Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 30 september 2010 (België)

Publicatie datum :
30-09-2010
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
3 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20100930-3
Rolnummer :
108/2010

Samenvatting

Het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest nr. 198.078 van 20 november 2009 in zake Daniel Regaert tegen de Franse Gemeenschap, tussenkomende partij : het Waalse Gewest, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 3 december 2009, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Is artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen in overeenstemming met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het enkel aan de decreetgever impliciete bevoegdheden toekent, zodat het aan de gemeenschappen de mogelijkheid zou bieden om, voor de ambtenaren van wie het statuut tot de bevoegdheid van de wetgevende macht behoort, te voorzien in afwijkingen van de bepalingen van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, terwijl een dergelijke afwijking zou zijn uitgesloten voor de ambtenaren van wie het statuut tot de bevoegdheid van de uitvoerende macht behoort met toepassing van artikel 87, § 1, van de bijzondere wet tot hervorming der instellingen ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. De artikelen 9, 10 en 87, §§ 1, 2 en 5, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bepalen :

« Art. 9. In de aangelegenheden die tot hun bevoegdheid behoren, kunnen de Gemeenschappen en de Gewesten gedecentraliseerde diensten, instellingen en ondernemingen oprichten of kapitaalsparticipaties nemen.

Het decreet kan aan voornoemde organismen rechtspersoonlijkheid toekennen en hun toelaten kapitaalsparticipaties te nemen. Onverminderd artikel 87, § 4, regelt het hun oprichting, samenstelling, bevoegdheid, werking en toezicht.

Art. 10. De decreten kunnen rechtsbepalingen bevatten in aangelegenheden waarvoor de Parlementen niet bevoegd zijn, voor zover die bepalingen noodzakelijk zijn voor de uitoefening van hun bevoegdheid ».

« Art. 87. § 1. Onverminderd artikel 88 beschikt iedere Regering over een eigen administratie, eigen instellingen en eigen personeel.

§ 2. Iedere Regering stelt de personeelsformatie vast van haar administratie en doet de benoemingen. Dit personeel wordt aangeworven door bemiddeling van het Vast Secretariaat voor werving van het Rijkspersoneel.

Het legt de eed af overeenkomstig de wettelijke bepalingen, in handen van de overheid die de Regering daartoe aanwijst.

[...]

§ 5. De regels die van toepassing zijn op de betrekkingen tussen de openbare overheden en de syndicale organisaties van de ambtenaren die van deze overheid afhangen, evenals met de leden van deze syndicale organisaties behoren tot de bevoegdheid van de federale overheid voor wat betreft de Gemeenschappen, de Gewesten en de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen, met inbegrip van het onderwijs, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en de verenigingen van gemeenten tot nut van het algemeen, uitgezonderd voor wat betreft de ' Radio Télévision belge de la Communauté française ' en het ' Commissariat général aux relations internationales de la Communauté française '. De betrokken Regering kan echter beslissen om voor die instellingen de voorheen vernoemde wettelijke beschikkingen toe te passen ».

B.2.1. Het verschil in behandeling waarover aan het Hof een vraag wordt gesteld, vloeit voort uit het feit dat het voormelde artikel 10 in die zin wordt opgevat dat het enkel aan de decreet- of ordonnantiegevers, met uitsluiting van de gemeenschaps- en gewestregeringen, de mogelijkheid voorbehoudt om bepalingen aan te nemen die niet tot hun bevoegdheid behoren.

B.2.2. Rekening houdend met de motivering van het verwijzingsarrest kan de prejudiciële vraag in die zin worden opgevat dat zij betrekking heeft op een verschil in behandeling dat het voormelde artikel 10 zou teweegbrengen tussen ambtenaren naargelang de vaststelling van hun statuut onder de wetgevende dan wel de uitvoerende macht valt : aangezien enkel de eerstgenoemde de impliciete bevoegdheden kan aanwenden overeenkomstig de in het geding zijnde bepaling, zouden de ambtenaren van wie het statuut door haar wordt geregeld - meer bepaald de ambtenaren van de instellingen bedoeld in artikel 9 van de voormelde bijzondere wet -, in tegenstelling tot de ambtenaren van wie het statuut door de laatstgenoemde wordt geregeld en die in het voormelde artikel 87, § 1, worden beoogd, kunnen worden onderworpen aan regels die zouden afwijken van die welke door de federale overheid zijn vastgesteld op grond van de exclusieve bevoegdheid die haar bij het voormelde artikel 87, § 5, wordt toegewezen.

B.3. De verzoeker voor de Raad van State vraagt dat de prejudiciële vraag zou worden « verworpen » daar zij geen weerslag heeft op de grond van het geschil; hij doet gelden dat de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel van toepassing is op de ambtenaren van de gemeenschaps- en gewestregeringen (waarvan hij deel uitmaakt) maar niet op die van de wetgevende vergaderingen van de gemeenschappen en de gewesten.

B.4. Het staat in de regel aan de rechter die de prejudiciële vraag stelt, te bepalen of zij relevant is om het hem voorgelegde geschil te beslechten. Slechts indien dat klaarblijkelijk niet het geval is, vermag het Hof te beslissen dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft.

B.5. Uit de in het verwijzingsarrest vervatte elementen blijkt dat het geschil betrekking heeft op het vaststellen van regels betreffende het vakbondsstatuut van de ambtenaren van de overheidsdiensten, te dezen het ontzeggen van vakbondsverloven aan de houders van een mandaatfunctie.

B.6. De vaststelling van het vakbondsstatuut behoort tot de bevoegdheid van de wetgever. Zo bepaalt artikel 23, tweede lid en derde lid, 1°, van de Grondwet dat « de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel » « het recht op informatie, overleg en collectief onderhandelen » waarborgen.

B.7. In die aangelegenheid komt de uitoefening van de in het in het geding zijnde artikel 10 bedoelde impliciete bevoegdheden dus enkel aan de decreet- of ordonnantiegever toe. Het staat aan hem te onderzoeken of moet worden afgeweken van de in artikel 87, § 5, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bedoelde regels en of, onder de in het voormelde artikel 10 besloten voorwaarden, de impliciete bevoegdheden moeten worden aangewend, en te beslissen of hij in voorkomend geval daaromtrent een machtiging aan de gemeenschaps- of gewestregering verleent.

B.8. Aangezien de in de in het geding zijnde bepaling bedoelde impliciete bevoegdheden, om de in B.6 en B.7 aangegeven redenen, niet door de Regering zelf rechtstreeks kunnen worden uitgeoefend, is het antwoord op de prejudiciële vraag niet dienstig voor de oplossing van het geschil dat bij de verwijzende rechter aanhangig is gemaakt.

B.9. De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 30 september 2010.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Melchior.