Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 29 juli 2010 (België)

Publicatie datum :
29-07-2010
Taal :
Duits Frans Nederlands
Grootte :
6 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20100729-4
Rolnummer :
92/2010

Samenvatting

Het Hof zegt voor recht : - Artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6.1 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. - De tweede en de derde prejudiciële vraag behoeven geen antwoord.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij vonnis van 20 oktober 2009 in zake het openbaar ministerie en anderen tegen Mario Marreel en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 6 november 2009, heeft de Correctionele Rechtbank te Kortrijk de volgende prejudiciële vragen gesteld :

1. « Schendt artikel 21ter van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van strafvordering, in samenhang gelezen met de artikelen 6.1 en 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, het gelijkheidsbeginsel (artikelen 10 en 11 van de Grondwet), doordat het niet voorziet in de mogelijkheid voor de vonnisrechter om het verval of de onontvankelijkheid van de strafvordering uit te spreken wegens de overschrijding van de redelijke termijn, terwijl een dergelijke sanctie wel kan worden uitgesproken tijdens het vooronderzoek of in het kader van de regeling der rechtspleging, en dit op basis van artikel 235bis van het Wetboek van strafvordering in samenhang gelezen met de vernoemde artikelen 6.1 en 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, zoals geïnterpreteerd door de recente rechtspraak ? »;

2. « Schendt artikel 136 van het Wetboek van strafvordering, in samenhang gelezen met de artikelen 6.1 en 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, het gelijkheidsbeginsel (artikelen 10 en 11 van de Grondwet), doordat het de aanhangigmaking bij de Kamer van Inbeschuldigingstelling van een onderzoek dat langer duurt dan een jaar slechts mogelijk maakt voor gerechtelijke onderzoeken doch niet voor opsporingsonderzoeken ? »;

3. « Schendt artikel 136 van het Wetboek van strafvordering, in samenhang gelezen met artikel 235bis van het Wetboek van strafvordering en de artikelen 6.1 en 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, het gelijkheidsbeginsel (artikelen 10 en 11 van de Grondwet), doordat het de aanhangigmaking bij de Kamer van Inbeschuldigingstelling van een onderzoek dat langer duurt dan een jaar slechts mogelijk maakt voor gerechtelijke onderzoeken doch niet voor opsporingsonderzoeken, waardoor de procedurele sanctie voorzien in artikel 235bis van het Wetboek van strafvordering (met name het uitspreken van de nietigheid van de handeling die door de onregelmatigheid is aangetast en van een deel of het geheel van de erop volgende rechtspleging als daartoe grond bestaat) wel kan worden toegepast in geval van de overschrijding van de redelijke termijn in een gerechtelijk onderzoek (dit op basis van artikel 235bis van het Wetboek van strafvordering in samenhang gelezen met de vernoemde artikelen 6.1 en 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, zoals geïnterpreteerd door de recente rechtspraak) maar niet kan worden toegepast in geval van de overschrijding van de redelijke termijn in een opsporingsonderzoek ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

De in het geding zijnde bepalingen

B.1.1. Artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering bepaalt :

« Indien de duur van de strafvervolging de redelijke termijn overschrijdt, kan de rechter de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring uitspreken of een straf uitspreken die lager kan zijn dan de wettelijke minimumstraf.

Wanneer de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring wordt uitgesproken, wordt de verdachte veroordeeld in de kosten en, zo daartoe aanleiding bestaat, tot teruggave. De bijzondere verbeurdverklaring wordt uitgesproken ».

B.1.2. Artikel 136 van het Wetboek van strafvordering bepaalt :

« De kamer van inbeschuldigingstelling houdt ambtshalve toezicht op het verloop van de onderzoeken, kan verslag vragen over de stand van zaken en kan kennis nemen van de dossiers. Zij kan een van haar leden machtigen en uitspraak doen overeenkomstig de artikelen 235 en 235bis.

Als het gerechtelijk onderzoek na een jaar niet is afgesloten, kan de zaak bij de kamer van inbeschuldigingstelling worden aanhangig gemaakt door een aan de griffie van het hof van beroep gericht met redenen omkleed verzoekschrift uitgaande van de inverdenkinggestelde of de burgerlijke partij. De kamer van inbeschuldigingstelling treedt op overeenkomstig het vorige lid en artikel 136bis. De kamer van inbeschuldigingstelling doet over het verzoekschrift uitspraak bij een met redenen omkleed arrest dat wordt medegedeeld aan de procureur-generaal, de verzoekende partij en de gehoorde partijen. De verzoeker mag geen verzoekschrift met hetzelfde voorwerp indienen vooraleer een termijn van zes maanden is verstreken te rekenen van de laatste beslissing ».

B.1.3. Artikel 235bis van het Wetboek van strafvordering bepaalt :

« § 1. Bij de regeling van de rechtspleging onderzoekt de kamer van inbeschuldigingstelling, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van een van de partijen, de regelmatigheid van de haar voorgelegde procedure. Zij kan dit zelfs ambtshalve doen.

§ 2. De kamer van inbeschuldigingstelling handelt op dezelfde wijze in de andere gevallen waarin ze kennis neemt van de zaak.

§ 3. Wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling ambtshalve de regelmatigheid van de rechtspleging onderzoekt en er een nietigheid, een grond van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering kan bestaan, beveelt ze de debatten te heropenen.

§ 4. De kamer van inbeschuldigingstelling hoort, in openbare terechtzitting indien ze op verzoek van een partij daartoe besluit, de opmerkingen van de procureur-generaal, de burgerlijke partij en de inverdenkinggestelde.

§ 5. De onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden als bedoeld in artikel 131, § 1, of met betrekking tot de verwijzingsbeschikking die door de kamer van inbeschuldigingstelling zijn onderzocht, kunnen niet meer opgeworpen worden voor de feitenrechter, behoudens de middelen die verband houden met de bewijswaardering of die de openbare orde aanbelangen. Hetzelfde geldt voor de gronden van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering, behalve wanneer ze zijn ontstaan na de debatten voor de kamer van inbeschuldigingstelling. De bepalingen van deze paragraaf zijn niet van toepassing ten aanzien van de partijen die pas na de verwijzing naar het vonnisgerecht in de rechtspleging betrokken zijn, behalve indien de stukken uit het dossier worden verwijderd overeenkomstig artikel 131, § 2, of overeenkomstig § 6 van dit artikel.

§ 6. Wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling een onregelmatigheid, verzuim of nietigheid als bedoeld in artikel 131, § 1, of een grond van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering vaststelt, spreekt zij, als daartoe grond bestaat, de nietigheid uit van de handeling die erdoor is aangetast en van een deel of het geheel van de erop volgende rechtspleging. Nietigverklaarde stukken worden uit het dossier verwijderd en neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg, na het verstrijken van de termijn voor cassatieberoep ».

Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag

B.2.1. De verwijzende rechter wenst te vernemen of artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6.1 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat het niet voorziet in de mogelijkheid voor de vonnisrechter, wanneer hij vaststelt dat de redelijke termijn werd overschreden, om het verval of de onontvankelijkheid van de strafvordering uit te spreken, terwijl een dergelijke sanctie wel kan worden uitgesproken tijdens het vooronderzoek of in het kader van de regeling der rechtspleging, met toepassing van artikel 235bis van het Wetboek van strafvordering.

B.2.2. De door de verwijzende rechter gemaakte vergelijking betreft een interpretatie van artikel 235bis van het Wetboek van strafvordering zoals die kon voortvloeien uit een arrest van het Hof van Cassatie van 8 april 2008 (Arr. Cass., 2008, nr. 209). In dat arrest oordeelde het Hof :

« 10. Overeenkomstig artikel 235bis Wetboek van Strafvordering onderzoekt de kamer van inbeschuldigingstelling ambtshalve of op verzoek van een der partijen de regelmatigheid van de procedure bij de regeling van de rechtspleging en in de andere gevallen waarin ze kennisneemt van de zaak.

11. Hieruit volgt dat wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling met toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering kennisneemt van de zaak en bij die gelegenheid door de inverdenkinggestelde geroepen wordt uitspraak te doen over de overschrijding van de redelijke termijn en de gevolgen daarvan op het verdere verloop van de procedure, zij toepassing moet maken van artikel 235bis, § 1, § 2 en § 3, Wetboek van Strafvordering. Zij dient dan overeenkomstig dit artikel over dit geschilpunt dat de regelmatigheid van de procedure betreft, een debat op tegenspraak te houden en uitspraak te doen. De kamer van inbeschuldigingstelling is immers een nationale instantie tot dewelke de inverdenkinggestelde zich kan richten als bedoeld in artikel 13 EVRM ».

Dat arrest betekende een ommekeer ten opzichte van de vroegere rechtspraak, die stelde dat enkel de vonnisrechter uitspraak doet over de overschrijding van de redelijke termijn (Cass., 8 november 2005, Arr. Cass., 2005, nr. 578), nadat die rechtspraak door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens expliciet was veroordeeld (EHRM, 25 september 2007, De Clerck t. België, § § 84-85).

B.2.3. Aangezien artikel 235bis als enige mogelijke sancties de onontvankelijkheid of het verval van de strafvordering (artikel 235bis, § 5) en de nietigheid « van de handeling die erdoor is aangetast en van een deel of het geheel van de erop volgende rechtspleging » (artikel 235bis, § 6) vermeldt, vermocht de verwijzende rechter redelijkerwijze ervan uit te gaan dat het onderzoeksgerecht dat de overschrijding van de redelijke termijn vaststelt, de onontvankelijkheid of het verval van de strafvordering kon uitspreken. Daarom stelde hij het Hof een vraag betreffende artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, dat de vonnisrechter die de overschrijding van de redelijke termijn vaststelt, niet een dergelijke mogelijkheid geeft.

B.2.4. In drie recente arresten verduidelijkte het Hof van Cassatie evenwel zijn rechtspraak :

« Hieruit volgt dat het onderzoeksgerecht dat als nationale instantie bedoeld in artikel 13 EVRM geroepen wordt om bij schending van het verdrag een passende rechtshulp te verlenen, vaststelt dat de redelijke termijn binnen dewelke eenieder het recht heeft op de berechting van zijn zaak, is overschreden, onaantastbaar oordeelt welke het passende rechtsherstel is. Het kan daartoe oordelen dat dit rechtsherstel in dat stadium van de rechtspleging is bereikt door de enkele vaststelling van de overschrijding van de redelijke termijn en dat de verwijzingsrechter dit gegeven in aanmerking zal nemen bij de beoordeling van de grond van de zaak » (Cass., 27 oktober 2009, P.09.0901.N).

« Het onderzoeksgerecht dat beslist over de regeling van de rechtspleging, kan nochtans ook over de overschrijding van de redelijke termijn oordelen.

Alleen wanneer het oordeelt dat de overschrijding van de redelijke termijn de bewijsvoering en het recht van verdediging van de verdachte ernstig en onherstelbaar heeft aangetast, zodat geen eerlijk strafproces en beoordeling van de burgerlijke rechtsvordering meer mogelijk is, kan het hem van rechtsvervolging ontslaan.

Aldus wordt de verdachte overeenkomstig artikel 13 EVRM daadwerkelijke rechtshulp geboden om door het vonnisgerecht en eventueel, onder de hierboven vermelde beperking, door het onderzoeksgerecht een miskenning van zijn recht op een proces binnen redelijke termijn te doen vaststellen.

De kamer van inbeschuldigingstelling heeft evenwel niet de bevoegdheid om louter omwille van de overschrijding van de redelijke termijn het verval van de strafvordering uit te spreken waarbij dan nog de burgerlijke rechtsvordering zonder meer wordt ter zijde geschoven » (Cass., 24 november 2009, P.09.0930.N).

« Wanneer het onderzoeksgerecht oordeelt dat de overschrijding van de redelijke termijn de bewijsvoering en het recht van verdediging van de verdachte ernstig en onherstelbaar heeft aangetast, zodat geen eerlijk strafproces en beoordeling van de burgerlijke rechtsvordering meer mogelijk is en hij van rechtsvervolging wordt ontslagen, moet het preciseren tegen welke bewijsmiddelen en waarom de verdachte zich niet meer behoorlijk zou kunnen verdedigen. Deze motivering moet het Hof toelaten te toetsen of de kamer van inbeschuldigingstelling wettig heeft kunnen oordelen, zoals zij dat heeft gedaan » (Cass., 24 november 2009, P.09.1080.N).

B.3. De strekking van de in B.2.4 vermelde arresten heeft als gevolg dat het door de verwijzende rechter opgeworpen verschil in behandeling niet meer bestaat, aangezien in de hypothese van een overschrijding van de redelijke termijn die niet als gevolg heeft dat « de bewijsvoering en het recht van verdediging van de verdachte ernstig en onherstelbaar zijn aangetast », de onderzoeksgerechten noch de vonnisgerechten vermogen het verval of de onontvankelijkheid van de strafvordering uit te spreken.

Ook in de hypothese van een overschrijding van de redelijke termijn die wel als gevolg heeft dat « de bewijsvoering en het recht van verdediging van de verdachte ernstig en onherstelbaar zijn aangetast », bestaat er geen verschil in behandeling tussen de verdachte voor het onderzoeksgerecht en de beklaagde voor de vonnisrechter. De vonnisrechter dient immers, indien de bewijsvoering onmogelijk is geworden, de beklaagde vrij te spreken en, indien het recht van verdediging ernstig en onherstelbaar is aangetast, dient hij de onontvankelijkheid van de strafvordering vast te stellen.

B.4.1. Een van de beklaagden voor de verwijzende rechter voert aan dat het Hof zich moet uitspreken over de in het geding zijnde bepaling in de interpretatie van de verwijzende rechter en niet in de interpretatie van het Hof van Cassatie.

B.4.2. Hoewel het Hof, in de regel, de ter toetsing voorgelegde norm onderzoekt in de interpretatie van de verwijzende rechter, belet niets het Hof rekening te houden met een latere interpretatie van het Hof van Cassatie waarbij het in het geding zijnde verschil in behandeling wordt opgeheven.

B.5. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Ten aanzien van de tweede en de derde prejudiciële vraag

B.6. De verwijzende rechter wenst te vernemen of artikel 136 van het Wetboek van strafvordering bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6.1 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat het de aanhangigmaking bij de kamer van inbeschuldigingstelling van een gerechtelijk onderzoek dat langer duurt dan een jaar mogelijk maakt, doch zulks niet mogelijk maakt voor een opsporingsonderzoek (tweede prejudiciële vraag), waardoor de sanctie waarin artikel 235bis van het Wetboek van strafvordering voorziet wel kan worden toegepast in geval van de overschrijding van de redelijke termijn in een gerechtelijk onderzoek, maar niet in geval van de overschrijding van de redelijke termijn in een opsporingsonderzoek (derde prejudiciële vraag).

B.7. In de regel komt het het verwijzende rechtscollege toe na te gaan of het antwoord op de prejudiciële vraag nuttig is om het aan dat rechtscollege voorgelegde geschil te beslechten. Slechts wanneer dat klaarblijkelijk niet het geval is, vermag het Hof te beslissen dat de vraag geen antwoord behoeft.

B.8. De zaak voor de verwijzende rechter bevindt zich reeds in de vonnisfase, en bijgevolg is de vraag naar het bestaan van een rechtsmiddel dat toelaat, tijdens de onderzoeksfase, de overschrijding van de redelijke termijn te voorkomen niet relevant voor de oplossing van het geschil.

B.9. De tweede en de derde prejudiciële vraag behoeven geen antwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

- Artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6.1 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

- De tweede en de derde prejudiciële vraag behoeven geen antwoord.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 29 juli 2010.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.