Hof van Cassatie - Arrest van 15 maart 2010 (België)

Publicatie datum :
15-03-2010
Taal :
Frans - Nederlands
Grootte :
8 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20100315-2
Rolnummer :
C.09.0320.N

Samenvatting

Uit het eerste, derde, vierde, zesde en zevende lid van artikel 136, § 2 van de Z.I.V.-wet volgt dat de omstandigheid dat een vonnis de vergoedingsplichtige veroordeelt tot schadeloosstelling ten aanzien van de rechthebbende, de verzekeringsinstelling enerzijds niet ontslaat van haar verplichting om de door de Z.I.V.-wet bepaalde prestaties uit te keren totdat het vonnis daadwerkelijk werd uitgevoerd en zij van de uitvoering, minstens van het voornemen daartoe, op de hoogte is gebracht door de vergoedingsplichtige, en anderzijds haar niet het recht ontneemt door middel van haar subrogatoir verhaalsrecht de terugbetaling te vorderen van de prestaties die zij heeft uitgekeerd totdat zij door de vergoedingsplichtige werd ingelicht overeenkomstig het zesde lid van voormeld artikel (1). (1) Zie Cass., 29 mei 2006, AR C.05.0253.N, A.C., 2006, nr 294.

Arrest

Nr. C.09.0320.N

LANDSBOND VAN DE ONAFHANKELIJKE ZIEKENFONDSEN, mutualistische vereniging, met zetel te 1150 Sint-Pieters-Woluwe, Sint-Huibrechtsstraat 19,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

AXA BELGIUM, naamloze vennootschap, met zetel te 1170 Watermaal-Bosvoorde, Vorstlaan 25, die woonplaats kiest bij gerechtsdeurwaarder Sabine Deroose, met kantoor te 1050 Elsene, Dautzenbergstraat 21,

verweerster,

en ten aanzien van

L.M.

partij opgeroepen tot bindendverklaring van het arrest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 15 december 2008 in hoger beroep gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen.

De zaak is bij beschikking van de voorzitter van 22 februari 2010 verwezen naar de derde kamer.

Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1249, 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 31 en 1053 van het Gerechtelijk Wetboek;

- de artikelen 136, §2, in het bijzonder het eerste, derde, vierde, zesde en zevende lid, en 164, in het bijzonder het eerste lid, van de bij koninklijk besluit van 14 juli 1994 gecoördineerde wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen (hierna de GVU-wet)

Aangevochten beslissing

Het bestreden vonnis verklaart het hoger beroep van eiser ontoelaatbaar en het hoger beroep van verweerster tegen eiser toelaatbaar en gegrond en hervormt het bestreden vonnis in die zin dat het de oorspronkelijke vordering van eiser tegen verweerster ontoelaatbaar verklaart op grond van de volgende motieven:

"II Procedure:

(...)

Op 24 december 2007 heeft M.L. de vonnissen van 4 juni en 15 oktober 2007 laten betekenen zowel aan de Landsbond als aan Axa Belgium nv.

Het hoger beroep van de Landsbond van Onafhankelijke Ziekenfondsen is bijgevolg tijdig. Het is bovendien regelmatig naar de vorm.

Het is echter niet toelaatbaar (artikel 1053 van het Gerechtelijk Wetboek; zie in die zin: Broeckx, K., Het recht op hoger beroep en het beginsel van de dubbele aanleg in het civiele geding, Antwerpen, Maklu, 1995, pp. 219-220, nrs. 483-484).

Axa Belgium nv werd immers reeds in een strafprocedure veroordeeld om de schade van M.L. te vergoeden.

Nu is de Landsbond van Onafhankelijke Ziekenfondsen gesubrogeerd in de rechten van M.L.

Met haar dagvaarding van 2 juni 2003 probeert de Landsbond van Onafhankelijke Ziekenfondsen echter om nogmaals de veroordeling van Axa Belgium nv te bekomen tot betaling van diezelfde schade.

Dit kan evenwel niet aangezien de Landsbond van Onafhankelijke Ziekenfondsen als gesubrogeerde in de rechten van M.L. niet meer kan vorderen dan wat M.L. zelf kon vorderen en de rechten van deze laatste ten aanzien van Axa Belgium nv reeds volledig werden uitgeput.

De Landsbond van Onafhankelijke Ziekenfondsen heeft dan ook van meet af aan de verkeerde procedure gevoerd (voortzetting voor de strafrechter) of de verkeerde partij gedagvaard (mogelijkerwijze omdat zij haar eigen aangeslotene niet wilde dagvaarden).

Minstens heeft zij, in dit laatste geval, nagelaten om benevens Axa Belgium nv ook M.L. te dagvaarden aangezien door haar handelswijze een toestand van onsplitsbaarheid ontstond.

Dit was ook reeds zo voor de eerste rechter maar toen heeft niemand dat uitdrukkelijk opgeworpen.

Het feit dat Axa Belgium nv inmiddels zelf ook hoger beroep heeft ingesteld en dat zij dit zowel tegen de Landsbond van Onafhankelijke Ziekenfondsen als tegen M.L. heeft gedaan, verandert niets aan het voorgaande.

Het is immers de Landsbond van Onafhankelijke Ziekenfondsen zelf die (zijn oorspronkelijke vordering en) zijn hoger beroep ook tegen M.L. had moeten richten.

De wet is terzake formeel.

Het hoger beroep van Axa Belgium nv is eveneens tijdig. Het is bovendien regelmatig naar de vorm en toelaatbaar.

De grieven van Axa Belgium nv tegen het eerste vonnis blijken namelijk voldoende uit haar verzoekschrift tot hoger beroep en aangezien het geschil onsplitsbaar is, moest Axa Belgium nv onvermijdelijk haar hoger beroep ook tegen M.L. richten of hem erbij betrekken.

III. Grond van de zaak:

Gelet op het voorgaande is het hoger beroep van Axa Belgium nv alleszins gegrond.

De oorspronkeijke vordering van de Landsbond van Onafhankelijke Ziekenfondsen was immers, zoals ingesteld, ontoelaatbaar (artikel 31 van het Gerechtelijk Wetboek)."

Grieven

Krachtens artikel 136, §2, eerste lid, GVU-wet worden de bij deze wet bepaalde prestaties in de regel geweigerd indien voor de schade voortvloeiend uit ziekte, letsels, functionele stoornissen of overlijden, "werkelijk schadeloosstelling is verleend" krachtens een andere Belgische wetgeving, een vreemde wetgeving of in het gemeen recht.

Artikel 136, §2, derde lid, van dezelfde wet preciseert echter dat onder de door de Koning te bepalen voorwaarden, de in de wet bedoelde prestaties wel worden toegekend "in afwachting dat de schade effectief wordt vergoed" krachtens die andere Belgische of vreemde wetgeving of in het gemeen recht.

In dat geval treedt, overeenkomstig artikel 136, §2, vierde lid, GVU-wet, de in die wet bedoelde verzekeringsinstelling rechtens in de plaats van de rechthebbende, en dit tot beloop van het bedrag van de verleende prestaties, voor het geheel van de sommen die krachtens de andere Belgische wetgeving, de buitenlandse wetgeving of het gemeen recht ten titel van schadevergoeding aan het rechthebbende slachtoffer is verschuldigd.

Uit voormelde wetsbepalingen volgt enerzijds, dat de verzekeringsinstelling gehouden is de in de GVU-wet bepaalde prestaties te verlenen zolang de rechthebbende niet daadwerkelijk schadeloos werd gesteld door degene die krachtens een andere Belgische of vreemde wetgeving of in het gemeen recht tot schadeloosstelling is gehouden, en anderzijds dat de verzekeringsinstelling voor die in afwachting uitgekeerde prestaties gesubrogeerd wordt in de rechten van het rechthebbende slachtoffer en in die hoedanigheid een vorderingsrecht heeft tegen de vergoedingsplichtige krachtens de andere wetgeving of het gemeen recht.

Eerste onderdeel

De omstandigheid dat er een akkoord tussen slachtoffer en vergoedingsplichtige bestaat of dat er een vonnis bestaat dat de vergoedingsplichtige tot schadeloosstelling ten aanzien van het slachtoffer veroordeelt, ontslaat de verzekeringsinstelling niet van haar verplichting om de door de GVU-wet bepaalde prestaties uit te keren totdat het akkoord of het vonnis daadwerkelijk is uitgevoerd en zij hiervan op de hoogte is gesteld.

Om te vermijden dat de rechthebbende de uitkeringen van de GVU-wet en de krachtens een andere wetgeving of het gemeen recht verschuldigde vergoedingen zou cumuleren, schrijft artikel 136, §2, zesde lid, GVU-wet voor dat degene die schadeloosstelling is verschuldigd, de verzekeringsinstelling op de 'hoogte moet stellen van zijn voornemen om de rechthebbende te betalen, in voorkomend geval met overmaking van een kopie van het akkoord of van het vonnis op grond waarvan de schadeloosstelling gebeurt.

Bij niet-nakoming van die informatieverplichting kan de vergoedingsplichtige de door hem uitgevoerde schadeloosstelling niet tegenwerpen tegen de verzekeringinstelling die de prestaties van de GVU-wet is blijven uitkeren, zo bepaalt, artikel 136, §2, zevende lid, GVU-wet.

Voormelde wetsbepalingen bevestigen dat de verzekeringsinstelling de prestaties van de GVU-wet verschuldigd blijft zolang de rechthebbende niet daadwerkelijk werd vergoed, hetzij krachtens een akkoord, hetzij krachten een vonnis, minstens totdat de verzekeringsinstelling door de vergoedingsplichtige op de hoogte is gebracht van het voornemen om daadwerkelijk tot schadeloosstelling over te gaan. Zolang wordt de verzekeringsinstelling gesubrogeerd in de rechten van de rechthebbende en bezit zij op grond van dat subrogatierecht een terugvorderingsrecht tegen de vergoedingsplichtige.

Enkel bij onverschuldigd betaalde uitkeringen kan de verzekeringsinstelling niet van de vergoedingsplichtige terugvorderen, maar heeft zij enkel een terugvorderingsrecht tegen de rechthebbende zelf, overeenkomstig artikel 164, in het bijzonder eerste lid, GVU-wet.

Uit de niet betwiste feitelijke gegevens van de conclusies van partijen en uit de feitelijke vaststellingen van het bestreden vonnis blijkt dat:

- verweerster bij strafrechtelijk vonnis van 8 mei 2000 werd veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan het slachtoffer van het ongeval, de heer L. , thans in gemeenverklaring opgeroepen partij;

- dat voormeld vonnis gemeen werd verklaard aan eiser, dat het vonnis zich niet uitsprak over de onderlinge verhouding tussen eiser en verweerster, maar dit overliet aan partijen zelf;

- dat verweerster tegen voormeld vonnis cassatieberoep aantekende;

- dat eiser vóór dat vonnis van 8 mei 2000 uitkeringen aan de heer L. had betaald en ook na dat vonnis prestaties is blijven verlenen totdat eiser eind augustus 2002 door de heer L. op de hoogte werd gebracht dat hij volledig schadeloos was gesteld (op een niet nader bepaalde datum).

Hieruit blijkt dat eiser vanaf de datum van het ongeval tot eind augustus 2002, en dus zowel voor als na het vonnis van 8 mei 2000 (dat overigens voorwerp van cassatieberoep was) niets anders heeft gedaan dan zijn wettelijke verplichting uit te voeren en dus verschuldigde betalingen heeft verricht. Voor die betalingen was eiser dan ook rechtsgeldig in de rechten van de heer L. getreden en bezit hij een terugvorderingsrecht tegen verweerster, zonder dat enige schadeloosstelling op grond van het vonnis van 8 mei 2000 of op grond van een daarmee tot stand gekomen akkoord aan eiser kan worden tegengeworpen.

Het bestreden vonnis grijpt echter naar het vonnis van 8 mei 2000 op grond waarvan de heer L. de veroordeling van verweerster had bekomen tot schadevergoeding van de door hem geleden schade, om te oordelen dat eiser zich van in den beginne tegen de verkeerde persoon had gericht door verweerster en niet de heer L. te dagvaarden, minstens dat eiser ook de heer L. in het geding tegen verweerster had moeten betrekken.

Door aldus te oordelen miskent het bestreden arrest het verschuldigd karakter van de prestaties die eiser voor maar ook na het vonnis van 8 mei 2000 was blijven uitkeren en het hierdoor ontstane subrogatierecht van eiser in de rechten van de heer L. , en schendt het bijgevolg artikel 136, §2, i.h.b. de leden 1, 3, 4, 6 en 7, en artikel 164, in het bijzonder eerste lid, van de GVU-wet, en voor zoveel als nodig ook artikel 1249 van het Burgerlijk Wetboek (wettelijk subrogatierecht).

Tweede onderdeel

Het gezag van gewijsde van een vonnis strekt zich niet verder uit dan tot hetgeen het voorwerp van de beslissing heeft uitgemaakt (artikel 23 Gerechtelijk Wetboek) en waarover de rechter zijn rechtsmacht heeft uitgeput (artikel 19 Gerechtelijk Wetboek).

Uit de niet betwiste feitelijke gegevens van de conclusies van partijen en uit de feitelijke vaststellingen van het bestreden vonnis blijkt dat:

- verweerster bij strafrechtelijk vonnis van 8 mei 2000 werd veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan het slachtoffer van het ongeval, de heer L. , thans in gemeenverklaring opgeroepen partij;

- dat voormeld vonnis zich niet uitsprak over de onderlinge verhouding tussen eiser en verweerster, maar dit overliet aan partijen zelf;

- dat eiser vóór dat vonnis van 8 mei 2000 uitkeringen aan de heer L. had betaald en ook na dat vonnis prestaties is blijven verlenen totdat eiser eind augustus 2000 door de heer L. op de hoogte werd gebracht dat hij volledig schadeloos was gesteld (op een niet nader bepaalde datum).

Uit de dagvaarding van 2 juni 2003 blijkt dat eiser zijn vorderingsrecht tegen verweerster steunde op het feit dat hij krachtens artikel 136, §2, van de GVU-wet gesubrogeerd was in de rechten van de heer L. en dat zijn vordering ertoe strekte van verweerster de terugbetaling te bekomen van alle nog niet terugbetaalde bedragen die eiser vóór het vonnis van 8 mei 2000 aan de heer L. had betaald zowel als van alle bedragen die eiser ook na dat vonnis van 8 mei 2000 bleef uitkeren, totdat hij eind augustus 2002 op de hoogte werd gesteld van de volledige schadeloosstelling van de heer L. .

Met deze vordering beoogde eiser dus niet de aansprakelijkheid voor het ongeval, de omvang van de schade, of de vergoedingsverplichting van verweerster opnieuw aan de rechter ter boordeling voor te leggen. Integendeel, strekte de vordering van eiser ertoe om de toepassing te bekomen van zijn subrogatierecht, overeenkomstig artikel 136, §2, GVU-wet, en dus om uitvoering te bekomen van het vonnis van 8 mei 2000 met respect van dat subrogatierecht.

Inzoverre het bestreden vonnis in die zin moet worden gelezen dat het de vordering van eiser zo leest dat eiser met die vordering beoogt opnieuw de veroordeling van verweerster te bekomen terwijl de heer L. die veroordeling al had bekomen, leest het iets in de dagvaarding van eiser van 2 juni 2003 dat er niet in staat of geeft het aan die dagvaarding een interpretatie die volledig onverenigbaar is met haar bewoordingen.

Het bestreden vonnis miskent aldus de bewijskracht van de voormelde dagvaarding en schendt derhalve de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. Inzoverre het vonnis op die onwettige lezing van de vordering van eiser steunt om eisers vordering onontvankelijk of ontoelaatbaar te verklaren wegens uitputting van de rechtsmacht van de rechter bij het vonnis van 8 mei 2000 of wegens het gezag van gewijsde van dat vonnis, schendt het bestreden vonnis, bij wijze van gevolg, ook de artikelen 19 en 23 van het Gerechtelijk Wetboek.

Derde onderdeel

Een geschil is enkel onsplitsbaar in de zin van de artikelen 31 en 1053 van het Gerechtelijk Wetboek wanneer de gezamenlijke tenuitvoerlegging van de onderscheiden beslissingen onmogelijk zou zijn.

Er is geen materiële onmogelijkheid in de gezamenlijke tenuitvoerlegging van een vonnis dat de vergoedingsplichtige veroordeelt tot vergoeding van de schade aan het slachtoffer, enerzijds, en een vonnis dat de vergoedingsplichtige veroordeelt om de verschuldigde schadevergoeding te betalen aan diegene die in de rechten van het slachtoffer is gesubrogeerd overeenkomstig artikel 136, §2, GVU-wet en artikel 1249 van het Burgerlijk Wetboek, anderzijds.

Beide vonnissen beogen immers de betaling van een geldsom aan de persoon die er recht op heeft, namelijk het slachtoffer dat de schade heeft geleden of de in diens rechten gesubrogeerde verzekeringsinstelling die de in de GVU-wet bepaalde prestaties verleende.

De omstandigheid dat het eerstvermelde vonnis reeds ten aanzien van het slachtoffer zou zijn uitgevoerd, staat niet in de weg aan het subrogatierecht van de verzekeringsinstelling die conform artikel 136, §2, GVU-wet op verschuldigde wijze uitkeringen aan het slachtoffer verrichte tot aan de effectieve schadeloosstelling van het slachtoffer, minstens tot aan het ogenblik waarop zij van die effectieve schadeloosstelling werd verwittigd. Precies omwille van die verschuldigde betalingen is de verzekeringsinstelling gesubrogeerd in de rechten van het slachtoffer en heeft zij een terugvorderingsrecht tegen de vergoedingsplichtige (artikel 136, §2, in het bijzonder het vierde, zesde en zevende lid) en niet tegen het slachtoffer (artikel 164, in het bijzonder eerste lid, GUV-wet) (zie eerste onderdeel).

Uit het voorgaande volgt dat er geen toestand van onsplitsbaarheid is ontstaan doordat het vonnis van 8 mei 2000 verweerster had veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan de heer L. , enerzijds, en doordat eiser aan de heer L. vóór dat vonnis uitkeringen verleende en na dat vonnis prestaties was blijven uitkeren en eiser op grond van zijn hierdoor ontstane subrogatierecht de huidige vordering tot terugbetaling tegen verweerster instelde, anderzijds.

Door verwijzend naar het vonnis van 8 mei 2000 en naar de subrogatie van eiser in de rechten van de heer L. , te oordelen dat er een situatie van onsplitsbaarheid was ontstaan waardoor eiser zijn hoger beroep zowel als zijn oorspronkelijke vordering minstens ook tegen de heer L. had moeten richten, miskent het bestreden arrest het wettelijk begrip van de onsplitsbaarheid en schendt het bijgevolg de artikelen 31 en 1053 van het Gerechtelijk Wetboek, en voor zoveel als nodig ook de artikelen 136, §2, en 164, eerste lid, GVU-wet.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Artikel 136, §2, eerste lid, van de bij koninklijk besluit van 14 juli 1994 gecoördineerde wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, hierna ZIV-wet genoemd, bepaalt dat de bij deze gecoördineerde wet bepaalde prestaties worden geweigerd indien voor de schade voortvloeiend uit ziekte, letsels, functionele stoornissen of overlijden, krachtens een andere Belgische wetgeving, een vreemde wetgeving of in het gemeen recht werkelijk schadeloosstelling is verleend.

Het derde lid bepaalt dat de prestaties, onder de door de Koning bepaalde voorwaarden, worden toegekend in afwachting dat de schade effectief wordt vergoed krachtens een andere Belgische wetgeving, een vreemde wetgeving of het gemeen recht.

Krachtens het vierde lid treedt de verzekeringsinstelling rechtens in de plaats van de rechthebbende. Deze indeplaatsstelling geldt, tot beloop van het bedrag van de verleende prestaties, voor het geheel van de sommen die krachtens een Belgische wetgeving, een buitenlandse wetgeving of het gemeen recht verschuldigd zijn en die de in het eerste lid bedoelde schade geheel of gedeeltelijk vergoeden.

Krachtens het zesde lid van deze bepaling verwittigt degene die schadeloosstelling verschuldigd is, de verzekeringsinstelling van zijn voornemen om de rechthebbende schadeloos te stellen en maakt hij aan de verzekeringsinstelling, indien deze geen partij is, een kopij over van de tot stand gekomen akkoorden of gerechtelijke beslissingen. De verzekeringsmaatschappijen burgerlijke aansprake-lijkheid worden gelijkgesteld met degene die schadeloosstelling verschuldigd is.

Het zevende lid bepaalt dat indien degene die schadeloosstelling verschuldigd is, nalaat de verzekeringsinstelling in te lichten overeenkomstig het vorige lid, hij tegen laatstgenoemde de betalingen, die hij verrichtte ten gunste van de rechthebbenden, niet kan aanvoeren. In geval van dubbele betaling blijven deze definitief verworven in hoofde van de rechthebbende.

2. Uit de voormelde bepalingen volgt dat de omstandigheid dat een vonnis de vergoedingsplichtige veroordeelt tot schadeloosstelling ten aanzien van de rechthebbende, de verzekeringsinstelling enerzijds niet ontslaat van haar verplichting om de door de ZIV-wet bepaalde prestaties uit te keren totdat het vonnis daadwerkelijk werd uitgevoerd en zij van de uitvoering, minstens van het voornemen daartoe, op de hoogte is gebracht door de vergoedingsplichtige, en anderzijds haar niet het recht ontneemt door middel van haar subrogatoir verhaalsrecht de terugbetaling te vorderen van de prestaties die zij heeft uitgekeerd totdat zij door de vergoedingsplichtige werd ingelicht overeenkomstig het zesde lid van artikel 136, §2, ZIV-wet.

De omstandigheid dat het vonnis dat de vergoedingsplichtige tot schadeloosstelling veroordeelt aan de verzekeringsinstelling gemeen is verklaard, doet geen afbreuk aan de voormelde verwittigingsplicht van de vergoedingsplichtige en heeft alleen tot gevolg dat deze geen afschrift van dat vonnis moet overmaken bij de verwittiging dat hij het voornemen heeft tot schadeloossstelling over te gaan.

3. De appelrechters stellen vast:

- bij vonnis van 8 mei 2000 van de correctionele rechtbank te Antwerpen werd de verweerster, als verzekeraar van de aansprakelijke, veroordeeld tot de betaling aan M.L. van het bedrag van 28.167.134 frank met aankleven;

- hierbij werden bedragen afgetrokken als tussenkomst van de eiser, aan wie het vonnis gemeen werd verklaard;

- dit vonnis werd op een niet nader bepaalde datum uitgevoerd en M.L. bracht de eiser daarvan op de hoogte op een niet nader bepaalde datum;

- de eiser is prestaties blijven uitkeren tot 31 augustus 2002;

- de eiser dagvaardde op 2 juni 2003 de verweerster tot betaling van een bedrag als saldo van de uitkeringen verricht in de periode tot 31 augustus 2002.

4. Uit de vaststellingen van de appelrechters blijkt niet of, en desgevallend op welk ogenblik de verweerster, als vergoedingsplichtige, de eiser op de hoogte heeft gebracht van haar voornemen om M.L. de door het vonnis van 8 mei 2000 toegekende vergoeding daadwerkelijk te betalen.

5. Op basis van de gegevens die zij vaststellen, konden de appelrechters niet wettig beslissen dat het ziekenfonds, als gesubrogeerde in de rechten van M. L. , geen vordering meer kon instellen tegen de verweerster op grond dat de rechten van M.L. ten aanzien van de verweerster reeds volledig werden uitgeput, gelet op het vonnis van 8 mei 2000, waarbij de verweerster werd veroordeeld om de schade van M.L. te vergoeden.

Zodoende schenden zij artikel 136, §2, ZIV-wet.

Het onderdeel is in zoverre gegrond.

Derde onderdeel

6. De appelrechters oordelen dat het hoger beroep van de eiser niet ontvankelijk is omdat de door de eiser ingestelde vordering opnieuw de vordering van M.L. is en dat in dit onsplitsbaar geschil M.L. niet in het hoger beroep betrokken werd.

7. Zoals blijkt uit het antwoord op het eerste onderdeel, kunnen de door de verweerster aan M.L. gedane betalingen overeenkomstig artikel 136, §2, zevende lid, ZIV-wet niet aan de eiser tegengeworpen worden ingeval de verweerster zou hebben nagelaten de eiser van deze betalingen te verwittigen, zoals de eiser voorhoudt.

De vordering van de eiser betreft dienvolgens geen onsplitsbaar geschil.

De appelrechters schenden bijgevolg artikel 31 van het Gerechtelijk Wetboek.

Het onderdeel is gegrond.

Overige grieven

8. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis, behalve in zoverre het de zaken 07/6827/A en 07/7455/A samenvoegt.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen, zitting houdende in hoger beroep.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 15 maart 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem.