Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 28 april 2016 (België)

Publicatie datum :
28-04-2016
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
9 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20160428-10
Rolnummer :
61/2016

Samenvatting

Het Hof zegt voor recht : Artikel 68 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 en artikel 1018 van het Gerechtelijk Wetboek schenden niet de artikelen 10, 11 en 23, derde lid, 2°, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en E. De Groot, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest van 1 juni 2015 in zake Karim Zaidi tegen de nv « Ethias », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 4 juni 2015, heeft het Arbeidshof te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schenden artikel 68 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 en/of artikel 1018 van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de kosten de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet en artikel 6 van het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, afzonderlijk of in samenhang gelezen, in zoverre zij aan sociaal verzekerden wier proces voornamelijk betrekking heeft op een medisch element, niet de mogelijkheid bieden financieel te worden ondersteund in de kosten van hun medische verdediging, terwijl zij aan sociaal verzekerden wier proces voornamelijk betrekking heeft op een juridisch element, de mogelijkheid zouden bieden financieel te worden ondersteund in de kosten van hun juridische verdediging ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Luidens artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek verwijst ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, tenzij bijzondere wetten anders bepalen.

Zoals gewijzigd bij artikel 35 van de wet van 10 augustus 2001, bepaalt artikel 68 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 (hierna : arbeidsongevallenwet) :

« Behalve wanneer de eis roekeloos en tergend is, vallen de kosten van alle vorderingen gesteund op deze wet ten laste van de verzekeringsonderneming ».

Zoals gewijzigd bij artikel 5 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, bepaalt artikel 1018 van het Gerechtelijk Wetboek :

« De kosten omvatten :

1° de diverse, griffie- en registratierechten, alsook de zegelrechten die voor de afschaffing van het Wetboek der zegelrechten zijn betaald;

2° de prijs en de emolumenten en lonen van de gerechtelijke akten;

3° de prijs van de uitgifte van het vonnis;

4° de uitgaven betreffende alle onderzoeksmaatregelen, onder meer het getuigen- en deskundigengeld;

5° de reis- en verblijfkosten van de magistraten, de griffiers en van de partijen, wanneer hun reis door de rechter bevolen is, en de kosten van de akten, wanneer deze uitsluitend met het oog op het geding opgemaakt zijn;

6° de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in artikel 1022;

7° het ereloon, de emolumenten en de kosten van de bemiddelaar die aangewezen is overeenkomstig artikel 1734.

De bedragen die als basis dienen voor de berekening van de in het eerste lid bedoelde kosten worden omgerekend in euro de dag dat het vonnis of het arrest dat in de kosten verwijst, wordt uitgesproken ».

Zoals vervangen bij artikel 7 van de voormelde wet van 21 april 2007, voorziet artikel 1022, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek erin dat de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.

B.2. De verwijzende rechter stelt het Hof een vraag over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, van artikel 68 van de arbeidsongevallenwet en van artikel 1018 van het Gerechtelijk Wetboek, in zoverre zij aan sociaal verzekerden wier proces voornamelijk betrekking heeft op een medisch element, niet de mogelijkheid bieden financieel te worden ondersteund in de kosten van hun medische verdediging, terwijl zij aan sociaal verzekerden wier proces voornamelijk betrekking heeft op een juridisch element, de mogelijkheid zouden bieden financieel te worden ondersteund in de kosten van hun juridische verdediging.

B.3. In het voor de verwijzende rechter hangende geschil vraagt een werknemer die het slachtoffer is geweest van een arbeidsongeval, waarvan de gevolgen door de arbeidsrechtbank werden beoordeeld, in hoger beroep om de kosten verbonden aan de bijstand van zijn adviserend geneesheer ten laste van de wetsverzekeraar te leggen, zonder dat enige fout van die laatstgenoemde is vastgesteld, en zonder dat de werknemer aan de voorwaarden voldoet om rechtsbijstand te genieten.

Het onderzoek van het Hof past dan ook in de context van de arbeidsongevallenwetgeving.

B.4. De geïntimeerde partij voor de verwijzende rechter werpt in hoofdorde op dat de vergeleken categorieën van personen op identieke wijze worden behandeld en zich in een identieke situatie bevinden, zodat de in het geding zijnde bepalingen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, al dan niet in samenhang gelezen met de andere in de prejudiciële vraag bedoelde bepalingen, niet kunnen schenden.

Enerzijds, zouden alle werknemers die onder de arbeidsongevallenwet vallen, krachtens de in het geding zijnde bepalingen recht hebben op een tegemoetkoming in hun kosten voor juridische verdediging, via de in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde rechtsplegingsvergoeding, behoudens roekeloos en tergend geding; daarentegen heeft geen van hen recht op een tegemoetkoming in de kosten verbonden aan de bijstand van een adviserend geneesheer, tenzij hij aan de voorwaarden voldoet om rechtsbijstand te genieten, of tenzij hij de tenlasteneming van de kosten voor de adviserend geneesheer in het kader van de gemeenrechtelijke aansprakelijkheidsregeling opeist. Anderzijds, zou een proces dat « voornamelijk betrekking heeft op een medisch element », noodzakelijkerwijs een juridisch aspect omvatten en zich dus niet fundamenteel onderscheiden van een proces dat « voornamelijk betrekking heeft op een juridisch element ».

B.5. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dat beginsel verzet er zich overigens tegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de aangevochten maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat.

Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.

B.6.1. De omstandigheid dat categorieën van personen op identieke wijze worden behandeld, is enkel bestaanbaar met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie voor zover die identieke behandeling betrekking heeft op situaties die niet wezenlijk verschillend zijn of voor zover de identieke behandeling van wezenlijk verschillende situaties redelijk verantwoord is.

B.6.2. Het Hof dient dan ook te onderzoeken of de vergeleken categorieën op identieke wijze worden behandeld, of hun situaties wezenlijk verschillend zijn en of er, in voorkomend geval, een redelijke verantwoording voor die identieke behandeling bestaat.

B.7.1. Door te bepalen dat de kosten van alle vorderingen die op de arbeidsongevallenwet zijn gebaseerd, ten laste van de verzekeringsonderneming vallen, behoudens roekeloos en tergend geding, wijkt artikel 68 van de arbeidsongevallenwet af van artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek volgens hetwelk de kosten ten laste van de in het ongelijk gestelde partij worden gelegd.

In de parlementaire voorbereiding van artikel 68 van de arbeidsongevallenwet wordt uiteengezet :

« Dit artikel neemt de bepalingen over die door de wet van 20 maart 1948 aan de geordende wetten werden toegevoegd.

Deze bepaling is van openbare orde (Cass. 26 maart 1953, Pas. I, 576). Zij geldt zowel in eerste aanleg, in beroep als in Cassatie (Cass. 27 mei 1948, Pas. I, 341; 23 september 1948, Pas. 1949, I, 505; 22 september 1949, Pas. 1950, I, 10; 13 november 1953, Pas. 1954, I, 189; 9 december 1954, Pas. 1955, I, 350; 14 november 1958, Pas. 1959, I, 273; 12 oktober 1961, Pas. 1962, I, 168) » (Parl. St., Senaat, 1969-1970, nr. 328, pp. 33-34).

B.7.2. Met de in artikel 68 van de arbeidsongevallenwet bedoelde maatregel wordt de bepaling overgenomen waarin was voorzien in artikel 29bis van de gecoördineerde wetten op de arbeidsongevallen, ingevoegd bij de wet van 20 maart 1948 « tot aanvulling wat betreft de kosten van rechtspleging van de samengeschakelde wetten op de arbeidsongevallen ».

In de parlementaire voorbereiding van de wet van 20 maart 1948 wordt uitgelegd dat met die maatregel de vraag wie de gerechtskosten inzake arbeidsongevallen dient te dragen, wordt beslecht « in de zin van de eerbiediging van het recht van de slachtoffers op de algeheelheid van de vergoedingen en van hun recht op de gerechtelijke controle van het bedrag van die vergoedingen » (Parl. St., Senaat, 1946-1947, nr. 153, p. 2) :

« Sinds meer dan veertig jaar bespreekt men, voor de rechtbanken, de vraag wie de gerechtskosten in zake arbeidsongevallen moet dragen.

Een aanzienlijk gedeelte van de rechtsleer en van de rechtspraak wil dat men eenvoudig te dezer zake artikel 130 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtspleging toepasse, volgens hetwelk : ' de partij die in het ongelijk wordt gesteld veroordeeld wordt tot de kosten '. Aldus zouden de kosten en namelijk de, soms hoge, kosten van expertise moeten gedragen worden door de arbeider die, in de onzekerheid over het juiste bedrag van zijn ongeschiktheid tot werken, een, later voldoende geoordeeld aanbod van de verzekeraar van de bedrijfsleider weigert, zonder gerechtelijk nazicht.

Volgens een tweede stelsel, zou de toepassing van artikel 130 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtspleging strijdig zijn met het beginsel van openbare orde, volgens hetwelk het slachtoffer of zijn rechthebbenden de algeheelheid van de wettelijke vergoeding moeten ontvangen. En de wil van de wetgever zou niet geëerbiedigd zijn, indien het slachtoffer er kon toe gebracht worden een onvoldoende aanbod te aanvaarden uit vrees van gerechtskosten te dragen te hebben.

Dit wetsvoorstel heeft tot doel een einde te maken aan die betwistingen, die maar al te lang geduurd hebben.

Het lost het vraagstuk op in de zin van de eerbiediging van het recht van de slachtoffers op de algeheelheid van de vergoedingen en van hun recht op de gerechtelijke controle van het bedrag van die vergoedingen.

Het voorbehoud dat gemaakt wordt wat betreft de kwade trouw is van dien aard dat het de misbruikelijke rechtsplegingen zal beletten » (ibid., pp. 1-2).

Die maatregel werd als « billijk » beschouwd (Parl. St., Kamer, 1947-1948, nr. 129, p. 1) :

« De Commissie van de Kamer, zowel als die van de Senaat, en om dezelfde redenen, heeft het billijk geoordeeld dat die kosten ten laste zouden worden gelegd van de werkgever of van zijn verzekeraar, zelfs wanneer de arbeider voor al of een deel van zijn aanspraken in het ongelijk wordt gesteld.

Slechts een enkele uitzondering wordt voorzien : die welke bestaat in hetgeen door de Senaat in zijn tekst de ' kwade trouw ' wordt genoemd. De Commissie heeft het verkieslijker gevonden dit begrip te vervangen door het juister begrip van het ' roekeloos en plagend ' rechtsgeding, hetwelk beantwoordt aan de gebruikelijke toepassing door de Rechtbanken.

Ten slotte weze aangestipt, dat de voorgestelde tekst op alle onkosten slaat, met inbegrip van die voor verbreking en de bijkomende kosten » (ibid., pp. 1-2).

B.7.3. Uit het voorgaande vloeit voort dat de werknemer die het slachtoffer is van een arbeidsongeval, in de arbeidsongevallenregeling nooit de kosten moet dragen die steeds ten laste van de wetsverzekeraar worden gelegd.

B.8.1. Krachtens artikel 1018 van het Gerechtelijk Wetboek omvatten de kosten met name « 4° de uitgaven betreffende alle onderzoeksmaatregelen, onder meer het getuigen- en deskundigengeld »; de kosten van een gerechtelijk deskundigenonderzoek vallen dan ook onder de kosten, in tegenstelling tot de kosten verbonden aan de bijstand van een technisch raadsman, die op initiatief van de werknemer optreedt.

B.8.2. Kosten gemaakt voor de bijstand door een technisch raadsman zijn evenwel kosten die worden gemaakt met het oog op het vaststellen van de schade en de omvang ervan, en zijn sinds de arresten van het Hof van Cassatie van 2 september 2004 (Arr. Cass., 2004, nr. 375) en 16 november 2006 (Arr. Cass., 2006, nr. 568) verhaalbaar op de verliezende partij op basis van artikel 1151 van het Burgerlijk Wetboek of artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, als onderdeel van de schade die de verliezende partij moet vergoeden op grond van haar contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheid.

B.8.3.1. De in de arbeidsongevallenwetgeving bedoelde schadevergoeding is echter niet gebaseerd op het begrip « fout » en het gemeen recht van de aansprakelijkheid, maar op de dekking van het professionele risico.

B.8.3.2. De wet van 24 december 1903 betreffende de vergoeding van schade voortspruitende uit ongevallen voorzag immers in een forfaitaire vergoeding voor schade ten gevolge van een arbeidsongeval, waarbij de forfaitaire aard van de vergoeding meer bepaald was ingegeven door een van het gemeen recht afwijkende aansprakelijkheidsregeling die niet meer uitgaat van het begrip « fout », maar van het begrip « professioneel risico », en van het verdelen van dat risico over de werkgever en het slachtoffer van het arbeidsongeval.

Enerzijds, werd de werkgever, zelfs zonder dat hem enige schuld trof, steeds aansprakelijk gesteld voor de schade ten gevolge van het arbeidsongeval opgelopen door het slachtoffer. Anderzijds, ontving het slachtoffer van het arbeidsongeval een forfaitaire schadevergoeding, waardoor het slechts gedeeltelijk werd vergoed voor de geleden schade.

B.8.3.3. Bij de totstandkoming van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 werd het systeem gewijzigd door het invoeren van de verplichte verzekering, krachtens welke de werknemer zich niet meer richt tot de werkgever maar tot de « wetsverzekeraar ». De financiering van het systeem van de vaste vergoeding wordt gewaarborgd door de werkgevers, die sinds 1971 verplicht zijn een verzekering inzake arbeidsongevallen te sluiten en de kosten van de premies te dragen.

De schade opgelopen door de werknemer en niet langer de aansprakelijkheid van de werkgever werd vanaf dan verzekerd, waardoor het systeem gelijkenis vertoont met een mechanisme van sociale verzekering : « als principe voor de schadeloosstelling geldt [...] dat ze volledig moet zijn, zij het dan binnen forfaitaire grenzen » (Parl. St., Senaat, 1969-1970, nr. 328, p. 1).

B.8.4. De combinatie van artikel 68 van de arbeidsongevallenwet en artikel 1018 van het Gerechtelijk Wetboek heeft dan ook tot gevolg dat de kosten verbonden aan de bijstand van een adviserend geneesheer in beginsel niet ten laste van de wetsverzekeraar kunnen worden gelegd.

B.9.1. De wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat verankert de terugvorderbaarheid van de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat in het procesrecht (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-1686/5, p. 16) en onttrekt die daarmee aan het aansprakelijkheidsrecht. Op basis van het nieuwe artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek kunnen advocatenkosten forfaitair worden verhaald als rechtsplegingsvergoeding die in de kosten is opgenomen.

B.9.2. Met het aannemen van de wet van 21 april 2007 wilde de wetgever een einde maken aan de rechtsonzekerheid die voortvloeide uit een sterk uiteenlopende rechtspraak ter zake (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-1686/5, p. 14).

Hij wilde overigens voorkomen dat een nieuw proces moest worden ingesteld teneinde het herstel te verkrijgen van de schade die bestaat in de door de winnende partij gemaakte kosten en erelonen van een advocaat.

De wetgever beoogde ten slotte een einde te maken aan het verschil in behandeling inzake het financiële risico van het proces tussen de partijen bij een burgerlijk proces, waarbij elk van hen in beginsel de verdediging van haar persoonlijke belangen nastreeft. Meer bepaald strekte de keuze van de wetgever om de verhaalbaarheid te verankeren in het burgerlijk procesrecht en om van de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire deelname in de kosten en erelonen van de advocaat van de winnende partij ten laste van de in het ongelijk gestelde partij te maken, ertoe alle partijen bij een burgerlijk proces op gelijke wijze te behandelen door het financiële risico gelijkelijk onder hen te verdelen. Een dergelijk doel is in overeenstemming met het beginsel van de gelijke toegang tot het gerecht, zoals gewaarborgd bij artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.9.3. De combinatie van artikel 68 van de arbeidsongevallenwet en artikel 1018 van het Gerechtelijk Wetboek heeft dan ook tot gevolg dat de rechtsplegingsvergoeding die een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat omvat, steeds ten laste van de wetsverzekeraar wordt gelegd, en dat de werknemer die onder de arbeidsongevallenwet valt, die rechtsplegingsvergoeding steeds ontvangt.

B.9.4. Voor het overige is het Hof niet bevoegd om de wijze te controleren waarop de rechtsplegingsvergoeding voor de arbeidsgerechten is vastgelegd in artikel 4 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 « tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat ».

Het behoud, in artikel 4 van het voormelde koninklijk besluit, van het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor de arbeidsgerechten op het bedrag dat gold vóór de inwerkingtreding van de wet van 21 april 2007, werd trouwens beschouwd als een « regeling ten gunste van de socialezekerheidsinstellingen en de verzekeraars arbeidsongevallen, ter compensatie van de op hen rustende verplichting om in alle gevallen de rechtsplegingsvergoeding te betalen », die bestaanbaar is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie (RvSt, arrest nr. 216.703 van 6 december 2011, Schyvens t. Belgische Staat, punt 17).

Die maatregel dient immers in samenhang te worden gelezen met de specifieke regeling van de kosten voor de arbeidsgerechten, zoals zij voortvloeit uit de in het geding zijnde bepaling, maar ook uit artikel 53 van de gecoördineerde wetten van 3 juni 1970 betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, of nog uit artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek.

B.10. Alle werknemers die onder de arbeidsongevallenwet vallen, worden dan ook op identieke wijze behandeld met betrekking tot de kosten, ongeacht of hun proces voornamelijk betrekking heeft op een juridisch of een medisch element : terwijl de kosten verbonden aan de bijstand van een adviserend geneesheer in beginsel niet ten laste van de wetsverzekeraar kunnen worden gelegd, is de in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde rechtsplegingsvergoeding die een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat omvat, daarentegen steeds ten laste van de wetsverzekeraar, die ze aan de werknemer zal moeten betalen, behalve wanneer zijn eis roekeloos en tergend is.

Die regeling is trouwens die waarin eveneens is voorzien voor de in artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde sociaal verzekerden.

B.11.1. Zonder dat het nodig is te onderzoeken of die werknemers tot wezenlijk verschillende categorieën kunnen behoren naargelang hun proces voornamelijk betrekking zou hebben op een juridisch of een medisch element, dient te worden vastgesteld dat de ontstentenis van een principiële mogelijkheid om de kosten verbonden aan de bijstand van een adviserend geneesheer ten laste van de wetsverzekeraar te leggen, redelijk verantwoord is en geen onevenredige inperking van de rechten van de betrokken werknemers met zich meebrengt.

B.11.2. Het Hof heeft in B.10.2 van zijn arrest nr. 15/2009 van 5 februari 2009 geoordeeld dat, aangezien de keuze van de wetgever met betrekking tot de rechtsplegingsvergoeding redelijk verantwoord is, rekening houdend met wat is vermeld in B.7.6.6 van zijn arrest nr. 182/2008 van 18 december 2008 betreffende de rechtzoekenden die de juridische tweedelijnsbijstand genieten, de verschillen die bestaan tussen de advocaten en de technische raadgevers met betrekking tot hun plaats in het proces en de aard van hun optreden rechtvaardigen dat de wetgever de specifieke reglementering die hij heeft aangenomen voor de verhaalbaarheid van de kosten en erelonen van advocaten, niet heeft uitgebreid tot alle andere raadgevers die mogelijk in een gerechtelijke procedure optreden.

De omstandigheid dat het geschil in het kader van de arbeidsongevallenwetgeving past, wijzigt die conclusie niet.

B.11.3. Zoals in B.7 is vermeld, heeft de wetgever immers gekozen voor een systeem waarin de werknemer niet instaat voor het financiële risico van het proces, doordat hij de waarborg heeft dat de kosten, in elk stadium van de gerechtelijke procedure, ten laste van de wetsverzekeraar worden gelegd, behoudens roekeloos en tergend geding.

Die van het gemeen recht afwijkende regeling werd ingevoerd teneinde het recht van de werknemer op gerechtelijke controle van het bedrag van de uit een arbeidsongeval voortvloeiende vergoedingen te vrijwaren, hetgeen de werknemer aldus waarborgt dat de kosten van een deskundigenonderzoek waartoe door de rechter werd beslist en een rechtsplegingsvergoeding met name ten laste van de wetsverzekeraar worden gelegd.

B.11.4. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, vereist in de context van de arbeidsongevallenwetgeving niet dat meer moet worden afgeweken van het gemeen recht inzake de verdeling van de kosten van de rechtspleging door erin te voorzien dat de kosten verbonden aan de bijstand van de adviserend geneesheer van de werknemer bovendien steeds ten laste van de wetsverzekeraar worden gelegd.

Die aanvullende procedurele last zou de dekking van het professionele risico immers uitbreiden en zou bijgevolg het bestaande evenwicht bij de verdeling van dat risico tussen de verschillende actoren op wie de arbeidsongevallenwetgeving betrekking heeft, kunnen wijzigen, door de economische last die in de financiering van de verplichte arbeidsongevallenverzekering op de werkgevers rust, te verzwaren.

B.12. De in het geding zijnde maatregel brengt daarenboven geen onevenredige inperking van de rechten van de werknemers met zich mee.

De betrokken werknemers hebben immers de waarborg dat, behoudens roekeloos en tergend geding, de kosten van een op een arbeidsongeval gebaseerde vordering nooit te hunnen laste worden gelegd en dat zij de rechtsplegingsvergoeding steeds ontvangen, aangezien die van het gemeen recht afwijkende maatregel tegemoetkomt aan de bekommernis van de wetgever om de toegang van die werknemers tot het gerecht te waarborgen.

Bovendien, indien zij niet over de nodige inkomsten beschikken om de kosten van de rechtspleging te bestrijden en aan de voorwaarden voldoen om rechtsbijstand te genieten, zullen de kosten verbonden aan de bijstand van hun adviserend geneesheer ten laste kunnen worden genomen door de rechtsbijstand, zoals dat voortvloeit uit de artikelen 664, 665, 671 en 692bis van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij de wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen ingevolge het arrest nr. 160/2005 van 26 oktober 2005, zodat artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet, dat het recht van eenieder op juridische bijstand waarborgt, niet zou kunnen zijn geschonden.

Ten slotte, indien de wetsverzekeraar een fout heeft begaan bij de beoordeling van de verschuldigde vergoedingen, kan de betrokken werknemer op grond van het gemeen recht van de aansprakelijkheid en van de integrale vergoeding van zijn schade de terugvordering van de kosten verbonden aan de bijstand van zijn adviserend geneesheer vragen.

B.13. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 68 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 en artikel 1018 van het Gerechtelijk Wetboek schenden niet de artikelen 10, 11 en 23, derde lid, 2°, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 28 april 2016.

De griffier, De voorzitter,

F. Meersschaut J. Spreutels