Hof van Cassatie - Arrest van 15 juni 2010 (België)

Publicatie datum :
15-06-2010
Taal :
Frans - Nederlands
Grootte :
2 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20100615-6
Rolnummer :
P.10.0653.N

Samenvatting

Uit artikel 7 van de overeenkomst tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko betreffende uitlevering, ondertekend te Brussel op 7 juli 1997 en goedgekeurd bij wet van 24 februari 2005, volgt dat in de bedoelde overeenkomst het beginsel "non bis in idem" aldus moet worden uitgelegd dat, behoudens definitieve berechting door de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Staat, geen verbod tot uitlevering aan de verzoekende Staat geldt; wel kunnen redenen voorhanden zijn die een weigering tot uitlevering rechtvaardigen, zoals daar zijn een beslissing van de aangezochte Staat om niet te vervolgen of een einde te stellen aan de ingestelde vervolgingen; ook een berechting door een derde Staat van hetzelfde feit of dezelfde feiten, zij weze voorlopig of definitief, staat een uitlevering aan de verzoekende Staat niet in de weg, zonder dat evenwel een verplichting tot uitlevering bestaat, maar in die gevallen van facultatieve weigering moet de rechter nauwkeurig de redenen en omstandigheden eigen aan de zaak vermelden die naar zijn oordeel de weigering van de uitlevering rechtvaardigen (1). (1) Zie de concl. van het O.M., A.C., 2010, nr. ...

Arrest

Nr. P.10.0653.N

PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE GENT,

eiser,

tegen

D. A. alias D. S.

persoon wiens uitlevering wordt verzocht,

verweerder,

met als raadslieden mr. Benoît Kesteloot, Joachim Meese en Walter Van Steenbrugge, advocaten bij de balie te Gent.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 6 april 2010.

De eiser voert in een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Afdelingsvoorzitter Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ambtshalve middel

Geschonden wettelijke bepaling

- Artikel 7 van de overeenkomst tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko betreffende uitlevering, ondertekend te Brussel op 7 juli 1997 en goedgekeurd bij wet van 24 februari 2005.

1. Artikel 7 van de voornoemde overeenkomst bepaalt: "Uitlevering wordt niet toegestaan wanneer de opgeëiste persoon door de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Partij definitief is berecht wegens het feit of de feiten op grond waarvan uitlevering wordt gevraagd. De uitlevering kan geweigerd worden wanneer de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Partij beslist hebben geen vervolgingen in te stellen of een einde te maken aan de vervolgingen die zij hadden ingesteld wegens hetzelfde feit of dezelfde feiten. De uitlevering kan eveneens worden geweigerd wanneer de gezochte persoon door de autoriteiten van een derde Staat is berecht wegens het feit of de feiten op grond waarvan uitlevering wordt gevraagd."

2. Uit die bepalingen volgt dat in de bedoelde overeenkomst het beginsel "non bis in idem" aldus moet worden uitgelegd dat, behoudens definitieve berechting door de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Staat, geen verbod tot uitlevering aan de verzoekende Staat geldt. Wel kunnen redenen voorhanden zijn die een weigering tot uitlevering rechtvaardigen, zoals daar zijn een beslissing van de aangezochte Staat om niet te vervolgen of een einde te stellen aan de ingestelde vervolgingen. Ook een berechting door een derde Staat van hetzelfde feit of dezelfde feiten, zij weze voorlopig of definitief, staat een uitlevering aan de verzoekende Staat niet in de weg, zonder dat evenwel een verplichting tot uitlevering bestaat.

In die gevallen van facultatieve weigering moet de rechter nauwkeurig de redenen en omstandigheden eigen aan de zaak vermelden die naar zijn oordeel de weigering van de uitlevering rechtvaardigen.

3. Met de redenen die het bevat, leidt het arrest in algemene termen een verplichting tot weigering van het exequatur af uit het bestaan van een in een derde Staat gewezen gerechtelijke beslissing tot buitenvervolgingstelling voor dezelfde feiten, en waartegen geen rechtsmiddel meer openstaat.

Het arrest vermeldt evenwel niet nauwkeurig de redenen en omstandigheden eigen aan de zaak die een dergelijke beslissing van weigering verantwoordt.

Zodoende is de beslissing niet naar recht verantwoord.

Middel

4. Het middel behoeft geen antwoord.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld.

Bepaalt de kosten op 107,47 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Koen Mestdagh en Filip Van Volsem, en op de openbare rechtszitting van 15 juni 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.