Hof van Cassatie - Arrest van 12 september 2003 (België)

Publicatie datum :
12-09-2003
Taal :
Frans - Nederlands
Grootte :
3 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20030912-6
Rolnummer :
C020242N

Samenvatting

De regel dat een zaak gebrekkig is in de zin van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, wanneer zij een abnormaal kenmerk vertoont waardoor zij in bepaalde gevallen schade kan veroorzaken, vereist niet dat het gebrek de zaak ongeschikt maakt voor het gebruik waartoe ze bestemd is (1)(2). (1) Cass., 21 mei 1999, AR C.96.0259.N, nr 302. (2) Zie Cass., 14 november 1986, AR nr 5195, nr 164.

Arrest

Nr. C.02.0242.N
M.B. eiser,
vertegenwoordigd door mr. Adolf Houtekier, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 2800 Mechelen, Battelsesteenweg 95, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
tegen
1. VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in de persoon van de Minister-President, met kabinet te 1000 Brussel, Martelaarsplein 19, voor wie optreedt de Vlaamse Minister bevoegd voor mobiliteit, openbare werken en energie, met kabinet te 1000 Brussel, Graaf de Ferrarisgebouw, Koning Albert II laan 20, bus 1,
verweerder,
vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
2. GEMEENTE OUDENBURG, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, gevestigd in het Gemeentehuis te 8460 Oudenburg, Wetstraat 24,
verweerster, opgeroepen tot bindendverklaring van het arrest.
Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 12 oktober 2001 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge.
Rechtspleging voor het Hof
Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht
Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.
Middel
Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan.
Geschonden wettelijke bepalingen
artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.
Aangevochten beslissingen
Het bestreden vonnis van bevestiging heeft de vordering van eiser om de verweerders in solidum te veroordelen om aan hem de som te betalen van 7.615,14 euro, ongegrond verklaard op de volgende gronden : eiser beschouwt verweerder terecht als "bewaarder van de zaak" in de zin van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Verweerder betwist dat niet maar roept in dat ijzelvorming geen "gebrek in de zaak" is omdat het geen intrinsiek gebrek meebrengt want integendeel een extrinsieke oorzaak van het gebrek is. Bovendien beroept verweerder zich op overmacht. Er moet vooreerst vooropgesteld worden dat de bewaarder van de zaak binnen de context van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek zich niet kan bevrijden door 'overmacht' te bewijzen. Binnen dezelfde context baat het ook niet om aan te tonen dat het gebrek in de zaak geen intrinsiek kenmerk van de zaak is. Evenwel toont eiser niet aan dat er werkelijk sprake is van een 'gebrek in de zaak'. Een gebrek in de zaak waarvoor de bewaarder van de zaak aansprakelijk is overeenkomstig artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, moet begrepen worden als een gebrek dat de zaak ongeschikt maakt tot het gebruik waartoe de zaak bestemd is. In het bijzonder toont eiser niet aan dat het hoegenaamd onmogelijk was om op de weg te rijden. Mocht dat zo zijn, dan zou elk voertuig dat langs kwam geslipt zijn. Zelfs al werd hiervoor aangenomen dat geen fout in hoofde van eiser bewezen is, dan nog impliceert dat op zich niet meteen dat de weg ter plekke niet meer kon gebruikt worden om erop te rijden. Aldus kan eiser zich niet beroepen op artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek nu het feit dat een wegdek glad ligt door ijzel in wezen geen gebrek aan het wegdek bewijst. Elk wegdek is glad in geval van ijzel zonder dat deze uit dien hoofde een gebrek zou doen vertonen.
Grieven
1. Eerste onderdeel
Een zaak is gebrekkig in de zin van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, indien zij een abnormaal kenmerk vertoont waardoor zij in bepaalde omstandigheden schade kan veroorzaken. Het feit dat het gebrek het gevolg is van een natuurverschijnsel is zonder belang. Eiser had in zijn appèlrekwest en appèlconclusie aangevoerd dat hij geconfronteerd werd met een spiegelglad wegdek ingevolge plaatselijke ijzelvorming waardoor hij de controle over zijn wagen verloor en tegen de vangrails terecht kwam en dat de rijbaan, zijnde de zaak waarvan verweerder bewaarder was, aldus wel behept was met een abnormaal gebrek waardoor ze schade kon veroorzaken (appèlrekwest van eiser, p. 3, nrs. 3 en 4 van de appèlconclusie van eiser neergelegd op 4 augustus 2000, p. 4, eerste en tweede gedachtestreepje). Het bestreden vonnis heeft ten onrechte beslist dat een gebrek in de zaak in de zin van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, een gebrek is dat de zaak ongeschikt maakt tot het gebruik waartoe zij bestemd is en dat het feit dat een wegdek glad ligt door ijzel geen gebrek aan het wegdek bewijst louter omdat eiser niet aantoont dat het hoegenaamd onmogelijk was om op de weg te rijden. Op grond van die overwegingen kon het bestreden vonnis niet wettelijk beslissen dat eiser zich niet kan beroepen op artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, vermits een weg als zaak gebrekkig is indien hij een abnormaal kenmerk vertoont waardoor hij in bepaalde omstandigheden schade kan veroorzaken, ook al is het niet hoegenaamd onmogelijk om op die weg te rijden en ook al is dit gebrek het gevolg van een natuurverschijnsel zoals ijzelvorming en vermits het bestreden vonnis niet tegenspreekt dat de weg door zijn gladheid schade kon veroorzaken (schending van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek).
2. Tweede onderdeel
Een zaak is gebrekkig in de zin van het artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, indien zij een abnormaal kenmerk vertoont waardoor zij in bepaalde omstandigheden schade kan veroorzaken. Het bestreden vonnis heeft dan ook ten onrechte beslist dat het feit dat een wegdek glad ligt door ijzel in wezen geen gebrek aan het wegdek bewijst louter omdat een gebrek in de zin van het artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek een gebrek is dat de zaak ongeschikt maakt tot het gebruik waartoe ze bestemd is en omdat eiser niet aantoont dat het hoegenaamd onmogelijk was om op de weg te rijden. Een weg is immers gebrekkig in de zin van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek indien hij een abnormaal kenmerk vertoont waardoor hij in bepaalde omstandigheden schade kan veroorzaken ook al was het niet onmogelijk om op die weg te rijden (schending van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek).
Beslissing van het Hof
Ontvankelijkheid van het middel
Over de door verweerder tegen het middel opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid : voor zover de beide onderdelen van het middel twee onderscheiden grieven bevatten, duiden de twee onderdelen niet afzonderlijk de geschonden wetsbepaling aan :
Overwegende dat de beide onderdelen elk schending aanvoeren van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek ;
Dat de grond van niet-ontvankelijkheid niet kan worden aangenomen ;
1. Het middel
Tweede onderdeel
Overwegende dat een zaak gebrekkig is in de zin van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, wanneer zij een abnormaal kenmerk vertoont waardoor zij in bepaalde omstandigheden schade kan veroorzaken ;
Dat deze wetsbepaling niet vereist dat het gebrek de zaak ongeschikt maakt voor het gebruik waartoe ze bestemd is ;
Overwegende dat het bestreden vonnis geen gebrek in de zin van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek aanneemt op grond dat het niet bewezen is dat het glad wegdek ingevolge ijzel "niet meer kon gebruikt worden om er op te rijden" ;
Dat het bestreden vonnis aldus aan het begrip "gebrek" in de zin van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek een voorwaarde toevoegt die deze wetsbepaling niet inhoudt ;
Dat het onderdeel gegrond is ;
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
eenparig beslissend,
Vernietigt het bestreden vonnis ;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis ;
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ;
Verwijst de zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Veurne, zitting houdende in hoger beroep.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Greta Bourgeois en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van twaalf september tweeduizend en drie uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van eerstaanwezend adjunct-griffier Lisette De Prins.