Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 6 mei 2010 (België)

Publicatie datum :
06-05-2010
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
3 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20100506-2
Rolnummer :
53/2010

Samenvatting

Het Hof zegt voor recht :

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, de rechters R. Henneuse, L. Lavrysen, J.-P. Moerman en E. Derycke, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter P. Martens, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

a. Bij vonnis van 1 september 2009 in zake Stefaan Desloovere tegen de vzw « Belgisch Bureau van de Autoverzekeraars », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 9 september 2009, heeft de Politierechtbank te Brugge de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt art. 162bis Sv, zoals ingevoegd door de wet van 21 april 2007 [betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat], het gelijkheidsbeginsel, zoals vastgelegd in art. 10 en 11 van de Grondwet, doordat het voorziet dat in een vonnis uitgesproken door een strafrechtbank enkel de beklaagde en de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn veroordeeld worden tot het betalen aan de burgerlijke partij van de rechtsplegingsvergoeding en dus niét het vrijwillig tussenkomend Belgisch Bureau voor Autoverzekeraars, terwijl deze laatste in een vonnis uitgesproken door een burgerlijke rechtbank wel moet (minstens kan) veroordeeld worden tot het betalen van de rechtsplegingsvergoeding zodra ze wordt aangemerkt als ' in het ongelijk gestelde partij ', en dit alles in de hypothese dat de strafrechtbank enkel deze vrijwillig tussenkomende partij heeft veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding ? ».

b. Bij vonnis van 8 oktober 2009 in zake het openbaar ministerie tegen M. Vandendriessche en S. Mauroo, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 21 oktober 2009, heeft de Politierechtbank te Kortrijk de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 162bis 1e lid van het Wetboek van Strafvordering, zoals ingevoerd door de wet van 21 april 2007 [betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat], het gelijkheidsbeginsel, zoals vastgelegd in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het voorziet dat in een vonnis uitgesproken door een strafrechtbank enkel de beklaagde en de personen die voor het misdrijf burgerlijk aansprakelijk zijn veroordeeld worden tot het betalen aan de burgerlijke partij van de rechtsplegingsvergoeding en dus niet de vrijwillig tussenkomende partij terwijl deze laatste in een vonnis uitgesproken door een burgerlijke rechtbank wel moet (minstens kan) veroordeeld worden tot het betalen van de rechtsplegingsvergoeding zodra ze wordt aangemerkt als ' in het ongelijk gestelde partij ', en dit alles in de hypothese dat de vrijwillig tussenkomende partij het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds betreft dat veroordeeld wordt tot het betalen van een schadevergoeding krachtens de artikelen 19bis- 2 2° en 19bis -17 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen ? ».

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 4767 en 4788 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. De prejudiciële vragen hebben betrekking op artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, zoals ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat. Die bepaling wijzigt, samen met de artikelen 8, 10, 11 en 12, verschillende bepalingen van het Wetboek van strafvordering, teneinde het beginsel van de verhaalbaarheid gedeeltelijk uit te breiden tot de door de strafgerechten berechte zaken.

B.1.2. Artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering bepaalt :

« Ieder veroordelend vonnis, uitgesproken tegen de beklaagde en tegen de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn, veroordeelt hen tot het betalen aan de burgerlijke partij van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek.

De burgerlijke partij die rechtstreeks heeft gedagvaard en die in het ongelijk wordt gesteld, zal veroordeeld worden tot het aan de beklaagde betalen van de vergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. De vergoeding wordt bepaald door het vonnis ».

B.2. Uit het vonnis in de zaak nr. 4767 waarbij het Hof wordt ondervraagd, blijkt dat, in tegenstelling tot de vonnissen waarbij het Hof in zijn arrest nr. 70/2009 van 23 april 2009 werd ondervraagd, de verwijzende rechter niet de beklaagde en diens verzekeraar, vrijwillig tussenkomende partij, in solidum heeft veroordeeld tot het vergoeden van de burgerlijke partijen, maar dat bij de afhandeling van de burgerrechtelijke gevolgen van de strafrechtelijke veroordelingen enkel de verzekeraar betrokken was, en niet de veroordeelde.

B.3. Het Hof beperkt zijn onderzoek in de zaak nr. 4767 tot de hypothese waarin, nadat het strafgerecht de verzekerde strafrechtelijk heeft veroordeeld, deze niet verder bij de afhandeling van de burgerlijke belangen wordt betrokken, zodat enkel de verzekeraar wordt veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding. In die hypothese zou, volgens de verwijzende rechter, geen rechtsplegingsvergoeding kunnen worden toegekend lastens de verzekeraar.

B.4. Artikel 82, derde lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst bepaalt :

« De verzekeraar betaalt, zelfs boven de dekkingsgrenzen, de kosten betreffende burgerlijke rechtsvorderingen, alsook de honoraria en de kosten van de advocaten en de deskundigen, maar alleen in zover die kosten door hem of met zijn toestemming zijn gemaakt of, in geval van belangenconflict dat niet te wijten is aan de verzekerde, voor zover die kosten niet onredelijk zijn gemaakt ».

B.5.1. Artikel 89, § 5, van dezelfde wet bepaalt :

« Wanneer het geding tegen de verzekerde is ingesteld voor het strafgerecht, kan de verzekeraar door de benadeelde of door de verzekerde in de zaak worden betrokken en kan hij vrijwillig tussenkomen, onder dezelfde voorwaarden als zou de vordering voor het burgerlijk gerecht gebracht zijn, maar het strafgerecht kan geen uitspraak doen over de rechten die de verzekeraar kan doen gelden tegenover de verzekerde of de verzekeringnemer ».

B.5.2. Het gegeven dat de vzw « Belgisch Bureau van de Autoverzekeraars » (zaak nr. 4767) vrijwillig tussenkomt, staat de toepassing van het voormelde artikel 89, § 5, niet in de weg.

Overeenkomstig artikel 19bis -1 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen vergoedt dat Bureau de schade aan een slachtoffer van een verkeersongeval, indien het ongeval, zoals in het bodemgeschil, door een buitenlands motorrijtuig wordt veroorzaakt. In artikel 2, § 2, van dezelfde wet wordt uitdrukkelijk aangegeven dat het Bureau met een verzekeraar moet worden gelijkgesteld.

B.5.3. Wat het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds betreft (zaak nr. 4788), voorziet de voormelde wet van 21 november 1989 in een regeling die soortgelijk is aan die van artikel 89, § 5, van de wet van 25 juni 1992.

Artikel 19bis -17 van de wet van 21 november 1989 bepaalt :

« Wanneer de burgerlijke vordering tot vergoeding van de door een motorrijtuig veroorzaakte schade wordt ingesteld voor het strafgerecht, kan het Fonds door de benadeelde in het geding worden geroepen en kan het ook vrijwillig tussenkomen onder dezelfde voorwaarden als wanneer de vordering voor het burgerlijk gerecht was gebracht. Wanneer, ingeval van niet-verzekering, het Fonds is overgegaan tot vergoeding van de schade, kan het zich burgerlijke partij stellen tegen de aansprakelijke persoon.

Het Fonds en de aansprakelijke persoon kunnen zich laten vertegenwoordigen onder dezelfde voorwaarden als de burgerlijk aansprakelijke partij ».

B.6. Krachtens artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek neemt de politierechtbank kennis van alle vorderingen tot vergoeding van schade ontstaan uit een verkeersongeval.

B.7. Aangezien, zoals de verwijzende rechter in de zaak nr. 4767 opmerkt, de politierechtbank, indien zij zitting zou houden in burgerlijke zaken, de verzekeraar zou kunnen veroordelen tot een schadevergoeding en tot de rechtsplegingsvergoeding van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, kan zij, wanneer zij uitspraak doet over de burgerlijke rechtsvordering terwijl zij zitting houdt in strafzaken, dezelfde veroordelingen uitspreken met toepassing van artikel 89, § 5, van de wet van 25 juni 1992, ook al voorziet artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering niet expliciet in die hypothese (Cass., 4 maart 2009, P.08.1682.F).

B.8. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat het in de prejudiciële vragen vermelde verschil in behandeling niet bestaat.

B.9. De prejudiciële vragen dienen ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, zoals ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 6 mei 2010.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.