Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 5 februari 2015 (België)

Publicatie datum :
05-02-2015
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
10 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20150205-2
Rolnummer :
12/2015

Samenvatting

Het Hof vernietigt de artikelen 61, 62, 63, 64, 65, 66, 67, 68 en 69, tweede lid, van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters A. Alen en J. Spreutels, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 2 juli 2012 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 4 juli 2012, heeft Isabelle Gielen, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Malherbe, advocaat bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 61 tot 69 van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen (betreffende titel IV van boek II en de artikelen 167 tot 173 van het Wetboek diverse rechten en taksen inzake de taks op de effecten aan toonder en de inwerkingtreding ervan), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 december 2011, vierde editie.

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van de situering van de bestreden bepalingen

B.1. De bestreden bepalingen vestigen een belasting op de omzetting van effecten aan toonder in gedematerialiseerde effecten of in effecten op naam overeenkomstig de wet van 14 december 2005 houdende de afschaffing van de effecten aan toonder. Het tarief van de belasting wordt vastgesteld op 1 pct. voor de omzetting gerealiseerd in de loop van het jaar 2012 en op 2 pct. voor de omzetting gerealiseerd in de loop van het jaar 2013.

B.2.1. Met de voormelde wet van 14 december 2005 beoogde de wetgever de geleidelijke afschaffing van de effecten aan toonder.

In de parlementaire voorbereiding van die wet werd die doelstelling toegelicht als volgt :

« Het wetsontwerp is in eerste instantie gericht op de modernisering van het Belgisch recht inzake effecten en in hoofdzaak de effecten die door ondernemingen zijn uitgegeven. Aangezien de effecten aan toonder achterhaald zijn en deze vorm veel nadelen vertoont, licht [lees : ligt] de oplossing, bestaande uit de afschaffing ervan, voor de hand.

De anonimiteit die - in beginsel - het kenmerk is van de effecten aan toonder, alsook de materiële aard van deze effecten, openen in ruime mate de weg voor misbruiken. Uit de aanbevelingen van meerdere internationale instanties blijkt dat deze effecten de financiële criminaliteit en de financiering van het terrorisme in de hand kunnen werken.

De bij de OESO opgerichte financiële werkgroep tegen het witwassen van geld (GAFI (groupe d'action financière sur le blanchiment des capitaux et le financement du terrorisme) heeft herhaaldelijk gewezen op het gevaar dat volgt uit deze vorm van effecten en heeft er sterk voor gepleit dat de lidstaten maatregelen zouden aannemen die de aanwending ervan ernstig beperken of de ermee verbonden anonimiteit afschaffen.

Ook al werd nooit aangetoond dat de effecten aan toonder die uitgegeven worden door juridische instrumenten van Belgisch recht, gebruikt werden door terroristische en/of criminele organisaties, blijft de bezorgdheid om zich te houden aan de aanbevelingen van het GAFI een maatregel die de internationale geloofwaardigheid van België zal versterken.

De effecten aan toonder kunnen tevens leiden tot fiscale fraude. De anonimiteit die ermee gepaard gaat biedt de mogelijkheid tot onwettige verrichtingen teneinde belastingen te ontduiken.

Er moet bovendien ook nog worden onderstreept dat de effecten aan toonder doorgaans één van de middelen zijn waardoor nadeel wordt toegebracht aan de erfrechtelijke reserve en sommige kinderen onwettig worden begunstigd ten nadele van de andere.

De effecten aan toonder zijn weinig aangepast aan de moderne vereisten gesteld aan effecten. Naast het risico van verlies en diefstal zijn de vereisten inzake de bewaring van effecten aan toonder en de inning van coupons zwaar en duur. De fysieke handelingen die vereist zijn voor de eigendomsoverdracht van een dergelijk effect zijn evenmin te verwaarlozen, vooral bij grootschalige uitwisselingen.

Sedert 1991 werd een grondige hervorming doorgevoerd inzake de vorm van leningen van de openbare schuld, die zich vertaalt in een steeds volledigere dematerialisatie.

De voornoemde argumenten vormen een pleidooi voor een hervorming van het Belgisch recht inzake effecten.

[...]

De eerste doelstelling van de hervorming bestaat in de geleidelijke afschaffing van de effecten aan toonder, en bijgevolg van de daaraan verbonden anonimiteit, zulks door middel van de omzetting ervan in gedematerialiseerde effecten of effecten op naam.

In het kader van de geleidelijke verdwijning van de effecten aan toonder heeft de regering in een relatief lange omzettingsperiode voorzien. Die periode loopt tot 2014 voor de effecten uitgegeven vóór de bekendmaking van de ontworpen wet in het Belgisch Staatsblad, zodat de huidige rechthebbenden van effecten aan toonder niet overdreven worden benadeeld en de betrokken emittenten tevens zonder overhaasting tot de nodige aanpassingen kunnen overgaan.

Het is eveneens de bedoeling de investeerders moderne en aantrekkelijke alternatieven aan te bieden voor de effecten aan toonder: door de invoering en modernisering van de gedematerialiseerde effecten, door de creatie van een vereenvoudigd stelsel van gedematerialiseerde effecten, door de modernisering van het stelsel van effecten op naam, en door de aanneming van verschillende maatregelen om hun circulatie te vergemakkelijken » (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-1974/003, pp. 3-5).

B.2.2. In grote lijnen voorziet de wet van 14 december 2005, zoals gewijzigd bij de wetten van 25 april 2007, 20 december 2010 en 21 december 2013, in een vanaf 1 januari 2008 geldend verbod tot het uitgeven en het feitelijk afleveren van nieuwe effecten aan toonder (artikelen 3 en 4), in een omzetting van rechtswege van bepaalde effecten aan toonder in gedematerialiseerde effecten (artikel 5), en in een verplichting om de andere effecten aan toonder uiterlijk op 31 december 2013 om te zetten in effecten op naam of in gedematerialiseerde effecten (artikel 7).

Ten aanzien van de bestreden bepalingen

B.3.1. De verzoekende partij vordert de vernietiging van de artikelen 61 tot en met 69 van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen.

Krachtens artikel 61 van die wet wordt titel IV van boek II van het Wetboek diverse rechten en taksen, titel die was opgeheven bij de wet van 19 juni 1959 en werd vernummerd bij de wet van 19 december 2006, hersteld met als opschrift : « Taks op de effecten aan toonder ».

De artikelen 62 tot en met 68 van die wet voegen in die titel de artikelen 167 tot en met 173 in.

Bij de wet van 13 december 2012 houdende fiscale en financiële bepalingen werden de aldus in het Wetboek diverse rechten en taksen ingevoegde artikelen 172 en 173, om technische redenen, respectievelijk vernummerd tot de artikelen 172/1 en 172/2.

B.3.2. De artikelen 167 tot en met 172/2 van het Wetboek diverse rechten en taksen, zoals ingevoegd bij de wet van 28 december 2011 en vernummerd bij de wet van 13 december 2012, bepalen :

« Art. 167. Er wordt een taks gevestigd op de omzetting van effecten aan toonder in gedematerialiseerde effecten of in effecten op naam overeenkomstig de wet van 14 december 2005 houdende de afschaffing van de effecten aan toonder, met uitzondering van de effecten bedoeld in artikel 2, eerste lid, 1°, van de voormelde wet van 14 december 2005, die op vervaldag komen vóór 1 januari 2014 ».

« Art. 168. Het tarief van de taks wordt vastgesteld op :

- 1 pct. voor de omzetting gerealiseerd in de loop van het jaar 2012;

- 2 pct. voor de omzetting gerealiseerd in de loop van het jaar 2013 ».

« Art. 169. De vorderbare taks wordt berekend op de datum van neerlegging :

a) voor de roerende waarden opgenomen in de gereglementeerde markt of in een multilaterale handelsfaciliteit, volgens de laatste koers vastgesteld voor de datum van neerlegging;

b) voor de effecten van schuldvorderingen die niet zijn toegelaten tot een gereglementeerde markt, op het nominale bedrag van het kapitaal van de schuldvordering;

c) voor de rechten van deelneming in beleggingsinstellingen met een veranderlijk aantal rechten, volgens de laatst berekende inventariswaarde vóór de datum van neerlegging;

d) in alle andere gevallen, op de boekwaarde van de effecten, de interesten daarin niet begrepen, te ramen op de dag van de neerlegging, door degene die de omzetting heeft bewerkt.

Wanneer de waarde van de om te zetten effecten uitgedrukt wordt in vreemde munt, wordt zij omgezet in euro op basis van de verkoopkoers op de datum van neerlegging ».

« Art. 170. De taks wordt betaald :

1° door de tussenpersonen van beroep wanneer de titels aan toonder zijn ingeschreven op een effectenrekening ten gevolge van een neerlegging door de houder;

2° door de uitgevende vennootschappen wanneer de titels zijn neergelegd met het oog op een omzetting in effecten op naam ».

« Art. 171. § 1. De taks is betaalbaar uiterlijk de laatste werkdag van de maand die volgt op deze waarop de neerlegging plaatsvindt.

De taks wordt betaald door storting of overschrijving op de postrekening van het bevoegde kantoor.

Op de dag van de betaling wordt door de belastingschuldige op dat kantoor een opgave ingediend die de maatstaf van heffing opgeeft alsmede alle elementen noodzakelijk ter bepaling ervan.

§ 2. Wanneer de taks niet binnen de in § 1 bepaalde termijn werd betaald, is de interest van rechtswege verschuldigd te rekenen van de dag waarop de betaling had moeten geschieden.

Wanneer de opgave niet binnen de bepaalde termijn werd ingediend, wordt een boete verbeurd van 12,50 euro per week vertraging. Iedere begonnen week wordt voor een gehele week aangerekend.

Iedere onjuistheid of onvolledigheid in de opgave bedoeld in § 1, wordt gestraft met een boete gelijk aan vijfmaal de ontdoken taks zonder dat ze minder dan 250 euro kan bedragen.

§ 3. De elementen die in de in § 1 bedoelde opgave moeten meegedeeld worden, elk stuk waarvan het overleggen nodig is voor de controle van de heffing van de taks evenals het bevoegde kantoor worden door de Koning bepaald ».

« Art. 172/1. Op straf van een boete van 250 euro tot 2.500 euro, zijn de tussenpersonen en de uitgevende vennootschappen gehouden op elke vordering der aangestelden van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen die ten minste de graad van adjunct-verificateur hebben, zonder verplaatsing inzage te verlenen, van hun boeken, contracten en van alle andere bescheiden in verband met de verrichtingen die over openbare fondsen gaan ».

« Art. 172/2. De taks wordt terugbetaald :

1° wanneer de betaalde taks meer bedraagt dan de belasting die naar aanleiding van de omzetting opvorderbaar was;

2° wanneer de intrekking, de wijziging of de verbetering van de beurskoersen de nietigverklaring of de wijziging van de belastbare basis heeft teweeggebracht waarop de taks oorspronkelijk werd gekweten.

De Koning bepaalt de wijze en de voorwaarden voor de terugbetaling.

Er wordt geen gevolg gegeven aan de verzoeken tot terugbetaling van minder dan 5 euro per aangifte ».

B.3.3. Artikel 69 van de wet van 28 december 2011 bepaalt :

« De artikelen 58 tot 60 zijn van toepassing op de beursverrichtingen die vanaf 1 januari 2012 worden gedaan.

De artikelen 61 tot 68 treden in werking op 1 januari 2012 ».

B.4. In de parlementaire voorbereiding worden de bestreden bepalingen toegelicht als volgt :

« In het Wetboek diverse rechten en taksen wordt een Titel IV ingevoegd houdende de invoering van een taks op de omzetting van titels aan toonder in gedematerialiseerde effecten of effecten op naam.

De wet van 14 december 2005 houdende afschaffing van de effecten aan toonder bepaalt dat in de periode tussen 1 januari 2008 en 31 december 2013 alle effecten die nog niet op 1 januari 2008 van rechtswege zijn omgezet in gedematerialiseerde effecten, omgezet dienen te worden in gedematerialiseerde effecten of in effecten op naam.

Gezien op dit ogenblik vele vennootschappen de omzetting nog niet gerealiseerd hebben en gevreesd wordt dat zij het allerlaatste ogenblik afwachten om ze uit te voeren heeft de wetgever maatregelen genomen om te vermijden dat eind 2013 de overgrote meerderheid van de vennootschappen overgaat tot de omzetting.

Hiertoe wordt een taks ingevoerd die hoger wordt naarmate de uiterste datum om de omzetting te realiseren bereikt of overschreden wordt.

De taks beoogt de omzetting van titels aan toonder in ge [de]materialiseerde effecten of effecten op naam door inschrijving op een effectenrekening (dematerialisatie) of neerlegging bij de uitgever (omzetting in effecten op naam).

Het belastbaar feit van de taks is de omzetting van de titels. Worden dus beoogd de omzettingen die gebeuren vanaf 1 januari 2012.

Het tarief van de taks is vastgelegd op 1 % van de waarde van de om te zetten effecten, voor de omzettingen die gerealiseerd worden in 2012. De taks bedraagt 2 % voor de omzettingen die gerealiseerd worden in 2013.

Zij wordt geïnd op het ogenblik van de inschrijving van de effecten op een effectenrekening of van de neerlegging bij de uitgever.

De taks wordt berekend op de waarde van de effecten op de dag van hun inschrijving op een effectenrekening of de neerlegging bij de uitgever met het oog op hun omzetting. Om de schatting in bepaalde van de meest voorkomende gevallen (ter beurs genoteerde effecten, rechten van deelneming in beleggingsinstellingen met een veranderlijk aantal rechten) te vergemakkelijken wordt de belastbare basis forfaitair vastgesteld. In de andere gevallen wordt de belastbare basis bepaald door de venale waarde.

De tussenpersonen van beroep of de uitgevers zijn ertoe gehouden de taks te innen voor de omzettingen die met hun tussenkomst worden uitgevoerd.

De bepalingen betreffende de verplichtingen tot mededeling en de gevallen van teruggave zijn vergelijkbaar met deze die van toepassing zijn inzake [de] taks op de beursverrichtingen en de taks op de aflevering van effecten aan toonder » (Parl. St., Kamer, 2011-2012, DOC 53-1952/004, pp. 46-47).

Ten aanzien van het onderwerp van het beroep

B.5. Zoals het Hof heeft geoordeeld bij zijn arrest nr. 68/2013 van 16 mei 2013, is het beroep niet ontvankelijk in zoverre het is gericht tegen artikel 69, eerste lid, van de wet van 28 december 2011.

Ten gronde

B.6. Het eerste middel is afgeleid uit de schending door de artikelen 167 en 168 van het Wetboek diverse rechten en taksen, zoals ingevoegd bij de artikelen 62 en 63 van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de richtlijn 2008/7/EG van de Raad van 12 februari 2008 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal.

De verzoekende partij voert aan dat de bestreden bepalingen een niet te verantwoorden verschil in behandeling in het leven roepen tussen, enerzijds, de personen die hebben ingeschreven op effecten op naam of op gedematerialiseerde effecten, die het voordeel genieten van het verbod tot het heffen van indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal, zoals voorzien in artikel 5, lid 2, van de richtlijn 2008/7/EG en, anderzijds, de personen die hebben ingeschreven op effecten aan toonder, die niet het voordeel van het voormelde verbod genieten. Zij meent bovendien dat de bestreden bepalingen een tweede niet te verantwoorden verschil in behandeling in het leven roepen, namelijk tussen de personen die hun effecten aan toonder vóór 1 januari 2012 hebben omgezet, die het voordeel van het voormelde verbod genieten, enerzijds, en de personen die hun effecten aan toonder niet voor die datum hebben omgezet, die niet het voordeel van dat verbod genieten, anderzijds.

B.7. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet hebben een algemene draagwijdte. Zij verbieden elke discriminatie, ongeacht de oorsprong ervan : het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is toepasselijk ten aanzien van alle rechten en alle vrijheden, met inbegrip van die welke voortvloeien uit internationale verdragen die België binden.

Artikel 172, eerste lid, van de Grondwet vormt, in fiscale aangelegenheden, een bijzondere toepassing van het in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet vervatte beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie.

B.8.1. Artikel 5, lid 2, van de richtlijn 2008/7/EG van de Raad van 12 februari 2008 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal bepaalt :

« De lidstaten heffen geen enkele indirecte belasting, in welke vorm ook, ter zake van :

a) het opmaken, de uitgifte, de toelating ter beurze, het in omloop brengen of het verhandelen van aandelen, deelbewijzen of andere soortgelijke effecten, alsmede van certificaten van deze stukken, onverschillig door wie zij worden uitgegeven;

b) leningen, met inbegrip van staatsleningen, afgesloten tegen uitgifte van obligaties of andere verhandelbare effecten, onverschillig door wie deze worden uitgegeven, en alle daarmee verband houdende formaliteiten, alsmede het opmaken, de uitgifte, de toelating ter beurze, het in omloop brengen of het verhandelen van deze obligaties of andere verhandelbare effecten ».

B.8.2. Het in artikel 5, lid 2, van de richtlijn 2008/7/EG vermelde verbod dient enigszins te worden genuanceerd, vermits artikel 6 van diezelfde richtlijn bepaalt :

« 1. Niettegenstaande artikel 5 kunnen de lidstaten de volgende rechten en belastingen heffen :

a) al dan niet forfaitaire rechten op de overdrachten van effecten;

b) overdrachtsrechten, daaronder begrepen kadastrale rechten, wegens inbreng van op hun grondgebied gelegen onroerende goederen of handelseigendommen in een kapitaalvennootschap;

c) overdrachtsrechten wegens inbreng van zaken van welke aard ook in een kapitaalvennootschap, voor zover de overdracht van deze zaken geschiedt tegen toekenning van andere waarden dan aandelen;

d) rechten op de vestiging, inschrijving of doorhaling van voorrechten en hypotheken;

e) rechten in de vorm van een vergoeding;

f) btw.

2. De heffing in de vorm van de in lid 1, onder b) tot en met e), genoemde rechten en belastingen verschilt niet naargelang de zetel van de werkelijke leiding of de statutaire zetel van de kapitaalvennootschap zich al dan niet op het grondgebied bevindt van de lidstaat die deze heffing oplegt. Deze rechten en belastingen mogen niet hoger zijn dan die welke wegens andere soortgelijke verrichtingen worden geheven in de lidstaat die de heffing oplegt ».

B.9. Bij zijn arrest nr. 68/2013 van 16 mei 2013 heeft het Hof aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Dient artikel 5, lid 2, van de richtlijn 2008/7/EG van de Raad van 12 februari 2008 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal aldus te worden uitgelegd dat het zich verzet tegen het heffen van een belasting op een bij wet verplichte omzetting van effecten aan toonder in effecten op naam of in gedematerialiseerde effecten, en zo ja, kan zulk een belasting worden verantwoord op grond van artikel 6 van de voormelde richtlijn ? ».

B.10. Bij zijn arrest van 9 oktober 2014, gewezen in de zaak C-299/13, heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie geoordeeld :

« 20. Vooraf zij eraan herinnerd dat, zoals blijkt uit de preambule van richtlijn 69/335, die met ingang van 1 januari 2009 door richtlijn 2008/7 is vervangen, deze richtlijn strekt tot bevordering van het vrije kapitaalverkeer, dat essentieel wordt geacht voor de verwezenlijking van een economische unie waarvan de kenmerken overeenkomen met die van een binnenlandse markt. Het nastreven van dit doel veronderstelt met betrekking tot de belastingheffing op het bijeenbrengen van kapitaal dat de tot dan toe in de lidstaten van kracht zijnde indirecte belastingen worden afgeschaft en vervangen door een eenmalig binnen de gemeenschappelijke markt geheven belasting waarvan de hoogte in alle lidstaten gelijk is (zie arrest HSBC Holdings en Vidacos Nominees, C-569/07, EU: C: 2009: 594, punt 28).

21. In deze context verbiedt artikel 5, lid 1, van richtlijn 2008/7 elke indirecte belasting, in welke vorm ook, ter zake van met name de inbreng van kapitaal. Bovendien verbiedt artikel 5, lid 2, sub a en b, van deze richtlijn de lidstaten een indirecte belasting, in welke vorm ook, te heffen over, enerzijds, het opmaken, de uitgifte, de toelating ter beurze, het in omloop brengen of het verhandelen van aandelen, deelbewijzen of andere soortgelijke effecten, alsmede van certificaten van deze stukken, onverschillig door wie zij worden uitgegeven, en anderzijds, met name leningen, met inbegrip van staatsleningen, afgesloten tegen uitgifte van obligaties of andere verhandelbare effecten, onverschillig door wie deze worden uitgegeven, en alle daarmee verband houdende formaliteiten.

22. Met betrekking tot artikel 11, sub b, van richtlijn 69/335, waarvan de bewoordingen zijn overgenomen in artikel 5, lid 2, sub b, van richtlijn 2008/7, heeft het Hof in zijn arrest FECSA en ACESA (EU: C: 1998: 508, punt 18) verduidelijkt dat, al wordt in deze bepaling niet uitdrukkelijk melding gemaakt van de terugbetaling van een obligatielening, het toestaan van het heffen van belasting bij de terugbetaling van een obligatielening terwijl het heffen van belasting bij de uitgifte van een dergelijke lening is verboden, tot gevolg zou hebben dat in strijd met het door de richtlijn nagestreefde doel de lening als globale verrichting voor het bijeenbrengen van kapitaal aan belasting wordt onderworpen.

23. In het arrest Commissie/België (EU: C: 2004: 450, punt 32) heeft het Hof eveneens geoordeeld dat, ook al maakt artikel 11, sub a, van richtlijn 69/335, dat in dezelfde bewoordingen is opgesteld als artikel 5, lid 2, sub a, van richtlijn 2008/7, niet uitdrukkelijk melding van de eerste verkrijging van aandelen of de afgifte van effecten aan toonder, het toestaan van het heffen van een belasting op de eerste verkrijging van een nieuw uitgegeven effect of van een belasting op de afgifte van effecten aan toonder bij de feitelijke overhandiging van dergelijke effecten in het kader van de uitgifte ervan, in werkelijkheid zou neerkomen op het belasten van de uitgifte zelf van dit effect, voor zover deze integrerend deel uitmaakt van een globale verrichting voor het bijeenbrengen van kapitaal.

24. Uit de rechtspraak van het Hof betreffende de bepalingen van artikel 11 van richtlijn 69/335, en met name de arresten FECSA en ACESA (EU: C: 1998: 508) en Commissie/België (EU: C: 2004: 450), blijkt dus dat overeenkomstig de doelstellingen van deze richtlijn het verbod op de heffing van een belasting ter zake van verrichtingen voor het bijeenbrengen van kapitaal eveneens geldt voor verrichtingen waarvan niet uitdrukkelijk in dat verbod melding is gemaakt wanneer het heffen van een dergelijke belasting erop neerkomt dat belasting wordt geheven op een verrichting die integrerend deel uitmaakt van een globale verrichting voor het bijeenbrengen van kapitaal. Deze uitlegging kan worden toegepast op artikel 5, lid 2, van richtlijn 2008/7, dat artikel 11 van richtlijn 69/335 in identieke bewoordingen overneemt.

25. Ook al wordt in artikel 5, lid 2, sub a, van richtlijn 2008/7, zoals de Belgische regering aanvoert, niet uitdrukkelijk melding gemaakt van de omzetting van aandelen, toch maakt de omzetting van aandelen aan toonder in effecten op naam of in gedematerialiseerde effecten, die verplicht is gesteld bij de wet van 14 december 2005 houdende afschaffing van de effecten aan toonder, in casu deel uit van de uitgifte van aandelen in de zin van artikel 5, lid 2, sub a, van richtlijn 2008/7.

26. Door een taks op deze omzetting in te voeren, komt artikel 167 van het Wetboek in werkelijkheid erop neer dat een belasting wordt geheven op de uitgifte zelf van dat effect voor zover deze integrerend deel uitmaakt van een globale verrichting voor het bijeenbrengen van kapitaal, met als gevolg dat afbreuk wordt gedaan aan de nuttige werking van artikel 5, lid 2, sub a, van de richtlijn (zie in die zin arresten FECSA en ACESA, EU: C: 1998: 508, punten 18 en 19, en Commissie/België, EU: C: 2004: 450, punten 32 en 33).

27. Daaruit volgt dat artikel 5, lid 2, sub a, van richtlijn 2008/7 aldus moet worden uitgelegd dat het verbod om de uitgifte van aandelen aan een indirecte belasting, in welke vorm ook, te onderwerpen, zich verzet tegen een belasting op de omzetting van reeds uitgegeven aandelen aan toonder in gedematerialiseerde effecten of in effecten op naam als de in het hoofdgeding aan de orde zijnde taks.

28. Aangaande de vraag of een dergelijke belasting kan worden verantwoord op grond van artikel 6, lid 1, van richtlijn 2008/7, krachtens hetwelk de lidstaten een belasting op de overdracht van roerende waarden kunnen heffen, heeft het Hof reeds gepreciseerd dat artikel 12 van richtlijn 69/335, waarvan de bewoordingen in wezen overeenkomen met die van artikel 6 van richtlijn 2008/7, een uitzondering vormt op het principiële verbod op belastingen die dezelfde kenmerken vertonen als het inbrengrecht (arrest Grillo Star Fallimento, C-443/09, EU: C: 2012: 213, punt 28).

29. Deze bepaling, die als uitzondering op het verbod van belastingheffing strikt moet worden uitgelegd, kan geen toepassing vinden in het geval van een belasting op de omzetting van aandelen aan toonder als de in het hoofdgeding aan de orde zijnde taks.

30. Bij deze omzetting worden aandelen aan toonder immers omgezet in gedematerialiseerde effecten of in effecten op naam, zonder dat een recht van een eerste houder op een tweede houder overgaat.

31. Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 5, lid 2, van richtlijn 2008/7 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de heffing van een belasting op de omzetting van effecten aan toonder in effecten op naam of in gedematerialiseerde effecten als de in het hoofdgeding aan de orde zijnde taks. Een dergelijke belasting kan niet worden verantwoord op grond van artikel 6 van deze richtlijn ».

B.11. Daaruit blijkt dat artikel 5, lid 2, van de richtlijn 2008/7/EG zich verzet tegen de in de bestreden bepalingen bedoelde belasting en dat die belasting niet kan worden verantwoord op grond van artikel 6 van die richtlijn.

B.12. De door de verzoekende partij aangevoerde verschillen in behandeling zijn, gelet op de voormelde bepalingen van de richtlijn 2008/7/EG zoals geïnterpreteerd door het Hof van Justitie in het aangehaalde arrest, niet redelijk verantwoord.

B.13. Het eerste middel is gegrond.

B.14. De artikelen 62 en 63 van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen - die de artikelen 167 en 168 in het Wetboek diverse rechten en taksen invoegen - dienen te worden vernietigd.

B.15. De overige met het beroep bestreden bepalingen betreffen modaliteiten van de belasting op de omzetting van effecten aan toonder in gedematerialiseerde effecten of in effecten op naam, en zijn aldus onlosmakelijk verbonden met de artikelen 62 en 63 van de wet van 28 december 2011.

Om die reden dienen de artikelen 61, 64, 65, 66, 67, 68 en 69, tweede lid, van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen eveneens te worden vernietigd.

B.16. Vermits het onderzoek van het tweede en het derde middel niet zou kunnen leiden tot een ruimere vernietiging, dienen die middelen niet te worden onderzocht.

Om die redenen,

het Hof

vernietigt de artikelen 61, 62, 63, 64, 65, 66, 67, 68 en 69, tweede lid, van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen.

Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 5 februari 2015.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

A. Alen