Hof van Cassatie - Arrest van 16 juni 2004 (België)

Publicatie datum :
16-06-2004
Taal :
Frans - Nederlands
Grootte :
14 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20040616-21
Rolnummer :
P040281F

Samenvatting

Het hof van assisen beoordeelt op onaantastbare wijze of er, om een van de in artt. 148 Gw. of 6.1 E.V.R.M., bepaalde redenen, grond bestaat om een uitzondering te maken op de regel volgens welke de zaak in openbare terechtzitting moet worden behandeld (1). (1) Zie Cass., 23 sept. 1986, AR 690, nr 43; SASSERATH Simon, Les Novelles, Procédure pénale, dl. II, vol. I, La cour d'assises, p. 178 en 179.

Arrest

Nr. P.04.0281.F.-
I. F. G., burgerlijke partij,
tegen
T. C., beschuldigde,
II. F. B., burgerlijke partij,
tegen
1. C. D.,
2. C. L.,
3. D. B. S.,
4. D. S. M.,
5. D. M. G.,
6. S. C.-D.,
7. T. R.,
8. T. C.
beschuldigden.,
III. D. M. G., beschuldigde,
Mrs. Paul Rigot en Serge Mascart, advocaten bij de balie te Luik,
IV. T. R., beschuldigde, gedetineerd,
Mrs. Julien Pierre, Jean-Pierre Jacques en Luc Misson, advocaten bij de
balie te Luik.
I. Bestreden beslissingen
De cassatieberoepen van G. F. en B. F. zijn respectievelijk gericht tegen de arresten van 3 en 4 december 2003 van het Hof van Assisen van de provincie Luik.
De cassatieberoepen van G. D. M. en R. T. zijn gericht tegen de beschikking van 17 oktober 2003 van de voorzitter van het Hof van Assisen van de provincie Luik en tegen de arresten die door dat gerecht op 20 en 27 oktober 2003, en op 3, 6, 13 en 19 november 2003, en op 18 december 2003 zijn gewezen, met de nummers 259, 260, 261, 262, 263 en 264, en op 7 januari 2004.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.
Advocaat generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.
III. Cassatiemiddelen
In de memories waarvan een eensluidend verklaard afschrift aan dit arrest is gehecht, voert D.M. eenentwintig middelen aan en voert R. T. er dertien aan.
IV. Beslissing van het Hof
A. Op de cassatieberoepen van G. F. en B. F. :
Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet blijkt dat de cassatieberoepen van de eisers zijn betekend aan de partijen waartegen ze zijn gericht ;
Dat de cassatieberoepen niet ontvankelijk zijn ;
En overwegende dat er geen grond bestaat om acht te slaan op de geschriften van B. F., die op de griffie van het Hof zijn neergelegd op 27 en 28 mei 2004, dus buiten de termijn bepaald in artikel 420bis, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering ;
B. Op de cassatieberoepen die door G. D. M. en R. T. zijn ingesteld tegen de beschikking van 17 oktober 2003 en tegen de arresten van 27 oktober en 13 november 2003 :
Overwegende dat de beschikking de afwezigheid van de beschuldigden D. C., C.-D. S. en C. T. vaststelt en zegt dat zij onmiddellijk bij verstek berecht zullen worden, overeenkomstig de artikelen 310 en volgende van het Wetboek van Strafvordering ;
Dat het arrest van 27 oktober 2003 zegt dat er geen grond bestaat om de getuigen die op de terechtzitting van dezelfde dag zijn gedaagd, te horen in afwezigheid van G. D. M. ;
Dat het arrest van 13 november 2003 de vordering van het openbaar ministerie verwerpt, die ertoe strekte de terechtzitting met gesloten deuren te houden ;
Overwegende dat het sluiten van de deuren alleen de waarborgen beperkt die de openbaarheid van het debat aan de beschuldigde biedt, zodat deze geen belang heeft om te klagen over het feit dat het sluiten van de deuren niet is bevolen ;
Dat de beschikking van 17 oktober 2003 en het arrest van 27 oktober 2003 evenmin enige beslissing bevatten die de eisers kan grieven ;
Dat de cassatieberoepen niet ontvankelijk zijn ;
C. Op de cassatieberoepen van G. D. M. tegen het arrest van 20 oktober 2003 en tegen de arresten die op 18 december 2003 zijn gewezen en die gebundeld zijn onder de nummers 259, 262 en 263 van de processtukken :
Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen ;
D. Op de cassatieberoepen van R. T. tegen de arresten van 20 oktober, 3 november en 19 november 2003, en tegen de arresten die op 18 december 2003 zijn gewezen en die gebundeld zijn onder de nummers 259, 260, 261 en 264 van de processtukken :
Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen ;
E. Op het cassatieberoep van G. D. M. tegen het arrest van 3 november 2003 :
Over het dertiende middel :
Wat het eerste onderdeel betreft :
Overwegende dat het arrest de vordering van het openbaar ministerie inwilligt en het verhoor, met gesloten deuren, van de getuige L. L. beveelt ;
Dat eiser het hof van assisen verwijt aldus uitspraak te hebben gedaan, zonder dat het openbaar ministerie verduidelijkt heeft in hoeverre het verhoor van die getuige in openbare terechtzitting gevaarlijk voor de orde was geweest ;
Overwegende, evenwel, dat zowel uit het proces-verbaal van de terechtzitting als uit het arrest van 3 november 2003 blijkt dat eiser geen enkele opmerking over de voormelde vorderingen heeft gemaakt ;
Dat het onderdeel, dat niet voor het eerst voor het Hof kan worden aangevoerd, niet ontvankelijk is ;
Wat het tweede onderdeel betreft :
Overwegende dat het onderdeel niet ontvankelijk is, in zoverre het de schending van de artikelen 319 en 320 van het Wetboek van Strafvordering aanvoert, zonder aan te geven in hoeverre dat onderdeel niet ontvankelijk is ;
Overwegende, voor het overige, dat, hoewel de openbaarheid van de terechtzitting de regel is en het sluiten van de deuren de uitzondering, noch artikel 148 van de Grondwet, noch artikel 6.1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, noch de artikelen 190 en 310 van het Wetboek van Strafvordering het hof van assisen, dat het sluiten van de deuren regelmatig bevolen heeft om een getuige te verhoren, verbieden het debat pas opnieuw openbaar te maken nadat de partijen hun opmerkingen hebben gegeven over de verklaringen van die getuige ;
Dat het onderdeel, wat dat betreft, faalt naar recht ;
En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen ;
F. Over de cassatieberoepen van G. D. M. et R. T. tegen het arrest van 6 november 2003 :
Over het door G. D. M. aangevoerde eerste en derde middel in hun geheel en over de door R. T. aangevoerde eerste en tweede onderdeel van het eerste middel :
Overwegende dat het arrest de verschijning vaststelt van een beschuldigde die zich niet had aangediend op de voor de opening van het debat vastgestelde datum, de beschikking van 17 oktober 2003 van de voorzitter van het hof intrekt waarin deze verklaart dat de beschuldigde bij verstek zou worden berecht, en zegt dat de rechtspleging jegens hem op tegenspraak zou worden voortgezet ;
Overwegende dat de door G. D. M. aangevoerde middelen, in zoverre ze de schending van artikel 270 van het Wetboek van Strafvordering aanvoeren zonder te verduidelijken in hoeverre het voormelde arrest die bepaling zou hebben geschonden, niet ontvankelijk zijn ;
Overwegende dat de middelen aanvoeren dat het arrest, dat een beschuldigde toestaat deel te nemen aan het debat, hoewel deze zich niet had aangediend op de opening ervan, de artikelen 247 en 251 van het Gerechtelijk Wetboek en 315 van het Wetboek van Strafvordering schendt, die enerzijds betrekking hebben op het recht van elke beschuldigde om kandidaat-gezworenen te wraken, en, anderzijds, op de kennisgeving van de lijst van de gezworenen en van de voorstelling van de getuigenlijst ;
Dat de eisers evenwel niet aanvoeren dat zij zelf hun wrakingsrecht niet hebben kunnen uitoefenen en niet betogen dat de rechtsvormen, die volgens hen jegens een andere beschuldigde niet zijn nageleefd, ook jegens hen niet zouden zijn nageleefd ;
Dat de middelen, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk zijn ;
Overwegende dat de eisers voorts betogen dat, krachtens de artikelen 381 tot 385 van het Wetboek van Strafvordering, de beschikking waarbij de voorzitter van het hof van assisen het verstek van een beschuldigde vaststelt, onherroepelijk is ;
Overwegende dat de wet van 30 juni 2000 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, van artikel 27 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis en van artikel 837 van het Gerechtelijk Wetboek, teneinde de rechtspleging voor het hof van assisen te stroomlijnen, weerspannigheid aan de wet heeft vervangen door een verstekprocedure van hetzelfde type als die welke voorzien is in correctionele en politiezaken ;
Dat verstek, in tegenstelling tot weerspannigheid aan de wet, de behandeling ter zitting haar mondeling karakter niet ontneemt, de zaak niet aan de berechting door de jury onttrekt en niet tot ambtshalve vernietiging van de veroordeling leidt in geval van vrijwillige of gedwongen vertegenwoordiging van de veroordeelde, maar hem de mogelijkheid biedt om verzet te doen ;
Overwegende dat het onherroepelijk karakter van de vaststelling die de voorzitter doet met toepassing van artikel 381, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, bijgevolg alleen betrekking heeft op de zaken waarin de niet-verschenen beschuldigde de enige vervolgde is, zodat de jury in zijn afwezigheid niet kon worden samengesteld overeenkomstig de bij de artikelen 242 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde vormvereisten ; dat dit het geval niet is wanneer, zoals te dezen, verschillende beschuldigden zijn verschenen ;
Dat het niet de wil van de wetgever kan zijn geweest de niet-verschenen beschuldigde, die nochtans onderworpen is aan de gewone vormen van het crimineel proces en van het verzet, en aan wie artikel 385 van het Wetboek van Strafvordering de keus laat in persoon of door toedoen van zijn advocaat te verschijnen, in een dergelijke omstandigheid niet de kans te bieden op het debat te verschijnen, alleen omdat hij, in tegenstelling tot de andere beschuldigden, de dag van de opening van dat debat afwezig was ;
Dat de middelen, in zoverre eiser daarin aanvoert dat de artikelen 187, 310 en 381 tot 385 van het Wetboek van Strafvordering het hof van assisen in dergelijk geval zouden verbieden een met toepassing van artikel 381, eerste lid, van dat wetboek genomen beschikking in te trekken, falen naar recht ;
Overwegende, ten slotte, dat de eisers betogen dat de beslissing van het hof van assisen tot gevolg heeft gehad dat hun het recht is ontzegd in aanwezigheid van de beschuldigde C. T. de getuigen te ondervragen die in zijn afwezigheid zijn gehoord ;
Dat het arrest hun dat recht evenwel niet ontzegt, aangezien het vermeldt dat zij, tot het afsluiten van het debat, zullen kunnen "vragen dat sommige reeds gehoorde getuigen opnieuw gehoord zouden worden" ;
Dat de eisers zowel de verklaringen vrij hebben kunnen tegenspreken die C. T. tijdens het voorbereidende onderzoek heeft afgelegd en die op de terechtzitting zijn vermeld door de personen die ze hadden verkregen, als die welke dezelfde beschuldigde rechtstreeks voor de jury heeft afgelegd, zodat het hof van assisen wettig heeft beslist dat de laattijdige verschijning van die beschuldigde op het debat het recht van verdediging van de eisers niet heeft kunnen schaden ;
Dat de middelen, wat dat betreft, niet kunnen worden aangenomen ;
En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen ;
G. Over het cassatieberoep van G. D. M. tegen het arrest van 19 november 2003 :
Over de rest van het dertiende middel :
Wat het eerste onderdeel betreft :
Overwegende dat het hof van assisen op onaantastbare wijze beoordeelt of er, om een van de redenen bepaald in artikel 148 van de Grondwet of in artikel 6.1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, grond bestaat om een uitzondering te maken op de regel volgens welke de zaak in openbare terechtzitting moet worden behandeld ;
Overwegende dat het arrest de vorderingen van het openbaar ministerie inwilligt en het verhoor van twee getuigen met gesloten deuren beveelt ; dat het arrest beslist dat hun getuigenissen onontbeerlijk zijn voor de ontdekking van de waarheid en dat het risico bestaat dat die getuigen, die in het buitenland zijn veroordeeld omdat zij deelgenomen hebben aan de voltrekking van de door het hof van assisen onderzochte misdaden, niet vrijuit zouden kunnen praten als de terechtzitting in het openbaar werd gehouden, wat de goede rechtsbedeling zou schaden ;
Overwegende dat het hof van assisen, om die redenen, beslist heeft dat de omstandigheden die het openbaar ministerie aanvoert tot staving van zijn vordering om het sluiten van de deuren te bevelen, die sluiting konden verantwoorden op grond van artikel 148 van de Grondwet, in zoverre laatstgenoemd artikel toestaat het debat aan de openbaarheid te onttrekken wanneer dit gevaar oplevert voor de orde ;
Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ;
Wat het tweede onderdeel betreft :
Overwegende dat de grief die eiser in dat onderdeel aanvoert, zoals het Hof erop gewezen heeft bij het onderzoek van het cassatieberoep dat was gericht tegen het arrest van 3 november 2003, en waartegen dezelfde kritiek was aangevoerd, gedeeltelijk niet-ontvankelijk is en voor het overige faalt naar recht ;
En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen ;
H. Over het cassatieberoep van G. D. M. tegen het arrest van 18 december 2003, dat onder het nummer 260 bij de processtukken is gevoegd :
Over het vijftiende middel :
Wat de drie onderdelen samen betreft :
Overwegende dat het middel, in zoverre het de schending aanvoert van de artikelen 317 en 318 van het Wetboek van Strafvordering, zonder te vermelden waarin die schending bestaat, niet ontvankelijk is ;
Overwegende dat het middel, in zoverre het de schending aanvoert van artikel 477 van dat wetboek, dat opgeheven is bij de wet van 30 juni 2000, en van artikel 952 van het Gerechtelijk Wetboek, dat geen verband houdt met de voor de strafgerechten gevolgde rechtspleging, faalt naar recht ;
Overwegende dat het niet tegenstrijdig is te beslissen, enerzijds, dat de beschuldigden de gegevens van een gefilmde confrontatie vrij zullen kunnen tegenspreken en dat, anderzijds, de vertoning van de film van die confrontatie nutteloos is geworden, wegens de verschijning van diens protagonisten op de terechtzitting ;
Dat het middel wat dat betreft feitelijke grondslag mist ;
Overwegende dat artikel 341 van het Wetboek van Strafvordering, onder schriftelijke verklaringen van de getuigen, de getuigenissen verstaat die onder eed zijn afgelegd voor de onderzoeksrechter ;
Dat het arrest van 18 december 2003 vaststelt dat "niet bewezen is dat de Tunesische beschuldigden de eed van getuige hebben afgelegd toen zij zijn verhoord en geconfronteerd naar aanleiding van die ambtelijke opdracht" ;
Dat het arrest bijgevolg voormeld artikel 341 niet schendt door te beslissen dat de cassettes met de film van de confrontatie aan de jury mogen worden overhandigd ;
Dat het middel, wat dat betreft, niet kan worden aangenomen ;
Overwegende, ten slotte, dat het hof van assisen, door te weigeren de film van de confrontatie te vertonen, omdat dit het debat nodeloos zou vertragen, de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en van de openbaarheid van het debat niet miskent ; dat die weigering immers, zoals hierboven is aangehaald, op de omstandigheid steunde dat de protagonisten van de confrontatie, die op de terechtzitting zijn verschenen, aldus rechtstreeks met de beschuldigden konden worden geconfronteerd ;
Dat het middel, wat dat betreft, evenmin kan worden aangenomen ;
En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen ;
I. Op het cassatieberoep van G. D. M. tegen het arrest van 18 december 2003, gebundeld onder nummer 261 van de processtukken, en op het cassatieberoep van R. T. tegen het arrest van dezelfde datum, gebundeld onder nummer 262 :
Over het door G. D. M. aangevoerde tweede middel in zijn geheel en over het door R. T. aangevoerde derde onderdeel van het eerste middel :
Overwegende dat de middelen voormelde arresten van 18 december 2003 bekritiseren, in zoverre daarin wordt beslist dat er geen grond bestaat voor een nieuw verhoor van de getuige A. R. ; dat, volgens de eisers, die beslissingen in tegenspraak zijn met het arrest van 6 november 2003, en met name het gezag van gewijsde miskennen dat de middelen eraan toeschrijven ;
Overwegende dat die middelen, in zoverre zij de schending aanvoeren van de artikelen 270, 381 en volgende van het Wetboek van Strafvordering, van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, alsook de miskenning van het algemeen beginsel van het recht van verdediging, zonder aan te geven waarin die schending of miskenning bestaat, onduidelijk en dus niet ontvankelijk zijn ;
Overwegende dat de tegenstrijdigheid die volgens artikel 149 van de Grondwet aanleiding geeft tot cassatie, die is welke bestaat hetzij tussen de redenen, hetzij tussen de redenen en het dictum van een zelfde beslissing, en niet de tegenstrijdigheid is die zou kunnen bestaan tussen twee tussenarresten die opeenvolgend in dezelfde zaak zijn gewezen ;
Overwegende dat het gezag van gewijsde, aangaande de strafvordering, niet wordt geregeld door de artikelen 23 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek, waarvan de schending bijgevolg tevergeefs wordt aangevoerd ;
Dat, in strafzaken, alleen de onherroepelijke beslissingen van de rechter die over de grond van de strafvordering uitspraak doet, gezag van gewijsde hebben ; dat dit niet het geval is voor het arrest van 6 november 2003, waarin verklaard wordt dat de rechtspleging ten aanzien van de beschuldigde C. T. verder op tegenspraak zal worden gevoerd ;
Overwegende, voor het overige, dat voormeld arrest niet beslist dat de getuige A. R. opnieuw zou worden gehoord ;
Dat de middelen niet kunnen worden aangenomen ;
Over het door G. D. M. aangevoerde vierde middel in zijn geheel en over het door R. T. aangevoerde tweede middel :
Overwegende dat, in het hof van assisen, de getuigen die door de ene of de andere partij regelmatig zijn opgeroepen, moeten worden verhoord als ze aanwezig zijn, als de partijen niet hebben afgezien van hun verhoor en als tegen hen geen enkele uitsluitingsgrond bestaat ;
Overwegende dat uit de processtukken blijkt dat E. G., B. H., S. P., G. S., J. B., G. C., I. I., F. M., F. M., M. L., P. P., J.-M. H., F. D., M.-A. P., G. C., J.-P. G. en D. M. voorkomen op de lijst van de getuigen die op verzoek van de procureur-generaal aan de beschuldigden is betekend ; dat die getuigen dus op regelmatige wijze in het debat zijn geroepen ;
Dat arrest nummer 261 van 18 december 2003 evenwel vaststelt dat de voormelde getuigen niettegenstaande hun oproeping niet zijn verschenen ;
Dat een dergelijke afwezigheid het hof van assisen toestaat hetzij over te gaan tot debat en berechting, hetzij de zaak naar een andere zittingsdag te verwijzen ;
Dat de bodemrechters de in het middel bedoelde wettelijke en verdragsbepalingen niet hebben geschonden, noch het algemeen rechtsbeginsel van het mondeling karakter van het debat hebben miskend, door te bevelen de rechtspleging voort te zetten, op grond dat het verhoor van de afwezige getuigen niet noodzakelijk was om de waarheid aan het licht te brengen ;
Overwegende dat S. N., J. M., L. L., G. V. en A. R. eveneens op de lijst van getuigen voorkomen en dus eveneens op regelmatige wijze in het debat zijn geroepen ;
Overwegende, evenwel, dat de arresten met nummer 261 en 262 beslissen dat die personen zijn gehoord en dat de eisers en hun raadslieden hun alle vragen hebben kunnen stellen die zij wensten ;
Dat bijgevolg, de voormelde arresten, door vast te stellen dat het opnieuw verschijnen van die getuigen "het debat onnodig zou rekken zonder uitzicht op een zekerder uitkomst", de in de middelen aangevoerde bepalingen en algemene rechtsbeginselen evenmin hebben geschonden of miskend ;
Overwegende dat, ten slotte, eiser G. D. M. de voorzitter van het hof van assisen bij brief heeft verzocht om het verhoor van F. B., G. L., A. V. en F. R., die niet op de lijst van getuigen voorkwamen ;
Dat die personen dus geen regelmatig in het debat geroepen getuigen zijn ;
Dat het hof van assisen, door hun verhoor te weigeren, de in de middelen aangehaalde bepalingen en beginselen niet kan hebben geschonden of miskend ;
Dat de middelen, wat dat betreft, niet kunnen worden aangenomen ;
Overwegende dat, voor het overige, de eisers betogen dat de voorzitter van het hof van assisen, door de tijdens het onderzoek afgelegde verklaringen van afwezige of overleden getuigen niet voor te lezen, verwaarloosd heeft gebruik te maken van de hem bij artikel 354 van het Wetboek van Strafvordering geboden mogelijkheid, en aldus de voornoemde wetsbepaling heeft geschonden ;
Dat de middelen in dit onderdeel geen verband houden met het bestreden arrest en derhalve niet ontvankelijk zijn ;
En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissingen overeenkomstig de wet zijn gewezen ;
J. Op het cassatieberoep van G. D. M. tegen het arrest van 18 december 2003, gebundeld onder nummer 264 van de processtukken, en op het cassatieberoep van R. T. tegen het arrest van dezelfde datum, gebundeld onder nummer 263 :
Over het door G. D. M. aangevoerde veertiende middel en over het door R. T. aangevoerde negende middel in hun geheel :
Overwegende dat de middelen, in zoverre zij ervan uitgaan dat de veroordeling van de eisers op doorslaggevende of bijkomstige wijze steunt op de verklaringen van een anonieme tipgever, het Hof zouden verplichten feitelijke gegevens van de zaak te onderzoeken, wat niet tot zijn bevoegdheid behoort ;
Overwegende dat die middelen, in zoverre zij de considerans bekritiseren volgens welke het hof van assisen de identiteit van de persoon wiens verhoor werd gevorderd, niet kende, zodat het zijn verhoor niet kon bevelen, gericht zijn tegen een overtollige reden en dus geen belang hebben ;
Dat die middelen, wat dat betreft, niet ontvankelijk zijn ;
Overwegende, voor het overige, dat de aanwezigheid in het strafdossier van een proces-verbaal met inlichtingen waarvan de bron niet is geïdentificeerd, het vonnisgerecht niet op straffe van nietigheid of niet-ontvankelijkheid van de vervolgingen verplicht de bron te doen identificeren en de tipgever te doen horen volgens de rechtspleging die bepaald is in de artikelen 189bis en 315bis van het Wetboek van Strafvordering ; dat die bepalingen de bodemrechter immers de mogelijkheid bieden te dien einde een onderzoeksrechter aan te wijzen, als die ambtsverrichting nuttig blijkt voor het onthullen van de waarheid ;
Dat de arresten, door een beoordeling in feite waarover het Hof geen afkeurend oordeel mag vellen, beslissen dat het gevraagde verhoor het debat nodeloos zou vertragen zonder uitzicht op een zekerdere uitkomst ;
Dat de arresten eveneens vaststellen dat onder bescherming van de anonimiteit verkregen inlichtingen niet gelijkgesteld kunnen worden met bewijzen die op regelmatige en autonome wijze tegen de beschuldigden zijn verkregen ;
Dat uit het antwoord van het hof van assisen op de conclusie van de eisers niet blijkt dat de bodemrechters hun het recht zouden hebben betwist de tijdens het debat overlegde gegevens te weerleggen ;
Dat de middelen, wat dat betreft, niet kunnen worden aangenomen ;
Overwegende, voor het overige, dat artikel 6.3, d, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden niet wordt miskend, alleen omdat de bodemrechter oordeelt dat hij geen verhoor op tegenspraak van de anonieme tipgever moet of kan bevelen, op grond van wiens onthullingen het onderzoek nuttig kon worden gevoerd ;
Dat de middelen, wat dat betreft, falen naar recht ;
En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissingen overeenkomstig de wet zijn gewezen ;
K. Op de cassatieberoepen van G. D. M. en R. T. tegen het arrest van 7 januari 2004 :
Over het door G. D. M. aangevoerde vijfde middel :
Overwegende dat eiser aanvoert dat de voorzitter van het hof van assisen, vóór de opening van het debat, krachtens de hem door artikel 298 van het Wetboek van Strafvordering toegekende bevoegdheid, "een aantal personen had opgeroepen waarbij uit het strafdossier bleek dat zij betrokken waren bij de problematiek van de anonieme getuige" ; dat eiser vaststelt dat de zitting toch voor geopend werd verklaard zonder dat die personen zijn gehoord en hieruit afleidt dat hij geen eerlijk proces heeft genoten in de zin van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ;
Overwegende, evenwel, dat de door eiser beschreven onderzoekshandelingen tevens door de voorzitter van het hof van assisen na de opening van het debat, konden worden bevolen op grond van diens discretionaire bevoegdheid, zij het volgens een andere procedure ;
Dat uit de processtukken niet blijkt dat eiser voor het hof van assisen de voorzitter heeft verzocht om de verhoren te gelasten, waarvan het middel de afwezigheid aanklaagt ;
Dat het middel, dat niet voor het eerst voor het Hof kan worden aangevoerd, niet ontvankelijk is ;
Over het door G. D. M. aangevoerde zesde middel en over het door R. T. aangevoerde derde middel in hun geheel :
Overwegende dat de eisers staande houden dat getuige W. D. B. op de terechtzitting van 28 oktober 2003 niet alleen gebruik heeft gemaakt van persoonlijke aantekeningen maar tevens van een exemplaar van een stuk uit het dossier dat toebehoorde aan de voorzitter van het hof van assisen en dat door hem van aantekeningen was voorzien en onderstreept ; dat de eisers hieruit afleiden dat de zaak niet op billijke wijze is gehoord in de zin van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en dat het beginsel van het mondeling debat is miskend ;
Overwegende, evenwel, dat het proces-verbaal van de terechtzitting van 28 oktober 2003 vermeldt dat "de voorzitter tijdens het verhoor van deze getuige, en zonder verzet van de partijen, hem de pagina's 5715, 5716 en 5717 van het dossier heeft bezorgd om hem bij zijn verhoor te helpen en ze vervolgens heeft gerecupereerd" ;
Dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet blijkt dat getuige W. D. B. gebruik zou hebben gemaakt van aantekeningen, noch dat hij gebruik zou hebben gemaakt van een persoonlijk document van de voorzitter, met diens aantekeningen ;
Dat de beweringen van de eisers niet gestaafd worden door de processtukken ;
Dat de middelen feitelijke grondslag missen ;
Over het door G. D. M. aangevoerde zevende middel en over het door R. T. aangevoerde vierde middel :
Overwegende dat de eisers het arrest van 7 januari 2004 verwijten uitspraak te doen over de jegens hen ingestelde strafvordering, voordat het Hof zich had uitgesproken over de cassatieberoepen tegen de arresten van 3 en 4 december 2003, waarbij het hof van assisen twee burgerlijke rechtsvorderingen niet-ontvankelijk had verklaard die door tussenkomst op zijn terechtzitting waren ingesteld ;
Overwegende dat het zevende middel van G. D. M., in zoverre het de miskenning van "grondbeginselen van elke rechtsstaat" aanvoert, onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk is ;
Overwegende dat de middelen, in zoverre zij de schending aanvoeren van de artikelen 837 en 1068 tot 1131 van het Gerechtelijk Wetboek, die geen verband houden met de schorsende uitwerking van het cassatieberoep in strafzaken, falen naar recht ;
Overwegende, voor het overige, dat het cassatieberoep niet schorsend is, wanneer het gericht is tegen het tussenarrest dat, op de burgerlijke rechtsvordering, door een hof van assisen in de loop van het debat is gewezen ;
Dat de middelen, wat dat betreft, eveneens falen naar recht ;
Over het door G. D. M. aangevoerde achtste middel :
Wat beide onderdelen samen betreft :
Overwegende dat eiser stelt dat hij niet is opgeroepen voor de terechtzitting van het Hof, toen het uitspraak diende te doen over het verzoekschrift dat een derde op 8 december 2003 had neergelegd tegen de voorzitter van het hof van assisen ; dat hij eveneens staande houdt dat het arrest van het Hof van 29 oktober 2003, dat voorzitter H.-P. G. beveelt zich van de zaak te onthouden, hem door de daartoe nochtans aangewezen deurwaarder niet is betekend ; dat hij daaruit de schending afleidt van artikel 838, tweede en vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, alsook de miskenning van zijn recht van verdediging ;
Overwegende dat het middel, in zoverre het is afgeleid uit de schending van de voormelde wetsbepaling, geen verband houdt met het bestreden arrest en derhalve niet ontvankelijk is ;
Overwegende, voor het overige, dat uit het arrest van het Hof van 10 december 2003, waarnaar eiser verwijst, blijkt dat het verzoekschrift van 8 december 2003 is verworpen omdat het geen verzoekschrift tot wraking was in de zin van de artikelen 828 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek, aangezien het niet was ingediend door een procespartij ;
Dat het feit niet voor die rechtspleging te zijn opgeroepen, de uitoefening van eisers recht van verdediging voor het hof van assisen niet heeft kunnen schaden of beperken ;
Dat het middel, wat dat betreft, niet kan worden aangenomen ;
Over het door G. D. M. aangevoerde negende middel en over het door R. T. aangevoerde elfde middel :
Overwegende dat de eisers zich beklagen over, enerzijds, de houding van een onderzoeker die uiting zou hebben gegeven aan zijn overtuiging over de schuld van de beschuldigden en, anderzijds, de rol van de pers, die talrijke getuigen zou hebben ondervraagd, hun verklaringen zou hebben gepubliceerd en informatie zou hebben verspreid die rechtstreeks uit het onderzoeksdossier kwam ; dat de eisers hieruit de miskenning van het vermoeden van onschuld afleiden en van het recht om door een onpartijdige rechterlijke instantie te worden berecht, aangezien de gezworenen geen beroepsmagistraten zijn en dus niet over de ervaring en opleiding beschikken om alle externe beïnvloeding te weerstaan ;
Overwegende dat het vermoeden van onschuld in de eerste plaats betrekking heeft op de houding van de rechter die van een beschuldiging in strafzaken moet kennisnemen ; dat de verklaringen van een onderzoeker en de reportages in de pers, al zijn ze foutief, kwaadwillig of al hebben ze een misdadige oorsprong, op zich dus niet tot gevolg kunnen hebben dat de berechting van de zaak de artikelen 6.1 en 6.2 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden schendt ;
Overwegende, voor het overige, dat elke gezworene de bij artikel 312 van het Wetboek van Strafvordering bepaalde eed heeft afgelegd om geen afbreuk te doen aan de belangen van de beschuldigde en van de maatschappij die hem beschuldigt, geen gehoor te geven aan haat of kwaadwilligheid, aan vrees of genegenheid, te beslissen op grond van de aangevoerde bezwaren en de middelen van verdediging, naar geweten en innige overtuiging, met onpartijdigheid en vastberadenheid zoals het een vrij en rechtschapen mens betaamt ;
Dat elk verzuim van de verplichtingen die voortvloeien uit die eed, meteen kan worden bestraft door uitoefening van het wrakingsrecht ;
Dat uit het aan de gezworenen toegeschreven gebrek aan ervaring, de snelheid waarmee zij hebben beraadslaagd of het gebrek aan motivering van hun verdict, niet kan worden afgeleid dat de jury niet onpartijdig uitspraak kon doen in een zaak waarvan de pers zich meester heeft gemaakt ;
Dat de middelen niet kunnen worden aangenomen ;
Over het door G. D. M. aangevoerde tiende middel :
Overwegende dat eiser het gebrek aan motivering van het verdict aanklaagt en artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering bekritiseert, luidens hetwelk tegen de verklaring van de jury in geen geval enig rechtsmiddel kan worden ingesteld ;
Dat het middel, dat gericht is tegen de wet en niet tegen het bestreden arrest, niet ontvankelijk is ;
Over het door G. D. M. aangevoerde elfde middel en over het door R. T. aangevoerde zesde middel :
Overwegende dat de middelen, in zoverre zij gericht zijn tegen de schending van de artikelen 312, 336 tot 339 en 342 van het Wetboek van Strafvordering, zonder aan te geven waarin die schending bestaat, niet ontvankelijk zijn ;
Overwegende dat artikel 353 van voormeld wetboek niet verbiedt de behandeling van de zaak tussen het sluiten van het debat en de overlegging van de vragen aan de jury, te schorsen ;
Dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting niet blijkt dat de gezworenen, na overhandiging van de vragen, hun kamer zouden verlaten hebben voor zij hun verklaring hebben opgemaakt ;
Dat uit de omstandigheid alleen dat de gezworenen, vóór de beraadslaging, een tussenpauze hebben genoten om uit te rusten, niet kan worden afgeleid dat zij, wegens de activiteit van de pers tijdens die schorsing van de terechtzitting, niet meer onpartijdig uitspraak zouden kunnen doen of dat het algemeen beginsel van het recht van verdediging miskend zou zijn ;
Dat de middelen niet kunnen worden aangenomen ;
Over het door G. D. M. aangevoerde twaalfde middel :
Wat beide onderdelen samen betreft :
Overwegende dat eiser aanvoert dat zijn gezondheid ten gevolge van zijn hechtenis van 20 tot 28 oktober 2003 dermate is verslechterd dat hij tijdelijk niet meer in staat was om met zijn raadslieden te overleggen ;
Overwegende dat het middel, in zoverre het de tenuitvoerlegging van de gevangenneming bekritiseert en de daaropvolgende ongesteldheid aanklaagt, geen verband houdt met het bestreden arrest en bijgevolg niet ontvankelijk is ;
Overwegende, voor het overige, dat uit de processtukken blijkt dat de akte van beschuldiging en de dagvaarding om te verschijnen op de terechtzitting van 17 oktober 2003 aan G. D. M. zijn betekend op 13 augustus 2003 ; dat eiser gevangen is genomen op 20 oktober 2003 en acht dagen later in vrijheid is gesteld, en, bijgestaan door zijn advocaten, vrij is verschenen van 28 oktober 2003 tot 7 januari 2004 ; dat zijn raadslieden voor hem conclusie hebben genomen op de terechtzittingen van 6 november, 19 november, 12 december en 15 december 2003 ; dat zij gepleit hebben op 29 december 2003 en geantwoord hebben op 6 januari 2004 ; dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet blijkt dat eiser het recht is ontzegd om met zijn raadslieden te overleggen, of dat hij niet over de nodige tijd en mogelijkheden zou hebben beschikt ter voorbereiding van zijn verdediging ;
Dat het middel, wat dat betreft, niet kan worden aangenomen ;
Over het door G. D. M. aangevoerde zestiende middel :
Wat het eerste en derde onderdeel betreft :
Overwegende dat artikel 407, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat, in strafzaken, de nietigheden voortkomend uit enige onregelmatigheid betreffende de eed van getuigen, deskundigen of tolken gedekt zijn, wanneer een vonnis of arrest op tegenspraak, behalve dat welk een maatregel van inwendige aard inhoudt, gewezen is zonder dat de nietigheid door een van de partijen is opgeworpen of door de rechter ambtshalve is uitgesproken ;
Overwegende dat die bepaling met name van toepassing is op de door het hof van assisen op tegenspraak gewezen arresten ;
Overwegende dat het veroordelend arrest van 7 januari 2004 en de tussenarresten van 19 november en 18 december 2003 op tegenspraak zijn gewezen ; dat geen enkele partij de nietigheid heeft opgeworpen die eiser voor het eerst voor het Hof aanvoert en die hij grondt op het verhoor, onder eed, van twee personen die volgens hem geen eed hadden mogen afleggen ; dat die nietigheid evenmin ambtshalve is onderzocht door het hof van assisen, zodat die nietigheid, gesteld dat ze reëel is, gedekt is ;
Dat die onderdelen niet kunnen leiden tot cassatie en derhalve niet ontvankelijk zijn ;
Wat het tweede onderdeel betreft :
Overwegende dat eiser de politiemaatregelen bekritiseert die zijn genomen om de veiligheid te verzekeren van twee getuigen die op de terechtzitting van 19 november 2003 zijn verschenen ;
Overwegende dat het onderdeel, dat geen verband houdt met het bestreden arrest, niet ontvankelijk is ;
Over het door G. D. M. aangevoerde zeventiende middel en over het vijfde, door R. T. aangevoerde middel :
Overwegende dat de middelen, in zoverre ze het bevel van de stafhouder van de orde van advocaten van de balie van Luik aanklagen, krachtens welke de raadslieden van de eisers een afschrift van een stuk uit het strafdossier dienden af te geven, geen verband houden met het bestreden arrest en dus niet ontvankelijk zijn ;
Overwegende, voor het overige, dat uit de processtukken niet blijkt dat de eisers, in een conclusie voor het hof van assisen, die afgifte hebben aangeklaagd als een belemmering van hun recht van verdediging of gevraagd zouden hebben dat hun een nieuw afschrift zou worden toegekend ;
Dat de middelen, die niet voor het eerst voor het Hof kunnen worden aangevoerd, wat dat betreft eveneens niet ontvankelijk zijn ;
Over het door G. D. M. aangevoerde achttiende middel en over het door R. T. aangevoerde zevende middel :
Overwegende dat, hoewel artikel 217 van het Gerechtelijk Wetboek, om op de lijst van de gezworenen te worden ingeschreven, alleen vereist dat de betrokkene ingeschreven is in het kiezersregister, dat hij de burgerlijke en politieke rechten geniet, dat hij volle dertig jaar en minder dan zestig jaar oud is en dat hij kan lezen en schrijven, en hoewel uit de artikelen 342 tot 345 en 347 tot 351 van het Wetboek van Strafvordering volgt dat de gezworenen hun verklaring over de schuld opmaken zonder hierover te beraadslagen met het hof, hieruit niet volgt dat het hof van assisen geen onafhankelijke en onpartijdige, bij wet opgerichte rechterlijke instantie zou zijn in de zin van artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, of dat het vermoeden van de onschuld van de beschuldigde er niet wettig kan worden weerlegd ;
Dat de middelen falen naar recht ;
Over het door G. D. M. aangevoerde negentiende middel en over het door R. T. aangevoerde twaalfde middel :
Overwegende dat België, op 21 april 1983, bij het neerleggen van de bekrachtigingsoorkonde van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, het voorbehoud heeft gemaakt dat paragraaf 5 van artikel 14 van dat verdrag niet zou worden toegepast op personen die krachtens de Belgische wet rechtstreeks worden verwezen naar een hoger rechtscollege zoals, met name, het hof van assisen ;
Dat de middelen, in zoverre ze dat voorbehoud bekritiseren, geen verband houden met de bestreden beslissing en dus niet ontvankelijk zijn ;
Overwegende, voor het overige, dat noch artikel 6 noch artikel 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden het recht op een rechtspraak in twee instanties waarborgen ;
Dat de middelen, wat dat betreft, falen naar recht ;
Over het door G. D. M. aangevoerde twintigste middel en over het door R. T. aangevoerde achtste en tiende middel :
Overwegende dat het tiende middel van R. T., in zoverre het aanvoert dat eiser, als gevolg van zijn opsluiting op de vooravond van de opening van het debat, niet vrij met zijn raadsman heeft kunnen communiceren, niet ontvankelijk is, aangezien uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan niet blijkt dat die eiser voor het hof van assisen geconcludeerd heeft tot miskenning van het recht om over de nodige middelen te beschikken voor de voorbereiding van zijn verdediging ;
Overwegende, voor het overige, dat het, overeenkomstig de artikelen 337, 338 en 339 van het Wetboek van Strafvordering, aan de jury staat te beoordelen of de haar voorgelegde bewijzen een toereikende grondslag vormen voor haar overtuiging aangaande de schuld, waarbij zij haar desbetreffende beslissing uitdrukt door alleen bevestigend of ontkennend te antwoorden op de haar gestelde vragen overeenkomstig de artikelen 337, 338 en 339 van het Wetboek van Strafvordering ;
Dat de artikelen 6.1 en 6.3, b, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 14.3, b, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, alsook artikel 149 van de Grondwet, zelfs als ze samen gelezen worden met de voormelde verdragsbepalingen, de jury geenszins verplichten om haar antwoorden met redenen te omkleden ;
Dat de middelen, wat dat betreft, falen naar recht ;
Over het door G. D. M. aangevoerde éénentwintigste middel en over het door R. T. aangevoerde dertiende middel :
Overwegende dat de middelen, in zoverre zij afgeleid zijn uit de miskenning van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en 6.1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, zonder aan te geven waarin die miskenning bestaat, niet ontvankelijk zijn bij gebrek aan nauwkeurigheid ;
Overwegende, voor het overige, dat artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden geen onafhankelijk bestaan heeft, in zoverre die bepaling alleen kan worden aangevoerd met betrekking tot het genot van de rechten en vrijheden die worden erkend in dat verdrag en in de aanvullende protocols die uitwerking hebben in de interne rechtsorde ;
Dat voormelde teksten noch de motivering van de schuldverklaring, noch de rechtspleging in twee instanties, noch de verschijning voor gerechten die uitsluitend zijn samengesteld uit permanente magistraten, vereisen ;
Overwegende, ten slotte, dat de onaantastbare bevoegdheid van de volksjury, die overigens beperkt wordt door de artikelen 351, 352, 364 en 364bis van het Wetboek van Strafvordering, en die tevens tot gevolg heeft dat tegen vrijspraak geen enkel rechtsmiddel kan worden aangewend, tussen de beschuldigden en de beklaagden geen arbitraire ongelijkheid van behandeling invoert in de zin van voormeld artikel 14 ;
Dat de middelen, wat dat betreft, falen naar recht ;
En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissingen overeenkomstig de wet zijn gewezen ;
OM DIE REDENEN
HET HOF,
Verwerpt de cassatieberoepen ;
Veroordeelt elke eiser in de kosten van zijn cassatieberoep of cassatieberoepen.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door eerste voorzitter Marc Lahousse, de raadsheren Christian Storck, Jean de Codt, Albert Fettweis en Benoît Dejemeppe, en in openbare terechtzitting van zestien juni tweeduizend en vier uitgesproken door eerste voorzitter Marc Lahousse, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van eerstaanwezend adjunct-griffier Fabienne Gobert.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Luc Huybrechts en overgeschreven met assistentie van griffier-hoofd van dienst Karin Merckx.
De griffier-hoofd van dienst, De raadsheer,