Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 28 january 2015 (België)

Publicatie datum :
28-01-2015
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
25 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20150128-5
Rolnummer :
9/2015

Samenvatting

Het Hof - stelt vast dat de beroepen geen voorwerp meer hebben, in zoverre zij tegen artikel 8 van de wet van 18 februari 2013 « tot wijziging van boek II, titel Iter van het Strafwetboek » zijn gericht; - onder voorbehoud van de in B.41.3 vermelde interpretatie, verwerpt de beroepen voor het overige.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en A. Alen, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging

a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 4 september 2013 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 5 september 2013, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 4 en van de woorden « niet verantwoorde » in artikel 8 van de wet van 18 februari 2013 tot wijziging van boek II, titel Iter van het Strafwetboek (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 4 maart 2013) door het Algemeen Belgisch Vakverbond, Rudy De Leeuw en Anne Demelenne, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Buelens, advocaat bij de balie te Antwerpen, en Mr. T. Mitevoy, advocaat bij de balie te Brussel.

b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 4 september 2013 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 5 september 2013, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 4 tot 8 van voormelde wet van 18 februari 2013 door de vzw « Ligue des Droits de l'Homme », de vzw « Syndicat des Avocats pour la Démocratie » en de « Centrale Nationale des Employés », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Alamat en Mr. O. Venet, advocaten bij de balie te Brussel.

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 5710 en 5711 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van de context van de beroepen

B.1.1. De wet van 19 december 2003 « betreffende terroristische misdrijven » heeft in boek II van het Strafwetboek een « Titel Iter » met als opschrift « Terroristische misdrijven » ingevoegd, die de artikelen 137 tot 141ter omvat.

B.1.2. Artikel 137 van het Strafwetboek, ingevoegd bij artikel 3 van de wet van 19 december 2003 en gewijzigd bij artikel 7 van de wet van 30 december 2009 « betreffende de strijd tegen piraterij op zee » en bij artikel 2 van de wet van 18 februari 2013 « tot wijziging van boek II, titel Iter van het Strafwetboek », bepaalt :

« § 1. Als terroristisch misdrijf wordt aangemerkt het misdrijf bepaald in de §§ 2 en 3 dat door zijn aard of context een land of een internationale organisatie ernstig kan schaden en opzettelijk gepleegd is met het oogmerk om een bevolking ernstige vrees aan te jagen of om de overheid of een internationale organisatie op onrechtmatige wijze te dwingen tot het verrichten of het zich onthouden van een handeling, of om de politieke, constitutionele, economische of sociale basisstructuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen.

§ 2. Als terroristisch misdrijf wordt onder de voorwaarden bepaald in § 1, aangemerkt :

1° het opzettelijk doden of opzettelijk toebrengen van slagen en verwondingen bedoeld in de artikelen 393 tot 404, 405bis, 405ter voor zover er naar de bovengenoemde artikelen wordt verwezen, 409, § 1, eerste lid, en §§ 2 tot 5, 410 voorzover er naar de bovengenoemde artikelen wordt verwezen, 417ter en 417quater;

2° de gijzelneming bedoeld in artikel 347bis;

3° de ontvoering bedoeld in de artikelen 428 tot 430 en 434 tot 437;

4° de grootschalige vernieling of beschadiging bedoeld in de artikelen 521, eerste en derde lid, 522, 523, 525, 526, 550bis, § 3, 3°, in artikel 15 van de wet van 5 juni 1928 houdende herziening van het Tucht- en Strafwetboek voor de koopvaardij en de zeevisserij, en in artikel 114, § 4, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, waardoor mensenlevens in gevaar worden gebracht of aanzienlijke economische schade wordt aangericht;

5° het kapen van vliegtuigen bedoeld in artikel 30, § 1, 2°, van de wet van 27 juni 1937 houdende herziening van de wet van 16 november 1919 betreffende de regeling der luchtvaart;

6° het zich door bedrog, geweld of bedreiging jegens de kapitein meester maken van een schip, bedoeld in artikel 33 van de wet van 5 juni 1928 houdende herziening van het Tucht- en Strafwetboek voor de koopvaardij en de zeevisserij evenals de daden van piraterij bedoeld in artikel 3 van de wet van 30 december 2009 betreffende de strijd tegen piraterij op zee;

7° de strafbare feiten bedoeld in het koninklijk besluit van 23 september 1958 houdende algemeen reglement betreffende het fabriceren, opslaan, onder zich houden, verkopen, vervoeren en gebruiken van springstoffen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 1 februari 2000, en die strafbaar zijn gesteld door de artikelen 5 tot 7 van de wet van 28 mei 1956 betreffende ontplofbare en voor de deflagratie vatbare stoffen en mengsels en de daarmee geladen tuigen;

8° de strafbare feiten bedoeld in de artikelen 510 tot 513, 516 tot 518, 520, 547 tot 549, en in artikel 14 van de wet van 5 juni 1928 houdende herziening van het Tucht- en Strafwetboek voor de koopvaardij en de zeevisserij, waardoor mensenlevens in gevaar worden gebracht;

9° de strafbare feiten bedoeld in de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens;

10° de strafbare feiten bedoeld in artikel 2, eerste lid, 2°, van de wet van 10 juli 1978 houdende goedkeuring van het Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de productie en de aanleg van voorraden van bacteriologische (biologische) en toxinewapens en inzake de vernietiging van deze wapens, opgemaakt te Londen, Moskou en Washington op 10 april 1972;

11° de poging, in de zin van de artikelen 51 tot 53, tot het plegen van de in deze paragraaf bedoelde wanbedrijven.

§ 3. Als terroristisch misdrijf wordt onder de voorwaarden bepaald in § 1 eveneens aangemerkt :

1° andere dan in § 2 bedoelde grootschalige vernieling of beschadiging, of het veroorzaken van een overstroming van een infrastructurele voorziening, een vervoerssysteem, een publiek of privaat eigendom, waardoor mensenlevens in gevaar worden gebracht of aanzienlijke economische schade wordt aangericht;

2° het kapen van andere transportmiddelen dan bedoeld in het 5° en 6° van § 2;

3° het vervaardigen, bezitten, verwerven, vervoeren, of leveren van kernwapens of chemische wapens, het gebruik van kernwapens, biologische of chemische wapens, alsmede het verrichten van onderzoek in en het ontwikkelen van chemische wapens;

4° het laten ontsnappen van gevaarlijke stoffen waardoor mensenlevens in gevaar worden gebracht;

5° het verstoren of onderbreken van de toevoer van water, elektriciteit of andere essentiële natuurlijke hulpbronnen waardoor mensenlevens in gevaar worden gebracht;

6° de bedreiging met het plegen van één van de strafbare feiten bedoeld in § 2 of in deze paragraaf ».

B.1.3. Artikel 139 van het Strafwetboek, ingevoegd bij artikel 5 van de wet van 19 december 2003, bepaalt :

« Met terroristische groep wordt bedoeld iedere gestructureerde vereniging van meer dan twee personen die sinds enige tijd bestaat en die in onderling overleg optreedt om terroristische misdrijven te plegen, als bedoeld in artikel 137.

Een organisatie waarvan het feitelijk oogmerk uitsluitend politiek, vakorganisatorisch, menslievend, levensbeschouwelijk of godsdienstig is of die uitsluitend enig ander rechtmatig oogmerk nastreeft, kan als zodanig niet beschouwd worden als een terroristische groep in de zin van het eerste lid ».

B.1.4. Artikel 140 van het Strafwetboek, ingevoegd bij artikel 6 van de wet van 19 december 2003, bepaalt :

« § 1. Iedere persoon die deelneemt aan enige activiteit van een terroristische groep, zij het ook door het verstrekken van gegevens of materiële middelen aan een terroristische groep of door het in enigerlei vorm financieren van enige activiteit van een terroristische groep, terwijl hij weet dat zijn deelname bijdraagt tot het plegen van een misdaad of wanbedrijf door de terroristische groep, wordt gestraft met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar en met geldboete van honderd euro tot vijfduizend euro.

§ 2. Iedere leidende persoon van een terroristische groep wordt gestraft met opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar en met geldboete van duizend euro tot tweehonderdduizend euro ».

B.1.5. Artikel 141ter van het Strafwetboek, ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 19 december 2003, bepaalde :

« Geen enkele bepaling uit deze titel kan worden gelezen in die zin dat zij een beperking of een belemmering beoogt van rechten of fundamentele vrijheden, zoals het stakingsrecht, de vrijheid van vergadering, vereniging of meningsuiting, waaronder het recht om, voor de verdediging van de eigen belangen, samen met anderen vakbonden op te richten dan wel zich daarbij aan te sluiten, evenals het daarmee samenhangende recht van betoging, en zoals onder meer verankerd in de artikelen 8 tot 11 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ».

Ten aanzien van het onderwerp van de beroepen

B.2.1. Bij de artikelen 4 tot 7 van de wet van 18 februari 2013 « tot wijziging van boek II, titel Iter van het Strafwetboek » worden de artikelen 140bis tot 140quinquies van het Strafwetboek ingevoegd.

B.2.2. Bij artikel 4 van de wet van 18 februari 2013 wordt in die titel van het Strafwetboek een artikel 140bis ingevoegd, dat luidt als volgt :

« Onverminderd de toepassing van artikel 140 wordt iedere persoon die een boodschap verspreidt of anderszins publiekelijk ter beschikking stelt met het oogmerk aan te zetten tot het plegen van één van de in artikel 137 bedoelde misdrijven, met uitzondering van het in artikel 137, § 3, 6°, bedoelde misdrijf, gestraft met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar en met een geldboete van honderd euro tot vijfduizend euro, wanneer dergelijk gedrag, ongeacht of het al dan niet rechtstreeks aanstuurt op het plegen van terroristische misdrijven, het risico oplevert dat één of meer van deze misdrijven mogelijk wordt gepleegd ».

B.2.3. Bij artikel 5 van de wet van 18 februari 2013 wordt een artikel 140ter ingevoegd, dat luidt als volgt :

« Onverminderd de toepassing van artikel 140 wordt iedere persoon die een andere persoon werft voor het plegen van een van de in artikel 137 of in artikel 140 bedoelde misdrijven, met uitzondering van het in artikel 137, § 3, 6°, bedoelde misdrijf, gestraft met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar en met een geldboete van honderd euro tot vijfduizend euro ».

B.2.4. Bij artikel 6 van de wet van 18 februari 2013 wordt een artikel 140quater ingevoegd, dat luidt als volgt :

« Onverminderd de toepassing van artikel 140 wordt iedere persoon die onderrichtingen geeft of een opleiding verschaft voor de vervaardiging of het gebruik van explosieven, vuurwapens of andere wapens of schadelijke of gevaarlijke stoffen, dan wel voor andere specifieke methoden en technieken met het oog op het plegen van een van de in artikel 137 bedoelde misdrijven, met uitzondering van het in artikel 137, § 3, 6°, bedoelde misdrijf, gestraft met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar en met een geldboete van honderd euro tot vijfduizend euro ».

B.2.5. Bij artikel 7 van de wet van 18 februari 2013 wordt een artikel 140quinquies ingevoegd, dat luidt als volgt :

« Onverminderd de toepassing van artikel 140 wordt iedere persoon die zich in België of in het buitenland onderrichtingen doet geven of aldaar een opleiding volgt die worden bedoeld in artikel 140quater met het oog op het plegen van een van de in artikel 137 bedoelde misdrijven, met uitzondering van het in artikel 137, § 3, 6°, bedoelde misdrijf, gestraft met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar en met een geldboete van honderd euro tot vijfduizend euro ».

B.3. Bij artikel 8 van dezelfde wet wordt artikel 141ter van het Strafwetboek vervangen door de volgende tekst :

« Geen enkele bepaling uit deze titel kan worden gelezen in die zin dat zij een niet verantwoorde beperking of belemmering beoogt van rechten of fundamentele vrijheden, zoals het stakingsrecht, de vrijheid van vergadering en vereniging, waaronder het recht om, voor de verdediging van de eigen belangen, samen met anderen vakbonden op te richten dan wel zich erbij aan te sluiten, evenals het daarmee samenhangende recht van betoging, de vrijheid van meningsuiting, in het bijzonder de vrijheid van drukpers en de vrijheid van meningsuiting in andere media, en zoals onder meer verankerd in de artikelen 8 tot 11 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ».

B.4. Uit de uiteenzetting van de twee beroepen tot vernietiging blijkt dat het Hof onder meer wordt verzocht de woorden « niet verantwoorde » in die versie van artikel 141ter van het Strafwetboek te vernietigen.

Bij artikel 2 van de wet van 25 april 2014 « houdende diverse bepalingen betreffende Justitie » worden de woorden « niet verantwoorde » in artikel 141ter van het Strafwetboek evenwel opgeheven.

B.5. In zoverre daarin de vernietiging van die woorden wordt gevorderd, zijn de beroepen tot vernietiging bijgevolg zonder voorwerp geworden.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep in de zaak nr. 5711

B.6. Artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereist onder meer dat het verzoekschrift met betrekking tot een beroep tot vernietiging voor elk middel uiteenzet in welk opzicht de regels waarvan de schending voor het Hof wordt aangevoerd, door de bestreden wetsbepaling zouden zijn geschonden.

B.7.1. In de zaak nr. 5711 is het tweede middel onder meer afgeleid uit de schending, door de artikelen 140bis tot 140quinquies van het Strafwetboek, van artikel 19 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met de artikelen 10 en 22 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

B.7.2. Artikel 19 van de Grondwet bepaalt :

« De vrijheid van eredienst, de vrije openbare uitoefening ervan, alsmede de vrijheid om op elk gebied zijn mening te uiten, zijn gewaarborgd, behoudens bestraffing van de misdrijven die ter gelegenheid van het gebruikmaken van die vrijheden worden gepleegd ».

Artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :

« 1. Eenieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als in zijn particuliere leven zijn godsdienst of overtuiging te belijden door de eredienst, door het onderwijzen ervan, door de practische toepassing ervan en het onderhouden van de geboden en voorschriften.

2. De vrijheid van godsdienst of overtuiging te belijden kan aan geen andere beperkingen zijn onderworpen dan die welke bij de wet zijn voorzien, en die in een democratische samenleving nodig zijn voor de openbare orde, gezondheid of zedelijkheid of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ».

Artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten bepaalt :

« 1. Een ieder heeft het recht op vrijheid van denken, geweten en godsdienst. Dit recht omvat tevens de vrijheid een zelf gekozen godsdienst of overtuiging te hebben of te aanvaarden, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als in zijn particuliere leven zijn godsdienst of overtuiging tot uiting te brengen door de eredienst, het onderhouden van de geboden en voorschriften, door praktische toepassing en het onderwijzen ervan.

2. Op niemand mag dwang worden uitgeoefend die een belemmering zou betekenen van zijn vrijheid een door hemzelf gekozen godsdienst of overtuiging te hebben of te aanvaarden.

3. De vrijheid van een ieder zijn godsdienst of overtuiging tot uiting te brengen kan slechts in die mate worden beperkt als wordt voorgeschreven door de wet en noodzakelijk is ter bescherming van de openbare veiligheid, de orde, de volksgezondheid, de goede zeden of de fundamentele rechten en vrijheden van anderen.

4. De Staten die partij zijn bij dit Verdrag verbinden zich de vrijheid te eerbiedigen van ouders of wettige voogden, de godsdienstige en morele opvoeding van hun kinderen op pupillen overeenkomstig hun eigen overtuiging te verzekeren ».

Artikel 10 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie bepaalt :

« 1. Eenieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst. Dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst en overtuiging te veranderen en de vrijheid, hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als privé, zijn godsdienst te belijden of zijn overtuiging tot uitdrukking te brengen in erediensten, in onderricht, in de praktische toepassing ervan en in het onderhouden van geboden en voorschriften.

2. Het recht op dienstweigering op grond van gewetensbezwaren wordt erkend volgens de nationale wetten die de uitoefening van dit recht beheersen ».

Artikel 22 van hetzelfde Handvest bepaalt :

« De Unie eerbiedigt de verscheidenheid van cultuur, godsdienst en taal ».

B.7.3. Het tweede middel in de zaak nr. 5711 zet niet uiteen in welk opzicht de artikelen 140bis tot 140quinquies van het Strafwetboek afbreuk zouden doen aan de vrijheid van eredienst en aan de vrije openbare uitoefening ervan, gewaarborgd door artikel 19 van de Grondwet, aan het recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst dat in de drie voormelde internationale verdragen is erkend, aan het recht op dienstweigering op grond van gewetensbezwaren dat in artikel 10, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is erkend en aan de in artikel 22 van hetzelfde Handvest neergelegde verscheidenheid van cultuur, godsdienst en taal.

B.8. In zoverre het is afgeleid uit de schending van die grondwetsbepaling, in samenhang gelezen met die verdragsbepalingen, is het tweede middel in de zaak nr. 5711 onontvankelijk.

Ten gronde

A. Met betrekking tot artikel 140bis van het Strafwetboek

Wat de bestaanbaarheid met het wettigheidsbeginsel in strafzaken betreft

B.9. Uit de uiteenzetting van de verzoekschriften tot vernietiging blijkt dat het Hof, in het eerste middel van zowel in de zaak nr. 5710 als in de zaak nr. 5711, wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van artikel 140bis van het Strafwetboek met artikel 12, tweede lid, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 7.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 15, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met artikel 49, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in zoverre die wetsbepaling ertoe strekt het « onrechtstreeks aanzetten » tot of het « onrechtstreeks uitlokken » van het plegen van een terroristisch misdrijf te bestraffen en het woord « risico » daarin wordt gebruikt.

B.10. Artikel 12, tweede lid, van de Grondwet bepaalt :

« Niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt [...] ».

B.11.1. Artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :

« 1. Niemand kan worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin zal een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was.

2. Dit artikel staat niet in de weg aan het vonnis en de straf van iemand die schuldig is aan een handelen of nalaten, hetwelk ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde, een misdrijf was overeenkomstig de algemene rechtsbeginselen welke door de beschaafde volken worden erkend ».

B.11.2. Artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten bepaalt :

« 1. Niemand kan worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin, mag een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was. Indien, na het begaan van het strafbare feit de wet mocht voorzien in de oplegging van een lichtere straf, dient de overtreder daarvan te profiteren.

2. Geen enkele bepaling van dit artikel staat in de weg aan het vonnis en de straf van iemand die schuldig is aan een handelen of nalaten, hetwelk ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde, van strafrechtelijke aard was overeenkomstig de algemene rechtsbeginselen die door de volkerengemeenschap worden erkend ».

B.11.3. Artikel 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie bepaalt :

« 1. Niemand mag worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde van het handelen of nalaten. Evenmin mag een zwaardere straf worden opgelegd dan die, die ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was. Indien de wet na het begaan van het strafbare feit in een lichtere straf voorziet, is die van toepassing.

2. Dit artikel staat niet de berechting en bestraffing in de weg van iemand die schuldig is aan een handelen of nalaten dat ten tijde van het handelen of nalaten een misdrijf was volgens de door de volkerengemeenschap erkende algemene beginselen.

3. De zwaarte van de straf mag niet onevenredig zijn aan het strafbare feit ».

B.12. In zoverre zij vereisen dat elk misdrijf bij de wet moet worden voorzien, hebben artikel 7.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, artikel 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 15, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten een draagwijdte die analoog is aan artikel 12, tweede lid, van de Grondwet.

De door die bepalingen verstrekte waarborgen vormen in die mate dan ook een onlosmakelijk geheel.

B.13. Door aan de wetgevende macht de bevoegdheid te verlenen om te bepalen in welke gevallen strafvervolging mogelijk is, waarborgt artikel 12, tweede lid, van de Grondwet aan elke burger dat geen enkele gedraging strafbaar zal worden gesteld dan krachtens regels aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering.

Het wettigheidsbeginsel in strafzaken dat uit de voormelde grondwetsbepaling en internationale bepalingen voortvloeit, gaat bovendien uit van de idee dat de strafwet moet worden geformuleerd in bewoordingen op grond waarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedrag aanneemt, kan uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is. Het eist dat de wetgever in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen bepaalt welke feiten strafbaar worden gesteld, zodat, enerzijds, diegene die een gedrag aanneemt, vooraf op afdoende wijze kan inschatten wat het strafrechtelijke gevolg van dat gedrag zal zijn en, anderzijds, aan de rechter geen al te grote beoordelingsbevoegdheid wordt gelaten.

Het wettigheidsbeginsel in strafzaken staat evenwel niet eraan in de weg dat de wet aan de rechter een beoordelingsbevoegdheid toekent. Er dient immers rekening te worden gehouden met het algemene karakter van de wetten, de uiteenlopende situaties waarop zij van toepassing zijn en de evolutie van de gedragingen die zij bestraffen.

Aan het vereiste dat een misdrijf duidelijk moet worden omschreven in de wet is voldaan wanneer de rechtzoekende, op basis van de bewoordingen van de relevante bepaling en, indien nodig, met behulp van de interpretatie daarvan door de rechtscolleges, kan weten welke handelingen en welke verzuimen zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid meebrengen.

Enkel bij het onderzoek van een specifieke strafbepaling is het mogelijk om, rekening houdend met de elementen eigen aan de misdrijven die zij wil bestraffen, te bepalen of de door de wetgever gehanteerde algemene bewoordingen zo vaag zijn dat ze het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel zouden schenden.

B.14. Uit de bewoordingen van artikel 140bis van het Strafwetboek blijkt dat het publiekelijk ter beschikking stellen van een boodschap met het « oogmerk aan te zetten » tot het plegen van een terroristisch misdrijf in die bepaling als misdrijf wordt aangemerkt, op voorwaarde dat die terbeschikkingstelling « al dan niet rechtstreeks aanstuurt » op het plegen van dat misdrijf en het « risico » oplevert dat dat misdrijf « mogelijk wordt gepleegd ».

B.15. Artikel 140bis van het Strafwetboek strekt ertoe de tenuitvoerlegging te verzekeren van de verplichting die is geformuleerd in artikel 3, lid 2, onder a), van het kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 « inzake terrorismebestrijding », zoals ingevoegd bij artikel 1, punt 1, van het kaderbesluit 2008/919/JBZ van 28 november 2008 « tot wijziging van Kaderbesluit 2002/475/JBZ inzake terrorismebestrijding » (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2502/001, pp. 4-6, 11; ibid., DOC 53-2502/004, p. 8), dat bepaalt :

« Iedere lidstaat neemt de maatregelen die noodzakelijk zijn om de volgende opzettelijke gedragingen als strafbare feiten die verband houden met terroristische activiteiten aan te merken :

a) het publiekelijk uitlokken van het plegen van terroristische misdrijven; ».

In artikel 3, lid 1, onder a), van het kaderbesluit 2002/475/JBZ, zoals ingevoegd bij artikel 1, punt 1, van het kaderbesluit 2008/919/JBZ, wordt gepreciseerd :

« 1. In dit kaderbesluit wordt verstaan onder :

a) ' publiekelijk uitlokken van het plegen van een terroristisch misdrijf ' : de verspreiding, of het anderszins beschikbaar maken, van een boodschap aan het publiek, met het oogmerk aan te zetten tot het plegen van een strafbaar feit, in de zin van artikel 1, lid 1, onder a) tot en met h), indien deze gedraging, ongeacht of daarmee al dan niet rechtstreeks terroristische misdrijven worden bepleit, het gevaar oplevert dat één of meer van dergelijke misdrijven zouden kunnen worden gepleegd; ».

B.16. De bewoordingen van artikel 140bis van het Strafwetboek die aan de oorsprong van de uit de schending van artikel 12, tweede lid, van de Grondwet afgeleide middelen liggen, zijn identiek aan de in artikel 3, lid 1, onder a), van het kaderbesluit 2002/475/JBZ gehanteerde bewoordingen en in de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling wordt niet aangegeven dat de wetgever zou hebben willen afzien van de opvatting die is gevolgd voor het aannemen van de voormelde bepalingen van het Unierecht.

B.17.1. In overweging 14 die aan het kaderbesluit 2008/919/JBZ voorafgaat, wordt aangegeven dat het misdrijf waarin het voorziet, een opzettelijk misdrijf is. De vereiste van dat bijzonder opzet wordt ook door de wetgever in aanmerking genomen (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2502/001, p. 13). Het gaat om « het oogmerk aan te zetten tot het plegen van één van de in artikel 137 bedoelde misdrijven, met uitzondering van het in artikel 137, § 3, 6°, bedoelde misdrijf ».

Wanneer een term door de wetgever niet is gedefinieerd, dient men hem de gebruikelijke betekenis te geven, behoudens wanneer blijkt dat de wetgever van deze gebruikelijke betekenis heeft willen afwijken (Cass., 27 april 1999, Arr. Cass., 1999, I, nr. 242), hetgeen te dezen niet het geval is.

« Aanzetten » betekent aansporen (in het Frans : « inciter »). Bijgevolg volstaat het niet dat de verspreide of publiekelijk ter beschikking gestelde boodschap al dan niet rechtstreeks aanstuurt op het plegen van terroristische misdrijven en het risico oplevert dat een of meer van die misdrijven mogelijk worden gepleegd. Er moet ook worden bewezen dat de persoon die de boodschap verspreidt of publiekelijk ter beschikking stelt, het oogmerk heeft gehad een ander ertoe aan te sporen een terroristisch misdrijf te plegen.

Het staat aan de rechter om het vereiste bijzonder opzet te beoordelen. Aan een tekst met algemene draagwijdte kan niet worden verweten geen preciezere definitie van het opzet te geven dat erin wordt vereist. Zoals het hem betaamt te doen wanneer hij over de ernst van de aan hem voorgelegde feiten moet oordelen, moet de rechter dat opzet beoordelen, niet op grond van subjectieve opvattingen die de toepassing van de bestreden bepaling onvoorzienbaar zouden maken, maar door de objectieve bestanddelen van het misdrijf in overweging te nemen en met de specifieke omstandigheden van elke zaak rekening te houden.

B.17.2. « Aansturen » betekent trachten te bereiken of verkrijgen (in het Frans : « préconiser »). Door het gedrag strafbaar te stellen dat al dan niet rechtstreeks aanstuurt op het plegen van terroristische misdrijven, stelt de bestreden bepaling de persoon die de boodschap verspreidt of publiekelijk ter beschikking stelt, in staat te weten dat hij een misdrijf pleegt, ongeacht of die boodschap duidelijk (rechtstreeks aansturen) of onduidelijk (onrechtstreeks aansturen) zegt dat terroristische misdrijven moeten worden gepleegd, hetgeen de rechter moet beoordelen op grond van alle gegevens van de zaak.

B.17.3. De verwijzing in artikel 140bis naar het risico dat een of meer van de in die bepaling bedoelde misdrijven worden gepleegd en die, mutatis mutandis, ook in het kaderbesluit 2008/919/JBZ wordt gemaakt, is evenmin onverzoenbaar met de vereisten van het wettigheidsbeginsel. Een « risico » betekent een gevaar voor onheil, schade of verlies (in het Frans : « risque »). Het staat aan de rechter in dat verband de in B.17.1 vermelde beoordelingsbevoegdheid uit te oefenen en te onderzoeken of dat risico steunt op « ernstige aanwijzingen » door rekening te houden met de identiteit van de persoon die de boodschap verspreidt of publiekelijk ter beschikking stelt, de ontvanger ervan, de aard ervan en de context waarin zij wordt geformuleerd (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2502/001, pp. 12-13).

B.18. Ten slotte dient te worden herinnerd aan de constante zorg van de wetgever dat, door de terroristische misdrijven strafbaar te stellen, geen afbreuk zou worden gedaan aan de uitoefening van de fundamentele vrijheden, reden waarom de voormelde artikelen 139, tweede lid, en 141ter in het Strafwetboek werden ingevoegd.

Bij zijn beoordeling van de bestanddelen van het misdrijf staat het bijgevolg aan de rechter rekening te houden met die artikelen.

B.19. Hieruit volgt dat artikel 140bis van het Strafwetboek, ook al laat het aan de rechter een ruime beoordelingsbevoegdheid, hem geen autonome bevoegdheid inzake strafbaarstelling toekent die inbreuk zou maken op de bevoegdheden van de wetgever en de bewoordingen ervan zijn voldoende nauwkeurig en duidelijk om eenieder in staat te stellen te weten wat het met de beoogde straf strafbare gedrag is.

B.20. In zoverre zij zijn afgeleid uit de schending van artikel 12, tweede lid, van de Grondwet, in samenhang gelezen met de in B.9 aangehaalde verdragsbepalingen, zijn de middelen niet gegrond.

Wat de bestaanbaarheid met de vrijheid van meningsuiting en met de vrijheid van vereniging betreft

B.21. Uit de uiteenzetting van het tweede middel dat in de zaak nr. 5710 wordt aangevoerd, blijkt dat het Hof ook wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van artikel 140bis van het Strafwetboek met de artikelen 19 en 27 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 19 en 22 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met de artikelen 11 en 12 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Het in de zaak nr. 5711 aangevoerde tweede middel is afgeleid uit de schending, door artikel 140bis van het Strafwetboek, van de artikelen 19, 25 en 27 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de voormelde verdragsbepalingen.

B.22.1. Artikel 25 van de Grondwet bepaalt :

« De drukpers is vrij; de censuur kan nooit worden ingevoerd; geen borgstelling kan worden geëist van de schrijvers, uitgevers of drukkers.

Wanneer de schrijver bekend is en zijn woonplaats in België heeft, kan de uitgever, de drukker of de verspreider niet worden vervolgd ».

Artikel 27 van de Grondwet bepaalt :

« De Belgen hebben het recht van vereniging; dit recht kan niet aan enige preventieve maatregel worden onderworpen ».

B.22.2. Artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :

« 1. Eenieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of door te geven, zonder inmenging van overheidswege en ongeacht grenzen. Dit artikel belet niet dat Staten radio-omroep-, bioscoop- of televisieondernemingen kunnen onderwerpen aan een systeem van vergunningen.

2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, welke bij de wet worden voorzien en die in een democratische samenleving nodig zijn in het belang van 's lands veiligheid, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen ».

Artikel 11 van hetzelfde Verdrag bepaalt :

« 1. Eenieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht om vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen.

2. De uitoefening van deze rechten kan aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die welke bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving nodig zijn in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Dit artikel verbiedt niet, dat wettige beperkingen worden aangebracht in de uitoefening van deze rechten door leden van de gewapende macht, van de politie of van het ambtelijk apparaat van de Staat ».

De vrijheid van meningsuiting, gewaarborgd door artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, is één van de doelstellingen van de in artikel 11 van hetzelfde Verdrag erkende vrijheid van vereniging (EHRM, 30 juni 2009, Herri Batasuna en Barasuna t. Spanje, § 74; grote kamer, 12 augustus 2011, Palomo Sssnchez en anderen t. Spanje, § 52; 25 september 2012, Trade Union of the Police in the Slovak Republic en anderen t. Slowakije, § 51; 18 juni 2013, Gün en anderen t. Turkije, § 76; 8 juli 2014, Nedim Sener t. Turkije, § 112).

B.22.3. Artikel 19 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten bepaalt :

« 1. Een ieder heeft het recht zonder inmenging een mening te koesteren.

2. Een ieder heeft het recht op vrijheid van meningsuiting; dit recht omvat mede de vrijheid inlichtingen en denkbeelden van welke aard ook op te sporen, te ontvangen en door te geven, ongeacht grenzen, hetzij mondeling, hetzij in geschreven of gedrukte vorm, in de vorm van kunst, of met behulp van andere media naar zijn keuze.

3. Aan de uitoefening van de in het tweede lid van dit artikel bedoelde rechten zijn bijzondere plichten en verantwoordelijkheden verbonden. Deze kan derhalve aan bepaalde beperkingen worden gebonden, doch alleen beperkingen die bij de wet worden voorzien en nodig zijn :

a) in het belang van de rechten of de goede naam van anderen;

b) in het belang van de nationale veiligheid of ter bescherming van de openbare orde, de volksgezondheid of de goede zeden ».

Artikel 22 van hetzelfde Verdrag bepaalt :

« 1. Een ieder heeft het recht op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen.

2. De uitoefening van dit recht kan aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die, welke bij de wet zijn voorgeschreven en die in een democratische samenleving geboden zijn in het belang van de nationale veiligheid of de openbare veiligheid, de openbare orde, de bescherming van de volksgezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Dit artikel belet niet het opleggen van wettige beperkingen aan leden van de strijdmacht en van de politie in de uitoefening van dit recht.

3. Geen bepaling in dit artikel geeft de Staten die partij zijn bij het Verdrag van 1948 van de Internationale Arbeidsorganisatie betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht de bevoegdheid wettelijke maatregelen te treffen, die de in dat Verdrag voorziene waarborgen in gevaar zouden brengen, of de wet zodanig toe te passen dat deze in gevaar zouden worden gebracht ».

B.22.4. Artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie bepaalt :

« 1. Eenieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen.

2. De vrijheid en de pluriformiteit van de media worden geëerbiedigd ».

Artikel 12 van hetzelfde Handvest bepaalt :

« 1. Eenieder heeft op alle niveaus, met name op politiek, vakverenigings- en maatschappelijk gebied, het recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, hetgeen mede omvat eenieders recht, ter bescherming van zijn belangen samen met anderen vakverenigingen op te richten of zich daarbij aan te sluiten.

2. Politieke partijen op het niveau van de Unie dragen bij tot de uiting van de politieke wil van de burgers van de Unie ».

B.22.5. Artikel 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie bepaalt :

« 1. Beperkingen op de uitoefening van de in dit Handvest erkende rechten en vrijheden moeten bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen slechts beperkingen worden gesteld, indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

[...]

3. Voor zover dit Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten welke zijn gegarandeerd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zijn de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend. Deze bepaling verhindert niet dat het recht van de Unie een ruimere bescherming biedt ».

B.23.1. In zoverre het recht op vrijheid van meningsuiting daarin wordt erkend, hebben artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, artikel 11, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 19 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten een draagwijdte die analoog is aan die van artikel 19 van de Grondwet, waarin de vrijheid om op elk gebied zijn mening te uiten wordt erkend, en aan die van artikel 25 van de Grondwet, waarin de persvrijheid wordt erkend.

De door die bepalingen verstrekte waarborgen vormen in die mate dan ook een onlosmakelijk geheel.

B.23.2. In zoverre het recht op vrijheid van vereniging daarin wordt erkend, hebben artikel 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, artikel 12, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 22 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten een draagwijdte die analoog is aan die van artikel 27 van de Grondwet, waarin het recht van vereniging wordt erkend.

De door die bepalingen verstrekte waarborgen vormen in die mate dan ook een onlosmakelijk geheel.

B.24. De vrijheid van meningsuiting vormt, zoals vastgesteld in B.22.2, één van de doelstellingen van de vrijheid van vergadering en van vereniging.

Vermits de vrijheid van meningsuiting een van de pijlers is van een democratische samenleving, dienen de uitzonderingen op de vrijheid van meningsuiting op strikte wijze te worden geïnterpreteerd. Er moet worden aangetoond dat de beperkingen noodzakelijk zijn in een democratische samenleving, aan een dwingende maatschappelijke behoefte beantwoorden en evenredig blijven aan de wettige doelstellingen die daarmee worden nagestreefd.

B.25.1. Zoals in B.15 reeds is aangegeven, strekt artikel 140bis van het Strafwetboek ertoe de tenuitvoerlegging te verzekeren van de verplichting die is geformuleerd in het voormelde artikel 3, lid 2, onder a), van het kaderbesluit 2002/475/JBZ, zoals ingevoegd bij artikel 1, punt 1, van het kaderbesluit 2008/919/JBZ.

De essentiële begrippen die in artikel 140bis van het Strafwetboek worden gehanteerd om de belangrijkste bestanddelen van het misdrijf te definiëren die de uitoefening van het recht op vrijheid van meningsuiting zouden kunnen beperken, zijn identiek aan de in artikel 3, lid 1, onder a), van het kaderbesluit 2002/475/JBZ gehanteerde bewoordingen.

B.25.2. In artikel 140bis van het Strafwetboek wordt de verspreiding van bepaalde boodschappen of elke andere wijze om ze publiekelijk ter beschikking te stellen, als misdrijf aangemerkt.

De bestreden bepaling vormt derhalve een beperking op de uitoefening van het in artikel 19 van de Grondwet, in artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, artikel 19 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en in artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie erkende recht op vrijheid van meningsuiting.

B.25.3. Om verantwoord te zijn, dient de beperking op de vrijheid van meningsuiting, zoals ingevoerd door artikel 140bis van het Strafwetboek, te beantwoorden aan de voorwaarden bepaald in artikel 10.2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Derhalve dient de beperking noodzakelijk te zijn in een democratische samenleving, hetgeen impliceert dat zij dient te beantwoorden aan een dwingende maatschappelijke behoefte.

B.25.4. Enerzijds, is het in een democratische samenleving noodzakelijk de waarden en de beginselen die aan het Europees Verdrag voor de rechten van de mens ten grondslag liggen, te beschermen tegen personen of groeperingen die die waarden en beginselen trachten te ondergraven, door het aanzetten tot het plegen van geweld en dienvolgens het plegen van terroristische handelingen (EHRM, 23 september 2004, Feriduin t. Turkije, § 27; 8 juli 1999, Sürek t. Turkije, § 63; 19 december 2006, Falakaoglu en Saygili t. Turkije, § 28). Ingeval een uitgedrukte mening het stellen van terroristische handelingen rechtvaardigt, teneinde de doestellingen van de auteur welke die mening erop na houdt, te bereiken, vermag de nationale overheid beperkingen op te leggen aan de vrije meningsuiting (EHRM, 8 juli 2014, Nedim Sener t. Turkije, § 116). De wetgever heeft in dat verband geoordeeld dat die mogelijkheid niet zo ver reikte dat werd toegestaan dat de strafbaarstelling van de publieke aanzetting tot het plegen van terroristische handelingen kon leiden tot de bestraffing van handelingen die geen enkel verband houden met het terrorisme, « waardoor de vrijheid van meningsuiting gevaar loopt aangetast te worden » (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2502/001, p. 12). Die bekommernis is weergegeven in de artikelen 139, tweede lid, en 141ter van het Strafwetboek.

B.25.5. Anderzijds, dient de rechter, zoals opgemerkt in B.17.3, rekening te houden met de identiteit van de persoon die de boodschap verspreidt of anderszins publiekelijk ter beschikking stelt, met de ontvanger ervan, met de aard van de boodschap en met de context waarin zij wordt geformuleerd. De rechter die deze boodschap moet beoordelen, zal de persoon die ze verspreidt of anderszins publiekelijk ter beschikking stelt slechts kunnen bestraffen wanneer deze heeft gehandeld met het bijzonder opzet aan te zetten tot het plegen van terroristische misdrijven. Niettegenstaande aan de rechter een ruime beoordelingsbevoegdheid wordt gelaten, zal hij in geen geval een veroordeling kunnen uitspreken die een ongerechtvaardigde aantasting van de vrijheid van meningsuiting met zich zou meebrengen.

B.26. In zoverre zij zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 19, 25 en 27 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de in B.21 aangehaalde verdragsbepalingen, zijn de middelen niet gegrond.

B. Met betrekking tot artikel 140ter van het Strafwetboek

Wat de bestaanbaarheid met het wettigheidsbeginsel in strafzaken betreft

B.27. Uit de uiteenzetting van het in de zaak nr. 5711 aangevoerde eerste middel blijkt dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van artikel 140ter van het Strafwetboek met de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 7.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 15, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met artikel 49, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, enerzijds, in zoverre de bestanddelen van het bij de bestreden wetsbepaling ingevoerde misdrijf niet zouden kunnen worden vastgesteld en, anderzijds, in zoverre die bepaling de omvang van de straf die moet worden toegepast in geval van aanwerving ten behoeve van een vreemde troepenmacht, bedoeld in artikel 1 van de wet van 1 augustus 1979 « betreffende diensten bij een vreemde leger- of troepenmacht die zich op het grondgebied van een vreemde Staat bevindt », onvoorzienbaar zou maken.

B.28. Artikel 14 van de Grondwet bepaalt :

« Geen straf kan worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet ».

B.29.1. Artikel 140ter van het Strafwetboek strekt ertoe gevolg te geven aan de verbintenissen die zijn geformuleerd in artikel 6 van het Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme, ondertekend te Warschau op 16 mei 2005, en in artikel 3, lid 2, onder b), van het kaderbesluit 2002/475/JBZ (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2502/001, p. 14).

B.29.2. Artikel 6 van het Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme bepaalt :

« 1. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt onder ' werving voor terrorisme ' verstaan, het aansporen van een andere persoon een terroristisch misdrijf te plegen of daaraan deel te nemen, of zich aan te sluiten bij een organisatie of groep met het doel bij te dragen aan het plegen van een of meer terroristische misdrijven door de organisatie of de groep.

2. Elke Partij neemt de maatregelen die nodig zijn om werving voor terrorisme, als omschreven in het eerste lid, wanneer dit wederrechtelijk en opzettelijk geschiedt, als strafbaar feit aan te merken volgens haar nationale recht ».

B.29.3. Artikel 3, lid 2, onder b), van het kaderbesluit 2002/475/JBZ, zoals ingevoegd bij artikel 1, punt 1, van het kaderbesluit 2008/919/JBZ, bepaalt :

« Iedere lidstaat neemt de maatregelen die noodzakelijk zijn om de volgende opzettelijke gedragingen als strafbare feiten die verband houden met terroristische activiteiten aan te merken :

[...]

b) werving voor terrorisme; ».

In artikel 3, lid 1, onder b), van het kaderbesluit 2002/475/JBZ, zoals ingevoegd bij artikel 1, punt 1, van het kaderbesluit 2008/919/JBZ, wordt gepreciseerd :

« 1. In dit kaderbesluit wordt verstaan onder :

[...]

b) ' werving voor terrorisme ' : het aansporen van een andere persoon een handeling in de zin van artikel 1, lid 1, onder a) tot en met h), of in artikel 2, lid 2, te plegen; ».

B.30.1. Artikel 140ter van het Strafwetboek maakt het mogelijk elke persoon te vervolgen die een andere persoon werft, hetzij om een in dat artikel bedoeld terroristisch misdrijf te plegen, hetzij om deel te nemen aan een activiteit van een terroristische groep of die te leiden.

De bestreden bepaling staat dus toe een persoon te veroordelen die niet tot een terroristische groep behoort.

Zij staat ook toe dat de ronselaar wordt veroordeeld, zelfs wanneer niet wordt vastgesteld dat de geronselde persoon daadwerkelijk heeft deelgenomen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of zich bij een terroristische groep heeft gevoegd met het oog op het plegen van een dergelijk misdrijf. De toepassing van artikel 140ter van het Strafwetboek vereist enkel dat het voorstel van de ronselaar moet zijn aanvaard door de benaderde persoon (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2502/001, p. 14). Wanneer de ronselaar de benaderde persoon niet heeft overtuigd of wanneer hij is aangehouden alvorens hem te overtuigen, kan hij enkel wegens poging tot rekrutering worden vervolgd (ibid.).

De bewoordingen van artikel 140ter van het Strafwetboek maken het niet mogelijk elke persoon te veroordelen die een andere persoon benadert met een discours dat door de vervolgende overheid als onwettig, radicaal of extreem wordt beschouwd.

B.30.2. De bewoordingen van artikel 140ter van het Strafwetboek zijn voldoende nauwkeurig en duidelijk opdat iedereen kan weten welk gedrag strafbaar is met de straf waarin is voorzien. Die bewoordingen laten geen al te grote beoordelingsbevoegdheid aan de rechter die die wetsbepaling moet toepassen.

Noch het feit dat het in bepaalde omstandigheden moeilijk kan zijn voor de vervolgende overheid om het bewijs te leveren van een of ander bestanddeel van het bij die tekst ingevoerde misdrijf, noch het feit dat het daarin beoogde gedrag op grond van andere bepalingen van het Strafwetboek kan worden bestraft, maken artikel 140ter van het Strafwetboek onbestaanbaar met het wettigheidsbeginsel in strafzaken.

B.31.1. Artikel 1 van de wet van 1 augustus 1979, vervangen bij artikel 2 van de wet van 22 april 2003 « ertoe strekkende het Belgische recht in overeenstemming te brengen met het Internationaal Verdrag tegen aanwerving, het inzetten, de financiering en de opleiding van huurlingen, aangenomen te New York op 4 december 1989 », bepaalt :

« Buiten de militaire technische bijstand welke een Staat aan een vreemde Staat verleent, en onverminderd de internationale verplichtingen van een Staat of zijn deelneming aan internationale politieoperaties waartoe besloten wordt door publiekrechtelijke instellingen waarvan de Staat lid is, worden de aanwerving van personen ten behoeve van vreemde legers of troepen die zich op het grondgebied van een vreemde Staat bevinden, en alle handelingen die zodanige aanwerving kunnen uitlokken of vergemakkelijken, gestraft met gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar.

Er is evenwel geen sprake van een strafbaar feit ingeval :

1° van de aanwerving door een Staat van zijn eigen onderdanen; of

2° van de aanwerving door een Staat, op zijn grondgebied, van een vreemdeling als regelmatig lid van de strijdkrachten van die Staat, voorzover hij niet later wordt ingezet, buiten het grondgebied van die Staat, op een andere wijze dan in het kader van militaire technische bijstand die een Staat aan een andere Staat verleent en onverminderd de internationale verplichtingen van die Staat of zijn deelneming aan internationale politieoperaties waartoe besloten wordt door publiek rechterlijke instellingen waarvan het lid is; onverminderd de toepassing van de artikelen 135quater en 135quinquies van het Strafwetboek ».

Die bepaling maakt het in bepaalde omstandigheden mogelijk een individu te vervolgen dat een andere persoon werft ten behoeve van een vreemde troepenmacht.

B.31.2. Artikel 140ter van het Strafwetboek staat eveneens toe een individu te vervolgen dat een andere persoon werft ten behoeve van een vreemde troepenmacht, in bepaalde omstandigheden.

Die laatste omstandigheden zijn evenwel niet dezelfde als de omstandigheden die vervolging op grond van artikel 1 van de wet van 1 augustus 1979 mogelijk maken. De in artikel 140ter van het Strafwetboek beoogde werving strekt tot het plegen van een terroristisch misdrijf in de zin van artikel 137, § 1, van het Strafwetboek, terwijl de in artikel 1 van de wet van 1 augustus 1979 bedoelde aanwerving andere doelstellingen kan nastreven.

B.31.3. Artikel 65 van het Strafwetboek bepaalt :

« Wanneer een zelfde feit verscheidene misdrijven oplevert [...], wordt alleen de zwaarste straf uitgesproken.

[...] ».

Een persoon die een andere persoon werft ten behoeve van een vreemde troepenmacht in omstandigheden die zowel in artikel 1 van de wet van 1 augustus 1979 als in artikel 140ter van het Strafwetboek worden beoogd, kan dus weten dat hij met de in die bestreden bepaling bedoelde opsluiting kan worden gestraft.

De bestreden bepaling laat dan ook geen al te grote beoordelingsbevoegdheid aan de rechter die die wetsbepaling moet toepassen.

B.32. Rekening houdend met wat voorafgaat, is het niet noodzakelijk aan het Hof van Justitie van de Europese Unie een prejudiciële vraag te stellen over de geldigheid of de uitlegging van artikel 3, lid 1, onder b), van het kaderbesluit 2002/475/JBZ, zoals ingevoegd bij artikel 1, punt 1, van het kaderbesluit 2008/919/JBZ.

B.33. In zoverre artikel 5 van de wet van 18 februari 2013 waarbij artikel 140ter van het Strafwetboek wordt ingevoegd, daarin wordt beoogd, is het eerste middel in de zaak nr. 5711 niet gegrond.

Wat de bestaanbaarheid met de vrijheid van meningsuiting en met de vrijheid van vereniging betreft

B.34. Uit de uiteenzetting van het in de zaak nr. 5711 aangevoerde tweede middel blijkt dat het Hof ook wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van artikel 140ter van het Strafwetboek met, enerzijds, de artikelen 19 en 25 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 19 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en, anderzijds, met artikel 27 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 22 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met artikel 12 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in zoverre de bestreden bepaling noch bij de wet zou worden voorzien, noch nodig zou zijn in een democratische samenleving.

B.35. Zoals in B.30.1 wordt opgemerkt, maakt artikel 140ter van het Strafwetboek het mogelijk elke persoon te vervolgen die een andere persoon werft, hetzij om een in dat artikel bedoeld terroristisch misdrijf te plegen, hetzij om deel te nemen aan een activiteit van een terroristische groep of die te leiden, maar maakt het het niet mogelijk om elke persoon te veroordelen die een andere persoon benadert met een discours dat door de vervolgende overheid als onwettig, radicaal of extreem wordt beschouwd.

B.36. Artikel 140ter van het Strafwetboek vormt geen beperking van de vrijheid van meningsuiting, zodat het niet moet worden getoetst aan artikel 10.2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.37. In zoverre het de mogelijkheid biedt om elke persoon te vervolgen die een andere persoon werft om deel te nemen aan een activiteit van een terroristische groep of die te leiden, zou artikel 140ter van het Strafwetboek in die zin kunnen worden begrepen dat het de uitoefening beperkt van het recht op vrijheid van vereniging, erkend in artikel 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in artikel 22 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en in artikel 12 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

De beperking voorzien bij de bestreden wetsbepaling is, in een democratische samenleving, nodig voor het vrijwaren van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, de bescherming van de openbare orde, het voorkomen van strafbare feiten, of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

B.38. In zoverre artikel 5 van de wet van 18 februari 2013 waarbij artikel 140ter van het Strafwetboek wordt ingevoegd, daarin wordt beoogd, is het tweede middel in de zaak nr. 5711 niet gegrond.

C. Met betrekking tot artikel 140quater van het Strafwetboek

Wat de bestaanbaarheid met het wettigheidsbeginsel in strafzaken betreft

B.39. Uit de uiteenzetting van het in de zaak nr. 5711 aangevoerde eerste middel blijkt dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van artikel 140quater van het Strafwetboek met artikel 12, tweede lid, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 7.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 15, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met artikel 49, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in zoverre noch de bewoordingen die in die wetsbepaling zijn gebruikt om het materiële element van het in het leven geroepen misdrijf te omschrijven, noch die welke worden gebruikt om het morele element van dat misdrijf te omschrijven, voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn.

B.40.1. Artikel 140quater van het Strafwetboek strekt ertoe gevolg te geven aan de verbintenissen die zijn geformuleerd in artikel 7 van het Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme en in artikel 3, lid 2, onder c), van het kaderbesluit 2002/475/JBZ (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2502/001, p. 15; ibid., DOC 53-2502/004, p. 4).

B.40.2. Artikel 7 van dat Verdrag van de Raad van Europa bepaalt :

« 1. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder ' training voor terrorisme ', het geven van instructie voor het vervaardigen of gebruiken van explosieven, vuurwapens of andere wapens of schadelijke of gevaarlijke stoffen, of voor andere specifieke methoden of technieken, met als doel het plegen van of bijdragen aan het plegen van een terroristisch misdrijf, in de wetenschap dat beoogd wordt de verstrekte vaardigheden daarvoor in te zetten.

2. Elke Partij neemt de maatregelen die nodig zijn om training voor terrorisme, als omschreven in het eerste lid, wanneer dit wederrechtelijk en opzettelijk geschiedt, als strafbaar feit aan te merken volgens haar nationale recht ».

B.40.3. Artikel 3, lid 2, onder c), van het kaderbesluit 2002/475/JBZ, zoals ingevoegd bij artikel 1, punt 1, van het kaderbesluit 2008/919/JBZ, bepaalt :

« Iedere lidstaat neemt de maatregelen die noodzakelijk zijn om de volgende opzettelijke gedragingen als strafbare feiten die verband houden met terroristische activiteiten aan te merken :

[...]

c) training voor terrorisme; ».

In artikel 3, lid 1, onder c), van het kaderbesluit 2002/475/JBZ, zoals ingevoegd bij artikel 1, punt 1, van het kaderbesluit 2008/919/JBZ, wordt gepreciseerd :

« 1. In dit kaderbesluit wordt verstaan onder :

[...]

c) ' training voor terrorisme ' : het geven van instructie voor het vervaardigen of gebruiken van explosieven, vuurwapens of andere wapens of schadelijke of gevaarlijke stoffen, of voor andere specifieke methoden of technieken, met als doel het plegen van een strafbaar feit in de zin van artikel 1, lid 1, onder a) tot en met h), in de wetenschap dat beoogd wordt de verstrekte vaardigheden daarvoor in te zetten ».

B.41.1. In de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat aan de oorsprong van artikel 140quater van het Strafwetboek ligt, wordt die bepaling als volgt voorgesteld :

« Artikel 6 van het ontwerp van wet voegt een nieuw artikel [...] in, dat het verschaffen van kennis van zaken met het oogmerk een terroristisch misdrijf te plegen of bij te dragen tot het plegen ervan, strafbaar stelt.

Deze strafbaarstelling slaat alleen op de persoon die de opleiding geeft namelijk de opleider.

Onder de opleiding bedoeld in [dat] artikel [...] wordt niet alleen verstaan het geven van onderrichtingen voor specifiek voor terroristische doeleinden gebruikte methoden en technieken, daaronder begrepen voor de vervaardiging van wapens of schadelijke of gevaarlijke substanties, maar ook andere methoden of technieken zoals vlieg- of rijlessen of hacking van websites. De vierde considerans van het kaderbesluit verduidelijkt immers dat internet wordt gebruikt om lokale terroristennetwerken en personen in Europa te inspireren en mobiliseren en ook dient als bron van informatie over terroristische middelen en methoden, waardoor het als een ' virtueel trainingskamp ' fungeert.

Het relatief ruime toepassingsgebied van dit nieuwe misdrijf wordt evenwel beperkt doordat bijzonder opzet vereist is. Er is alleen sprake van een misdrijf wanneer de opleider weet dat de opleiding wordt gegeven met het oogmerk een van de misdrijven te plegen bedoeld in artikel 137, met uitzondering van de misdrijven bedoeld in artikel 137, § 3, 6° » (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2502/001, p. 15).

B.41.2. In navolging van artikel 3, lid 1, onder c), van het kaderbesluit 2002/475/JBZ beoogt de tekst van artikel 140quater van het Strafwetboek enkel de onderrichtingen of de opleiding met betrekking tot « specifieke methoden en technieken », met andere woorden methoden en technieken die eigen zijn aan het plegen van terroristische misdrijven.

In de bespreking van die wetsbepaling wordt weliswaar aangegeven dat die niet enkel betrekking heeft op « onderrichtingen voor specifiek voor terroristische doeleinden gebruikte methoden en technieken », maar ook op « andere methoden of technieken ». Door te verwijzen naar de vervaardiging of het gebruik van explosieven, vuurwapens of andere wapens of schadelijke of gevaarlijke stoffen of andere specifieke methoden en technieken met het oog op het plegen van de door hem bedoelde misdrijven, heeft de wetgever evenwel bewoordingen aangenomen die voldoende nauwkeurig en duidelijk zijn om eenieder in staat te stellen te weten wat het met de beoogde straf strafbare gedrag is.

De eventuele onduidelijkheid van de bewoordingen die zouden zijn gebruikt bij de totstandkoming van een wet en die te dezen ertoe zouden leiden dat wordt aangenomen dat de wetgever ook methoden en technieken wou beogen die niet eigen zijn aan het plegen van terroristische misdrijven, kan in elk geval geen voorrang hebben op de duidelijke bewoordingen die in die wet worden gebruikt.

B.41.3. De tekst van artikel 140quater van het Strafwetboek heeft betrekking op de onderrichtingen of de opleiding gegeven « met het oog op het plegen van een van de [terroristische] misdrijven » waarnaar wordt verwezen.

Zoals in B.40.1 is opgemerkt, strekt de bestreden bepaling ertoe gevolg te geven aan de verbintenissen die met name in artikel 3, lid 2, onder c), van het kaderbesluit 2002/475/JBZ zijn geformuleerd, waarin naar opzettelijke gedragingen wordt verwezen. Niets wijst erop dat de wetgever van dat voorschrift zou hebben willen afwijken,

aangezien in de voormelde bespreking van artikel 140quater van het Strafwetboek integendeel wordt aangegeven dat de beoogde opleiding ertoe kan strekken niet alleen « een terroristisch misdrijf te plegen », maar ook « bij te dragen tot het plegen ervan ». Daarin wordt ook aangegeven dat het bij die wetsbepaling in het leven geroepen misdrijf « alleen [bestaat] [...] wanneer de opleider weet dat de opleiding wordt gegeven met het oogmerk een van de misdrijven te plegen ».

B.41.4. Uit het voorafgaande blijkt dat het materiële element en het morele element van het bij artikel 140quater van het Strafwetboek in het leven geroepen misdrijf in voldoende duidelijke en nauwkeurige bewoordingen worden omschreven om eenieder in staat te stellen te weten of zijn gedrag een misdrijf in de zin van die wetsbepaling vormt.

B.42. Onder voorbehoud van de in B.41.3 vermelde interpretatie, is het eerste middel in de zaak nr. 5711, in zoverre artikel 6 van de wet van 18 februari 2013 waarbij artikel 140quater van het Strafwetboek wordt ingevoegd, daarin wordt beoogd, niet gegrond.

Wat de bestaanbaarheid met de vrijheid van meningsuiting en met de vrijheid van vereniging betreft

B.43. Uit de uiteenzetting van het in de zaak nr. 5711 aangevoerde tweede middel blijkt dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van artikel 140quater van het Strafwetboek met de artikelen 19, 25 en 27 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de in B.34 bedoelde internationale bepalingen, in zoverre de bestreden bepaling noch bij de wet zou worden voorzien, noch nodig zou zijn in een democratische samenleving.

B.44. Artikel 140quater van het Strafwetboek maakt het mogelijk elke persoon te vervolgen die de onderrichtingen geeft of de opleiding verschaft die in die bepaling zijn beschreven. Het maakt het niet mogelijk om elke persoon te veroordelen die een andere persoon benadert met een discours dat door de vervolgende overheid als onwettig, radicaal of extreem wordt beschouwd.

B.45. Artikel 140quater van het Strafwetboek vormt geen beperking van de vrijheid van meningsuiting, zodat het niet moet worden getoetst aan artikel 10.2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.46. In zoverre het de mogelijkheid biedt om elke persoon te vervolgen die de onderrichtingen geeft of de opleiding verschaft die erin worden beoogd, zou artikel 140quater in die zin kunnen worden begrepen dat het de uitoefening beperkt van het recht op vrijheid van vereniging, erkend in artikel 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in artikel 22 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en in artikel 12 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

De beperking voorzien bij de bestreden wetsbepaling is, in een democratische samenleving, nodig voor het vrijwaren van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, de bescherming van de openbare orde, het voorkomen van strafbare feiten, of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

B.47. In zoverre artikel 6 van de wet van 18 februari 2013 waarbij artikel 140quater van het Strafwetboek wordt ingevoegd, daarin wordt beoogd, is het tweede middel in de zaak nr. 5711 niet gegrond.

D. Met betrekking tot artikel 140quinquies van het Strafwetboek

Wat de bestaanbaarheid met het wettigheidsbeginsel in strafzaken betreft

B.48. Uit de uiteenzetting van het in de zaak nr. 5711 aangevoerde eerste middel blijkt dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van artikel 140quinquies van het Strafwetboek met de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 7.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 15, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met artikel 49, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

B.49. Artikel 140quinquies van het Strafwetboek wordt verantwoord door de « [operationele] en [logische] » wil om de « persoon strafbaar te [stellen] die de kennis van zaken opdoet die verschaft is door de opleider » die bij artikel 140quater van het Strafwetboek strafbaar is gesteld (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2502/001, p. 16). Die twee wetsbepalingen zijn dan ook onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Het materiële element van het bij artikel 140quinquies van het Strafwetboek in het leven geroepen misdrijf wordt onder meer gedefinieerd door te verwijzen naar de onderrichtingen en naar de opleiding « die worden bedoeld in artikel 140quater » van het Strafwetboek. Zoals in B.41.2 en B.41.4 is gesteld, is het materiële element van het bij die laatste bepaling in het leven geroepen misdrijf in voldoende duidelijke en nauwkeurige bewoordingen omschreven.

B.50. In zoverre artikel 7 van de wet van 18 februari 2013 waarbij artikel 140quinquies van het Strafwetboek wordt ingevoegd, daarin wordt beoogd, is het eerste middel in de zaak nr. 5711 niet gegrond.

Wat de bestaanbaarheid met de vrijheid van meningsuiting en met de vrijheid van vereniging betreft

B.51. Uit de uiteenzetting van het in de zaak nr. 5711 aangevoerde tweede middel blijkt dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van artikel 140quinquies van het Strafwetboek met de artikelen 19, 25 en 27 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de in B.34 bedoelde internationale bepalingen, in zoverre de bestreden bepaling noch bij de wet zou worden voorzien, noch nodig zou zijn in een democratische samenleving.

B.52. Artikel 140quinquies van het Strafwetboek maakt het mogelijk elke persoon te vervolgen die zich de onderrichtingen of de opleiding doet geven die in die bepaling zijn beschreven.

B.53. Aangezien artikel 140quinquies onlosmakelijk verbonden is met artikel 140quater, schendt het de in het middel aangevoerde bepalingen niet, om de in B.44 tot B.46 aangegeven redenen.

B.54. In zoverre artikel 7 van de wet van 18 februari 2013 waarbij artikel 140quinquies van het Strafwetboek wordt ingevoegd, daarin wordt beoogd, is het tweede middel in de zaak nr. 5711 niet gegrond.

Ten aanzien van de verzoeken om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie

B.55. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat het niet nodig is aan het Hof van Justitie van de Europese Unie prejudiciële vragen te stellen over de geldigheid en de uitlegging van het kaderbesluit 2002/475/JBZ.

Om die redenen,

het Hof

- stelt vast dat de beroepen geen voorwerp meer hebben, in zoverre zij tegen artikel 8 van de wet van 18 februari 2013 « tot wijziging van boek II, titel Iter van het Strafwetboek » zijn gericht;

- onder voorbehoud van de in B.41.3 vermelde interpretatie, verwerpt de beroepen voor het overige.

Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 28 januari 2015.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

J. Spreutels