Hof van Cassatie - Arrest van 11 juni 2010 (België)

Publicatie datum :
11-06-2010
Taal :
Frans - Nederlands
Grootte :
6 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20100611-3
Rolnummer :
C.09.0178.F

Samenvatting

Wanneer een rechtsvordering voor de burgerlijke rechter gegrond is op een overtreding van de strafwet, staat het aan de eiser op de rechtsvordering te bewijzen dat de bestanddelen van het misdrijf verenigd zijn en dat, als de verweerder zich beroept op een rechtvaardigingsgrond die niet van alle geloofwaardigheid verstoken is, die rechtvaardigingsgrond niet bestaat (1). (1) Cass., 30 sept. 2004, AR C.03.0527.F, A.C., 2004, nr. 445.

Arrest

Nr. C.09.0178.F

ASSOCIATION MUTUELLE MEDICALE D'ASSURANCES, AMMA,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. a) P. J.,

b) P. N.,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

2. P & V VERZEKERINGEN, cvba,

3. P.M.,

Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 7 november 2008 gewezen door het hof van beroep te Brussel.

Raadsheer Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert een middel aan:

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 398, 418 en 420 van het Strafwetboek;

- de regels inzake de bewijslast in strafzaken volgens welke het slachtoffer van een misdrijf dat de vergoeding van zijn schade vordert, op ondubbelzinnige wijze het bestaan van elk bestanddeel van de aansprakelijkheid van de vervolgde dader dient aan te tonen alsook daarenboven het niet-bestaan van het ten bewijze hiervan aangevoerde feit of feiten die zijn aansprakelijkheid kunnen uitsluiten;

- voor zoveel nodig, de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek;

- artikel 6.2 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955;

- artikel 149 van de Grondwet.

Aangevochten beslissingen

Het arrest dat het beroepen vonnis op dat punt bevestigt, beslist dat de verzekerde van de eiseres in zijn hoedanigheid van anesthesist een fout heeft begaan die mede de oorzaak was van de schade waarvoor de (eerste verweerders) vergoeding vorderden, stelt haar bijgevolg aansprakelijk en veroordeelt haar tot vergoeding van die schade. Oordelend over de rechtsvorderingen tot vaststelling van hun respectievelijk aandeel in de schade die de eiseres en de tweede samen met de derde verweerster tegen elkaar hebben ingesteld,wijzigt het dat vonnis en oordeelt het dat de fout van de verzekerde van de eiseres de oorzaak was van tweederde van de schade van de eerste verweerders en dat de eiseres bijgevolg de tweede en de derde verweerster moet vrijwaren voor tweederde van de gevolgen van de beslissingen waarbij zij ten voordele van de eerste verweerders veroordeeld worden tot betaling van de hoofdsom, de interesten en de kosten, en voor tweederde van de helft van de door hen in eerste aanleg gemaakte en door de eerste rechter bepaalde kosten en van de helft van hun appelkosten, die voor de derde verweerster op 20.000 euro en voor de tweede verweerster op 5.000 euro zijn begroot. Het beperkt de veroordeling van de tweede en de derde verweerster om de eiseres enkel te vrijwaren tot beloop van een derde van de gevolgen van de veroordelingen die ten voordele van de eerste verweerders uitgesproken zijn in hoofdsom, interesten en kosten, en tot een derde van de helft van de door de eerste rechter begrote kosten, en tot de helft van haar appelkosten die zijn begroot op 20.000 euro. Het verwijst de zaak voor het overige naar de rol. Het beslist aldus op de gronden dat "het college van deskundigen tot de volgende slotsom komt: ‘neen, er was geen sprake van spoed die een ingreep binnen vierentwintig uur noodzakelijk maakte'" en dat "dokter E. zijnerzijds verklaart dat (de derde verweerster) hem te kennen had gegeven dat de ingreep de volgende dag diende te gebeuren precies wegens het risico op insnoering en torsie van de eierstok" en voorts dat "er zich drie nieuwe elementen hebben voorgedaan: - (de derde verweerster) had na haar consultatie daags voordien in de kliniek Edith Cavell het volledige pediatrisch dossier van J. kunnen inkijken; dat dossier bevatte bepaalde medische aanwijzingen dat de gezondheidstoestand van die te vroeg geboren baby te wensen overliet; - J. leed sindsdien aan purulente rhinitis, die de anesthesist E. de ochtend zelf had ontdekt en uitdrukkelijk vermeld had in zijn aan de operatie voorafgaand verslag waarin het volgende te lezen staat: ‘ingeklemde liesbreuk' en ‘sinds deze nacht ontsteking van de hogere luchtwegen (purulente rhinitis), te bespreken met (de derde verweerster)'. Het staat vast dat de anesthesist E. de ouders mededeelde dat het uitstel van de ingreep derhalve diende overwogen te worden; - de anesthesist E. heeft klaar en duidelijk in de rustzaal dat argument van die purulente rhinitis (tegen de derde verweerster) aangegrepen om de operatie te doen uitstellen. (De eiseres) geeft aan dat de anesthesist E. op dat ogenblik nogmaals gewezen werd op het spoedeisend karakter van de ingreep met de bedoeling hem te overtuigen. Wegens de uitgesproken terughoudendheid van anesthesist E. antwoordde (de derde verweerster) ‘dat de verkoudheid geen probleem oplevert en geen contra-indicatie vormt voor de operatie. (Zij) herinnert eraan dat de moeder bang is en vraagt dat de ingreep toch zou doorgaan'. Het staat nochtans vast dat de beslissing om te opereren ondanks de purulente rhinitis van J. foutief was (...). (De derde verweerster) was bovendien volledig op de hoogte van het pediatrisch dossier van J. en zij wist dus hoe fragiel de gezondheidstoestand van dat kind wel was. Niets wijst erop dat zij nauwkeurige inlichtingen heeft gegeven aan de anesthesist E. die inderdaad niet zelf inzage genomen heeft van dat dossier waarvan hij naar eigen zeggen niets afwist. (De derde verweerster) heeft voor de operatie geen enkel schriftelijk stuk overhandigd aan de anesthesist". De eiseres had in haar laatste samenvattende appelconclusie het volgende aangevoerd: "volgens (de derde verweerster) was het risico op insnoering dermate dat een ‘kleine verkoudheid' geen tegenindicatie vormde; (...) de beslissing dat de operatie op die dag, een zaterdag, moest plaatsvinden behoort tot het domein van de chirurg; (...) iedere geneesheer, de pediatrisch chirurg of de anesthesist hebben binnen hun onderscheiden domein hun eigen verantwoordelijkheid (...); de vraag rijst wat de anesthesist, dokter E., had kunnen doen in die spoedeisende situatie die door toedoen van (de derde verweerster) was ontstaan en die wordt omschreven als van aard een necrose van de eierstok te kunnen uitlokken, hetzij een insnoering; (...) die spoed dwong dokter Etienne ertoe om ondanks alles in te stemmen met de anesthesie van J. P.; (...) de door (de derde verweerster) aangevoerde spoed maakte een heelkundige ingreep nodig om een dreigend gevaar voor de kleine J. P. af te wenden. (...) Dokter E. heeft bij de chirurg aangedrongen om de heelkundige ingreep uit te stellen na vaststelling van de purulente rhinitis (...). (De derde verweerster) verdedigde haar standpunt dat de operatie niet mocht worden uitgesteld onder het voorwendsel dat spoed geboden was (...); hierdoor verkeerde dokter E. in een geval van overmacht; (...) indien zou worden aangenomen dat dokter E. een fout heeft begaan door anesthesie toe te passen, zou hij vrijuit gaan; (...) dat is het geval wanneer de schade het gevolg is van een handeling die onontbeerlijk is om een dreigend gevaar af te wenden en (...) in dat geval houdt de aansprakelijkheid op (noodtoestand) (...) ; door te verklaren dat de operatie dringend was omdat er gevaar bestond op insnoering of torsie van de eierstok, heeft (de derde verweerster) een noodtoestand doen ontstaan (daad van een derde) en dus de mogelijkheid van een fout van dokter E. uitgesloten; (...) aldus is (de derde verweerster) als enige verantwoordelijk voor ‘de beslissing om de ingreep uit te voeren alsook voor de wijze, de plaats en het ogenblik van uitvoering' (Th. Vansweevelt, la responsabilité civile du médecin et de l'hôpital, p. 460, nr. 813) en draagt zij dus de volledige verantwoordelijkheid voor het ongeval ; (...) professor F. wijst trouwens met klem op het volgende : ‘le chirurgien assume à l'égard du patient la responsabilité de l'intervention chirurgicale. Il est coordinateur de l'ensemble des actes ayant pour finalité commune le traitement chirurgical du malade' (J.-L. Fagnart, Aspects actuels de la responsabilité médicale, CUP, Droit et médecine, XI, 1996, p. 306) ; (...) het college van deskundigen herinnert trouwens in zijn deskundigenverslag terecht aan het volgende (...) : ‘bij de bespreking bestaat er een relatie tussen de chirurg en de anesthesist waarbij (de derde verweerster) gezagshalve de beslissing neemt in de operatiezaal'". Het arrest beslist het volgende: "wat de meer specifieke rol van de anesthesist betreft antwoorden de deskundigen op de vraag of dokter E. niet van zijn kant de ingreep had moeten weigeren wegens de verkoudheid van J. als volgt: ‘dokter E. had bij zijn weigering moeten blijven om het kind te verdoven. Volgens hem had de chirurg het uitstel van de ingreep geweigerd met het argument dat het uitstel het risico voor J. nog zou vergroten'. Laatstgenoemde stelling van de anesthesist bevat een grond van geloofwaardigheid maar wordt door geen enkel vaststaand gegeven bevestigd. Het is dus niet bewezen dat dokter E. bij de uiteindelijke beoordeling van het risico bij anesthesie, door (de derde verweerster) verkeerdelijk in een toestand van volstrekte noodzakelijkheid, ja zelfs van dwang, werd gebracht, zoals (de eiseres) aanvoert, waardoor hij zich genoodzaakt zag terug te komen op zijn oorspronkelijke beslissing om de anesthesie toe te passen wegens het heel zware risico dat de baby zou hebben gelopen indien zij niet onmiddellijk werd geopereerd".

Grieven

Het feit dat de door de beoefenaar van de geneeskunde verrichte handeling die de lichamelijke integriteit van zijn patiënt aantast, geoorloofd is omdat hij die handeling verricht om hem te verzorgen en te genezen en omdat hij daarbij een wettig doel nastreeft dat zijn ingreep verantwoordt, neemt niet weg dat hij nu eens opzettelijk, dan weer onopzettelijk een slag of een verwonding toebrengt in de zin van de artikelen 398, 418 en 420 van het Strafwetboek; wanneer de patiënt aldus schade lijdt ten gevolge van de fout van een geneesheer die hem heeft verzorgd, is de vordering tot vergoeding van die schade noodzakelijkerwijs gegrond op een overtreding van de strafwet. Daarbij doet het niet ter zake dat het slachtoffer zich uitsluitend tot de burgerlijke rechter wendt en zich daarbij uitsluitend beroept op de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek.

Daaruit kan worden afgeleid dat noodzakelijkerwijze de regels inzake het bewijs en de bewijslast in strafzaken moeten worden toegepast.

Bijgevolg staat het aan het slachtoffer alsook aan ieder ander persoon die de geneesheer aansprakelijk wil stellen, aan te tonen, niet alleen dat elk bestanddeel van het verweten misdrijf met zekerheid vaststaat, maar ook dat, wanneer de verweerder zich beroept op een of meer feiten die een bestanddeel van het misdrijf waarop de rechtsvordering berust, uitsluiten, het aldus aangevoerde verweer elk element van geloofwaardigheid mist. Dat verweer kan niet worden verworpen op grond dat de verweerder het bewijs ervan niet levert of op grond dat het niet wordt bevestigd door andere gegevens van het dossier, aangezien de verweerder het vermoeden van onschuld geniet dat gewaarborgd wordt door artikel 6.2 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Eerste onderdeel

Wanneer de rechter aanneemt dat het middel, waarin de verweerder aanvoert dat hij wegens een gebeurtenis die zijn schuld uitsluit, onmogelijk de fout kon hebben begaan die hem wordt verweten en die een bestanddeel vormt van het misdrijf waarop de aansprakelijkheidsvordering berust, niet alle geloofwaardigheid mist, kan hij dat verweermiddel niet wettig verwerpen en die fout toch in aanmerking nemen op grond dat de gebeurtenis, die genoemde fout uitsluit, niet tevens wordt bevestigd door de verweerder of door andere stukken van het dossier, omdat het ondubbelzinnig bewijs van het niet-bestaan van het feit dat de aansprakelijkheid uitsluit, dient te worden geleverd door de eiser of de eisers op de rechtsvordering.

Het arrest dat aanneemt dat de omstandigheid dat de verzekerde van de eiseres, die de operatie afgeraden had wegens de infectueuze rhinitis van de patiënte, zich gedwongen zag anesthesie toe te passen omdat de derde verweerster de onmiddellijke uitvoering van de ingreep eiste met het argument dat elk uitstel van de ingreep zeer grote risico's inhield, zoals necrose of torsie van een eierstok, een verweermiddel is dat niet alle geloofwaardigheid mist, maar dat genoemd verweermiddel niettemin verwerpt en de verzekerde van de eiseres aansprakelijk acht omdat geen bijkomende bewijzen worden geleverd en het verweermiddel, ofschoon geloofwaardig, niet door andere bewijskrachtige aanwijzingen wordt bevestigd, keert op onwettige wijze de bewijslast in strafzaken om, miskent het beginsel van het vermoeden van onschuld, ontslaat de eisers op de oorspronkelijke vordering of op de tegenvordering, thans de eerste verweerders, van de bewijslast en miskent de regels inzake de burgerrechtelijke aansprakelijkheid wegens een overtreding van de strafwet (schending van alle in het middel aangegeven bepalingen, met uitzondering van artikel 149 van de Grondwet).

Tweede onderdeel

Na eerst uitvoerig de redenen te hebben uiteengezet waarom het oordeelt dat de ingreep waartoe de derde verweerster op 9 september 1989 (lees: 1999) besloten had, geen bijzondere spoed vereiste, besliste het arrest dat het verweermiddel van de verzekerde van de eiseres volgens hetwelk hij zich oorspronkelijk tegen die ingreep had verzet omdat de operatie wegens de purulente rhinitis van het kind moest worden uitgesteld, maar uiteindelijk was gezwicht omdat de derde verweerster de noodzaak van een onmiddellijke ingreep had benadrukt om zware complicaties te voorkomen en die ingreep had geëist, zodat hij zich gedwongen zag aan de operatie mee te werken, een grond van waarheid bevatte, met andere woorden geloofwaardig was, maar dat het niettemin niet kon worden aangenomen omdat het niet bevestigd werd door andere bewijskrachtige gegevens waaruit had kunnen blijken dat de derde verweerster een dergelijke eis zou hebben gesteld die als een dwang kon worden beschouwd, wat tegenstrijdig is. Een dergelijke tegenstrijdigheid staat gelijk met een gemis aan regelmatige motivering en schendt artikel 149 van de Grondwet.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

...

De gegrondheid van het middel

Eerste onderdeel

De geneesheer die in de uitoefening van zijn beroep een fout begaat waardoor de lichamelijke integriteit van zijn patiënt wordt aangetast, maakt zich schuldig aan het misdrijf onopzettelijk toebrengen van slagen en verwondingen als bedoeld in de artikelen 418 en 420 van het Strafwetboek.

Wanneer een rechtsvordering voor de burgerlijke rechter gegrond is op een overtreding van de strafwet, staat het aan de eiser op de rechtsvordering te bewijzen dat alle bestanddelen van het misdrijf verenigd zijn en dat, als de verweerder zich beroept op een rechtvaardigingsgrond die niet van alle geloofwaardigheid verstoken is, die rechtvaardigingsgrond niet bestaat.

Nadat het arrest eerst aanneemt dat de uitleg van de verzekerde van de eiseres volgens hetwelk de chirurg de operatie weigerde uit te stellen met het argument dat uitstel het risico voor het kind zou vergroten, niet elke grond van geloofwaardigheid mist, vermeldt het vervolgens dat die uitleg "door geen enkel vaststaand gegeven wordt bevestigd", dat "het dus niet bewezen is dat (de verzekerde van de eiseres) bij zijn eigen uiteindelijke beoordeling van het risico van de anesthesie door de chirurg ten onrechte (....) in een staat van volstrekte noodzakelijkheid, ja zelfs van dwang, werd gebracht waardoor hij wel moest terugkomen op zijn oorspronkelijke weigering om anesthesie toe te passen, wegens het zeer grote gevaar dat de baby zou hebben gelopen indien hij niet onmiddellijk werd geopereerd".

Het arrest dat niet beslist dat de verweerders het bewijs leveren dat de door de eiseres met een zekere geloofwaardigheid aangevoerde rechtvaardigingsgrond niet bestaat, verantwoordt aldus niet naar recht zijn beslissing dat de verzekerde van de eiseres een fout heeft begaan door niet bij zijn weigering te blijven om het kind te verdoven.

Het onderdeel is gegrond.

Overige grieven

Het tweede onderdeel dat niet tot ruimere cassatie kan leiden, hoeft niet te worden onderzocht.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het uitspraak doet over de vorderingen van het echtpaar P.-P. tegen de eiseres en over de vorderingen tot vrijwaring.

Beveelt dat van het arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, de raadsheren Didier Batselé, Albert Fettweis en Martine Regout, en in openbare terechtzitting van 11 juni 2010 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Beatrijs Deconinck en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,