Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 5 februari 2015 (België)

Publicatie datum :
05-02-2015
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
12 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20150205-3
Rolnummer :
13/2015

Samenvatting

Het Hof verwerpt het beroep.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en A. Alen, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 27 december 2013 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 30 december 2013, heeft de vzw « Liga van belastingplichtigen », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. T. Afschrift en Mr. S. Chatzigiannis, advocaten bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van hoofdstuk 8 (« Strijd tegen de fraude », artikelen 98 tot 105) van de wet van 17 juni 2013 houdende fiscale en financiële bepalingen en bepalingen betreffende de duurzame ontwikkeling (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 28 juni 2013).

(...)

II. In rechte

(...)

B.1.1. Artikel 449 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals vervangen bij artikel 5 van de wet van 20 september 2012, bepaalde :

« Hij die met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten overtreedt, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en met geldboete van 250 euro tot 500.000 euro of met een van die straffen alleen ».

Bij artikel 98 van de wet van 17 juni 2013 « houdende fiscale en financiële bepalingen en bepalingen betreffende de duurzame ontwikkeling » wordt het volgende lid daaraan toegevoegd :

« Indien de in het eerste lid vermelde inbreuken gepleegd werden in het raam van ernstige fiscale fraude, al dan niet georganiseerd, wordt de schuldige gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot 5 jaar en met een geldboete van 250 euro tot 500.000 euro of met een van die straffen alleen ».

B.1.2. Artikel 73 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals vervangen bij artikel 18 van de wet van 20 september 2012, bepaalde :

« Hij die met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten overtreedt, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en met geldboete van 250 euro tot 500.000 euro of met een van die straffen alleen ».

Bij artikel 99 van de wet van 17 juni 2013 wordt het volgende lid daaraan toegevoegd :

« Indien de in het eerste lid vermelde inbreuken gepleegd werden in het raam van ernstige fiscale fraude, al dan niet georganiseerd, wordt de schuldige gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot 5 jaar en met een geldboete van 250 euro tot 500.000 euro of met een van die straffen alleen ».

B.1.3. Artikel 207 van het Wetboek diverse rechten en taksen, zoals gewijzigd bij artikel 30 van de wet van 20 september 2012, bepaalde :

« Onverminderd de fiscale geldboeten, wordt hij die met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten overtreedt, gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en met geldboete van 250 tot 500.000 euro of met één van die straffen alleen ».

Bij artikel 100 van de wet van 17 juni 2013 wordt het volgende lid daaraan toegevoegd :

« Indien de in het eerste lid vermelde inbreuken gepleegd werden in het raam van ernstige fiscale fraude, al dan niet georganiseerd, wordt de schuldige gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot 5 jaar en met een geldboete van 250 euro tot 500.000 euro of met een van die straffen alleen ».

B.1.4. Artikel 220 van de algemene wet inzake douane en accijnzen bepaalde :

« § 1. Elke kapitein van een zeeschip, elke schipper of patroon van om 't even welk vaartuig, elke voerman, geleider, drager, en alle andere personen, die, bij invoer of bij uitvoer, pogen, hetzij op het eerste, hetzij op elk ander daartoe aangewezen kantoor, de vereiste aangiften te ontgaan en die aldus trachten de rechten van de Schatkist te ontduiken, elke persoon bij wie een door de van kracht zijnde wetten verboden opslag wordt gevonden, worden gestraft met een gevangenisstraf van ten minste vier maanden en ten hoogste één jaar.

§ 2. Bij herhaling beloopt de gevangenisstraf ten minste acht maanden en ten hoogste twee jaar; voor elke verdere herhaling ten minste twee jaar en ten hoogste vijf jaar ».

Bij artikel 101 van de wet van 17 juni 2013 wordt paragraaf 2 vervangen door de volgende tekst :

« Hij die de in § 1 bepaalde inbreuken pleegt met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden en die inbreuken ofwel worden gepleegd in het raam van ernstige fiscale fraude, al dan niet georganiseerd, ofwel de financiële belangen van de Europese Unie ernstig hebben of zouden hebben geschaad en hij die zich in een geval van herhaling bevindt worden gestraft met een gevangenisstraf van 4 maand tot 5 jaar ».

B.1.5. Artikel 45 van de wet van 22 december 2009 « betreffende de algemene regeling inzake accijnzen » bepaalde :

« Iedere overtreding van de bepalingen van deze wet die tot gevolg heeft dat de accijnzen opeisbaar worden, wordt gestraft met een boete van vijf- tot tienmaal de in het spel zijnde accijnzen met een minimum van 250 euro.

Bovendien worden de overtreders bestraft met een gevangenisstraf van vier maanden tot een jaar wanneer accijnsgoederen die worden geleverd of zijn bestemd om te worden geleverd in het land, in het verbruik zijn gesteld zonder aangifte of wanneer het vervoer ervan geschiedt onder dekking van valse of vervalste documenten of wanneer de inbreuk wordt gepleegd in bende van ten minste drie personen.

In geval van herhaling worden de geldboete en de gevangenisstraf verdubbeld.

Benevens vorenvermelde straf worden de goederen waarop de accijnzen verschuldigd zijn, de bij de overtreding gebruikte vervoermiddelen en de voorwerpen die gediend hebben of bestemd waren om de fraude te plegen in beslag genomen en wordt de verbeurdverklaring ervan uitgesproken.

De teruggave van in beslag genomen goederen wordt toegestaan aan de persoon die er eigenaar van was op het ogenblik van de inbeslagneming en die aantoont dat hij vreemd is aan het misdrijf ».

Bij artikel 102 van de wet van 17 juni 2013 wordt het derde lid vervangen door de volgende tekst :

« In geval van herhaling wordt de geldboete verdubbeld. Hij die in het tweede lid bepaalde inbreuken pleegt met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden in het raam van ernstige fiscale fraude, al dan niet georganiseerd, en hij die zich in een geval van herhaling bevindt worden gestraft met een gevangenisstraf van 4 maand tot 5 jaar ».

B.1.6. Artikel 27 van de wet van 7 januari 1998 « betreffende de structuur en de accijnstarieven op alcohol en alcoholhoudende dranken », gewijzigd bij artikel 45 van de wet van 21 december 2009 « houdende fiscale en diverse bepalingen », bepaalde :

« Onverminderd de toepassing van artikel 28 wordt elke overtreding van het bepaalde in deze wet waardoor de invorderbaarheid van de bij de artikelen 5, 9, 12, 15 en 17 vastgestelde accijnzen en bijzondere accijnzen ontstaat, gestraft met een geldboete van vijf- tot tienmaal de ontdoken accijnzen, die minimaal 250 EUR bedraagt.

In geval van herhaling wordt de boete verdubbeld. Ongeacht de vorenvermelde straffen worden de goederen waarop de accijns verschuldigd is, de bij het strafbare feit gebruikte vervoermiddelen, alsmede alle voorwerpen die bij de overtreding gediend hebben of ervoor bestemd waren, in beslag genomen en verbeurd verklaard.

Bovendien worden de overtreders gestraft met een gevangenisstraf van vier maanden tot een jaar :

1° wanneer de producten bedoeld in de artikelen 4, 8, 11, 14 en 16 vervaardigd worden zonder voorafgaande aangifte of onttrokken worden aan de debitering welke voorgeschreven is om voor de heffing van de rechten te zorgen;

2° wanneer het bedrog gepleegd wordt in een geheime inrichting, hetzij in een regelmatig gevestigde fabriek doch elders dan in de aangegeven lokalen ».

Bij artikel 103 van de wet van 17 juni 2013 wordt het volgende lid daaraan toegevoegd :

« Hij die de in vorig lid bepaalde inbreuken pleegt met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden in het raam van ernstige fiscale fraude, al dan niet georganiseerd, en hij die zich in een geval van herhaling bevindt worden gestraft met een gevangenisstraf van 4 maand tot 5 jaar ».

B.1.7. Artikel 13 van de wet van 3 april 1997 « betreffende het fiscaal stelsel van gefabriceerde tabak », gewijzigd bij artikel 40 van de wet van 29 december 2010 « houdende diverse bepalingen (I) », bepaalde :

« Iedere overtreding van deze wetsbepalingen die leidt tot de opeisbaarheid van de door artikel 3 vastgestelde accijns, wordt gestraft met een geldboete van vijf- tot tienmaal de op het spel staande rechten, met een minimum van 250 EUR. Valt namelijk onder de toepassing van die bepaling, de tabaksplanter die zijn beplanting of de opbrengst van zijn oogst geheel of ten dele onttrekt of tracht te onttrekken aan de krachtens artikel 12 eventueel voorgeschreven bewakingsmaatregelen of die, uit welke oorzaak ook, niet al de tabak vertoont waarvan hij het bezit moet rechtvaardigen.

Zo het, bij ontstentenis van inlichtingen nopens de aan de belasting onttrokken hoeveelheid produkten of van andere bepalende gegevens, niet mogelijk is het beloop van de op het spel staande rechten te bepalen, verbeurt de overtreder een geldboete van 6.250 EUR tot 62.500 EUR.

Bij herhaling worden de boetes verdubbeld.

Benevens bovenvermelde strafbepalingen worden de tabak die het voorwerp uitmaakt van een overtreding, de vervoermiddelen die bij de overtreding werden gebruikt, evenals de voorwerpen en de toestellen, gebruikt of bestemd voor de fraude aangeslagen en verbeurd verklaard.

Bovendien lopen de overtreders een gevangenisstraf op van vier maanden tot één jaar :

1° wanneer de produkten die onder toepassing van artikel 3 vallen, gefabriceerd werden zonder voorafgaandelijke aangifte of werden onttrokken aan de voorgeschreven inlastneming ter verzekering van de inning van de accijns;

2° wanneer de fraude gebeurt hetzij in een clandestiene inrichting hetzij in een regelmatig aangegeven fabriek maar elders dan in de behoorlijk aangegeven lokalen ».

Bij artikel 104 van de wet van 17 juni 2013 wordt het volgende lid daaraan toegevoegd :

« Hij die de in vorig lid bepaalde inbreuken pleegt met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden in het raam van ernstige fiscale fraude, al dan niet georganiseerd, en hij die zich in een geval van herhaling bevindt worden gestraft met een gevangenisstraf van 4 maand tot 5 jaar ».

B.1.8. Artikel 436 van de programmawet van 27 december 2004, gewijzigd bij artikel 46 van de wet van 21 december 2009, bepaalde :

« Elke overtreding van dit hoofdstuk waardoor de invorderbaarheid van de in artikel 419 vastgelegde accijnzen ontstaat, wordt bestraft met een geldboete van vijf- tot tienmaal de ontdoken accijnzen met een minimum van 250 EUR.

In geval van herhaling wordt de geldboete verdubbeld.

Ongeacht voormelde strafbepalingen worden de producten waarop accijnzen zijn verschuldigd, de bij de overtreding gebruikte vervoermiddelen alsmede de voorwerpen die bij de overtreding hebben gediend of daartoe waren bestemd, in beslag genomen en verbeurdverklaard.

Bovendien worden de overtreders bestraft met een gevangenisstraf van vier tot twaalf maanden :

1° wanneer de in artikel 415 bedoelde producten zijn vervaardigd zonder voorafgaande aangifte of werden onttrokken aan de voorgeschreven debitering die de heffing van de accijnzen verzekert;

2° wanneer het bedrog wordt gepleegd hetzij in een geheime inrichting, hetzij in een regelmatig gevestigde fabriek doch elders dan in de op regelmatige wijze aangegeven lokalen ».

Bij artikel 105 van de wet van 17 juni 2013 wordt het volgende lid daaraan toegevoegd :

« Hij die de in vorig lid bepaalde inbreuken pleegt met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden in het raam van ernstige fiscale fraude, al dan niet georganiseerd, en hij die zich in een geval van herhaling bevindt worden gestraft met een gevangenisstraf van 4 maand tot 5 jaar ».

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging

Wat betreft de beslissing om het beroep tot vernietiging in te stellen

B.2. De Ministerraad werpt op dat het beroep tot vernietiging onontvankelijk is omdat uit de voorgelegde documenten niet zou blijken dat de verzoekende partij rechtsgeldig heeft beslist om in rechte te treden.

B.3.1. Artikel 7, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof voorziet erin dat het bewijs van de beslissing van het bevoegde orgaan van de rechtspersoon om in rechte te treden « op het eerste verzoek » moet worden voorgelegd. Die formulering laat het Hof toe, zoals het heeft geoordeeld bij zijn arrest nr. 120/2014 van 17 september 2014, om af te zien van een dergelijk verzoek, met name wanneer de rechtspersoon door een advocaat wordt vertegenwoordigd.

Die interpretatie belet niet dat een partij gerechtigd is op te werpen dat de beslissing om in rechte op te treden niet is genomen door het bevoegde orgaan van de rechtspersoon, maar zij moet haar opwerping aannemelijk maken, wat kan met alle middelen van recht.

Wanneer het bewijs van de beslissing om in rechte op te treden wordt voorgelegd, vervalt het vermoeden dat het bevoegde orgaan van de rechtspersoon tijdig en rechtsgeldig heeft beslist om in rechte te treden.

B.3.2. Het verzoekschrift is te dezen ondertekend door twee advocaten die zijn ingeschreven op het tableau van de Franse Orde van advocaten bij de balie te Brussel. Zij vertegenwoordigen de vereniging zonder winstoogmerk die het beroep instelt.

Bij het verzoekschrift is niet alleen een afschrift van de officiële bekendmaking van de statuten van de vereniging gevoegd, maar ook een document waaruit blijkt dat de raad van bestuur van de vereniging op 23 december 2013 heeft beslist om een beroep tot vernietiging tegen de bestreden bepalingen van de wet van 17 juni 2013 in te stellen en om de twee voornoemde advocaten opdracht te geven om in die zin te handelen. Dat document is ondertekend door twee van de oprichters van de vereniging in hun hoedanigheid van bestuurder.

B.3.3. In beginsel komt het de raad van bestuur van een vereniging zonder winstoogmerk toe haar « in en buiten rechte [te vertegenwoordigen] » (artikel 13, tweede tot vierde lid, van de wet van 27 juni 1921 « betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen »).

Uit de statuten van de verzoekende partij, die in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad van 29 december 2010 zijn bekendgemaakt, blijkt bovendien dat het de raad van bestuur is die « de vereniging in en buiten rechte vertegenwoordigt » (artikel 27, eerste lid) en dat « de rechtsvorderingen, als eiser en als verweerder, namens de vereniging door de Raad van bestuur zullen worden ingesteld of ondersteund » (artikel 27, vijfde lid).

B.3.4. De exceptie wordt verworpen.

Wat betreft het belang van de verzoekende partij om de vernietiging van de bestreden bepalingen te vorderen

B.4. De Ministerraad betwist het belang van de verzoekende partij bij de vernietiging van de bestreden bepalingen.

B.5.1. Artikel 142, derde lid, van de Grondwet en artikel 2, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 leggen iedere rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, de verplichting op te doen blijken van een belang.

Van het vereiste belang doen enkel de personen blijken wier situatie rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt door de bestreden norm. De actio popularis is niet toelaatbaar.

B.5.2. Wanneer een vereniging zonder winstoogmerk die niet haar persoonlijk belang aanvoert, voor het Hof optreedt, is vereist dat haar maatschappelijk doel van bijzondere aard is en, derhalve, onderscheiden van het algemeen belang; dat zij een collectief belang verdedigt; dat haar maatschappelijk doel door de bestreden norm kan worden geraakt; dat ten slotte niet blijkt dat dit maatschappelijk doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd.

B.6.1. De vzw « Liga van belastingplichtigen » voert ter ondersteuning van haar beroep het collectieve belang van de bescherming van het wettigheidsbeginsel inzake belastingen aan.

B.6.2. Zij heeft onder andere « tot doel : [...] onder meer via rechtsvorderingen de collectieve of individuele rechten en belangen van burgers en belastingplichtigen inzake fiscaliteit, overheidsuitgaven, reglementering te behartigen en tegen elke vorm van machtsmisbruik te beschermen; in het bijzonder elke maatregel van fiscale, parafiscale of budgettaire orde te bestrijden die het beginsel van de wettigheid van de belasting schendt, of discriminaties ten opzichte van bepaalde belastingplichtigen of bepaalde groepen van belastingplichtigen teweegbrengt, of in strijd is met [het beginsel] van de gelijkheid voor de openbare lasten, of nog afbreuk doet aan het eigendomsrecht, zoals het wordt beschermd door de Belgische Grondwet, en de in België van kracht zijnde internationale overeenkomsten » (artikel 4, eerste lid, van de statuten van de verzoekende vereniging).

Het aspect van haar maatschappelijk doel met betrekking tot het aangevoerde collectieve belang onderscheidt zich bijgevolg van het algemeen belang.

B.6.3. Elk van de wetsbepalingen waarvan de verzoekende partij de vernietiging vordert, voorziet in een strafverzwaring wanneer de fiscale fraude waarvoor een belastingplichtige wordt veroordeeld een ernstig karakter vertoont.

De bestreden bepalingen kunnen het in B.6.2 beschreven maatschappelijk doel van de verzoekende partij rechtstreeks en ongunstig raken.

B.6.4. Uit haar activiteiten blijkt ten slotte dat de verzoekende partij de verwezenlijking van het in B.6.2 beschreven maatschappelijk doel daadwerkelijk nastreeft.

B.7. De exceptie wordt verworpen.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de memorie van de Orde van Vlaamse balies en van Edgar Boydens

B.8.1. De Ministerraad betwist het belang van de tussenkomende partijen.

B.8.2. Artikel 87, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 bepaalt :

« Wanneer het Grondwettelijk Hof uitspraak doet op beroepen tot vernietiging als bedoeld in artikel 1, kan ieder die van een belang doet blijken, zijn opmerkingen in een memorie aan het Hof richten binnen dertig dagen na de bekendmaking voorgeschreven in artikel 74. Hij wordt daardoor geacht partij in het geding te zijn ».

Doet blijken van een belang in de zin van die bepaling, de persoon die aantoont dat zijn situatie rechtstreeks kan worden geraakt door het arrest dat het Hof in verband met het beroep tot vernietiging dient te wijzen.

B.9. Artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt :

« De Orde van Vlaamse balies en de Ordre des barreaux francophones et germanophone hebben, elk voor de balies die er deel van uitmaken, de taak te waken over de eer, de rechten en de gemeenschappelijke beroepsbelangen van hun leden en zijn bevoegd voor de juridische bijstand, de stage, de beroepsopleiding van de advocaten-stagiairs en de vorming van alle advocaten behorende tot de balies die er deel van uitmaken.

Ze nemen initiatieven en maatregelen die nuttig zijn voor de opleiding, de tuchtrechtelijke regels en de loyauteit in het beroep en voor de behartiging van de belangen van de advocaat en van de rechtzoekende.

Elk van beide kan betreffende die aangelegenheden voorstellen doen aan de bevoegde overheden ».

B.10.1. De bestreden bepalingen bevatten geen enkele regel betreffende het statuut van de advocaat of van de rechtzoekende.

De omstandigheid dat bepaalde woorden van die bepalingen ook worden gebruikt in andere wetsbepalingen die, ingevoegd bij de wet van 15 juli 2013 « houdende dringende bepalingen inzake fraudebestrijding », het statuut van de advocaat zouden regelen, volstaat niet om te oordelen dat de bestreden bepalingen hetzelfde doen.

B.10.2. Aangezien de situatie van de tussenkomende partijen, met toepassing van artikel 87, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, dus niet rechtstreeks door het onderhavige arrest kan worden geraakt, doen zij niet blijken van het belang dat bij artikel 87, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 is vereist.

B.11. Hun memorie is onontvankelijk.

Ten aanzien van het eerste middel

B.12. Uit de uiteenzetting van het eerste middel blijkt dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van het woord « ernstige » dat wordt gebruikt in de in B.1 aangehaalde acht wetsbepalingen die zijn gewijzigd bij de artikelen 98 tot 105 van de wet van 17 juni 2013, met de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 15, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.

B.13.1. Artikel 12, tweede lid, van de Grondwet bepaalt :

« Niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft ».

Artikel 14 van de Grondwet bepaalt :

« Geen straf kan worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet ».

B.13.2. Artikel 7.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :

« Niemand kan worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin zal een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was ».

In die bepaling wordt onder meer het « beginsel van de wettigheid van de misdrijven en van de straffen » vastgelegd (EHRM, grote kamer, 21 oktober 2013, Del Río Prada t. Spanje, § 78).

B.13.3. Artikel 15, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten bepaalt :

« Niemand kan worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin, mag een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was. Indien, na het begaan van het strafbare feit de wet mocht voorzien in de oplegging van een lichtere straf, dient de overtreder daarvan te profiteren ».

B.14. Het woord « ernstige » dat wordt gebruikt in artikel 449, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, in artikel 73, tweede lid, van de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, in artikel 207, tweede lid, van het Wetboek diverse rechten en taksen, in artikel 220, § 2, van de algemene wet inzake douane en accijnzen, in artikel 45, derde lid, tweede zin, van de wet van 22 december 2009, in artikel 27, vierde lid, van de wet van 7 januari 1998, in artikel 13, zesde lid, van de wet van 3 april 1997 en in artikel 436, vijfde lid, van de programmawet van 27 december 2004, valt binnen het toepassingsgebied van artikel 12, tweede lid, van de Grondwet. De bestreden bepalingen hebben meer bepaald tot gevolg dat een vervolging die reeds is toegestaan bij de bepalingen die zij wijzigen, tot een zwaardere straf kan leiden indien de fiscale fraude waarop die vervolging betrekking heeft, ernstig is.

B.15. In zoverre zij vereisen dat in elk misdrijf bij de wet moet worden voorzien, hebben artikel 7.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 15, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten een draagwijdte die analoog is aan de voormelde regel van artikel 12, tweede lid, van de Grondwet.

De door die bepalingen verstrekte waarborgen vormen een onlosmakelijk geheel.

B.16. Door aan de wetgevende macht de bevoegdheid te verlenen om te bepalen in welke gevallen strafvervolging mogelijk is, waarborgt artikel 12, tweede lid, van de Grondwet aan elke burger dat geen enkele gedraging strafbaar zal worden gesteld dan krachtens regels aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering.

Het wettigheidsbeginsel in strafzaken dat uit de voormelde grondwettelijke bepaling en internationale bepalingen voortvloeit, gaat bovendien uit van de idee dat de strafwet moet worden geformuleerd in bewoordingen op grond waarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedrag aanneemt, kan uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is. Het vereist dat de wetgever in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen bepaalt welke feiten strafbaar worden gesteld, zodat, enerzijds, diegene die een gedrag aanneemt, vooraf op afdoende wijze kan inschatten wat het strafrechtelijke gevolg van dat gedrag zal zijn en, anderzijds, aan de rechter geen al te grote beoordelingsbevoegdheid wordt gelaten.

Het wettigheidsbeginsel in strafzaken staat evenwel niet eraan in de weg dat de wet aan de rechter een beoordelingsbevoegdheid toekent. Er dient immers rekening te worden gehouden met het algemene karakter van de wetten, de uiteenlopende situaties waarop zij van toepassing zijn en de evolutie van de gedragingen die zij bestraffen.

Aan het vereiste dat een misdrijf duidelijk moet worden omschreven in de wet is voldaan wanneer de rechtzoekende, op basis van de bewoordingen van de relevante bepaling en, indien nodig, met behulp van de interpretatie daarvan door de rechtscolleges, kan weten welke handelingen en welke verzuimen zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid meebrengen.

Enkel bij het onderzoek van een specifieke strafbepaling is het mogelijk om, rekening houdend met de elementen eigen aan de misdrijven die zij wil bestraffen, te bepalen of de door de wetgever gehanteerde algemene bewoordingen zo vaag zijn dat ze het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel zouden schenden.

B.17. De bestreden bepalingen strekken ertoe een van de aanbevelingen te volgen die zijn geformuleerd na afloop van het « parlementair onderzoek naar de grote fiscale fraude-dossiers » (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2756/001 en 2757/001, p. 60; Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2756/005, pp. 6 en 65; Parl. St., Senaat, 2012-2013, nr. 5-2095/3, p. 5). De commissie van de Kamer van volksvertegenwoordigers die dat onderzoek heeft geleid, beval aan om « een strafverzwaring [in te voeren] voor zogenaamde ' ernstige en georganiseerde fiscale fraude ' » (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-0034/004, p. 251).

In die context « [vormt] de strijd tegen de fiscale fraude [...] dan ook ongetwijfeld één van de belangrijkste maatschappelijke doelstellingen van de moderne Westerse samenlevingen ». Hij is « bovendien [...] van substantieel belang voor het vrijwaren van de individuele particuliere en economische belangen » en vormt « het middel bij uitstek om de fiscale en parafiscale druk te doen afnemen en op die manier de nodige zuurstof te geven aan de economie » (ibid., p. 9).

B.18. Gewis vertoont elke fiscale fraude en - bij uitbreiding - elk strafbaar gesteld gedrag een zekere graad van ernst, zo niet zou de wetgever voor dat gedrag geen straffen opleggen. Dat neemt niet weg dat strafbaar gedrag bepaalde gradaties kan vertonen waarvoor de wetgever dienovereenkomstig in evenredige straffen vermag te voorzien.

B.19. Zoals de afdeling wetgeving van de Raad van State opmerkt, voert het woord « ernstige » een « element van onvoorzienbaarheid » in de wet in (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2756/001 en 2757/001, p. 167).

De bestreden bepalingen creëren evenwel, zoals reeds werd opgemerkt in B.14, geen nieuwe strafbaarstelling. Zij voorzien in een strafverzwaring indien het gedrag, waarvan de strafbaarheid reeds vaststaat, als « ernstig » kan worden gekwalificeerd. Bovendien wordt enkel de maximumduur van de gevangenisstraf verhoogd tot vijf jaar. De bestreden bepalingen raken niet aan de minimumduur van de gevangenisstraf, noch aan de bedragen van de geldboeten.

B.20. Ook al laten de bestreden bepalingen aan de rechter een ruime beoordelingsbevoegdheid, toch kennen ze hem geen autonome bevoegdheid inzake strafbaarstelling toe die inbreuk zou maken op de bevoegdheden van de wetgever. De wetgever kan immers, zonder het wettigheidsbeginsel te schenden, de rechter ermee belasten de graad van ernst te beoordelen vanaf welke een strafbare gedraging tot strafverzwaring aanleiding geeft.

Rekening houdend met de verscheidenheid van de situaties die zich in de praktijk kunnen voordoen, dient de rechter de ernst van het strafbare gedrag te beoordelen, niet op grond van subjectieve opvattingen die de toepassing van de bestreden bepalingen onvoorzienbaar zouden maken, maar door objectieve elementen in overweging te nemen en door rekening te houden met de specifieke omstandigheden van elke zaak en met de in het strafrecht geldende beperkende interpretatie.

De bestreden bepalingen maken het de pleger van fiscale fraude dan ook mogelijk op voldoende wijze te weten wat het strafrechtelijke gevolg van zijn gedrag zal zijn.

Daarenboven vereist het wettigheidsbeginsel dat de straf in verhouding staat tot de gepleegde feiten. De opgelegde straf dient derhalve evenredig te zijn aan de ernst van het strafbare gedrag (zie, mutatis mutandis, EHRM, 11 januari 2007, Mamidakis t. Griekenland, § § 44-48; HvJ, 27 september 2007, Collée, C-146/05, punt 40; GwH, 4 februari 2010, nr. 8/2010, B.12; HvJ, 3 december 2014, De Clercq e.a., C-315/13, punt 73).

Door het gebruik van het woord « ernstige » zijn de bestreden bepalingen bestaanbaar met artikel 12, tweede lid, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 15, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.

B.21. Het eerste middel is niet gegrond.

Ten aanzien van het tweede middel

B.22. Uit de uiteenzetting van het tweede middel blijkt dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van de in B.1 aangehaalde acht wetsbepalingen die zijn gewijzigd bij de artikelen 98 tot 105 van de wet van 17 juni 2013, in zoverre zij niet preciseren wat onder « ernstige » fraude moet worden verstaan en aldus een verschil in behandeling doen ontstaan tussen belastingplichtigen die identieke of soortgelijke gedragingen hebben aangenomen.

B.23. Nu uit de beoordeling van het eerste middel voortvloeit dat de bestreden bepalingen voldoende nauwkeurig zijn geformuleerd om bestaanbaar te zijn met het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel, kunnen zij niet worden geacht het aangevoerde verschil in behandeling te doen ontstaan.

B.24. Het tweede middel is niet gegrond.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt het beroep.

Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 5 februari 2015.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

J. Spreutels