilijk te herstellen nadeel kan vormen.

B.4.5. De verzoekende partij voert ten slotte aan dat de tijd tussen de bekendmaking van de bestreden bepaling en de inwerkingtreding ervan korter is dan de termijn waarbinnen een beroep tot vernietiging van die bepaling dient te worden ingesteld.

De bestreden bepaling, die is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 10 juni 2014, zal in werking treden op 1 januari 2015 (artikel 60 van de wet van 12 mei 2014). Een beroep tot vernietiging van die bepaling kan worden ingediend binnen een termijn van zes maanden na de bekendmaking ervan (artikel 3, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989).

In tegenstelling tot wat de verzoekende partij aanvoert, is de periode tussen de bekendmaking van de bestreden bepaling en de inwerkingtreding ervan dus langer dan de voormelde beroepstermijn.

B.5. Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat de verzoekende partij niet voldoende aantoont dat de onmiddellijke toepassing van artikel 2, 3°, dertiende streepje, van de wet van 12 mei 2014, in zoverre het de Franse Gemeenschapscommissie beoogt, haar een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou kunnen berokkenen, zodat niet is voldaan aan een van de voorwaarden vereist in artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt de vordering tot schorsing.

Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 27 november 2014.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

J. Spreutels