Hof van Cassatie - Arrest van 15 september 2003 (België)

Publicatie datum :
15-09-2003
Taal :
Frans - Nederlands
Grootte :
2 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20030915-8
Rolnummer :
S03005F

Samenvatting

De kennisgeving van een vonnis of arrest geschiedt op de datum van toezending van die rechterlijke beslissing en niet op de datum van de ontvangst ervan (1), en de in maanden bepaalde termijn voor de rechtsmiddelen wordt gerekend van de zoveelste tot de dag vóór de zoveelste. (1) Cass., 17 maart 1997, AR S.96.0056.F, nr 147; 17 maart 1997, AR S.96.0133.F, nr 150.

Arrest

Nr. S.03.0005.F.-
RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING,
Mr. Lucien Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
A. P.,
I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 25 november 2002 gewezen door het Arbeidshof te Bergen.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Sylviane Velu heeft verslag uitgebracht.
Eerste advocaat-generaal Jean-François Leclercq heeft geconcludeerd.
III. Cassatiemiddel
Eiser voert een middel aan :
Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 32, 46, ,§ 2, 52, 53, 54 en 1051, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek en, voor zoveel nodig, 580, 1° en 2°, 704, eerste lid, en 792, tweede en derde lid, van genoemd wetboek.
Aangevochten beslissingen en redenen
Het arrest verklaart het hoger beroep dat verweerder op 27 februari 1998 had ingesteld tegen het hem op 26 januari 1998 ter kennis gebrachte vonnis van de arbeidsrechtbank waarbij zijn rechtsmiddel tegen de door de directeur van het werkloosheidsbureau te zijnen aanzien getroffen administratieve beslissing wordt verworpen, ontvankelijk.
Na te hebben herinnerd aan het bepaalde in de artikelen 52, 53 en 54 van het Gerechtelijk Wetboek beslist het arrest aldus op de volgende grond :"de termijn om hoger beroep aan te tekenen tegen het op 26 januari 1998 ter kennis gebrachte vonnis is ingegaan op 27 januari 1998. Daar het appèlverzoekschrift op de griffie (van het arbeidshof) is neergelegd op 27 februari 1998, is het dus ontvankelijk".
Grief
Volgens artikel 1051, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek is de termijn om hoger beroep aan te tekenen één maand, te rekenen vanaf de betekening van het vonnis of de kennisgeving ervan. Het Gerechtelijk Wetboek bepaalt overigens in artikel 52, eerste lid, dat de termijn wordt gerekend van middernacht tot middernacht en wordt gerekend vanaf de dag na die van de akte of van de gebeurtenis welke hem doet ingaan ; artikel 53 van genoemd wetboek bepaalt dat de vervaldag in de termijn is begrepen, tenzij die dag een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, in welk geval de vervaldag wordt verplaatst op de eerstvolgende werkdag ; artikel 54 bepaalt dat een in maanden bepaalde termijn "wordt gerekend van de zoveelste tot de dag v&§972;&§972;r de zoveelste". Daar het vonnis waartegen verweerder hoger beroep heeft ingesteld hem ter kennis was gebracht op 26 januari 1998 en de termijn van één maand waarover hij beschikte om dat rechtsmiddel aan te wenden daags nadien was ingegaan, zoals ook het arrest zegt, verstreek die termijn op 26 februari 1998, welke datum noch een zaterdag, noch een zondag, noch een wettelijke feestdag was.
Door te verklaren dat het hoger beroep dat verweerder bij het op 27 februari 1998 ter griffie van het arbeidshof neergelegde verzoekschrift had ingesteld niettemin ontvankelijk was, schendt het arrest de in de aanhef van het middel vermelde bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, inzonderheid artikel 54 van dat wetboek.
IV. Beslissing van het Hof
Overwegende dat, krachtens artikel 1051, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, de termijn om hoger beroep aan te tekenen in de in artikel 704, eerste lid, opgesomde aangelegenheden, één maand is, te rekenen vanaf de kennisgeving van het bestreden vonnis overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid ;
Dat artikel 32, 2°, van genoemd wetboek bepaalt dat onder kennisgeving in de zin van dat wetboek wordt verstaan de toezending van de akte van rechtspleging ;
Dat naar luid van artikel 52, eerste lid, van dat wetboek de termijn wordt gerekend van middernacht tot middernacht en wordt gerekend vanaf de dag na die van de akte of van de gebeurtenis welke hem doet ingaan ;
Dat volgens artikel 53 de vervaldag in de termijn begrepen is tenzij die dag een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, in welk geval de vervaldag wordt verplaatst op de eerstvolgende werkdag ;
Dat artikel 54 bepaalt dat een in maanden bepaalde termijn wordt gerekend van de zoveelste tot de dag v&§972;&§972;r de zoveelste ;
Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat het bestreden vonnis, dat is gewezen in een van de in artikel 704, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde aangelegenheden, met toepassing van artikel 792, tweede en derde lid, van dat wetboek, aan verweerder ter kennis is gebracht op 26 januari 1998 ;
Dat de termijn van één maand waarover verweerder beschikte om hoger beroep in te stellen derhalve verstreek op 26 februari 1998, welke datum noch een zaterdag, noch een zondag, noch een wettelijke feestdag was ;
Dat het arrest derhalve, daar het beslist dat "het op 27 februari 1998 ter griffie (van het arbeidshof) neergelegde appèlverzoekschrift ontvankelijk is", zijn beslissing niet naar recht verantwoordt ;
Dat het middel gegrond is ;
En overwegende dat er geen redenen zijn om acht te slaan op de geschriften die verweerder aan de griffie van het Hof heeft gericht zonder de bijstand van een advocaat bij het Hof van Cassatie ;
OM DIE REDENEN,
HET HOF
Vernietigt het bestreden arrest ;
Beveelt dat van het arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest ;
Gelet op artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, veroordeelt eiser in de kosten ;
Verwijst de zaak naar het Arbeidshof te Brussel.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door raadsheer Philippe Echement, waarnemend voorzitter, de raadsheren Christian Storck, Daniel Plas, Sylviane Velu en Philippe Gosseries, en in openbare terechtzitting van vijftien september tweeduizend en drie uitgesproken door raadsheer Philippe Echement, waarnemend voorzitter, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Jean-François Leclercq, met bijstand van adjunct-griffier Christine Danhiez.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Etienne Goethals en overgeschreven met assistentie van griffier-hoofd van dienst Karin Merckx.
De griffier-hoofd van dienst, De raadsheer,