Hof van Cassatie - Arrest van 11 september 2003 (België)

Publicatie datum :
11-09-2003
Taal :
Frans - Nederlands
Grootte :
1 pagina
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20030911-6
Rolnummer :
C010295N

Samenvatting

Niet ontvankelijk, omdat het een onderzoek vraagt van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is, is het cassatiemiddel gegrond op bepalingen van een Koninklijk Besluit dat niet gepubliceerd is in het Belgisch Staatsblad en niet door de eiser aan het Hof wordt overgelegd en terwijl de bestreden beslissing evenmin de feitelijke vaststellingen bevat die het Hof toelaten de stelling van de eiser te beoordelen.

Arrest

Nr. C.01.0295.N
1. T.W.
2. V.M.
eisers,
vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
tegen
1. VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in de persoon van de minister-president, met kantoren te 1000 Brussel, Martelaarsplein 19,
2. VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in de persoon van de minister-president, met kantoren te 1000 Brussel, Martelaarsplein 19,
verweerders,
vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 3080 Tervuren, Jezus Eiklaan 154, alwaar keuze van woonplaat wordt gedaan.
Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 29 september 2000 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel.
Rechtspleging voor het Hof
Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd.
Middelen
De eisers voeren in hun verzoekschrift twee middelen aan.
Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit.
Beslissing van het Hof
Eerste middel
Eerste onderdeel
Overwegende dat het onderdeel op grond van de specifieke bepalingen van een koninklijk besluit van 24 september 1971 aanvoert dat de specialisatiepremie deel uitmaakt van de rechten waarop de ambtenaren bij hun overheveling recht hadden ;
Dat de eisers evenwel het koninklijk besluit waarvan sprake en dat niet gepubliceerd is in het Belgisch Staatsblad niet overleggen en de appèlrechters evenmin de feitelijke vaststellingen doen die aan het Hof zouden toelaten de stelling van de eisers dat de premie deel uitmaakte van het loon van de ambtenaren, te beoordelen ;
Dat het onderdeel een onderzoek vraagt van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is ;
1.2. Tweede onderdeel
Overwegende dat het onderdeel in wezen aanvoert dat de appèlrechters niet konden beslissen dat de betalingen van de premie geen automatisme betroffen, dat het voornoemd koninklijk besluit van kracht bleef tot wanneer het formeel werd ingetrokken ongeacht of de premie effectief nog werd betaald door de federale overheid en dat de appèlrechters derhalve niet konden oordelen dat de eisers geen verworven rechten hadden ;
Dat het onderdeel volledig berust op de uitlegging van het koninklijk besluit dat niet wordt voorgelegd en waarvan het arrest niet de nodige gegevens weergeeft om het onderdeel te kunnen beoordelen ;
Overwegende dat het middel niet ontvankelijk is ;
1. Tweede middel
Overwegende dat het arrest oordeelt dat de eisers geen recht hebben op rente en kapitalisatie van de rente wegens late betaling van premies verschuldigd voor de jaren 1991 en 1992 op grond van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 november 1993 ;
Dat het arrest dit oordeel baseert op de twee onafhankelijke redenen dat de specialisatiepremies slechts opeisbaar zijn nadat het Rekenhof zijn visum heeft verleend en dat de eisers niet aantonen dat de betaling van de premies te laat is geschied ;
Dat het middel, in zoverre het de feitelijke beoordeling dat niet is aangetoond dat de betaling te laat is geschied bekritiseert, opkomt tegen de beoordeling van feiten door de feitenrechter, mitsdien niet ontvankelijk is ;
Dat het middel, in zoverre het opkomt tegen de reden over de afwezigheid van visum, bij gebrek aan belang niet ontvankelijk is ;
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Verwerpt het cassatieberoep ;
Veroordeelt de eisers in de kosten.
De kosten begroot op de som van vijfhonderd zeventig euro drieënvijftig cent jegens de eisende partijen en op de som van honderd veertien euro vijfenvijftig cent jegens de verwerende partijen.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de raadsheren Ghislain Londers, Eric Dirix, Dirk Debruyne en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van elf september tweeduizend en drie uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem.