Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 30 juni 2014 (België)

Publicatie datum :
30-06-2014
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
26 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20140630-3
Rolnummer :
97/2014

Samenvatting

Het Hof - vernietigt in artikel 7, tweede lid, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 20 april 2012 houdende de organisatie van kinderopvang van baby's en peuters de woorden « , en het gebruik van het Nederlands in de werking van de kinderopvanglocatie »; - verwerpt de beroepen voor het overige, onder voorbehoud van de interpretatie vermeld in B.35.1.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en A. Alen, de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût en T. Giet, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter M. Bossuyt, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging

a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 13 december 2012 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 14 december 2012, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 6, § 1, 4°, 7, tweede lid, en 8, §§ 2 en 3, 2°, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 20 april 2012 houdende de organisatie van kinderopvang van baby's en peuters (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 15 juni 2012) door de voorzitter van het Parlement van de Franse Gemeenschap, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. F. Tulkens en Mr. N. Bonbled, advocaten bij de balie te Brussel.

b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 13 december 2012 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 14 december 2012, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 6, § 1, 4°, 7, tweede lid, en 8, §§ 2 en 3, van hetzelfde decreet door de voorzitster van de Vergadering van de Franse Gemeenschapscommissie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Sohier, advocaat bij de balie te Brussel.

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 5538 en 5539 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 20 april 2012 houdende de organisatie van kinderopvang van baby's en peuters

B.1.1. Het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 20 april 2012 houdende de organisatie van kinderopvang van baby's en peuters (hierna : het decreet van 20 april 2012) heeft tot doel het decretale kader vast te leggen met betrekking tot de organisatie van de opvang van kinderen in de voorschoolse leeftijd « in aanvulling op de opvoeding van het kind in zijn gezin » (artikel 3, eerste lid, van het decreet). Het bepaalt dat vanaf de inwerkingtreding ervan geen enkele professionele kinderopvanglocatie zal kunnen worden geopend zonder dat de organisator vooraf een vergunning heeft verkregen die wordt uitgereikt door het autonome agentschap « Kind en Gezin » (artikel 4) en het legt de voorwaarden vast waaronder die vergunning wordt toegekend (artikel 6). In het decreet wordt eveneens de subsidiëring van de kinderopvanglocaties in verschillende trappen georganiseerd. De erkende kinderopvanglocaties die aan bepaalde voorwaarden voldoen kunnen een basissubsidie (artikel 7) alsook, indien zij aan bijkomende voorwaarden beantwoorden, aanvullende subsidies (artikelen 8, 9 en 10) aanvragen en verkrijgen. Het decreet bepaalt voorts het toezicht op de kinderopvanglocaties (artikelen 15, 16 en 17) en de maatregelen die kunnen worden genomen ten aanzien van de kinderopvanglocaties die de decretale of reglementaire bepalingen die van kracht zullen zijn niet in acht nemen.

De als beroep en tegen betaling uitgeoefende kinderopvang, die krachtens het decreet van 20 april 2012 aan een voorafgaande vergunning is onderworpen, kan drie verschillende vormen aannemen (artikel 4 van het decreet). Het gaat om « de gezinsopvang », die plaatsvindt buiten de gezinswoning van het kind wanneer maximaal acht kinderen tegelijk aanwezig kunnen zijn, « de groepsopvang », die plaatsvindt buiten de gezinswoning van het kind wanneer minimaal negen kinderen tegelijk aanwezig kunnen zijn en om « de opvang aan huis » als de kinderopvang in de gezinswoning van het kind gebeurt.

B.1.2. Door het aannemen van dat decreet wil de Vlaamse decreetgever « tegemoetkomen aan de opvangbehoeften van alle kinderen en gezinnen zonder onderscheid, en dat door het aanbieden van voldoende, toegankelijke, betaalbare, kwaliteitsvolle en leefbare kinderopvang, en door middel van een eenduidige, transparante, werkbare, eenvormige en toekomstgerichte wetgeving » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2011-2012, nr. 1395/5, p. 4).

B.1.3. Uit de verzoekschriften en de memorie van tussenkomst blijkt dat de middelen zijn gericht tegen artikel 6, § 1, 4°, artikel 7, tweede lid, en artikel 8, §§ 2 en 3, van het bestreden decreet. Het Hof onderzoekt de middelen, waarbij het ze groepeert volgens de bepaling die erin wordt beoogd.

Ten aanzien van artikel 6 van het decreet van 20 april 2012

B.2.1. Artikel 6 van het decreet van 20 april 2012 bepaalt :

« § 1. De organisator voldoet voor zijn kinderopvanglocatie minstens aan alle voorwaarden met betrekking tot :

1° de infrastructuur, minstens de ruimte, bestemd voor kinderopvang, de uitrusting en de inrichting ervan;

2° de veiligheid en de gezondheid, met inbegrip van specifieke brandveiligheidsvoorschriften voor kinderopvanglocaties, met behoud van de toepassing van de federale basisnormen voor de brandveiligheid van gebouwen;

3° de omgang met de kinderen en de gezinnen, waaronder minstens :

a) het respecteren van de fysieke en de psychische integriteit van elk kind;

b) het niet discrimineren van kinderen en gezinnen. Er mogen geen voorwerpen of tekenen aanwezig zijn die blijk geven van discriminatie of die racistisch, xenofoob of onwettig zijn, als de aanwezige voorwerpen of tekenen een nadelige invloed op de kinderen kunnen hebben;

c) het pedagogische beleid en de pedagogische ondersteuning met het oog op het stimuleren van de ontwikkeling van elk kind op lichamelijk, cognitief, sociaal-emotioneel, communicatief, creatief en moreel vlak, en met het oog op het waarborgen van het welbevinden en de betrokkenheid van elk kind;

d) de betrokkenheid en de participatie van de gezinnen, met inbegrip van de periodieke evaluatie van de tevredenheid van de gezinnen en de communicatie met de gezinnen, en met inbegrip van de informatie van Kind en Gezin over de vergunning;

e) het huishoudelijk reglement en de schriftelijke overeenkomst met de gezinnen;

4° de personen werkzaam in de kinderopvanglocatie, minstens met betrekking tot :

a) de verantwoordelijke, zoals zijn kwalificatie, te volgen vorming en zijn actieve kennis van de Nederlandse taal;

b) de kinderbegeleider, zoals zijn kwalificatie, te volgen vorming, het aantal kinderbegeleiders in verhouding tot het aantal tegelijk aanwezige kinderen en voor minstens één van de kinderbegeleiders de actieve kennis van de Nederlandse taal;

5° het organisatorische management van de kinderopvanglocatie, minstens de verantwoordelijkheidstoedeling, de leefgroepindeling, de financiële werking, het kwaliteitsbeleid en de klachtenbehandeling;

6° de samenwerking met Kind en Gezin, het lokaal loket kinderopvang en het lokaal bestuur.

[...]

§ 5. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot paragraaf 1 tot en met paragraaf 4, en maakt daarbij een onderscheid tussen de startvoorwaarden en de werkingsvoorwaarden.

De Vlaamse Regering bepaalt de competenties voor kinderopvang.

[...] ».

B.2.2. In artikel 2, eerste lid, 4° tot 6°, wordt gepreciseerd dat de « organisator » « de natuurlijke persoon of de rechtspersoon [is] die kinderopvang organiseert », de « verantwoordelijke » « de persoon [is] die door de organisator is aangewezen om de kwaliteitsvolle werking van de kinderopvanglocatie dagelijks te regelen » en de « kinderbegeleider » « de persoon [is] die door de organisator is aangewezen om de kinderen op te voeden, bij te dragen tot hun ontwikkeling en hen te verzorgen ».

In de kleine kinderopvanglocaties kunnen de functies van verantwoordelijke en kinderbegeleider door dezelfde persoon worden uitgeoefend.

B.2.3. In de memorie van toelichting van het ontwerp van decreet wordt in verband met de vereiste van actieve kennis van het Nederlands bij de verantwoordelijke gepreciseerd :

« Voor de verantwoordelijke zal de Vlaamse Regering minstens voorwaarden opleggen inzake kwalificatie, te volgen vorming en de actieve kennis van de Nederlandse taal.

Uitgangspunt voor de voorwaarden inzake de actieve kennis van het Nederlands voor de verantwoordelijke in de kinderopvang is hoe dan ook de taalvrijheid zoals gewaarborgd door de Grondwet (artikel 30). De vergunningsvoorwaarden zullen niet aan deze taalvrijheid raken, er zullen enkel voorwaarden gelden rond taalkennis. Kennis van het Nederlands is noodzakelijk om een aantal doelstellingen te kunnen bereiken. Actieve kennis van het Nederlands van de verantwoordelijke is van belang om onder meer de van toepassing zijnde regelgeving, richtlijnen, aanbevelingen en gehanteerde instrumenten te kunnen verstaan en toepassen op de werkvloer. Daarnaast is deze kennis ook aangewezen om vlot contact met Nederlandstalige gezinnen te kunnen aangaan. De kinderopvang dient ook ingeschakeld te worden om een actieve rol te spelen in de strijd tegen de taalachterstand. Als de verantwoordelijke vervangen moet worden, voldoet de vervanger ook aan de voorwaarden.

De taalkennis zal bewezen kunnen worden aan de hand van een behaald Nederlandstalig kwalificatiebewijs, of een taaltest (minimum niveau B2 volgens het Europees referentiekader voor de talen). De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2011-2012, nr. 1395/1, p. 33).

Wat de middelen betreft die zijn afgeleid uit de schending van de bevoegdheidverdelende regels

B.3.1. Het eerste middel in de zaak nr. 5538 is afgeleid uit de schending, door artikel 6, § 1, 4°, van het bestreden decreet, van artikel 129 van de Grondwet en, in ondergeschikte orde, van artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. De verzoekende partij is van mening dat door de actieve kennis van het Nederlands bij de verantwoordelijke en bij een van de kinderbegeleiders te vereisen voor het verkrijgen van de vergunning om kinderopvang te organiseren, de decreetgever een maatregel heeft genomen die het gebruik van de talen regelt. Zij doet gelden dat de gemeenschappen slechts in bepaalde aangelegenheden die zijn opgesomd in artikel 129 van de Grondwet bevoegd zijn om het gebruik van de talen te regelen. Zij voegt eraan toe dat zelfs indien ervan zou moeten worden uitgegaan dat de Vlaamse Gemeenschap bevoegd is om regelgeving inzake het gebruik van de talen in de kinderopvanglocaties aan te nemen, die bevoegdheid in elk geval niet zou kunnen worden uitgeoefend op het grondgebied van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, noch in de gemeenten of groepen van gemeenten die palen aan een ander taalgebied en waar de wet het gebruik van een andere taal dan die van het gebied waarin zij gelegen zijn, voorschrijft of toelaat.

B.3.2. Artikel 129 van de Grondwet bepaalt :

« § 1. De Parlementen van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap regelen, bij uitsluiting van de federale wetgever, elk voor zich, bij decreet, het gebruik van de talen voor :

1° de bestuurszaken;

2° het onderwijs in de door de overheid opgerichte, gesubsidieerde of erkende instellingen;

3° de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en hun personeel, alsmede de door de wet en de verordeningen voorgeschreven akten en bescheiden van de ondernemingen.

§ 2. Deze decreten hebben kracht van wet, respectievelijk in het Nederlandse taalgebied en in het Franse taalgebied, uitgezonderd wat betreft :

- de gemeenten of groepen van gemeenten palend aan een ander taalgebied en waar de wet het gebruik van een andere taal dan die van het gebied waarin zij gelegen zijn, voorschrijft of toelaat. Voor deze gemeenten kan in de bepalingen betreffende het gebruik van de talen voor de aangelegenheden bedoeld in § 1 geen verandering worden aangebracht dan bij een wet aangenomen met de in artikel 4, laatste lid, bepaalde meerderheid;

- de diensten waarvan de werkkring verder reikt dan het taalgebied waarin zij gevestigd zijn;

- de door de wet aangewezen federale en internationale instellingen waarvan de werking gemeen is aan meer dan één gemeenschap ».

B.3.3. Uit die bepaling volgt dat de bevoegdheid om het gebruik van de talen in de aangelegenheid van de opvang van kinderen in de voorschoolse leeftijd te regelen niet aan de gemeenschappen is toegewezen.

B.3.4. Door, onder de voorwaarden die het mogelijk maken een vergunning te verkrijgen om kinderopvang te kunnen organiseren, te bepalen dat de verantwoordelijke en ten minste een van de kinderbegeleiders over een actieve kennis van de Nederlandse taal moeten beschikken, regelt artikel 6, § 1, 4°, van het decreet van 20 april 2012 op geen enkele wijze het gebruik van die taal door de betrokken personen, noch in hun betrekkingen met de kinderen en met de ouders, noch in de betrekkingen tussen de personeelsleden van de kinderopvanglocatie. Die bepaling verhindert dus niet het gebruik van andere talen in de kinderopvangvoorziening.

De in B.2.3 aangehaalde memorie van toelichting toont aan dat de decreetgever, door die voorwaarde inzake taalkennis op te leggen, de bedoeling had zich ervan te vergewissen dat, enerzijds, de regelgeving ter zake en de richtlijnen van Kind en Gezin zouden worden begrepen en correct zouden worden toegepast in de kinderopvanglocatie en dat, anderzijds, de betrekkingen met de Nederlandstalige ouders zouden worden vergemakkelijkt.

B.3.5. De gemeenschappen zijn, krachtens artikel 128 van de Grondwet en artikel 5, § 1, II, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, bevoegd voor de aangelegenheid van de opvang van kinderen in de voorschoolse leeftijd. Bij de uitoefening van die bevoegdheid kunnen zij bepalen dat het organiseren, bij wijze van beroep en tegen betaling, van de opvang van die kinderen het verkrijgen van een voorafgaande vergunning vergt teneinde de kwaliteit van de opvang te waarborgen. Zij kunnen eveneens de voorwaarden bepalen die moeten worden vervuld om die vergunning te verkrijgen. Voor zover dergelijke bepaling een nauwe band vertoont met de bevoegdheid van de gemeenschappen inzake kinderopvang en onder voorbehoud van het onderzoek van de bestaanbaarheid van die voorwaarden met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en met de bepalingen van het recht van de Europese Unie, kunnen zij, zonder hun bevoegdheid te overschrijden, bepalen dat de verantwoordelijke en één personeelslid een actieve kennis, in dit geval, van de Nederlandse taal moeten bezitten zonder evenwel het gebruik van die taal te kunnen regelen.

B.3.6. Daaruit volgt dat artikel 6, § 1, 4°, van het decreet van 20 april 2012 geen bepaling is die het gebruik van de talen regelt in de zin van artikel 129 van de Grondwet en dat de decreetgever bevoegd was om die bepaling aan te nemen aangezien het nauwe verband van die bepaling met de bevoegdheid van de gemeenschappen inzake kinderopvang blijkt uit de in B.3.4 vermelde doelstellingen.

Bovendien toont de verzoekende partij niet aan in welk opzicht de bestreden bepaling afbreuk zou doen aan de rechten van de personen die wonen in de gemeenten met een bijzonder taalstatuut, zodat er geen reden is om de aangevoerde schending van artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 te onderzoeken.

B.3.7. Het eerste middel in de zaak nr. 5538 is niet gegrond.

B.4.1. Het eerste middel in de zaak nr. 5539 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 30 en 143 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 5, 14, 16, 18 en 28 van het Verdrag inzake de rechten van het kind en met de algemene beginselen van rechtszekerheid, wettigheid en evenredigheid.

Dat middel is gericht tegen de artikelen 6, 7 en 8 van het decreet van 20 april 2012. Het Hof onderzoekt dat middel hier slechts in zoverre artikel 6, § 1, 4°, van het decreet erin is beoogd.

B.4.2. De verzoekende partij doet gelden dat door de actieve kennis van het Nederlands bij de verantwoordelijke en één kinderbegeleider te vereisen voor het verkrijgen van de vergunning om kinderopvang te organiseren, de decreetgever noodzakelijkerwijs een vermindering van het aantal kinderopvanglocaties en dus van het aantal beschikbare plaatsen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad veroorzaakt, alsook een correlatieve verhoging van de financiële last voor de Franse Gemeenschap, die te wijten is aan een significante verhoging van het aantal kinderopvanginstellingen die hun aansluiting bij de Office de la naissance et de l'enfance (Dienst voor geboorte en kinderwelzijn van de Franse Gemeenschap) aanvragen. Zij is van mening dat de decreetgever te dezen een wetgeving heeft aangenomen die onverenigbaar is met de federale loyauteit en derhalve artikel 143 van de Grondwet heeft geschonden.

B.4.3. Artikel 143, § 1, van de Grondwet - de paragrafen 2 en 3 van die bepaling hebben betrekking op de procedure betreffende de belangenconflicten en staan dus los van het onderwerp van het middel - bepaalt :

« Met het oog op het vermijden van de belangenconflicten nemen de federale Staat, de gemeenschappen, de gewesten en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, in de uitoefening van hun respectieve bevoegdheden, de federale loyauteit in acht ».

B.4.4. Het beginsel van de federale loyauteit houdt blijkens de parlementaire voorbereiding van die grondwetsbepaling voor de federale overheid en voor de deelgebieden de verplichting in om, wanneer zij hun bevoegdheden uitoefenen, het evenwicht van de federale constructie in haar geheel niet te verstoren; het betekent meer dan het uitoefenen van bevoegdheden : het geeft aan in welke geest dat moet geschieden (Parl. St., Senaat, B.Z. 1991-1992, nr. 100-29/2).

B.4.5. Het beginsel van de federale loyauteit, in samenhang gelezen met het redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel, betekent dat elke wetgever ertoe gehouden is, in de uitoefening van zijn eigen bevoegdheid, erover te waken dat door zijn optreden de uitoefening van de bevoegdheden van de andere wetgevers niet onmogelijk of overdreven moeilijk wordt gemaakt.

B.4.6. De gemeenschappen, die bevoegd zijn om de aangelegenheid van de kinderopvang te regelen, kunnen van oordeel zijn dat het noodzakelijk is te bepalen dat die opvang slechts kan worden georganiseerd met een voorafgaande vergunning, teneinde de kwaliteit ervan te waarborgen. Zij kunnen eveneens de voorwaarden bepalen die moeten worden vervuld om de betrokken vergunning te verkrijgen.

B.4.7. Artikel 3, tweede lid, van het decreet van 20 april 2012 bepaalt :

« Binnen het beschikbare aanbod aan kinderopvang heeft elk gezin met een behoefte aan kinderopvang, recht op kinderopvang. De Vlaamse Gemeenschap beoogt tegen 2016 een aanbod voor minstens de helft van de kinderen jonger dan drie jaar, en vanaf 2020 voor alle gezinnen met een behoefte aan kinderopvang, binnen een afgesproken budgettair kader ».

Het decreet van 20 april 2012 beoogt dus het aantal kinderopvanglocaties te verhogen.

B.4.8. De bestreden bepaling vermindert op zich ook niet het totale aantal kinderopvangvoorzieningen en het totale aantal beschikbare plaatsen in die voorzieningen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.

B.4.9. Het eerste middel in de zaak nr. 5539 is niet gegrond in zoverre artikel 6, § 1, 4°, van het decreet van 20 april 2012 erin is beoogd.

Wat de middelen betreft die zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met bepalingen van het recht van de Europese Unie

B.5.1. Het vierde middel in de zaak nr. 5538 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 18, 45 en 49 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), met de artikelen 1 en 7 van de verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie, met artikel 24 van de richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, en met artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna : het Handvest).

In dat middel worden de artikelen 6, § 1, 4°, en 7, tweede lid, van het bestreden decreet beoogd. Het Hof onderzoekt het middel hierna in zoverre het artikel 6, § 1, 4° betreft.

Het derde middel in de zaak nr. 5539 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 18 en 49 van het VWEU en met de artikelen 21, 34 en 36 van het Handvest.

B.5.2. De verzoekende partijen gaan ervan uit dat artikel 6, § 1, 4°, van het decreet van 20 april 2012, door het verkrijgen van de verplichte vergunning om kinderopvang in de Vlaamse Gemeenschap te organiseren afhankelijk te stellen van de actieve kennis van het Nederlands bij de verantwoordelijke en bij één kinderbegeleider, een beperking in het leven roept van de vrijheid van verkeer van werknemers en van de vrijheid van vestiging die onverenigbaar is met het recht van de Europese Unie, en een discriminatie op grond van de taal of de nationaliteit bevat.

B.5.3. De artikelen 18, 45 en 49 van het VWEU bepalen :

« Artikel 18

Binnen de werkingssfeer van de Verdragen en onverminderd de bijzondere bepalingen, daarin gesteld, is elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden.

[...] ».

« Artikel 45

1. Het verkeer van werknemers binnen de Unie is vrij.

2. Dit houdt de afschaffing in van elke discriminatie op grond van de nationaliteit tussen de werknemers der lidstaten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden.

3. Het houdt behoudens de uit hoofde van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid gerechtvaardigde beperkingen het recht in om,

a) in te gaan op een feitelijk aanbod tot tewerkstelling,

b) zich te dien einde vrij te verplaatsen binnen het grondgebied der lidstaten,

c) in een der lidstaten te verblijven teneinde daar een beroep uit te oefenen overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen welke voor de tewerkstelling van nationale werknemers gelden,

d) op het grondgebied van een lidstaat verblijf te houden, na er een betrekking te hebben vervuld, overeenkomstig de voorwaarden die zullen worden opgenomen in door de Commissie vast te stellen verordeningen.

4. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op de betrekkingen in overheidsdienst ».

« Artikel 49

In het kader van de volgende bepalingen zijn beperkingen van de vrijheid van vestiging voor onderdanen van een lidstaat op het grondgebied van een andere lidstaat verboden. Dit verbod heeft eveneens betrekking op beperkingen betreffende de oprichting van agentschappen, filialen of dochterondernemingen door de onderdanen van een lidstaat die op het grondgebied van een lidstaat zijn gevestigd.

De vrijheid van vestiging omvat, behoudens de bepalingen van het hoofdstuk betreffende het kapitaal, de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en de uitoefening daarvan alsmede de oprichting en het beheer van ondernemingen, en met name van vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 54, overeenkomstig de bepalingen welke door de wetgeving van het land van vestiging voor de eigen onderdanen zijn vastgesteld ».

B.5.4. Artikel 21 van het Handvest bepaalt :

« 1. Iedere discriminatie, met name op grond van geslacht, ras, kleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, een handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid, is verboden.

2. Binnen de werkingssfeer van de Verdragen en onverminderd de bijzondere bepalingen ervan, is iedere discriminatie op grond van nationaliteit verboden ».

Artikel 34 van het Handvest, dat de sociale zekerheid en de sociale bijstand betreft, en artikel 36 van het Handvest, dat de toegang tot diensten van algemeen economisch belang betreft, zijn vreemd aan de grieven van de verzoekende partijen.

B.5.5. De artikelen 1 en 7 van de verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie bepalen :

« Artikel 1

1. Iedere onderdaan van een lidstaat, ongeacht zijn woonplaats, heeft het recht, op het grondgebied van een andere lidstaat arbeid in loondienst te aanvaarden en te verrichten, overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die de tewerkstelling van de onderdanen van die staat regelen.

2. Op het gebied van een andere lidstaat geniet hij met name dezelfde voorrang ten aanzien van het aanvaarden van arbeid in loondienst als de onderdanen van deze staat ».

« Artikel 7

1. Een werknemer die onderdaan is van een lidstaat mag op het grondgebied van andere lidstaten niet op grond van zijn nationaliteit anders worden behandeld dan de nationale werknemers, wat betreft alle voorwaarden voor tewerkstelling en arbeid, met name op het gebied van beloning, ontslag, en, indien hij werkloos is geworden, wederinschakeling in het beroep of wedertewerkstelling.

[...] ».

B.5.6. Artikel 24 van de richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden bepaalt :

« 1. Onverminderd specifieke, in het Verdrag en het afgeleide recht uitdrukkelijk opgenomen bepalingen, geniet iedere burger van de Unie die op basis van deze richtlijn op het grondgebied van een gastland verblijft, binnen het toepassingsgebied van het Verdrag dezelfde behandeling als de onderdanen van dat gastland. Dit recht geldt ook voor familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten en die verblijfsrecht of duurzaam verblijfsrecht genieten.

[...] ».

B.5.7. Bovendien bepalen de artikelen 9 en 10 van de richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt :

« Artikel 9

1. De lidstaten stellen de toegang tot en de uitoefening van een dienstenactiviteit niet afhankelijk van een vergunningstelsel, tenzij aan de volgende voorwaarden is voldaan :

a) het vergunningstelsel heeft geen discriminerende werking jegens de betrokken dienstverrichter;

b) de behoefte aan een vergunningstelsel is gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang;

c) het nagestreefde doel kan niet door een minder beperkende maatregel worden bereikt, met name omdat een controle achteraf te laat zou komen om werkelijk doeltreffend te zijn.

[...]

Artikel 10

1. Vergunningstelsels zijn gebaseerd op criteria die beletten dat de bevoegde instanties hun beoordelingsbevoegdheid op willekeurige wijze uitoefenen.

2. De in lid 1 bedoelde criteria zijn :

a) niet-discriminatoir;

b) gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang;

c) evenredig met die reden van algemeen belang;

d) duidelijk en ondubbelzinnig;

e) objectief;

f) vooraf openbaar bekendgemaakt;

g) transparant en toegankelijk.

[...] ».

B.5.8. Het is vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat « binnen hun respectieve werkingssfeer de artikelen 45 VWEU en 49 VWEU, alsook de artikelen 22 en 24 van richtlijn 2004/38 nationale maatregelen verbieden die een burger van een lidstaat beletten of ervan weerhouden deze lidstaat te verlaten om zijn recht van vrij verkeer binnen de Unie uit te oefenen. Dergelijke maatregelen vormen, zelfs wanneer zij onafhankelijk van de nationaliteit van de betrokken staatsburgers van toepassing zijn, beperkingen van de door deze artikelen gewaarborgde fundamentele vrijheden » (HvJ, 8 mei 2013, Libert e.a., C-197/11 en C-203/11, punt 38 en aangehaalde rechtspraak). Het is ook vaste rechtspraak van het Hof van Justitie dat de verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van personen het alle burgers van de Unie gemakkelijker beogen te maken, om het even welk beroep uit te oefenen op het gehele grondgebied van de Unie, en in de weg staan aan maatregelen die deze burgers minder gunstig behandelen wanneer zij op het grondgebied van een andere lidstaat een economische activiteit willen uitoefenen (HvJ, grote kamer, 1 april 2008, Regering van de Franse Gemeenschap en Waalse Regering, C-212/06, punt 44).

De beperkingen van de bij het Verdrag gewaarborgde vrijheden van verkeer zijn echter toelaatbaar indien blijkt dat ermee een doelstelling van algemeen belang wordt nagestreefd, dat zij geschikt zijn om de verwezenlijking van het ermee beoogde doel te waarborgen en niet verder gaan dan noodzakelijk is om dat doel te bereiken (zie met name HvJ, 5 december 2006, Cipolla e.a., C-94/04 en C-202/04, punt 61; 13 december 2007, United Pan-Europe Communications Belgium e.a., C-250/06, punt 39; grote kamer, 1 april 2008, Regering van de Franse Gemeenschap en Waalse Regering, C-212/06, punt 55; grote kamer, 28 april 2009, Commissie van de Europese Gemeenschappen t. Italiaanse Republiek, C-518/06, punt 72; grote kamer, 16 april 2013, Las, C-202/11, punt 23; 8 mei 2013, Libert e.a., C-197/11 en C-203/11, punt 49).

B.6.1. De vereiste de actieve kennis van het Nederlands aan te tonen om verantwoordelijke te zijn van een vergunde voorziening voor de opvang van kinderen in de voorschoolse leeftijd kan de uitoefening van de vrijheid van vestiging of van het recht van vrij verkeer door onderdanen van andere lidstaten welke die activiteit in de Vlaamse Gemeenschap wensen uit te oefenen en die niet kunnen aantonen dat zij een actieve kennis van die taal bezitten, belemmeren of minder aantrekkelijk maken.

Die vereiste vormt derhalve een belemmering van het recht van vrije vestiging en van het recht van vrij verkeer van de burgers van de Europese Unie.

B.6.2. De vergunning om een kinderopvangvoorziening te organiseren afhankelijk stellen van de voorwaarde dat ten minste één van de in die voorziening tewerkgestelde kleuterleiders over een actieve kennis van de Nederlandse taal beschikt, heeft tot gevolg de personen welke die taal beheersen, bij het zoeken van een betrekking in die sector te bevoordelen tegenover diegenen die ze niet beheersen.

Die bepaling kan dus het recht van vrij verkeer van de werknemers die onderdaan zijn van andere lidstaten, die dat beroep wensen uit te oefenen en die niet kunnen bewijzen dat zij een actieve kennis van die taal bezitten, belemmeren.

B.7.1. Volgens de in B.2.3 aangehaalde memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet dat tot de bestreden bepaling heeft geleid, worden die beperkingen verantwoord door de noodzaak om de van toepassing zijnde regelgeving, richtlijnen, aanbevelingen en gehanteerde instrumenten te kunnen verstaan en toe te passen op de werkvloer en om vlot contact met Nederlandstalige gezinnen te kunnen aangaan (Parl. St., Vlaams Parlement, 2011-2012, nr. 1395/1, p. 33).

B.7.2. Het kan rechtmatig zijn van een kandidaat voor een betrekking talenkennis op een zeker niveau te verlangen (HvJ, 28 november 1989, Groener, C-379/87, punt 20; 6 juni 2000, Angonese, C-281/98, punt 44), zelfs al dient de betrokkene die taal in de uitoefening van zijn ambt niet te gebruiken. Zo vereisen de dialoog met de gebruikers en de inachtneming van de juridische voorschriften die in de lidstaat van vestiging eigen zijn en de uitvoering van administratieve taken, een passende kennis van de taal van die Staat. De taalvereisten moeten waarborgen dat de betrokkene met de gebruikers en de administratieve autoriteiten van die Staat zinvol kan communiceren (HvJ, 4 juli 2000, Haim, C-424/97, punten 59 en 60).

B.7.3. De nagestreefde doelstelling is dus een doelstelling van algemeen belang die de beperkingen van de bij het VWEU gewaarborgde vrijheden van vestiging en van vrij verkeer adequaat kan verantwoorden.

B.8.1. Het Hof dient na te gaan of de in de bestreden bepaling vervatte beperking evenredig is met de aldus nagestreefde doelstelling. Volgens het Hof van Justitie mogen de taalvereisten immers niet verdergaan dan ter bereiking van dat doel noodzakelijk is (ibid., punt 60).

B.8.2. Te dien aanzien dient allereerst te worden vastgesteld dat de vereiste de actieve kennis van het Nederlands aan te tonen enkel geldt voor de verantwoordelijke van de kinderopvanglocatie en voor één van de kinderbegeleiders. In kinderopvanglocaties waar meer dan één kinderbegeleider werkzaam is, geldt die verplichting derhalve niet voor de andere kinderbegeleiders.

B.8.3. Vervolgens belet die bepaling niet, zoals in B.3.4 en B.3.6 wordt gepreciseerd, dat die personen andere talen gebruiken. In de memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet dat tot de bestreden bepaling heeft geleid werd overigens uitdrukkelijk bevestigd dat die bepaling niet verhindert « dat ook exclusief anderstalige (niet-Nederlandstalige) kinderopvang mogelijk moet zijn » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2011-2012, nr. 1395/1, p. 42).

B.8.4. De bestreden bepaling preciseert niet wat onder « actieve kennis van de Nederlandse taal » dient te worden verstaan. De Vlaamse Regering dient dit nader te bepalen (artikel 6, § 5, eerste lid, van het decreet van 20 april 2012). De parlementaire voorbereiding stelt :

« De taalkennis zal bewezen kunnen worden aan de hand van een behaald Nederlandstalig kwalificatiebewijs, of een taaltest (minimum niveau B2 volgens het Europees referentiekader voor de talen) » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2011-2012, nr. 1395/1, p. 33).

Bijgevolg is niet vereist dat de betrokkenen over een Nederlandstalig diploma beschikken. Degenen die dat niet hebben, kunnen een taaltest afleggen. Het in de parlementaire voorbereiding aangegeven niveau voor die test is bovendien niet van die aard dat die taaltest overdreven moeilijk zou zijn of niet in verhouding zou staan tot de functie. Het staat in voorkomend geval aan het bevoegde rechtscollege om te onderzoeken of het door de Vlaamse Regering bepaalde niveau in overeenstemming is met die precisering.

B.8.5. Ten slotte bepaalt artikel 6, § 7, van het decreet van 20 april 2012 :

« De Vlaamse Regering kan, op vraag van een organisator, een afwijking toestaan op de naleving van bepaalde vergunningsvoorwaarden die zijn vastgelegd ter uitvoering van paragraaf 1 tot en met paragraaf 4, op voorwaarde dat de veiligheid van de kinderen en de medewerkers, en de kwaliteit van de kinderopvang voldoende gewaarborgd zijn. De Vlaamse Regering bepaalt de regels om die afwijking toe te staan ».

Bijgevolg kan de Vlaamse Regering ook een afwijking toestaan van de regel dat de verantwoordelijke en ten minste één kinderbegeleider moeten aantonen dat ze over een actieve kennis van de Nederlandse taal beschikken, voor zover de veiligheid van de kinderen en de medewerkers, en de kwaliteit van de kinderopvang daardoor niet in het gedrang komen.

B.9.1. Gelet op de in B.8.2 tot B.8.5 vermelde preciseringen zijn de in de bestreden bepaling vervatte beperkingen van de door het VWEU gewaarborgde vrijheden niet onevenredig.

B.9.2. Het vierde middel in de zaak nr. 5538 en het derde middel in de zaak nr. 5539 zijn niet gegrond in zoverre artikel 6, § 1, 4°, van het decreet van 20 april 2012 erin is beoogd.

Ten aanzien van artikel 7 van het decreet van 20 april 2012

B.10. Artikel 7 van het decreet van 20 april 2012 bepaalt :

« De organisator met een vergunning voor gezinsopvang of een vergunning voor groepsopvang kan een basissubsidie ontvangen van Kind en Gezin.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de basissubsidie, waaronder minstens de voorwaarden voor de actieve taalkennis van het Nederlands voor de kinderbegeleiders, en het gebruik van het Nederlands in de werking van de kinderopvanglocatie ».

B.11.1. Het subsidiëringssysteem dat bij het decreet van 20 april 2012 is ingevoerd, omvat een basissubsidie en eventuele aanvullende subsidies. Voor elk van de subsidies, met inbegrip van de basissubsidie, moet de organisator van de kinderopvang bijkomende voorwaarden vervullen ten opzichte van de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om de vergunning te verkrijgen die nodig is voor het organiseren van de opvang.

Artikel 7 van het decreet betreft de basissubsidie. In het tweede lid van die bepaling wordt aan de Vlaamse Regering de bevoegdheid overgedragen de nadere regels voor de toekenning van die basissubsidie te bepalen en wordt gepreciseerd dat die nadere regels ten minste een voorwaarde met betrekking tot de actieve kennis van het Nederlands bij de kinderbegeleiders en een voorwaarde met betrekking tot het gebruik van het Nederlands in de werking van de kinderopvanglocatie moeten omvatten.

De organisator die de basissubsidie verkrijgt, kan vervolgens aanspraak maken op een aanvullende subsidie indien hij werkt met een tarief dat wordt berekend op basis van het inkomen van de gezinnen en indien hij bij voorrang kinderen opvangt die afkomstig zijn uit gezinnen die bepaalde kenmerken vertonen (artikel 8). De organisator die de basissubsidie en de subsidie bepaald in artikel 8 ontvangt, kan nog een extra subsidie verkrijgen voor de realisatie van de opvang van kinderen die afkomstig zijn uit kwetsbare gezinnen (artikel 9). Ten slotte wordt eveneens een subsidie toegekend aan de organisator die kinderopvang met flexibele openingstijden organiseert en aan diegene die kinderen met specifieke zorgbehoeften opvangt (artikel 10).

B.11.2. In de memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet wordt in verband met artikel 7 de volgende uitleg gegeven :

« Naast de voorwaarde van een vergunning hebben, worden onder andere als bijkomende voorwaarden gesteld : een actieve taalkennis Nederlands voor begeleiders en minstens het Nederlands gebruiken in de werking van de kinderopvangvoorziening. Voor de Vlaamse Gemeenschap is het immers een beleidsdoelstelling de verwerving van de Nederlandse taal bij jonge kinderen te ondersteunen in functie van de realisatie van het gelijke Kansenbeleid. Op die wijze kan kinderopvang bijdragen aan het voorkomen van mogelijke achterstand bij kinderen uit arme of anderstalige gezinnen (zie ook : Vlaams regeerakkoord 2009-2014, pp. 25 en 27, Parl. St., Vl. Parl. 2009, nr. 31/1). Dit kan enkel wanneer de kinderopvangvoorziening ook werkt met begeleiders die het Nederlands machtig zijn, en wanneer het Nederlands effectief ook aan bod komt in de werking van de kinderopvang. De basissubsidie is aldus, naast een tegemoetkoming in kosten ten gevolge van het voldoen aan de vergunningsvoorwaarden, ook een hefboom in functie van deze taaldoelstelling.

Hoewel de verwerving van de Nederlandse taal voor elk kind in de Vlaamse samenleving een belangrijke Vlaamse doelstelling is, kunnen ingevolge het advies van de Raad van State van 2 augustus 2011, randnummer 15 tot en met 16, ter zake geen voorwaarden worden opgelegd op niveau van de vergunning. Artikel 30 van de Grondwet garandeert immers dat in België het taalgebruik vrij is. Dit impliceert dat ook exclusief anderstalige (niet-Nederlandstalige) kinderopvang mogelijk moet zijn.

Daarom worden deze voorwaarden gekoppeld aan de subsidiëring, vanaf de basissubsidie.

De kindbegeleider dient een actieve kennis van het Nederlands te hebben om de van toepassing zijnde regelgeving, richtlijnen, aanbevelingen en de gehanteerde instrumenten correct te kunnen interpreteren en toepassen op de werkvloer. De kennis van de Nederlandse taal is tevens noodzakelijk voor de begeleider om de jonge kinderen in hun meest gevoelige leeftijd voor taalontwikkeling op een correcte wijze te kunnen begeleiden en stimuleren in de verwerving van het Nederlands als de voertaal in de Vlaamse samenleving en als de taal van het Vlaamse onderwijs. Het IVRK stelt dat elk kind recht heeft op ontwikkeling. Het is de taak van de overheid het kind hierin te ondersteunen. Eén van de aspecten van de ontwikkeling is de taal. Het vlot kunnen spreken van een taal bevordert de deelname aan de samenleving. Naast het hanteren van het Nederlands als de omgangstaal met de kinderen, is ook nodig dat de begeleider (in het kader van de identiteitsontwikkeling) ook aandacht heeft voor de thuistaal van het kind indien dit geen Nederlands is. Dit wil zeggen dat we het spreken van deze taal niet mogen negeren of afstraffen. Het zorgt ervoor dat kinderen zich veilig en goed kunnen voelen. Bovendien is aandacht voor de thuistaal een belangrijke hefboom om de betrokkenheid en de participatie van kinderen en hun gezin bij de opvang te versterken.

De koppeling van deze taalvoorwaarden aan de basissubsidie heeft dus als doel dat er Nederlandstalige kwaliteitsvolle kinderopvang is.

De taalkennis zal bewezen kunnen worden aan de hand van een behaald Nederlandstalig kwalificatiebewijs of een taaltest (minimum niveau B2 volgens het Europees referentiekader voor de talen). De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2011-2012, nr. 1395/1, pp. 42-43).

Wat de middelen betreft die zijn afgeleid uit de schending van de bevoegdheidverdelende regels

B.12. Het tweede middel in de zaak nr. 5538 is afgeleid uit de schending, door artikel 7, tweede lid, van het decreet van 20 april 2012, van de artikelen 30 en 129 van de Grondwet en van de algemene beginselen van wettigheid en rechtszekerheid.

De verzoekende partijen doen met name gelden dat artikel 30 van de Grondwet de taalvrijheid in de betrekkingen tussen particulieren onderling waarborgt, dat de gemeenschappen inzake het gebruik van de talen slechts bevoegd zijn in de aangelegenheden bedoeld in artikel 129 van de Grondwet en dat de artikelen 30 en 129 van de Grondwet de wetgever in elk geval verbieden de regelgeving inzake het gebruik van de talen aan de uitvoerende macht over te dragen.

B.13.1. Door te stellen dat de door de Vlaamse Regering te bepalen voorwaarden voor het verkrijgen van de basissubsidie, minstens voorwaarden inzake « actieve taalkennis van het Nederlands » voor de kinderbegeleiders dienen te bevatten, regelt artikel 7, tweede lid, van het decreet van 20 april 2012 op geen enkele wijze het gebruik van die taal door de betrokken personen, noch in hun betrekkingen met de kinderen en met de ouders, noch in de betrekkingen tussen de personeelsleden van de kinderopvanglocatie. Die bepaling belet niet het gebruik van andere talen in de kinderopvangvoorziening.

B.13.2. Zoals is vermeld in B.3.5, zijn de gemeenschappen, krachtens artikel 128 van de Grondwet en artikel 5, § 1, II, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, bevoegd voor de aangelegenheid van de opvang van kinderen in de voorschoolse leeftijd. Bij de uitoefening van die bevoegdheid kunnen zij de voorwaarden bepalen die moeten worden vervuld om een subsidie van de Vlaamse Gemeenschap te ontvangen. Voor zover die bepaling een nauw verband vertoont met de bevoegdheid van de gemeenschappen inzake kinderopvang, en onder voorbehoud van het onderzoek van de bestaanbaarheid van die voorwaarden met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en met de bepalingen van het recht van de Europese Unie, kunnen zij, zonder hun bevoegdheid te overschrijden, bepalen dat de kinderbegeleiders een actieve kennis van de Nederlandse taal moeten bezitten zonder het gebruik van die taal te regelen. Die vereiste maakt het mogelijk te waarborgen dat de kinderen afkomstig uit Nederlandstalige gezinnen steeds zullen kunnen worden opgevangen in hun moedertaal.

B.13.3. Daaruit volgt dat voor wat de voorwaarde van taalkennis betreft artikel 7, tweede lid, van het decreet van 20 april 2012 geen bepaling is die het gebruik van de talen regelt in de zin van artikel 129 van de Grondwet en dat de Vlaamse decreetgever bevoegd was om dat aan te nemen, aangezien het nauwe verband van die bepaling met de bevoegdheid van de gemeenschappen inzake kinderopvang blijkt uit de in B.11.2 vermelde doelstelling.

B.13.4. Het tweede middel in de zaak nr. 5538 is niet gegrond voor wat betreft de voorwaarde van taalkennis bepaald bij het bestreden artikel 7, tweede lid.

B.14. Artikel 7, tweede lid, van het decreet van 20 april 2012 bepaalt ook dat de door de Vlaamse Regering te bepalen voorwaarden om de basissubsidie te verkrijgen tenminste voorwaarden moeten omvatten van « gebruik van het Nederlands in de werking van de kinderopvanglocatie ».

B.15. Artikel 30 van de Grondwet bepaalt :

« Het gebruik van de in België gesproken talen is vrij; het kan niet worden geregeld dan door de wet en alleen voor handelingen van het openbaar gezag en voor gerechtszaken ».

Artikel 129 van de Grondwet is aangehaald in B.3.2.

B.16.1. Onverminderd de uitzonderingen vermeld in artikel 129, § 2, van de Grondwet wat betreft de gemeenten, de diensten en de instellingen die daarin worden beoogd, wordt het gebruik der talen enkel aan de gemeenschappen toevertrouwd in de drie aangelegenheden bedoeld in artikel 129, § 1, van de Grondwet. Die bevoegdheid is onderscheiden van de materiële bevoegdheden van de gemeenschappen. Uit de bevoegdheid van de gemeenschappen om de aangelegenheid van de opvang van de kinderen in de voorschoolse leeftijd te regelen, vloeit dus niet voort dat de decreetgever door dat enkele feit bevoegd zou zijn om te bepalen in welke taal de kinderopvanglocaties moeten functioneren.

B.16.2. De bevoegdheden waarmee de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten zijn bekleed om uitgaven te doen in het raam van hun openbaar beleid of in de vorm van subsidies toegekend aan publiekrechtelijke of privaatrechtelijke instellingen zijn ondergeschikt aan de materiële bevoegdheid waarvoor die financiële middelen bestemd zijn, onder voorbehoud van de eventuele uitzonderingen waarin de Grondwet of de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen voorziet. Zo behoort de financiering van een beleid tot het « regelen » van de aangelegenheid waaronder dat beleid valt. Een overheid kan geen financiële middelen toekennen aan projecten die niet onder haar bevoegdheden vallen.

B.16.3. De gemeenschappen mogen derhalve niet, middels subsidies, en behoudens de in artikel 129, § 1, van de Grondwet bedoelde aangelegenheden, het gebruik der talen regelen.

B.17.1. Het blijkt duidelijk, zowel uit de tekst van artikel 7, tweede lid, van het decreet van 20 april 2012 als uit het uittreksel van de in B.11.2 aangehaalde memorie van toelichting dat de decreetgever elke mogelijkheid om subsidies te verkrijgen enkel wil voorbehouden aan de structuren die kunnen bewijzen dat de Nederlandse taal daadwerkelijk wordt gebruikt in de werking van de kinderopvanglocatie. Het gaat bijgevolg om een maatregel waarbij het gebruik der talen wordt geregeld.

B.17.2. Aangezien de decreetgever niet bevoegd is om het gebruik der talen te regelen in de opvangvoorzieningen voor kinderen in de voorschoolse leeftijd kan hij geen bepalingen ter zake aannemen, ongeacht het onderwerp van die bepalingen.

B.17.3. Het tweede middel in de zaak nr. 5538 is in die mate gegrond. In artikel 7, tweede lid, van het decreet van 20 april 2012 dienen bijgevolg de woorden « , en het gebruik van het Nederlands in de werking van de kinderopvanglocatie » te worden vernietigd.

B.18.1. Het eerste middel in de zaak nr. 5539 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 30 en 143 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 5, 14, 16, 18 en 28 van het Verdrag inzake de rechten van het kind en met de algemene beginselen van rechtszekerheid, wettigheid en evenredigheid.

Dat middel is gericht tegen de artikelen 6, 7 en 8 van het decreet van 20 april 2012. Het Hof onderzoekt dat middel hier slechts in zoverre artikel 7, tweede lid, van het decreet, dat voorziet in een voorwaarde van taalkennis, erin is beoogd.

B.18.2. De verzoekende partij doet gelden dat door de actieve taalkennis van het Nederlands voor de kinderbegeleiders te vereisen voor het verkrijgen van de basissubsidie, de decreetgever noodzakelijkerwijs een vermindering van het aantal kinderopvanglocaties en dus van het aantal beschikbare plaatsen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad veroorzaakt, alsook een correlatieve verhoging van de financiële last voor de Franse Gemeenschap, die te wijten is aan een significante verhoging van het aantal kinderopvanginstellingen die hun aansluiting bij de Office de la naissance et de l'enfance aanvragen. Zij is van mening dat de decreetgever te dezen een wetgeving heeft aangenomen die niet bestaanbaar is met de federale loyauteit en derhalve artikel 143 van de Grondwet heeft geschonden.

B.18.3. Om de in B.4.7 en B.4.8 uiteengezette redenen is het eerste middel in de zaak nr. 5539 niet gegrond in zoverre artikel 7, tweede lid, van het decreet van 20 april 2012 erin is beoogd.

Wat de middelen betreft die zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met bepalingen van het recht van de Europese Unie

B.19. Het vierde middel in de zaak nr. 5538 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 18, 45 en 49 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), met de artikelen 1 en 7 van de verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie, met artikel 24 van de richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, en met artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest).

In dat middel worden de artikelen 6, § 1, 4°, en 7, tweede lid, van het bestreden decreet beoogd. Het Hof onderzoekt het hier slechts in zoverre het artikel 7, tweede lid, betreft en uitsluitend met betrekking tot de voorwaarde van taalkennis.

Het vierde middel in de zaak nr. 5539 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 18 en 45 van het VWEU, met artikel 3 van de verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap en met de artikelen 21, 24, 34 en 36 van het Handvest.

In dat middel worden de artikelen 7 en 8 van het bestreden decreet beoogd. Het Hof onderzoekt het hier slechts in zoverre het artikel 7, tweede lid, betreft, en uitsluitend met betrekking tot de voorwaarde van taalkennis.

B.20. De verzoekende partijen gaan ervan uit dat artikel 7, tweede lid, van het decreet van 20 april 2012, door het verkrijgen van de basissubsidie afhankelijk te stellen van de door de Vlaamse Regering te bepalen voorwaarden voor de actieve taalkennis van het Nederlands voor de kinderbegeleiders, een beperking in het leven roept van het recht van vrij verkeer van werknemers die onverenigbaar is met het recht van de Europese Unie, en een discriminatie op grond van de taal of de nationaliteit bevat.

B.21. In zoverre het vierde middel in de zaak nr. 5539 de schending aanvoert van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 3 van de verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968, dient te worden vastgesteld dat die verordening is opgeheven en vervangen door de verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie. Het Hof vermag bijgevolg niet de bestreden bepaling te toetsen aan de verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968.

B.22. De basissubsidie afhankelijk stellen van de voorwaarde dat kinderbegeleiders over een actieve kennis van de Nederlandse taal beschikken heeft tot gevolg de personen welke die taal beheersen, bij het zoeken van een betrekking in die sector, te bevoordelen tegenover diegenen die haar niet beheersen.

Die bepaling kan dus het recht van vrij verkeer belemmeren van de werknemers die onderdaan zijn van andere lidstaten, die dat beroep wensen uit te oefenen en die niet kunnen bewijzen dat zij een actieve kennis van die taal bezitten.

B.23. Volgens de in B.11.2 aangehaalde memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet dat tot de bestreden bepaling heeft geleid, strekt de bestreden maatregel, enerzijds, ertoe de regelgeving correct te kunnen interpreteren en toe te passen op de werkvloer en, anderzijds, de verwerving van de Nederlandse taal als de voertaal in de Vlaamse samenleving en als de taal van het Vlaamse onderwijs te stimuleren bij jonge kinderen wier ouders wensen dat zij in die taal worden opgevoed (Parl. St., Vlaams Parlement, 2011-2012, nr. 1395/1, p. 42).

B.24.1. Uit de in B.7 en B.8 vermelde rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt dat het om doelstellingen van algemeen belang gaat die de beperkingen van de bij het VWEU gewaarborgde vrijheid van vrij verkeer adequaat kunnen verantwoorden.

B.24.2. Het Hof dient voorts na te gaan of de in de bestreden bepaling vervatte beperking niet onevenredig is ten aanzien van de aldus nagestreefde doelstellingen.

B.24.3. De vereiste van actieve kennis van het Nederlands ten aanzien van alle kinderbegeleiders gaat niet verder dan datgene wat is vereist door de bij de bestreden bepaling nagestreefde doelstellingen. Opdat elke ouder die wenst dat zijn kind in het Nederlands wordt opgevangen, de garantie heeft dat daaraan zal worden voldaan wanneer hij zich tot een door de Vlaamse overheid gesubsidieerde kinderopvanglocatie wendt, kon de decreetgever immers het noodzakelijk achten dat al het personeel van de gesubsidieerde kinderopvanglocaties het bewijs kan leveren van een voldoende kennis van die taal.

Bovendien blijkt uit de in B.11.2 aangehaalde parlementaire voorbereiding dat de decreetgever eveneens wenst dat er binnen de kinderopvanglocaties « aandacht voor de thuistaal » van het kind is wanneer die niet het Nederlands is, zodat anderstalige kinderen zich eveneens veilig en goed voelen.

B.24.4. De bestreden bepaling preciseert niet wat onder « actieve taalkennis van het Nederlands » dient te worden verstaan. De Vlaamse Regering dient dit nader te bepalen. In de parlementaire voorbereiding werd dienaangaande het volgende verklaard :

« De taalkennis zal bewezen kunnen worden aan de hand van een behaald Nederlandstalig kwalificatiebewijs, of een taaltest (minimum niveau B2 volgens het Europees referentiekader voor de talen) » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2011-2012, nr. 1395/1, p. 43).

Bijgevolg is niet vereist dat de betrokkenen over een Nederlandstalig diploma beschikken. Degenen die dat niet hebben, kunnen een taaltest afleggen. Het in de parlementaire voorbereiding vermelde niveau voor die test is bovendien niet van die aard dat die taaltest overdreven moeilijk zou zijn of niet in verhouding zou staan tot de functie. Het staat in voorkomend geval aan het bevoegde rechtscollege om te onderzoeken of het door de Vlaamse Regering bepaalde niveau in overeenstemming is met die precisering.

B.24.5. Het vierde middel in de zaak nr. 5538 en het vierde middel in de zaak nr. 5539 zijn niet gegrond.

Ten aanzien van artikel 8 van het decreet van 20 april 2012

B.25.1. Artikel 8 van het decreet van 20 april 2012 bepaalt :

« § 1. De organisator met een vergunning voor gezinsopvang of een vergunning voor groepsopvang kan bovenop de subsidie, vermeld in artikel 7, een subsidie ontvangen van Kind en Gezin voor de realisatie van kinderopvang waarvoor de gezinnen betalen op basis van het inkomen, en voor de realisatie van de toegang tot de kinderopvang voor gezinnen die beantwoorden aan kenmerken die bij voorrang betrekking hebben op :

1° de werksituatie, met minstens het kenmerk dat kinderopvang noodzakelijk is om toegang te hebben tot de arbeidsmarkt of om een beroepsgerichte opleiding in het kader hiervan te kunnen volgen, en verder :

2° de financiële situatie;

3° de gezinssamenstelling.

§ 2. Behoudens de bepalingen in § 1 geldt ten aanzien van de kinderopvanglocaties in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad een voorrang voor kinderen waarvan minstens één ouder het Nederlands voldoende machtig is en dit ten belope van maximaal 55 percent van hun opvangcapaciteit.

Om van deze voorrangsregel gebruik te kunnen maken, toont de ouder op een van de volgende wijzen aan dat hij het Nederlands in voldoende mate machtig is :

1° door het voorleggen van minstens het Nederlandstalig diploma van secundair onderwijs of daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs;

2° door het voorleggen van het Nederlandstalig studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs of daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs;

3° door het voorleggen van het bewijs dat hij het Nederlands beheerst minstens op niveau B1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. Dit gebeurt op basis van een van de volgende stukken :

a) een studiebewijs van door de Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs of een daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs, dat het vereiste niveau van kennis van het Nederlands aantoont;

b) een attest van niveaubepaling uitgevoerd door een Huis van het Nederlands dat het vereiste niveau van kennis van het Nederlands aantoont;

4° door het voorleggen van het bewijs van voldoende kennis van het Nederlands na het afleggen van een taalexamen bij het selectiebureau van de federale overheid;

5° door het voorleggen van het bewijs dat hij negen jaar als regelmatige leerling onderwijs heeft gevolgd in het Nederlandstalige lager en secundair onderwijs. Dit gebeurt op basis van attesten daartoe uitgereikt door de betrokken schoolbesturen.

§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt :

1° de nadere regels voor de prijs van de kinderopvang voor de gezinnen, met inbegrip van het principe dat de gezinnen betalen voor de door hen gereserveerde kinderopvangdagen;

2° de voorrangsregels voor de toegang, vermeld in § 1 en § 2, waarbij absolute voorrang is in het kader van de werksituatie, de minimaal te behalen resultaten op dat vlak en de wijze waarop die resultaten worden gemeten;

3° de nadere regels voor de kenmerken, vermeld in § 1, en de wijze waarop ze formeel worden vastgesteld ».

De middelen beogen paragraaf 2 en paragraaf 3, 2°, van die bepaling.

B.25.2. Paragraaf 2 van artikel 8 is ingevoegd bij een amendement dat als volgt is verantwoord :

« De ondersteuning van de verwerving van de Nederlandse taal door jonge kinderen, mede in functie van de realisatie van het gelijkekansenbeleid, is een belangrijke beleidsdoelstelling van de Vlaamse Gemeenschap.

Het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) stelt dat elk kind recht heeft op ontwikkeling. Het is de taak van de overheid om het kind hierin te ondersteunen. Een van de aspecten van de ontwikkeling is taal. Het vlot kunnen spreken van een taal bevordert de deelname aan de samenleving.

Jonge kinderen dienen derhalve, in hun meest gevoelige leeftijd voor taalontwikkeling, op een correcte wijze te worden begeleid, gestimuleerd en omkaderd in hun verwerving van het Nederlands als de voertaal in de Vlaamse samenleving en als de taal van het Vlaamse onderwijs.

Het is daarom van wezenlijk belang dat jonge kinderen in de kinderopvanglocatie ook voldoende kansen krijgen om actief van elkaars Nederlands te leren, door onderlinge communicatie en vrije groepsparticipatie (het zogenaamd ' spelend leren ').

Een dergelijk onderling leerproces verloopt in het Nederlandse taalgebied - alwaar het Nederlands de meerderheidstaal is en het merendeel van de jonge kinderen thuis (minstens ook) in het Nederlands opgevoed worden - grotendeels spontaan. De jonge kinderen wier thuistaal daarbij niet het Nederlands is, worden in deze context gestimuleerd door hun Nederlandssprekende leeftijdsgenootjes om hun eventuele taalachterstand te overbruggen.

In het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad is een dergelijke participatieve en onderlinge Nederlandse taalverwerving evenwel niet altijd evident. Het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad is immers niet alleen een veelkleurige, maar ook bij uitstek een meertalige stad. Deze rijkdom aan talen en culturen is zonder meer een troef, maar betekent tegelijk een bijzondere uitdaging voor de positie van het Nederlands in de (Nederlandstalige gesubsidieerde) kinderopvanglocaties. De inwoners van Brussel kunnen zich - ongeacht of het gaat om Nederlandstaligen, Franstaligen, tweetaligen, taalgemengde gezinnen, anderstaligen of internationale ingezetenen - wenden tot de gemeenschapsinstellingen van hun keuze. Dus ook wat betreft de door de Vlaamse Gemeenschap gesubsidieerde kinderopvanglocaties. Deze kinderopvanglocaties verwelkomen momenteel reeds zowel kinderen uit gezinnen die thuis (ook) Nederlands spreken, als kinderen uit anderstalige gezinnen die (bewust) kiezen voor een (gesubsidieerde) Nederlandstalige dienstverlening.

Nederlandse taalontwikkeling van alle jonge kinderen in deze voorzieningen moet voorop staan in het beleid. Met een beperkt aantal Nederlandstalige kinderen kan er evenwel een taalachterstand dreigen voor zowel de (van huis uit anderstalige) kinderen alsook de kinderen waarvan de thuistaal (minstens ook) het Nederlands is.

Met dit amendement inzake een voorrangsregeling voor Nederlandskundige ouders willen de indieners ten aanzien van de gesubsidieerde kinderopvanglocaties in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, een voorrangsregeling invoeren ter verwezenlijking van een evenwichtige toegang van enerzijds de (van huis uit) Nederlandstalige kinderen en anderzijds de (van huis uit) anderstalige kinderen tot de individuele kinderopvanglocaties » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2011-2012, nr. 1395/4, pp. 7-8).

B.25.3. Uit paragraaf 2 van artikel 8 vloeit voort dat de aanvullende subsidie waarin is voorzien voor de kinderopvanglocaties die beantwoorden aan de in paragraaf 1 van hetzelfde artikel gestelde voorwaarden, in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad wordt voorbehouden aan de kinderopvanglocaties waarin een voorrang van toegang, ten belope van maximaal 55 pct. van hun plaatsen, geldt voor kinderen van wie ten minste één ouder het Nederlands voldoende machtig is.

Wat de middelen betreft die zijn afgeleid uit de schending van artikel 143 van de Grondwet

B.26. Het zesde middel in de zaak nr. 5538, het eerste middel in de zaak nr. 5539 en het vierde middel dat naar voren is gebracht door de tussenkomende partij, zijn afgeleid uit de schending van artikel 143 van de Grondwet en van de beginselen van federale loyauteit en van rechtszekerheid. De verzoekende partijen en de tussenkomende partij verwijten de decreetgever in essentie de bestreden bepaling te hebben aangenomen zonder enig voorafgaand overleg met de Franse Gemeenschap, de Franse Gemeenschapscommissie en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, terwijl zij van mening zijn dat de bijzondere situatie van de kinderopvang in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, die wordt gekenmerkt door een aanzienlijk tekort aan plaatsen en door het toegenomen aantal overheden die voor die aangelegenheid bevoegd zijn, de verplichting van overleg tussen die verschillende overheden oplegde. Zij zijn van mening dat de bestreden maatregel de gevolgen van de demografische groei in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad op onevenredige wijze doet wegen op de door de Office de la naissance et de l'enfance gesubsidieerde voorzieningen en bijgevolg op de financiën van de Franse Gemeenschap.

B.27. Uit het loutere feit dat verschillende overheden bevoegd zijn voor het beleid inzake opvang van kinderen in de voorschoolse leeftijd in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad of dat er in dat gebied sprake zou zijn van een aanzienlijke demografische groei of van een groeiende tekort aan opvangplaatsen voor kinderen in de voorschoolse leeftijd, kan niet worden afgeleid dat door het bestreden artikel 8 aan te nemen zonder voorafgaand overleg met de andere bevoegde overheden, terwijl overleg in die aangelegenheid door de bijzondere wetgever niet is opgelegd, de decreetgever afbreuk zou hebben gedaan aan de federale loyauteit of dat hij het evenredigheidsbeginsel, dat inherent is aan de uitoefening van elke bevoegdheid, zou hebben geschonden. De voorrangsregel die in acht moet worden genomen voor het verkrijgen van een aanvullende subsidie heeft immers niet tot gevolg opvangplaatsen in dat gebied te schrappen. Hij strekt ertoe voorrang in te stellen bij de toegang tot bepaalde bestaande opvangplaatsen en beïnvloedt het totale aantal beschikbare plaatsen niet. Die maatregel heeft dus niet tot gevolg voor de andere overheden die ter zake in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad bevoegd zijn, de uitoefening van hun bevoegdheden onmogelijk of overdreven moeilijk te maken.

B.28. De middelen zijn niet gegrond.

Wat de middelen betreft die zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 22bis, 23, 30 en 191 van de Grondwet, in samenhang gelezen met sommige bepalingen van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met het Verdrag inzake de rechten van het kind en met het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten

B.29. In het derde middel in de zaak nr. 5538, het tweede onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 5539 en in het eerste, tweede en derde middel die naar voren zijn gebracht door de tussenkomende partij, worden verscheidene discriminaties onder kinderen en onder ouders aangeklaagd, naargelang zij al dan niet behoren tot een gezin dat het bewijs kan leveren dat één ouder het Nederlands voldoende machtig is.

De middelen zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet alsook, naar gelang van het geval, van de artikelen 22bis, 23, 30 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, met de artikelen 2, 3, 5, 6, 14, 16, 18 en 28 van het Verdrag inzake de rechten van het kind en met de artikelen 17 en 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.

B.30. Artikel 22bis, derde lid, van de Grondwet bepaalt dat « elk kind [...] recht [heeft] op maatregelen en diensten die zijn ontwikkeling bevorderen ». Artikel 2 van het Verdrag inzake de rechten van het kind verbiedt elke discriminatie tussen kinderen die onder de rechtsbevoegdheid vallen van de Staten die partij zijn bij dat Verdrag. Artikel 3 van hetzelfde Verdrag legt de Staten die partij zijn de verplichting op te waarborgen dat de belangen van het kind de eerste overweging vormen bij alle maatregelen die het kind betreffen en het kind te verzekeren van de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn welzijn.

B.31. Door het recht op de aanvullende subsidie die zij instelt voor te behouden aan de Brusselse kinderopvanglocaties die een voorrang bij de inschrijving, ten belope van maximaal 55 pct. van hun plaatsen, hanteren voor de kinderen van wie één ouder het Nederlands voldoende machtig is, roept de bestreden bepaling een verschil in behandeling onder kinderen in het leven naargelang één van hun ouders al dan niet kan aantonen volgens de door de decreetgever vastgelegde bewijsmethoden dat hij het Nederlands voldoende machtig is. Die kinderen zullen minder kansen van toegang tot de kinderopvangvoorzieningen hebben die een bijkomende subsidie genieten toegekend door Kind en Gezin aan de voorzieningen die een progressief tarief naar gelang van het inkomen van de ouders toepassen.

B.32. Het bestreden verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk het vermogen van één van de ouders van het kind om aan te tonen dat hij het Nederlands voldoende machtig is.

B.33. Uit de in B.25.2 vermelde parlementaire voorbereiding blijkt dat de bestreden bepaling ertoe strekt « een evenwichtige toegang [te verwezenlijken] van, enerzijds, de (van huis uit) Nederlandstalige kinderen en, anderzijds, de (van huis uit) anderstalige kinderen tot de individuele kinderopvanglocaties ». Aldus streeft de decreetgever een wettig doel na dat de in het geding zijnde maatregel adequaat kan verantwoorden. Het Hof dient nog na te gaan of de in de bestreden bepaling vervatte beperking niet onevenredig is met de aldus nagestreefde doelstelling.

B.34.1. In het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad is het gezinsbeleid in de zin van artikel 5, § 1, II, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen een aangelegenheid die door verschillende wetgevers wordt geregeld.

De Vlaamse Gemeenschap is bevoegd ten aanzien van de er gevestigde instellingen die wegens hun organisatie moeten worden beschouwd uitsluitend tot die Gemeenschap te behoren.

De Franse Gemeenschapscommissie is bevoegd ten aanzien van de er gevestigde instellingen die wegens hun organisatie moeten worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de Franse Gemeenschap.

De Franse Gemeenschap blijft bevoegd om hetgeen behoort tot de opdrachten die zijn toegewezen aan de Office de la naissance et de l'enfance te regelen.

De Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie is, wat haar betreft, bevoegd om de aspecten van die aangelegenheid te regelen die ontsnappen aan de bevoegdheid van de drie voormelde decreetgevers.

B.34.2. Gelet op het voorgaande is het niet onredelijk dat instellingen, zoals kinderopvangvoorzieningen, die wegens hun organisatie moeten worden beschouwd uitsluitend tot de Vlaamse Gemeenschap te behoren, in een percentage van voorrang van toegang dienen te voorzien voor gezinnen waarvan een van de ouders het Nederlands voldoende machtig is. Tijdens de bespreking van een soortgelijk amendement als datgene dat tot de bestreden bepaling heeft geleid, in de bevoegde commissie van het Vlaams Parlement, stelde een lid immers vast « dat Nederlandstalige ouders in Brussel vaak moeilijk toegang krijgen tot kinderopvang die gesubsidieerd wordt door Kind en Gezin » en dat « de toegankelijkheid van vergunde kinderopvang voor Nederlandstaligen in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest [diende te] vergroten » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2011-2012, nr. 1395/5, p. 25).

B.35.1. Volgens artikel 8, § 2, tweede lid, kan een ouder op vijf wijzen aantonen dat hij het Nederlands voldoende machtig is. Die stemmen overeen met hetgeen is bepaald in artikel III.3, § 1, 1°, van het decreet van 28 juni 2002 « betreffende gelijke onderwijskansen - I ».

De maatregel zou niet evenredig zijn indien de van de ouders geëiste bewijzen overdreven moeilijk voor te leggen zouden zijn, hetgeen evenwel niet het geval blijkt te zijn, zodat, onder dat voorbehoud, de bestreden bepaling niet kan worden geacht op discriminerende wijze afbreuk te doen aan de rechten van de betrokkenen.

B.35.2. Uit de bestreden bepaling blijkt, ten slotte, dat de voorrang van toegang voor kinderen waarvan minstens één ouder het Nederlands voldoende machtig is, maximum 55 percent van de opvangcapaciteit bedraagt, zodat, zoals de Vlaamse Regering heeft voorgehouden, door de verantwoordelijke van de kinderopvanglocatie een lager percentage van voorrang kan worden vastgesteld.

B.36. Onder het in B.35.1 vermelde voorbehoud, zijn de middelen niet gegrond.

Wat de middelen betreft die zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met bepalingen van het recht van de Europese Unie

B.37. Het vijfde middel in de zaak nr. 5538, het tweede onderdeel van het vierde middel in de zaak nr. 5539 en het vijfde middel dat door de tussenkomende partij naar voren is gebracht, zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen, naargelang het geval, met de artikelen 18, 20, 21, 45, 49 en 56 van het VWEU, met de artikelen 21, 24, 34 en 36 van het Handvest, met de artikelen 2 en 3 van de richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming, met de artikelen 1 en 7 van de verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie, met artikel 24 van de richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, en met artikel 3 van de verordening [EEG] nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap.

De verzoekende partijen en de tussenkomende partij klagen verscheidene bij het recht van de Europese Unie verboden discriminaties onder kinderen en onder ouders, alsook de discriminerende schending van de vrijheid van verkeer en van de vrijheid van vestiging aan.

B.38. Aangezien uit B.35.2 blijkt dat de bestreden bepaling niet de draagwijdte heeft die de verzoekende partijen en de tussenkomende partij eraan geven, kan zij, om redenen die identiek zijn met die welke zijn vermeld in B.34 en B.35, de in de middelen beoogde bepalingen niet schenden.

B.39. De middelen zijn niet gegrond.

Om die redenen,

het Hof

- vernietigt in artikel 7, tweede lid, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 20 april 2012 houdende de organisatie van kinderopvang van baby's en peuters de woorden « , en het gebruik van het Nederlands in de werking van de kinderopvanglocatie »;

- verwerpt de beroepen voor het overige, onder voorbehoud van de interpretatie vermeld in B.35.1.

Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 30 juni 2014.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

J. Spreutels