Hof van Cassatie - Arrest van 19 maart 2010 (België)

Publicatie datum :
19-03-2010
Taal :
Frans - Nederlands
Grootte :
5 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20100319-5
Rolnummer :
C.08.0113.F

Samenvatting

Het pensioen dat krachtens de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen wordt toegekend aan de tot het pensioen toegelaten persoon, ook al blijkt hij niet in staat te zijn zijn ambt te blijven uitoefenen, is verschuldigd wegens zijn dienstprestaties als bij de overheid benoemde ambtenaar en vormt geen herstel van schade; wanneer een dergelijke persoon aldus het slachtoffer is van een door een derde veroorzaakt ongeval, hebben zijn recht op de vergoeding van de geleden schade en zijn recht op het pensioen noch dezelfde oorzaak, noch hetzelfde voorwerp en is de cumulatie ervan bijgevolg geoorloofd (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2010, nr ...

Arrest

Nr. C.08.0113.F

ETHIAS, onderlinge verzekeringsvereniging,

Mr. Lucien Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

H. V.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de vonnissen, op 11 mei en 2 november 2007 in hoger beroep gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Philippe de Koster heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 2 en 3 van de algemene wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden vonnis van 11 mei 2007 doet uitspraak over de blijvende materiële schade en oordeelt daarbij dat er geen grond bestaat om het vervroegd rustpensioen af te trekken van de bedragen die aan de verweerster dienen te worden toegekend als herstel van de blijvende vermindering van haar arbeidsgeschiktheid en, bijgevolg, veroordeelt het bestreden vonnis van 2 november 2007 de eiseres tot betaling aan de verweerster van de bedragen van 7.096,42 euro, te vermeerderen met de compensatoire interest vanaf de gemiddelde datum van 10 februari 2005 tot 2 november 2007, voor de periode van 1 april 1996 tot 31 december 1997, 43.759 euro, te vermeerderen met de compensatoire interest vanaf de gemiddelde datum van 25 december 2001 tot 2 november 2007, voor de periode van 1 januari 1998 tot 1 oktober 2007, en 64.396,626 euro voor de periode na 1 oktober 2007.

Het bestreden vonnis van 11 mei 2007 baseert zijn beslissing op de onderstaande overwegingen:

" 7. De materiële schade waarvoor (de verweerster) thans vergoeding vordert, bestaat in de vermindering van haar economische waarde op de arbeidsmarkt, die zij uitdrukt in een percentage (dat van de blijvende ongeschiktheid zoals die voortvloeit uit het deskundigenverslag, zijnde 35 pct. van het inkomen) dat zij voor haar ongeval ontving.

(...) 12. Teneinde de kwestie te beslechten die aan de rechtbank wordt voorgelegd, moet eerst worden bepaald waarmee het aan de rijksambtenaren betaalde rustpensioen overeenstemt.

(...) 13. Daaruit volgt dat het aan (de verweerster) toegekende vervroegde rustpensioen bestaat in een inkomen dat haar op een ongepast tijdstip, wordt toegekend, vanaf de inrustestelling, als tegenprestatie voor de tijdens haar beroepsloopbaan verleende diensten en zulks, teneinde te beletten dat de administratie verplicht wordt ambtenaren in dienst te houden die niet langer in staat zijn hun ambt te vervullen en te vermijden dat die ambtenaren in armoede leven omdat hun gezondheidstoestand hun niet langer toestaat hun ambt te vervullen.

Het vervroegde rustpensioen dat zij geniet vertegenwoordigt dus geenszins de huidige arbeidsgeschiktheid van (de verweerster) maar wel uitsluitend de tegenprestatie van haar vorige arbeidsgeschiktheid.

Het feit alleen dat dit rustpensioen valt onder de categorie ‘vervangingsinkomens' (...) heeft niet tot (gevolg) dat daarom automatisch dezelfde redenering moet worden gevolgd als die van (de eiseres).

Zodoende wordt de aan de door een ongeval getroffene die tot de privésector en niet tot de overheidssector behoort en die werkloosheidsuitkering geniet - die eveneens een vervangingsinkomen bij uitstek vormt - toegekende vergoeding die hij vordert voor de blijvende verminderde arbeidsgeschiktheid, niet van die uitkering afgetrokken alleen maar omdat hij een vervangingsinkomen ontvangt (...).

14. Dat vervroegde rustpensioen beoogt niet de schade te herstellen die (de verweerster) zou hebben geleden ten gevolge van het ongeval, maar heeft zijn oorzaak in de wetgeving betreffende het ambtenarenstatuut.

De redenering van het Hof van Cassatie in zijn arrest van 21 april 2006, (...) waarnaar (de eiseres) in (...) haar conclusies verwijst, kan niet naar dit geval worden uitgebreid aangezien zij gebaseerd is op een specifieke wet betreffende het rustpensioen dat militairen kunnen ontvangen en die wet geen gelijkenis vertoont met de wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen".

Het vonnis van 2 november 2007 baseert zijn beslissing op de onderstaande overwegingen:

"3. De rechtbank was van oordeel dat het vervroegde rustpensioen niet in aanmerking genomen moest worden bij de bepaling van de vergoeding die aan (de verweerster) moest worden toegekend als herstel van de blijvende vermindering van haar arbeidsgeschiktheid.

(...) A. Voor de periode van 1 april 1996 tot 30 september 2007

Voor die periode waarin (de verweerster) sinds 1 januari 1998 onder de loonschaal van de graad 30C viel, moeten er twee tijdvakken worden onderscheiden:

- dat vanaf 1 april 1996 tot 31 december 1997

Tijdens die periode moet worden verwezen naar het netto-inkomen van het jaar 1992, namelijk 965,56 euro per maand.

De vergoeding voor blijvende ongeschiktheid tijdens die periode kan bijgevolg als volgt worden bepaald: 965,56 euro x 21 (maanden) x 35/100 = 7.096,42 euro. (...)

- dat vanaf 1 januari 1997 (lees 1998) tot 1 oktober 2007

Het loon dat (de verweerster) tijdens die periode had moeten ontvangen, bedraagt 125.028 euro, wat niet wordt betwist.

De vergoeding voor blijvende arbeidsongeschiktheid van (de verweerster) bedraagt voor die periode dus 125.028 euro x 35/100 = 43.759 euro.

(...) B. Voor de periode na 1 oktober 2007

(...) De vergoeding die is verschuldigd voor blijvende economische ongeschiktheid tijdens die periode bedraagt dus 16.308 x 11,282215 x 35/100 = 64.396,626 euro".

Grieven

Krachtens artikel 1 van de algemene wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen kan aan ambtenaren die, ingevolge een vaste benoeming of ingevolge een door of krachtens de wet daarmee gelijkgestelde benoeming, deel uitmaken van het algemene bestuur en uit de Staatskas worden bezoldigd, pensioen worden verleend op de leeftijd van vijfenzestig jaar en na twintig jaar dienst.

Krachtens artikel 2 van die wet kunnen personen als bedoeld in artikel 1, die, bij een vaste benoeming of bij een door of krachtens de wet daarmee gelijkgestelde benoeming, met een hoofdbetrekking zijn bekleed, ongeacht hun leeftijd of diensttijd, worden gepensioneerd wanneer zij blijken niet in staat te zijn om hun ambt te blijven uitoefenen.

Artikel 3, eerste lid, van dezelfde wet luidt als volgt: "Uit hoofde van een bijbetrekking kan pensioen wegens ongeschiktheid niet worden verleend dan na ten minste tien jaar dienst".

Uit die bepalingen volgt dat het vervroegd rustpensioen dat wordt toegekend aan een ambtenaar die blijkt niet in staat te zijn om zijn ambt te blijven uitoefenen een vergoeding is van zijn arbeidsongeschiktheid en dus een vergoedingsfunctie heeft.

Aldus wordt het invaliditeitsrisico in de overheidssector gedragen door het pensioenstelsel, terwijl hetzelfde risico, in de privésector wordt verzekerd in het kader van de regeling betreffende de ziekte- en invaliditeitsverzekering.

Bijgevolg vergoedt de Staat de blijvende arbeidsongeschiktheid van de ambtenaar wanneer hij wegens een lichamelijke ongeschiktheid in de zin van de artikelen 2 en 3 van de wet van 21 juli 1844 een pensioen betaalt aan een ambtenaar die gewond raakt in een ongeval dat te wijten is aan de fout van een derde dat leidde tot een vermindering van de economische waarde van de getroffene op de arbeidsmarkt.

Krachtens de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek impliceert de volledige vergoeding van een getroffene voor een schadeveroorzakende fout of nalatigheid de verplichting om de getroffene opnieuw in de toestand te plaatsen waarin hij zou hebben verkeerd indien de derde hem die schade niet had berokkend. Wanneer het bedrag moet worden bepaald van de vergoeding naar gemeen recht, moet er dus rekening worden gehouden met het geheel van de verschillende vergoedingen die ten gevolge van de schade aan de getroffene zijn uitgekeerd en die hij zonder de schadeveroorzakende fout, nooit zou hebben ontvangen.

De cumulatie van die vergoedingen is slechts geoorloofd wanneer die vergoedingen noch dezelfde oorzaak, noch hetzelfde voorwerp hebben.

Ook al wordt het vervroegd rustpensioen in de zin van de artikelen 2 en 3 van de wet van 21 juli 1844 toegekend ingevolge het wettelijk stelsel van de ambtenarenpensioenen, toch vindt het zijn oorzaak in het stelsel van de ziekte- en invaliditeitsverzekering, zoals het van toepassing is op de ambtenaren,, in zoverre de artikelen 2 en 3 van de wet van 21 juli 1844 de vergoeding van de lichamelijke ongeschiktheid van de ambtenaar regelen.

Bovendien, in zoverre het vervroegd rustpensioen in de zin van de voornoemde artikelen ertoe strekt de ambtenaar te vergoeden voor het feit dat hij op blijvende wijze niet langer in staat is zijn ambt uit te oefenen, net zoals de gemeenrechtelijke vergoeding voor blijvende materiële schade ertoe strekt de getroffene voor die schade te vergoeden, hebben die vergoedingen hetzelfde voorwerp.

In deze zaak stond het vast en werd niet betwist dat de verweerster tot het vervroegd pensioen was toegelaten wegens lichamelijke ongeschiktheid ten gevolge van een ongeval dat veroorzaakt was door een, door de eiseres verzekerde, derde en dat, zonder dat ongeval, dat pensioen haar niet zou zijn toegekend.

De eiseres, die de materiële schadevergoeding zoals die door de verweerster werd gevorderd wegens haar verminderde economische waarde op de arbeidsmarkt diende te vergoeden, mocht dus wettig het bedrag van het pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid aftrekken van de vergoedingen die naar gemeen recht waren verschuldigd als herstel van de materiële schade ten gevolge van haar blijvende arbeidsongeschiktheid.

Door te beslissen dat "het vervroegde rustpensioen dat zij geniet (...) dus geenszins de huidige arbeidsgeschiktheid van (de verweerster) (vertegenwoordigt) maar wel uitsluitend de tegenprestatie van haar vorige arbeidsgeschiktheid" en dat het "vervroegde rustpensioen niet beoogt de schade te herstellen die (de verweerster) zou hebben geleden ten gevolge van het ongeval", terwijl, in de overheidssector het invaliditeitsrisico gedekt wordt door het pensioenstelsel en het vervroegde pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid ertoe strekt het risico op blijvende invaliditeit van de ambtenaar te vergoeden, miskent het bestreden vonnis van 11 mei 2007 de aard van het aan de verweerster toegekend pensioen en schendt het, bijgevolg, de artikelen 2 en 3 van de wet van 21 juli 1844.

De vernietiging van het bestreden vonnis van 11 mei 2007 leidt de vernietiging van het vonnis van 2 november 2007, dat het vervolg ervan is.

Door aan te nemen dat de cumulatie door de verweerster van haar vervroegd rustpensioen met gemeenrechtelijke vergoedingen die hetzelfde voorwerp hebben, namelijk de vergoeding van verweersters " blijvende verminderde arbeidsgeschiktheid", neemt het bestreden vonnis van 11 mei 2007 aan dat aan de verweerster een vergoeding wordt toegekend die hoger ligt dan de schade die zij heeft geleden, en schendt het bijgevolg de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek.

Het bestreden vonnis 2 november 2007 dat de vergoeding van de verweerster, berekent zonder rekening te houden met het rustpensioen dat zij geniet, kent bijgevolg aan de verweerster een vergoeding toe die hoger ligt dan de schade die zij heeft geleden, en schendt bijgevolg de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek.

(...)

III BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Artikel 1, eerste lid, van de wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen bepaalt dat aan magistraten, ambtenaren en personeelsleden, die, ingevolge een vaste benoeming of ingevolge een door of krachtens de wet daarmee gelijkgestelde benoeming, deel uitmaken van het algemene bestuur en uit de Staatskas worden bezoldigd, pensioen kan worden verleend op de leeftijd van vijfenzestig jaar en na twintig jaar dienst.

De artikelen 2 en 3 van die wet bepalen dat de voornoemde personen die, ongeacht hun leeftijd blijken niet in staat te zijn hun ambt te kunnen blijven uitoefenen, eveneens gepensioneerd kunnen worden, voor zover zij voldoen aan de voorwaarde van dienstanciënniteit wanneer die vereist is.

Het pensioen dat krachtens die bepalingen wordt toegekend aan de tot het pensioen toegelaten persoon, ook al blijkt hij niet in staat zijn ambt te kunnen blijven uitoefenen, is verschuldigd wegens zijn dienstprestaties als bij de overheid benoemde ambtenaar en vormt geen herstel van schade.

Wanneer een dergelijke persoon aldus het slachtoffer is van een door een derde veroorzaakt ongeval en wegens lichamelijke ongeschiktheid in ruste wordt gesteld, hebben zijn recht op de vergoeding van de geleden schade en zijn recht op het pensioen noch dezelfde oorzaak, noch hetzelfde voorwerp en is de cumulatie ervan bijgevolg geoorloofd.

Het middel, dat van het tegenovergestelde uitgaat, faalt naar recht.

(...)

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis van 2 november 2007 in zoverre het de eiseres veroordeelt tot betaling aan de verweerster van 68.924,28 euro in hoofdsom en uitspraak doet over de kosten.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding wordt gemaakt in de rand van het gedeeltelijk vernietigde vonnis.

Veroordeelt de eiseres in de helft van de kosten; houdt de overige kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Nijvel, zitting houdende in hoger beroep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, de raadsheren Didier Batselé, Christine Matray en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 19 maart 2010 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Philippe de Koster, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Robert Boes en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,