Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 9 oktober 2014 (België)

Publicatie datum :
09-10-2014
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
3 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20141009-8
Rolnummer :
149/2014

Samenvatting

Het Hof zegt voor recht : Artikel 23, § 3, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters A. Alen en J. Spreutels, en de rechters J.-P. Snappe, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest nr. 225.707 van 5 december 2013 in zake Gunther Lambrichts tegen het Vlaamse Gewest, met als tussenkomende partij de nv « JM Recycling », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 12 december 2013, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 23, § 3, van het decreet [van het Vlaamse Gewest] van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, zoals vervangen bij artikel 17 van het decreet van 23 december 2010 houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu en natuur, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat op grond van § 3, eerste lid, van voormelde bepaling de natuurlijke personen en rechtspersonen aan wie de in eerste aanleg genomen beslissing persoonlijk moet worden aangezegd over een volledige termijn van 30 dagen beschikken om administratief beroep aan te tekenen, terwijl § 3, tweede lid, van dezelfde bepaling ten aanzien van diegenen die aangewezen zijn op de bekendmaking via aanplakking de beroepstermijn doet ingaan na de eerste dag dat tot de aanplakking van de beslissing is overgegaan ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. Artikel 23 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning bepaalt :

« § 1. Tegen elke beslissing over vergunningsaanvragen in eerste aanleg genomen door het college van burgemeester en schepenen, kan beroep worden ingediend bij de deputatie van de provincieraad, die uitspraak doet binnen een termijn van vier maanden na ontvangst van het beroepsschrift.

§ 2. Tegen elke beslissing over vergunningsaanvragen in eerste aanleg genomen door de deputatie van de provincieraad, kan beroep worden ingediend bij de Vlaamse regering, die uitspraak doet binnen een termijn van vijf maanden na ontvangst van het beroepsschrift.

§ 3. Het beroep wordt met een aangetekende brief ingediend binnen een termijn van dertig dagen na de eerste dag van de bekendmaking van de bestreden beslissing.

Voor degenen die aangewezen zijn op de bekendmaking via aanplakking, moet het beroep worden ingediend met een aangetekende brief binnen een termijn van dertig dagen na de eerste dag dat tot de aanplakking van de bestreden beslissing is overgegaan ».

B.1.2. Vóór de wijziging ervan bij artikel 17 van het decreet van 23 december 2010 houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu en natuur, luidde artikel 23, § 3, van het voormelde decreet van 28 juni 1985 :

« Het beroep bedoeld in § 1 en § 2 moet worden ingediend bij aangetekend schrijven binnen een termijn van dertig dagen na de bekendmaking van de bestreden beslissing ».

B.1.3. Volgens het arrest nr. 197.447 van 29 oktober 2009 van de Raad van State moest die bepaling zo worden geïnterpreteerd dat voor de belanghebbende derden die kennis krijgen van de vergunningsbeslissing via aanplakking, de termijn van dertig dagen loopt vanaf het verstrijken van de termijn van aanplakking. Indien de bekendmaking bestaat in de aanplakking gedurende een bepaalde termijn, is die bekendmaking volgens die rechtspraak namelijk niet volledig geschied zolang die termijn niet is verstreken.

B.1.4. Ingevolge dat arrest heeft de decreetgever beslist artikel 23, § 3, van het decreet van 28 juni 1985 te wijzigen in de zin zoals aangegeven onder B.1.1. De decreetgever heeft de noodzaak van die wijziging als volgt verantwoord :

« Door deze stelling kunnen zich zware problemen aandienen i.v.m. het halen van alle termijnen voor de verdere afhandeling van de beroepen (ter kennis brengen van een derdeberoep aan de exploitant, advisering, beslissing, bekendmaking) : de aanplakking van de beslissing duurt dertig dagen, daarna een termijn van dertig dagen om in beroep te gaan, eventueel nog eens verlengd met veertien dagen ten gevolge van de toepassing van artikel 19bis van het decreet (onvolledig beroepschrift).

Wanneer een ander ontvankelijk beroep in het begin van de aanplakkingsperiode is ingediend, kunnen er dus al twee en een halve maand voorbij zijn vooraleer met de eigenlijke behandeling van het tweede beroep kan worden begonnen.

Om de duidelijkheid en de werkbaarheid met alle geldende procedurebepalingen te blijven waarborgen moeten de teksten van de artikelen 23, § 3, en 26, § 3, van het MVD daarom dringend worden aangepast » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2010-2011, nr. 665/1, pp. 6 en 7).

B.2.1. De verwijzende rechter vraagt het Hof of de artikelen 10 en 11 van de Grondwet worden geschonden doordat op grond van de in het geding zijnde bepaling, de natuurlijke personen en rechtspersonen aan wie de beslissing over de vergunningsaanvraag persoonlijk wordt aangezegd, over een volledige termijn van dertig dagen beschikken om administratief beroep aan te tekenen, terwijl ten aanzien van degenen die zijn aangewezen op de bekendmaking via aanplakking, de beroepstermijn ingaat de eerste dag nadat tot aanplakking werd overgegaan. Wanneer in dat laatste geval de belanghebbende derden niet de eerste dag na de aanplakking kennis krijgen van de vergunningsbeslissing zal de beroepstermijn waarover ze beschikken derhalve steeds korter zijn dan voor degenen die persoonlijk op de hoogte worden gesteld van die beslissing.

B.2.2. Uit de feiten en uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat het in casu gaat om een milieuvergunning die moest worden verleend door de bestendige deputatie en die betrekking heeft op een inrichting van eerste klasse zoals bedoeld in artikel 9, § 2, van het decreet van 28 juni 1985.

B.3.1. De beroepstermijn die ingaat de dag na die van de persoonlijke kennisgeving of van de aanplakking past, zoals aangegeven in B.1.4, in het kader van de bekommernis om de voortgang van de procedure te bespoedigen en de vergunningsaanvrager zo snel mogelijk rechtszekerheid te verschaffen.

B.3.2. Het verschil in behandeling, wat de aard van de kennisgeving van de vergunningsbeslissing betreft, is redelijk verantwoord. De aanvrager van de vergunning, en de betrokken overheidsinstanties kunnen door de vergunningverlenende overheid onmiddellijk worden geïdentificeerd. Zulks geldt niet voor de belanghebbende derden die rechtstreekse hinder van de vergunde inrichting zouden kunnen ondervinden. In hun geval kan de decreetgever redelijkerwijze ervan uitgaan dat de aanplakking een geschikte vorm van bekendmaking is om hen op de hoogte te brengen van het bestaan van de vergunningsbeslissing.

B.3.3. De decreetgever vermocht, enerzijds, rekening ermee te houden dat, wanneer het gaat om grote projecten, het genoegzaam bekend is dat zij het voorwerp uitmaken van een vergunning en dat, wanneer het gaat om minder grote projecten, de weerslag ervan beperkt zal zijn tot de onmiddellijke omgeving van de plaats waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft. Anderzijds, vermocht hij ervan uit te gaan dat aan het verlenen van een milieuvergunning voor een inrichting van eerste klasse een openbaar onderzoek moet voorafgaan, waaraan ruime bekendheid moet worden gegeven en waardoor belanghebbende derden van het project in kwestie op de hoogte worden gesteld en de verdere afwikkeling ervan kunnen opvolgen. Aldus mag worden aangenomen dat de belanghebbende derden zeer kort na de aanplakking kennis zullen kunnen nemen van de vergunningsbeslissing.

B.3.4. Uit het bovenstaande blijkt dat de decreetgever gestreefd heeft naar een evenwicht tussen, enerzijds, de nood aan een efficiënte procedure die de vergunningsaanvrager rechtszekerheid biedt binnen een redelijke termijn en, anderzijds, de zorg om de belanghebbende derden snel en duidelijk te informeren over de voorgenomen projecten. Aangezien de beroepstermijn dertig dagen bedraagt, wordt het recht op toegang tot de rechter voor de belanghebbende derden niet onevenredig beperkt, doordat die termijn loopt vanaf de eerste dag na de aanplakking.

B.4. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om deze redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 23, § 3, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 9 oktober 2014.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

A. Alen